Skip to content

Elke tong zal belijden dat Jezus Christus de Heer is, tot heerlijkheid van God de Vader.

VERHUIZEN NAAR EEN ANDERE SITE

WE GAAN VERHUIZEN!

nee, we blijven lekker wonen in IJmuiden maar deze site gaat over naar:

http://www.koinoniabijbelstudie.org

Je zult je opnieuw moeten abonneren op de nieuwe site…

Tot ziens! koinonia-bijbelstudies-werkplaats-voor-bijbelstudie-en-theologische-kritiek

 

Meer van de Bijbel houden dan van mensen?

Het zal je maar gezegd worden: je houdt meer van de Bijbel dan van mensen. Je vindt de uitleg van Gods Woord belangrijker dan het prettige gevoel van je gemeenteleden. Je past je niet aan aan hun gevoelens en behoeften, maar je predikt het Woord ook tégen het gevoel van de gemeente in. Wat een diep en zwaar verwijt.

Het lijkt inderdaad een zwaar verwijt te zijn, dat een mens meer zou houden van de Bijbel dan van de mensen. Maar laten we dit verwijt eens “uitpakken” en zien wat er inzit. Twee zaken worden met elkaar vergeleken: mensen om wie je zou moeten geven en de Bijbel als een boek dat je kunt liefhebben of zelfs vereren. Het oordeel lijkt zo helder. Natuurlijk hou je in de eerste plaats van mensen en die liefde – opdracht nummer 1 in het Christendom, de liefde tot de naaste, tot de nabijen en verren, tot de mens die geschapen is naar Gods beeld, tot de broeder en zuster in de gemeente – mag niet in gevaar komen door een liefde tot de Bijbel. Die liefde motiveert dat het “goede gevoel” van die mensen niet mag worden bedreigd door een insisteren op Bijbelse gedachten en voorschriften. Laat mensen toch in hun “waarde”. Niemand mag je de Bijbel “opdringen”. Dat is immers alleen “boekverering”, de protestantse afgoderij van een bibliolatrie.

Dit lijkt geheel en al vanzelfsprekend en als verwijt dodelijk. Hoe kun je dat nu anders zien? De liefde voor een boek is immers nooit meer dan een liefde tot een voorwerp, een tekst. Mensen zijn altijd meer waard dan voorwerpen. En dat is toch, zo schijnt het, precies wat de Bijbel leert. De Bijbel vraagt geen liefde voor ziczhelf en kan geen liefde terug geven. Juist dat boek laat de liefde tot de naaste tot zijn recht komen en stelt het vastberaden op de eerste plaats. Die liefde tot de mens, tot de naaste, is dat niet het doel van de Bijbelse opdracht?  Daarmee bevestigt dat boek iets wat we op een of andere manier ook intuïtief wel begrijpen en weten. Het gebod tot de liefde voor mijn naaste fundeert heel mijn persoonlijke en morele leven.

Maar wat motiveert deze stelling? Met name als het in de vorm van een verwijt wordt uitgesproken zit er een bedoeling achter. Als je het heel concreet wilt maken, zou je kunnen zeggen, dat het gaat om gedrag dat volgens de regels verloopt, tegenover een gedrag dat volledig wordt gemotiveerd door liefde. Stel dat je in het verkeer wilt optrekken met je auto zodra het verkeerlicht op groen springt. Je mag dan immers doorrijden. Maar stel dat net op dat moment een kind de straat begint over te steken. Liefde tot de naaste vereist dat je stil blijft staan tot het kind de overkant heeft bereikt. Liefde tot de regels zou betekenen dat je ondanks het gevaar voor dat kind vol gas geeft, omdat het “boek” van de verkeersregels je daar toestemming voor geeft. Op een dergelijke manier wordt, denk ik, de stelling ingevuld, dat je niet méér van de Bijbel mag houden dan van mensen.

Het is echter maar de vraag of deze stelling niet op misleidende manier twee grootheden tegenover elkaar plaatst en maar al te makkelijk een voorkeur voor één van beide tegendelen uitspreekt. Ze vroegen eens aan de beroemde rabbi Akiba (die leefde rondom het eind van de eerste eeuw) wat belangrijker was, de studie van de Torah of de geboden van de armenzorg, d.w.z. van de naastenliefde. Het antwoord van Akiba was: de studie van de Torah, van de Bijbel dus. (Talmoed Torah ke-neged koelam.) Waarom? Omdat de studie van de Torah leidt tot de gehoorzaamheid aan de geboden, inclusief die geboden die met naastenliefde te maken hebben. Daarom weegt de studie van de Torah op tegen het gewicht van al die andere geboden. De studie van de Bijbel is zelfs de voorwaarde van het nauwkeurig vervullen van de andere geboden.

Omgekeerd is een opdracht tot naastenliefde die buiten de Torah om gegeven wordt, van bedriegelijke aard. Waarom? Omdat de aanname is dat we zonder het horen van de geboden, vanuit een diep gevoelsleven en van nature tot die naastenliefde in staat zijn. Omdat we menen te weten wat die naastenliefde van ons vraagt, ook zonder een beroep te doen op de nauwkeurige leefregels die Gods openbaring ons geeft. De gedachte dat liefde voor mensen een spontaan gevoel moet blijven, een vorm is van sentiment, is heidendom bij uitstek. Het is een naastenliefde die ongeregeld en zonder instructie van buiten af –  behalve de betiteling “naastenliefde” –  niet vraagt naar wie de naaste is, die niet vraagt wat liefde is, die niet vraagt op welke wijze de naaste moet worden liefgehad. En dan wel claimt dat alleen dit spontane gevoel bij machte is het gebod tot de naastenliefde te vervullen – dat alles is heidendom.

Een dergelijke benadering van de christelijke ethiek heeft zijn theologische wortels in een misvatting over de relatie die een mens met God verbindt. Hier doet zich in onze traditie de enorme kracht voelen die van het piëtisme is uitgegaan. Alle waarheid werd hier nadrukkelijk verplaatst naar de sfeer van het sentiment, van de beleving, de dóórleving van ideeën. De relatie tussen God en mens is een sentimentele gemeenschap, een communicatie in de innerlijkheid, met een geïncarneerde liefde – die niets anders is dan liefde. Naar zijn uiterste consequentie genomen brengt deze benadering ons bij de vrijzinnige theologie van Schleiermacher aan het begin van de 19e eeuw, waarin de godsrelatie wordt gereduceerd tot een gevoel van diepe afhankelijkheid. Niet Degene van wie we afhankelijk zijn staat primair, maar dit gevoel zelf in onze innerlijkheid. En langs die weg was het niet moeilijk de volgende stap te zetten, namelijk die van een “godheid” die alleen nog als literaire fictie, als projectie en constructie van menselijke verlangens en strevingen kon worden begrepen. Zo brengt Von Zinzendorf de piëtist ons via Schleiermacher naar Feuerbach en Nietzsche.

De Bijbel leert ons iets anders. De openbaring van God zelf is woord, is instructie, is onderwijs. Het is een communicatie van Geest tot geest. Het hart als de zetel van onze gevoelens en wilsvermogen, is de plaats waar dit onderwijs wordt ontvangen, niet de bron waaruit het ontspringt. Gods openbaring stelt van boven en van buiten af grenzen aan onze spontane vrijheid. Het gebod zegt, dat we niet mogen eten van de boom van de kennis van goed en kwaad – wat in ieder geval de eeuwige strekking heeft dat de mens niet over het onderscheid van goed en kwaad beschikt. Of een handeling goed of kwaad is, hangt niet af van onze morele inschatting. Bovendien is het gebod de uitdrukking van een goddelijke macht die ons ook in staat stelt om eraan te gehoorzamen. De gehoorzaamheid aan het gebod komt niet voort uit ons eigen geestelijk vermogen. Die les gaat nog uit boven het inzicht dat de geboden ons zeggen wat en hoe we moeten handelen. De “rechtvaardige eis van de wet”, zegt Paulus, “wordt vervuld in ons die naar de Geest wandelen en niet naar het vlees.” De christelijke moraal is zo twee stappen verwijderd van de heidense voorkeur voor innerlijke spontaneïteit en vrije beschikking over goed en kwaad. In de eerste plaats omdat we handelen in gehoorzaamheid aan het gebod, en in de tweede plaats omdat die gehoorzaamheid geen mogelijkheid is van het natuurlijke leven – van het vlees in Paulus’ terminologie – maar een leven “volgens de Geest” betreft.

Waarom moeten we dus juist wel méér van de Bijbel houden dan van mensen? Juist omdat we het gebod op de naastenliefde willen vervullen tegenover de naaste, moeten we ook méér van de Bijbel houden dan van mensen. Zonder die Bijbel is de naaste hooguit het voorwerp van respect, van onze “achting” (Kant) die uit ons natuurlijke vermogen voortvloeit. Zonder de openbaring dat ik de naaste moet liefhebben “als mijzelf”, wordt de reikwijdte van dat gebod niet openbaar, dat hier juist radicaal de zorg voor de naaste op één lijn stelt met alles wat ik spontaan voor mijzelf zou doen. Zeker kan ik spontaan de mij niet bedreigende naaste, de mij vertrouwde naaste, die is “zoals ik”,  liefhebben maar dan wel in de juiste rangorde: eerst kom ik zelf, dan mijn familie en vrienden, dan mijn eigen volk en daarna de vreemdeling. Het goddelijk gebod beveelt mij die naaste echter te zien als “iedereen” die mij concreet nabij is, en vergt van mij die ander in mijn zorg op te nemen zoals ik dat  – vrijelijk en spontaan – ook voor mijzelf zou doen. Als ik de Bijbel niet méér liefheb dan ik spontaan en vanuit mijn natuur de mensen liefheb, komt er niets terecht van deze verregaande gelijkstelling van de naaste en mijzelf.

Is een liefde die ik “uitwerk” in mijn gedrag op grond van een gebod wel de moeite waard? Moeten we niet altijd zeggen dat liefde niet geboden kan worden, omdat het een vrije en spontane daad van de innerlijke mens betreft? Maar is dat zo? Hangt de keuze van doorrijden bij het verkeerslicht af van het gevoel van dat moment? Of is er een regel die zegt dat ik altijd in het verkeer bedacht moet zijn op de mogelijke schade voor een ander en dat geen enkele regel daarmee in strijd kan zijn? Handel ik verkeerd als ik volgens die regel handel omdat ik het niet spontaan doe, maar op grond van mijn respect voor de Wet? Heidendom meent van wel. Als ik niet langer verliefd ben op mijn vrouw, ligt een scheiding voor de hand. Beter ook voor alle partijen. Of is de belofte die ik deed bij mijn huwelijk van hogere waarde dan mijn wisselende gevoelens? Zeker is het Bijbels gezien zo, dat de geboden mij inzicht geven in de waarde van mijn ervaringen en niet omgekeerd. Mijn ervaring is de manier waarop ik de openbaring ontvang en niet de bron ervan. Zo is mijn geweten de vorm waarin ik mij van Gods gebod bewust ben, en opnieuw niet de bron van de onderscheiding van goed en kwaad.

Tenslotte: er is nog iets ander mis met de stelling dat ik de Bijbel niet méér mag liefhebben dan de mensen. Moet ik niet in de eerste plaats het gebod volgen dat mij opdraagt de Heere God lief te hebben met heel de inzet van mijn vermogens? Met geheel mijn hart, geheel mijn ziel, geheel mijn verstand, geheel mijn vermogen? Dat is immers het eerste gebod, dat de gehoorzaamheid aan de andere geboden pas mogelijk maakt. Maar houdt dat ook niet in de eerste plaats in, dat ik het Woord dat deze God gesproken heeft en mij als instructie ten leven heeft geschonken, moet liefhebben bovenal? In ieder geval leert ons Psalm 119 dat wij “begeerte” moeten hebben “tot Gods bevelen” (v. 40), en dat ik mij moet vermaken “in Uw geboden die ik liefheb (v. 47).” De Psalmist roept het uit: “Hoe lief heb ik Uw Wet!” (v. 97), “Zie aan, dat ik Uw bevelen liefheb, o HEERE!” (v. 159). Alleen degenen die “kwade praktijken” najagen, “wijken verre van Uw Wet” (v. 150).”

Moeten we niet meer naar God luisteren dan naar de mensen? Waarom wordt er geclaimd dat we de mensen méér moeten liefhebben dan de Bijbel? Omdat de Bijbel in de ogen van wie dit zeggen niet meer het Woord van God is. Omdat het besef is weggevloeid, dat we niet op de heidense weg staan van een spontane en vrije ethiek van het gevoel, maar op de weg van de gehoorzaamheid van de “rechtvaardige eis” van de Wet in een wandel naar de Geest. Omdat we het Nieuwe Testament uitspelen tegen het Oude en daardoor een opening creeëren voor het heidendom dat diep in onze westerse cultuur is ingebakken en door een oppervlakkige kerstening nooit is verdwenen. God is Zelf Zijn Woord; Christus is de unieke, funderende en uiteindelijke gestalte van Zijn Woord. Hij vervulde de Wet in Zijn gehoorzame leven en maakte zo zichtbaar wat de Wet van ons allen vraagt. Wat we nodig hebben is niet de heidense zelfoverschatting die de Bijbel negeert en op spontane liefde vertrouwt, maar de geestelijke discipline van de gehoorzaamheid, d.w.z. het horen, het inscherpen, het in het hart houden, het overdenken en bespreken van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, het uitwerken van dat Woord aan de poorten van de stad, zodat ook ons maatschappelijk handelen er door wordt bepaald (zie Deut. 6:4-9). In het nieuwe verbond wordt de externe wet tot de innerlijke inhoud van het hart. De Wet wordt geschreven in het hart en is niet langer (alleen) present in de vorm van stenen tafelen. (Zie Jer. 31)

Kortom: we moeten méér van God houden dan van de naaste, en ik zou zeggen: juist ter wille van die naaste. Want die naaste verdient een zorgzame liefde die ver uitgaat boven wat onze spontane vrije keuzes hem willen schenken. De naaste liefhebben als mijzelf is niet de richting die mijn spontane vrijheid opgaat. We moeten méér van de Bijbel houden dan van de mensen. Waarom? Omdat liefde tot Gods Woord leidt tot de ware liefde tot de naaste. Alleen een dienaar van het Woord kan een dienaar van mensen zijn.

Harde woorden over Oud en Nieuw

DISCLAIMER: De volgende tekst doet een beroep op uw kritisch vermogen en uw verstand. Als u liever op alles reageert vanuit uw gevoel, is dit geen geschikte tekst voor u. Wij raden u in dat geval af verder te lezen.

Meer lezen…

Zizek begrijpt meer van God dan de atheïsten

Met zijn ondertrouwde vrouw die zwanger was

Het probleem is heel simpel. Als Jozef nog niet getrouwd was met Maria, zou deze nog bij haar ouders wonen. Maar Lukas meldt ons in Luk. 2 dat Jozef naar Bethlehem reisde met zijn ondertrouwde vrouw.

Mattheus meldt ons dat Jozef – na in een droom door Gabriel te zijn ingelicht over de oorzaak van de zwangerschap – dat Jozef geen gemeenschap met Maria had totdat zij haar kind gebaard had. Dat mogen we toch zo lezen dat Jozef pas na de geboorte van Jezus met Maria getrouwd is. 

Wat is het nu? Was Jozef met Maria getrouwd voordat Jezus geboren werd, zodat zij als zijn vrouw mee kon gaan naar Bethlehem? Maar waarom spreekt Lukas dan van een ondertrouwde vrouw? Of was hij niet getrouwd met Maria voor de geboorte van Jezus? Maar dan is de vraag waarom Maria niet woonde bij haar vader Eli totdat Jozef haar trouwen zou.

Zit hier een verborgen tragedie achter? Heeft Eli zijn dochter Maria verstoten vanwege haar zwangerschap en haar daarmee aan de zorg van Jozef overgelaten? Het is eigenlijk de enige plausibele reden die ik ken. 

Kennen jullie nog een andere uitleg?

Maria’s Lofzang – preek over de aankondiging van Jezus’ geboorte en Maria’s reactie

Hoe werkt de nieuwe website?

Info over de nieuwe website: www.koinoniabijbelstudie.org

De Bijbel is Gods Woord, en daarom nuttig om te onderwijzen, te weerleggen, te vermanen, en op te voeden in de gerechtigheid. (2 Tim. 3:16) Daarom is het voor ons dagelijks leven zo nodig om de Bijbel te lezen en zijn diepe betekenis te doorgronden. Omdat het Woord van God de maatstaf is van de waarheid, moeten we elke gedachte en stroming en beweging in de kerk en daarbuiten meten en toetsen aan het Woord. (2 Kor. 10:5) Dat is mijn missie. En dit is mijn werkplaats voor dat alles. Tot eer van Christus alleen!

Fragmenten preek 3e advent

Bereidt de weg van de Heere – over Jes. 40:3-11

Een stem van iemand die roept in de woestijn: Bereidt de weg van de Heere, maak recht in de wildernis een gebaande weg voor onze God" (Jes. 40:3)

Hoe wordt dan gesproken tot het hart van Jeruzalem? Hoe wordt deze aankondiging van troost nu voortgezet in een schildering van de wijze waarop de Troost komen zelf? Eerst is er nog alleen maar een stem van iemand die roept in de woestijn. Alleen degene die beseffen dat zij in de woestijn zijn, kunnen die stem horen. Zo moest Juda eerst uit Jeruzalem wegtrekken om zich geestelijk weer in de ballingschap te plaatsen – of zich weer voor te stellen hoe het was in de woestijn bij de Exodus. En dan kwamen ze uit bij Johannes de Doper. Ze moesten afstand nemen van hun vanzelfsprekendheden en hun morele en religieuze trots.

In de ballingschap horen de ballingen een stem die roept in de woestijn. Wanneer Johannes die tekst toepast op het Israël van zijn tijd, heeft dat een belangrijke betekenis. Het Jeruzalem van zijn tijd is nog steeds een plaats van ballingschap. Jeruzalem is in een geestelijke ballingschap. De weg van het herstel loopt door de woestijn tussen Babel en Jeruzalem in de tijd van Jesaja. Maar zo loopt het geestelijk in de tijd van Johannes tussen het Jeruzalem dat zucht onder de macht van Rome, via de woestijn naar het hemelse Jeruzalem.

Wat roept deze stem? Het is een oproep om de weg van de Heere voor te bereiden. Het is geen onmiddellijke oproep om terug te keren naar het land. Het gaat nog niet om het wegtrekken uit Babel, maar om de komst van de Heere naar de plaats van de ballingschap. Zoals bij de uittocht uit Egypte de Heere voorop ging, om Zijn volk thuis te brengen, zo ook hier. In Babel wisten de Joden dat God hen verlaten had. De voorwaarde dus van deze nieuwe uittocht uit Babel, is dat de Heere eerst terugkeert. Terugkeert langs een koninklijke weg, en dat kan niet zonder de inspanning van de ballingen zelf.

Er is een voorbereiding nodig op de komst van deze heer – zo is ook de prediking van Johannes de Doper. En die voorbereiding wordt aangeduid met een beeld. Het was de gewoonte van koningen en prinsen in het Verre Oosten, om hun weg op een bijzondere wijze voor te bereiden. Hoogten werden afgegraven, laagten werden opgevuld. Zo kon iedereen later zien, dat deze weg door een koning was gebruikt. Duizenden dwangarbeiders waren daarvoor nodig. Alleen een rechte en effen weg was goed genoeg voor de koning. En die weg stond dan als een monument van Koninklijke macht voor komende generaties.

Als de koning komt bij de ballingen, kan Hij alleen gaan over rechte wegen. Wat betekent dat? Twee beelden lijken nu in elkaar geschoven te worden. Het volgen van de rechte weg is de opdracht voor het volk. Maar dat is tevens het voorbereiden van de rechte weg voor de Koning. Het volk moet zijn eigen wegen recht maken, ondanks de wildernis van de ballingschap waarin ze leven. Wat is nu een rechte weg? In deze geestelijke zin is een rechte weg een leven overeenkomstig Gods gebod. Een recht of zuiver pad moet worden bewaard, onthouden en steeds weer opnieuw gekozen als de enige juiste weg. "Waarmee houdt een jongeman zijn pad zuiver? Als hij dat bewaart overeenkomstig Uw woord" (Psalm 119:9). Als het gebod zegt gij zult niet stelen, dan is de rechte weg heel eenvoudig niet stelen. Wie zegt dat hij niet zal stelen tenzij de honger het noodzakelijk maakt, of het gemak het wenselijk maakt of de gelegenheid het makkelijk maakt, kiest een kromme weg. Daarom zegt Johannes dat een soldaat tevreden moet zijn met zijn soldij en niet moet roven; daarom zegt Johannes dat een belastinginner (tollenaar) niet meer moet eisen dan hem toekomt. Als het volk weer gaat leven volgens de geboden van de Heere, kan de Heere langs die rechte wegen tot Zijn volk komen. Hij kan komen waar Hij gediend wordt.

Wat betekent nu vers 4? Staat er nu: "Mogen alle dalen worden verhoogd"? Dan verwijst het naar het werk van het volk om de hoogten af te graven en de dalen te vullen. Dat klopt mooi met het beeld van het voorbereiden van de weg van de Koning. Of staat er: "Alle dalen zullen verhoogd worden"? Dat zou kunnen betekenen, dat de Heere zelf de obstakels voor een koninklijke weg zou wegnemen. De strijd is immers vervuld, en de ongerechtigheid van het volk is verzoend. Het voorbereiden van de weg van de Heere is dan alleen een "bekering" geworden, en niet een morele prestatie. Een ommekeer waardoor wij reikhalzend uitzien naar de Koning die komt. Dan is het de voorbereiding van het hart.

Als we het anders lezen, dan zou de komst van de Heere als voorwaarde hebben wat het volk doet. Maar is dat wel de bedoeling van de tekst? Vers 5 geeft een belofte zonder weerga en ook zonder voorwaarden. "De heerlijkheid van de Heere zal geopenbaard worden." En de reden daarvan staat er meteen bij, en het is niet de vernieuwde trouw van het volk. "Want de mond van de Heere heeft gesproken" (vers 5b).

De belofte van de Heere staat dus vast. Dat is Gods karakter. "God is geen mens dat Hij zou liegen; noch een Mensenzoon dat hij berouw zou hebben" (Numeri 23:19). Maar de beloften van de Heere komen in twee soorten. Toen de Heere beloofde dat Hij de mensheid nooit meer zou vernietigen door een vloed, is dat een belofte zonder voorwaarden. Evenzo de belofte van Christus dat de "de poorten van de hel zullen haar (d.i. de gemeente) niet overweldigen" (Mat. 16:18). Dat zijn "onberouwelijke" beloften. We hebben volstrekte zekerheid dat de Heere deze beloften zal verwerkelijken.

Maar er zijn ook beloften die gemaakt worden in de context van een verbond. Die belofte zijn afhankelijk van een of meerdere voorwaarde die vervuld moeten zijn. Het bezit van het land Kanaän, of de belofte aan David dat er altijd iemand van zijn nageslacht op de troon zou zitten, en de belofte aan Israël in de ballingschap dat er een terugkeer zou zijn – dat zijn beloften die aan een voorwaarde zijn gebonden. De voorwaarde van het koningschap voor David en zijn nageslacht, was afhankelijk van de voorwaarden, dat David en zijn zonen de geboden van de Heere zouden nakomen. Als Davids nageslacht de geboden zou breken dan zou er uiteindelijk straf zijn en het verbond zou dan nietig worden verklaard. Zo’n 89 spreken daarom eerst over de belofte aan David: "Ik zal uw nakomelingen tot in eeuwigheidstand door houden, uw troon bouwen van generatie op generatie" (vers 5). Maar dan ook over het gevolg van het verlaten van het verbond: "Als zijn kinderen Mijn wet verlaten en in Mijn bepalingen niet gaan… Dan zal Ik hun overtreding met de roede straffen en hun ongerechtigheid met slagen" (Ps. 89:31-33) God zal nooit Zijn kant van het Verbond breken; maar Hij zal niet onbestraft laten dat Israël haar kant van het Verbond overtreedt.

Maar dat is niet het laatste woord over deze kwestie. Het bijzondere van de komst van Christus in deze wereld is, dat de Heere het nu op Zich neemt, om Zijn voorwaardelijke belofte door te zetten, ondanks het feit dat de voorwaarde niet is vervuld. Wanneer het volk faalt, is er straf: de ballingschap. Maar uiteindelijk zal de Heere de gevangenschap van Zijn volk verbreken, ook zonder dat het volk dat verdient. De verzoening van de ongerechtigheid in vers 2, is een daad van genade van Godswege.

De tweede stem die we horen in dit gedeelte maakt dat duidelijk. Die stem geeft de opdracht om te roepen. En dan klinkt de vraag: wat moet ik roepen? En dan krijgen we te horen wat aan de basis van deze belofte van deze profetie ligt. Het is de herinnering aan de kwetsbaarheid, de zwakte en de tijdelijkheid van de mens; de herinnering aan het falen van het volk. "Alle vlees is gras en al zijn goedertierenheid als een bloem op het veld. Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest van de Heere erover blaast. Voorwaar, het volk is gras. Het gras verdort, de bloem valt af" (vers 6, 7). Kan dan van het volk gevraagd worden dat zij de weg van de Heere bereiden, en een gebaande weg voor onze God recht zullen maken? Dat zij de dalen zullen verhogen en de bergen en de heuvels zullen verlagen?

We hebben de diepte van deze tekst pas gepeild, als het einde van vers 5 samen lezen met vers 1 en met vers 8. Zo komt het drievoudig op ons af: (1) "…zal uw God zeggen" (2) "…de mond van de Heere heeft gesproken" (3) "…het Woord van onze God bestaat voor eeuwig." Al het goede en bestendige en waarachtige dat hier gebeurt, gebeurt door het scheppende spreken van de Heere God. Het staat op één lijn met de glorie waarmee Hij komt in vers 10: "Zie, de Heere HEERE! Met kracht zal Hij komen." Hij komt naar een volk dat Hij weiden zal als een kudde schapen (vers 11). Het beeld is niet dat van dwangarbeiders die een weg aanleggen, en zelfs niet van partners in het verbond die zich aan de regels houden. Dit volk dat eigenlijk gras is, kan alleen worden vergeleken met lammeren, en met zogende dieren. Kwetsbaar, sterfelijk, zwak. Dat is de goede boodschap van Jesaja. De Machtige Strijder die komen zal, is een zachtmoedige Herder. De heersende Arm van de Heere, is een arm die draagt en zachtjes leidt. Zo kwam God in Christus in deze wereld om Zijn volk te bevrijden.

Met Kerst gaat het helemaal Mis

Ik zou het wel mooi vinden als we de benaming “Kerstmis” zouden laten vallen. In de kerk vieren wij voortaan de Incarnatie. De vleeswording van het Woord van God. Geen kerstballen en engelenhaar meer, geen nepkaarsen aan een elektrisch draadje, geen cadeautjes onder de boom en zeker niet ’s morgens de kerkdienst en ’s middags de Kerstman.

Kerkelijk vieren we liever de Incarnatie, God die mens werd. De gekruisigde Heere is in ons geloof tevens God in de kribbe. Als God op aarde verschijnt is Hij de Gekruisigde en dat wordt vanaf Zijn geboorte al zichtbaar.

diy-christmas-tree-decoration-ideas-6

KerstMis, gevierd door zovelen die geen christelijk geloof meer hebben, draait om iets anders. Om onvervulde wensen die de mensheid heeft over vrede en recht. Of over het ontbreken van vrijgevigheid – net als bij Sinterklaas. Heel even is er een Kerstbestand, terwijl de oorlog voortduurt. En het gaat over het Germaanse beeld van “licht in de duisternis”, omdat de Zon elke dag weer langer gaat schijnen. Maar dat hoort bij wat we vroeger noemden: de “wereld”, de onkerkelijke, ongelovige, onchristelijke wereld die het evangelie niet kent en aanvaardt, maar het eigenlijk zo diep nodig heeft. Met Kerst viert die wereld een lege kribbe – zoals ze met Pasen ook een vol graf en niet de opstanding viert. De wereld denkt dan hooguit terug aan een martelaar, maar gedenkt niet de Heere die geleden heeft en uit de doden opstond.

Het kerstverhaal uit Lukas kan dan ook aanleiding zijn tot een enorm misverstand. Het is niet het verhaal van een arme jongen die eigenlijk koning was, maar dat later op tragische manier niet echt kon zijn. De nadruk ligt heel romantisch  op de armoede. Het verhaal van het arme kind dat koning wordt,  is echter een heidens sprookje en niet het Bijbelverhaal.

Het gaat alleen niet om armoede maar om de vloek die Jezus kwam dragen om ons daarvan te bevrijden. Lukas kun je niet lezen zonder de Joodse context van Ex. 13:15. Dit is het verhaal van de eerstgeborene in de stal tussen de dieren, die niet “gelost” wordt en dus niet voor de Heere wordt gebracht. Het kind is niet op weg om koning te worden, maar om de Vervloekte in het midden van Zijn volk te zijn. Dat is een heel ander verhaal. Incarnatie in het licht van Pasen, dat is de echte “Kerst”, maar dat is niet de wereldlijke Kerstmis die je ook zonder kruis en opstanding kunt vieren.

Ik had ooit een ongelovige en onkerkelijke buurman. Hij spoot zijn ramen vol met kerstsneeuw, had de grootste kerstboom van de buurt die kreunde onder het gewicht van de kerstballen. Al dagen voor Kerstmis was hij daar mee bezig. En als Kerstochtend aanbrak, bleef hij thuis. Moest zijn roes uitslapen, want Kerstavond was nogal vol herrie en drank geweest met een familieruzie, die ook zijn weerga niet had in de buurt.

seven-last-words-church-of-god-in-christ-jesus-vnbnzj-clipart

Hoe kunnen we het feest van de Incarnatie redden van de Kerst die zo enorm is Mis gegaan? Afschaffen is één optie. Het verplaatsen naar een andere datum – want Jezus werd geboren in maart – is een andere optie. En: het vieren zonder heidense symbolen en met aandacht voor de diepe Joodse context ervan – als het feest van de Incarnatie: het Woord dat vlees is geworden en onder ons heeft gewoond. Met een ouderwetse gereformeerde vroomheid:

“Als ik bedenk dat de Heere Zijn Rijkdom verliet voor mij. Dat Hij in mijn beestenstal (=hart) woning heeft gemaakt. Ik, nietig en zondig mens. Wat een feest; dit Heilsfeit moet gevierd worden!”

%d bloggers liken dit: