De Heidelberger – een project met lange adem

De Catechismus die in Heidelberg werd uitgegeven in 1563 vergt een lange adem en een bescheiden houding. We vinden hier een samenvatting van de christelijke waarheid die intussen meer dan vier en een halve eeuw oud is. De bescheiden houding komt voort uit het besef van wat de Geest van God aan inzicht geschonken heeft aan de vaders van de Reformatie. Maar de lange adem is niet alleen bedoeld om ons deze overgeleverde leer eigen te maken, maar om door de leer heen te komen tot een actueel en bijbels belijden van de Heer. Geen eigen willig nieuw belijden, maar ook niet een herhaald belijden van wat de norm was of werd in de 16e eeuw.

Niet de leer, maar de Heer.

De inzet van de catechismus is het aanspreken van jonge christenen, van gelovige mensen dus die de Heer Jezus kennen, en hen uit te nodigen hun geloof in de vorm van een leer, van een antwoord op vragen te formuleren. Juist dat je Daarom begint de catechismus met twee vragen die samen de toegang geven tot de christelijke waarheid. De eerste vraag zegt “wat is uw troost?”, en de tweede vraag zegt “hoe kun je in deze troost leven en sterven?” En in het antwoord horen we dan de driedeling van de catechismus. Wat is nodig om in deze troost te leven en te sterven? Dan moet ik drie dingen weten – want het gaat om de leer. In de eerste plaats wat mijn zonde is. In de tweede plaats wat de verlossing van de zonde inhoudt. In de derde plaats hoe ik leven moet op grond van deze verlossing. Ellende – verlossing – dankbaarheid. Dat is de driedeling van de geloofsleer in de Heidelberger.

Ik ben niet opgevoed met deze catechismus, maar heb haar veel later tijdens mijn studie theologie enigszins leren kennen. Vooral het commentaar van Haitjema is daarbij van groot belang gebleken. Zoals hij de Heidelberger uitlegt! Maar daarnaast zijn ook de commentaren van Miskotte en Karl Barth van groot gewicht. Ook de serie lezingen van W. Ouweneel wil ik hierbij noemen, die een grote bron van inspiratie is geweest. Op deze site zal ik verzamelen wat ik over de Heidelberger zelfs nog schrijven wil. Een project dat vermoedelijk meerdere jaren zal beslaan. En waar ik anderen van harte voor uitnodig om bij betrokken te zijn.

Posts zijn terug te vinden onder het tabblad “Heidelberger”…

Eigendom van Christus

Eigendom van Christus! Hij is de Heer die over ons leven beschikken mag! Weer zo’n term uit ons geloofsvocabulaire die door buitenstaanders doorgaans niet wordt begrepen. Immoreel is het toch te menen dat je niet vanuit jezelf verantwoordelijk bent? Je eigen vrijheid te loochenen is toch een absurditeit? Toch zeggen we dat. Weten we dan wat we zeggen? Er is een oud lied, waarin de woorden voorkomen: “roem ik uw eigendom te zijn.” Daarmee zeggen wij dat wij “eigendom” zijn van onze Heer Jezus Christus. Dat is een zeer oude beeldspraak. Wat zeggen we daarmee?

De Heidelbergse catechismus kent de woorden: “Dat ik met lichaam en ziel, beide in leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben…” Ik ben niet van mijzelf, maar ik ben ván Christus. Want ”Hij “[heeft] met Zijn dierbaar bloed voor al mijne zonden volkomen betaald…”

De tegenstelling die achter deze beeldspraak zit is dus deze: ik ben ófwel ván mijzelf, óf van een ander.

Ik ben “vrij” betekent dat ik voor mijzelf leef, vanuit mijzelf, met mijzelf als doel voor ogen. Ik ben van mijzelf in de zin, dat ik mijn eigen sterven, mijn eigen dood, die “mijn meest eigen mogelijkheid is” (Heidegger), op mijzelf neem. Is dat geen prachtig ideaal? Of is er een andere diagnose denkbaar? Wij denken daarbij niet aan de “vrije mens” die zich in eigen kracht van alle belemmeringen en slavernij bevrijd heeft, maar aan de verloren zoon. Die heeft zich bevrijd van vader en ouderlijk erf, heeft zich gedistantieerd van zijn broer en leeft nu voor zichzelf. Met het vermogen dat hij van zijn vader kreeg leeft hij in den vreemde, ver van zijn oorsprong af. Die verloren zoon wilde leven vanuit zichzelf, nam zijn eigen leven en dood op zichzelf, en zou consequent dan aan de ellende te gronde moeten gaan die daar het gevolg van is: wanneer het vermogen op is, en de mensen hem vreemd zijn geworden, en nog alleen de rol van varkenshoeder voor hem is weggelegd en wanneer zelfs de varkens een grotere genade deelachtig zijn dan hijzelf – dan komt de gedachte op dat deze levensweg verkeerd was.

Er is voor die verloren zoon een weg naar het leven, een bevrijding van de “vrijheid” waaruit hij leven wilde. het is de weg van bekering en geloof in de Zoon van God die mijn Heer wilde zijn, mijn Vriend en mijn broeder, maar toch ook en in de eerste plaats mijn Heere!

Wie voor zichzelf en vanuit zichzelf wil leven – dat noemen we met de Heidelbergse Catechismus: ellende. Het is verkommeren in den vreemde met lichaam en ziel. Want dit “mijn” is een illusie. Wie zich bevrijden wil van vreemde invloeden bestrijdt de duivel met de duivel – ook dat is beeldspraak, maar toch. Paulus spreekt van een “slavernij onder de zonde”, evenzeer is er onvrijheid onder de wet. De Wet is “tuchtmeester” en houdt ons in onmondigheid vast. De moraal – waarvan sommigen zeggen dat die berust op vrije keuzes – is in werkelijkheid niet vrij. Eigen instincten en behoeften worden slaafs gediend, de morele instituties in deze wereld gehoorzaamd, verborgen invloeden van de cultuur en de machten die ons bewustzijn vormen en vervalsen zijn oppermachtig. Leven alsof je alleen van jezelf bent, daar kennen wij een diagnose van die zegt: illusie, ellende, vervreemding, slavernij aan vreemde machten. Wie voor zichzelf en vanuit zichzelf wil leven, is dus niet eens van zichzelf, maar van een ‘andere macht’. De macht van de zonde, de staat, de cultuur, het kwade, de dominante mentaliteit van de samenleving, van de Wet, van de Moraal zelf! Dat noemen we geen vrijheid, dat noemen we geen “leven uit jezelf.” Dat is de paradox van de mensen die vrijheid tot de kern van het menselijke leven maken en daarom menen God noch gebod nodig te hebben.

Wie leeft voor zichzelf, zou ook moeten sterven uit zichzelf. “Zichzelf sterven” is niet het gegeven dat iedereen zelf sterft, dat mijn dood inderdaad mijn meest “eigen” mogelijkheid is. Dat is waar, maar is het niet ook irrelevant? Is dit sterven niet een verkwijnen en verkommeren, de troosteloosheid van het menselijk bestaan tussen geboorte en dood?  Men kan zijn leven lang dit “eigene” krampachtig hebben vastgehouden en eigenlijk is het enige echte “eigene” de eigen dood. Die ik niet zélf kan verrichten, omdat de dood mij wezenlijk overkomt. De laatste macht waar ik niet over beschik – al kan ik in de zelfdoding die dood over mij afroepen – is toch juist die dood zelf? Hoe kan de “eigen” dood, die mij overkomt, die over mij beschikt, een “eigenheid” zijn waarin ik vrij ben en mijzelf? Is niet juist die “eigen” dood de meest definitieve vorm van mijn vervreemding, bewijs van mijn ultieme troosteloosheid?

Dan zeggen we met de Catechismus dat wij “eigen” zijn aan Christus, d.w.z. dat we Zijn eigendom zijn, omdat Hij ons gekocht en betaald heeft. Mijn leven is dan inderdaad niet meer mijn “eigen” leven. Ik sterf in de dood van Christus en ik sta op in de dood van Christus. “Niet ik leef meer, maar Christus leeft in mij, en wat mijn leven in het vlees betreft, leef ik door het geloof in de Zoon van God die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven.” (Gal. 2:20)

De Zoon van God is Christus – Vervolg artikel 2, Vraag 31 HC

Het tweede artikel van de Apostolische Geloofsbelijdenis luidt:

En in Jezus Christus Zijn eniggeboren Zoon, onze Heere;

De uitleg van dit tweede artikel (van de 12 Artikelen des Geloofs) wordt in meerdere zondagen van de Heidelbergse Catechismus gegeven. Vraag 31 van de Heidelbergse Catechismus luidt

Waarom is Hij Christus, dat is Gezalfde, genaamd?

En het antwoord is lang:

Omdat Hij van God de Vader verordineerd is, met den Heiligen Gees gezalfd , tot onze hoogste Profeet en Leraar, die ons den verborgen raad en wil Gods van onze verlossing volkomen geopenbaard heeft; en tot onzen enige Hogepriester, die ons met de enige offerande zijns lichaams verlost heeft, en voor ons met zijn voorbidding steeds tussen treedt bij de Vader; en tot onze eeuwige Koning, die ons met zijn Woord en Geest regeert, en ons bij de verworven verlossing beschut en behoudt.

Men zegt vaak dat de naam Jezus verwijst naar het mens zijn van de zoon van God en Christus de titel aanduidt of het ambt dat deze Jezus bekleedt. Christus, gezalfde, nemen we dan in drievoudige zin volgens de drie ambten: Jezus is profeet, priester en koning gezalfd. Maar ik volg liever de gedachtegang, dat zowel “Jezus” als “Christus” namen zijn van een Persoon die in de eerste plaats de Zoon van God is. Dan is het duidelijk dat we een dergelijke onderscheiding tussen de aardse naam en de aanduiding van het ambt niet mogen maken.

Dat betekent voornamelijk dat beide namen, Jezus en Christus, zowel naar de persoon verwijzen als naar het werk dat Hij gedaan heeft. En dat betekent dat in de eenheid van Zijn Persoon, dit werk volgens de drie ambten met elkaar onscheidbaar verbonden wordt. De Redder die we horen in de naam Jezus, is dus geheel en al met de drie ambten van Christus verbonden. Het is de Koning die redt, door als Profeet het Woord van God te spreken en als Hogepriester het Woord van de verzoening ook daadwerkelijk uit te voeren, en deze verzoening op majestueuze wijze tot stand te brengen. En duit alles is een daad, een uitdrukking van het zijn, van de Zoon van God.

De Zoon van God werd de Gezalfde toen de Heilige Geest op Hem neerdaalde. God Zelf heeft zijn Zoon gezalfd. Hij werd niet door mensen met zalfolie in zijn ambt bevestigd, zoals in het Oude Testament gebruikelijk was. In de eerste plaats moet je bij deze zalving dan denk je aan het ambt van koning. In de tweede plaats aan het ambt van priester, zoals we bijvoorbeeld horen in Psalm 133:2

“Het is als de kostelijke olie op het hoofd, die neer druipt op de baard, de baard van Aaron, die neerdruipt op de zoom van zijn priesterkleed.”

Tenslotte is er in de derde plaats ook bij het profetisch ambt sprake van een zalving:

“De Geest van de Heere HEERE is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft om een blijde boodschap te brengen aan de zachtmoedigen.” (Jes. 61:1)

De Heidelbergse catechismus is altijd praktisch, praktisch met het oog op het geloofsleven, op het levende geloof wel te verstaan. Niet gericht op “praktijk” zoals we dat in de kerk weleens horen, waar het is gaan betekenen: het gewoon-alledaagse, het menselijke leven onder abstractie van het geloof en met weglating van datgene wat onze “status” is volgens het Apostolisch Getuigenis. Ervaren wij niets van God en Christus in ons leven, dan is dat geen gewone praktijk van het leven, die we op de zondag voor even willen corrigeren, maar dan is dat geloofsáfval, ongeloof, dat we in Gods licht hebben te oordelen – niet bestrijden – zodat Hij het kan wegnemen. Dat de preek over de “praktijk” moet gaan is duidelijk. De vraag is dus alleen, welke “praktijk” de preek op het oog moet hebben: de ongelovige, schijnbaar “normale” manier van leven buiten het evangelie om, of het in Gods ogen “normale” dat door gebed en Schriftlezing, door de levende communicatie met de Heer wordt bepaald.

Dat praktische van de Catechismus spreekt dus in Vraag 32 schijnbaar eenvoudig over de titel die wij dragen. Wij heten “christenen”. Maar wat is daarvan de reden? Ons menselijk bestaan is een christelijk bestaan, omdat wij op de Zoon van God zijn georiënteerd die Koning, Profeet en Priester is. In de taal van de Heidelbergse klinkt deze deelneming aan Christus zeer sterk:

Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus en also zijner zalving deelachtig ben, opdat ik zijn naam belijde, en mijzelf tot een levend dankoffer Hem offere, en met een vrije en goede consciëntie in dit leven tegen de zonde en den duivel strijde, en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regere.

Dus: deelhebben aan de zalving met de heilige Geest is het eerste. De belijdenis van Zijn Naam daarvan het gevolg. Dan het antwoord op het priesterlijke: (1) een levend dankoffer voor Hem zijn. En dan (2) de gehoorzaamheid aan de profeet: “strijden tegen de zonde met een vrij en goed geweten. En dan nog eens (3) de deelname aan het koningschap, dat nu in de sterke Bijbelse uitdrukking van het “met Hem regeren” wordt aangezet, al is dat dan ook in de toekomende tijd gezet.

Belijden wij de Zoon van God als de Christus? Dan is dat alleen mogelijk vanuit de deelname aan die Zalving met de Geest die Hij ontvangen heeft. Bij Zijn Hemelvaart kreeg Hij de beschikking over de belofte van de Heilige Geest. En bij de komst van de Heilige Geest in het leven van de gemeente heeft Hij die Geest als een Gave geschonken aan de mensen. Hij “zalft” ons!

Nog één kanttekening. De Heidelbergse spreekt van het toekomstige regeren met Hem. Maar daarvan is er in het heden minstens dit gevolg, dat wij nu reeds nadrukkelijk geen andere Koning hebben, geen andere macht bóven ons te erkennen hebben, dan de regeringsmacht van Christus. Wij schikken ons onder de macht die er nu eenmaal nog is, die van de overheid, (Rom. 13)  terwijl wij de terugkeer van de enige, waarachtige Koning van de wereld verwachten.

Jezus Christus in de belijdenis

Het tweede artikel van de Apostolische Geloofsbelijdenis luidt:

En in Jezus Christus Zijn eniggeboren Zoon, onze Heere;

De uitleg van dit tweede artikel (van de 12 Artikelen des Geloofs) wordt in meerdere zondagen van de Heidelbergse Catechismus gegeven. De tekst van de Apostolische wordt niet heel erg op de voet gevolgd. Maar dat heeft een interessante reden. Beginnen we met Zondag 11, waar deze vraag wordt gesteld:

Vraag 29

Waarom wordt de Zone Gods Jezus, dat is, Zaligmaker,genoemd?

Antwoord 29

Omdat Hij ons zalig maakt en van al onze zonden verlost; daarbenevens,dat bij niemand anders enige zaligheid te zoeken of te vinden is.

Meteen al in de vraag komt naar voren, dat hier consequent gedacht wordt vanuit het aan alle mens-zijn van Jezus vooráfgaande God-de-Zoon-zijn. De Reformatie heeft altijd vanuit het Zoonschap gedacht over de drie ambten van Jezus: Koning, Profeet en Hogepriester, en het mens-zijn of de vleeswording als een daad van die Zoon beschouwd. In onze tijd is het gebruikelijker, en waarachtig niet alleen in vrijzinnige kringen, dat we vanuit het mens-zijn van Jezus nadenken over de achterliggende redenen van de “titels” die Hij krijgt. Die titels zien sommigen dan als eretitels, Hem gegeven door enthousiaste discipelen. De Reformatie heeft echter anders gedacht en wel consequent vanuit de proloog van het evangelie naar Johannes in de richting van de synoptische evangeliën. De Zoon van God – die van eeuwigheid af Zoon is – krijgt de naam Jezus. In tegenstelling tot de gedachte dat de mens, die Jezus genoemd wordt, later door Zijn discipelen is vergoddelijkt en als de Zoon van God beschouwd wordt. Of, zoals in het zog. Adoptianisme, dat de mens Jezus van Nazareth, bij de doop in de Jordaan door God de Vader tot “Zoon”, d.i. als Zoon is áángenomen (adoptie) en als Koning is áángesteld. De Zoon van God krijgt de naam Jezus, en niet: Jezus van Nazareth krijgt de titel “Zoon van God.”

In het tweede artikel wordt eerst de naam Jezus Christus genoemd, en nu vervolgens ontvouwd wat daarin besloten ligt. Allereerst dat Hij de Zoon is, en dan dat Hij de Heere is. De Heidelbergse scherpt deze manier van kijken alleen nog maar aan, door met dat Zoonschap onmiddellijk te beginnen en nadrukkelijk “Jezus” als Náám van deze Zoon aan te wijzen. We bewegen ons dus van de eeuwigheid naar de tijdelijkheid, waarin de Zoon van God Zich als verlosser – d.i. wat de naam Jezus betekent – geopenbaard heeft.Wij belijden de Zoon van God áls Jezus en áls Christus en áls Heere.

belijden_1

De vraag van de Heidelbergse is dus, waarom deze Zoon – het geloof in Hem is voorondersteld – nu Zaligmaker (Jezus) wordt genoemd?  Het antwoord luidt: “Omdat Hij ons zalig maakt en van al onze zonden verlost; daarbenevens,dat bij niemand anders enige zaligheid te zoeken of te vinden is.” De naam “Jezus” betekent zoiets als “de Heere is heil”, wat een vrome wens blijft van ouders, als die Naam alleen door hen gegeven zou zijn. Maar het is de Naam die de Vader zelf aan Zijn Zoon gegeven heeft: “gij zult Hem de Naam Jezus geven.” (Lk. 1:31) Maar dan ligt het initiatief – we denken aan Kerst – ook bij God de Vader Zelf die Zijn “Eniggeborene” inbrengt in de wereld, zoals Hebreeën 1:6 het zegt. En deze Eniggeborene Zoon is dan ook geen mens die nog een titel verwerven moet, want meteen volgt daarop: “en laten alle engelen Gods Hem aanbidden.” Het is ook de Vader die door de overgave van Zijn Zoon het volk wilde bevrijden van hun zonden. (Mt. 1:21)

Door de Zoon in Zijn vleeswording nu de Naam Jezus te geven, wordt Zijn aardse bestaan wel in een OT-ische lijn geplaatst, want er waren al twee gestalten die deze naam droegen en als een “type” van Jezus Christus konden worden beschouwd.

In de eerste plaats was dat Jozua, de opvolger van Mozes.

Numeri 27:22, Mozes deed zoals de HEERE hem geboden had: hij liet Jozua halen en plaatste hem voor Eleazar, de priester, en voor heel de gemeenschap. 23 Hij legde hem zijn handen op en droeg hem het bevel over, zoals de HEERE door de dienst van Mozes gesproken had.

Het is door de leiding van Jozua – die eerst Hosea heette en toen de naam Jozua kreeg, een naam dus die verwijst naar de taak die hem was opgelegd – dat het volk het land kan innemen. De beloften van het land worden vervuld door hem. De naam Jozua = Jezus verwijst dus naar de feitelijke bevrijding met alle zegeningen die daarbij horen, nl. de inname van het land en niet alleen het leven in de belofte.

In de tweede plaats was dat Jozua, de Hogepriester die na de Babylonische ballingschap een leider van het volk werd. In de profetie van Zacharia 3 worden we ingelicht over de taak die deze Hogepriester te vervullen had:

4 Daarop zei Hij tegen hem: Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen en zal u feestkleren aantrekken. 5 Vervolgens zei Ik: Laat hen een reine tulband op zijn hoofd zetten. Daarop zetten zij de reine tulband op zijn hoofd en trokken hem feestkleren aan, terwijl de Engel van de HEERE erbij stond.

De Hogepriester in feestkleren! Waarom? Omdat God de SPRUIT zal brengen, en door Hem het volk zal reinigen van hun ongerechtigheden. De Knecht van de Heere staat op het punt in de wereld  te komen. Intussen mag Jozua de dienst van de verzoening in de Tempel herstellen en zo het volk voorbereiden op de komst van de Messiaanse koning, die ook Priester zal zijn. Christus is verschenen als Hogepriester van de toekomstige heilsgoederen, zegt Hebr. 9:11. Koning en priester zoals Melchizedek dat was. (Hebr. 6:20; 7:1)

belijdenis_2

Zo is de Naam Jezus een “titel” voor de Zoon van God. Hij is de “zaligmaker”, d.w.z. de verlosser van de zonden. En zoals Petrus het verkondigd heeft: “En de zaligheid is in geen ander, want er is onder de hemel geen andere Naam onder de mensen gegeven waardoor wij zalig moeten worden.”

Christus maakt ons zalig en verlost ons van al onze zonden. Is daarmee dan de betekenis van de Naam uitgeput? Er is een enorme nadruk in de heidelbergse op de verlossing van de zonden. Dat aspect van de verlossing mag ook inderdaad nooit worden verwaarloosd. Het gaat in de eerste plaats om het herstel van de relatie met God, en dat is een herstel waarvoor de bevrijding van zonde en schuld een wezenlijke voorwaarde is. Maar de inhoud van de verlossing reikt verder en grijpt ook de instituties aan die deze zondige wereld heeft voortgebracht. Christus triomfeert niet alleen door het Lam Gods te zijn, dat de zonde van de wereld raagt. Hij triomfeert ook door de vijanden te verslaan van God en van de waarachtige Mens. De staatsmacht – Rome, Babel – zal worden verslagen, en tenslotte ook de dood zelf. (1 Kor. 15)

God de Vader

Het eerste artikel van de Apostolische Geloofsbelijdenis luidt:

Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.

En zondag 9 van de Heidelbergse Catechismus legt uit:

Dat de eeuwige Vader van onzen Heere Jezus Christus, die hemel en aarde, met al wat er in is, uit niet geschapen heeft, die ook door zijn eeuwigen raad en voorzienigheid ze nog onderhoudt en regeert, om zijns Zoons Christus’ wille mijn God en mijn Vader is; op welke ik alzo vertrouw, dat ik niet twijfel, of Hij zal mij met alle nooddruft des lichaams en der ziele verzorgen, en ook al het kwaad, dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt, mij ten beste keren; dewijl Hij zulks doen kan als een almachtig God, en ook doen wil als een getrouw Vader.

Het ligt tegenwoordig voor de hand om te zeggen, dat God “natuurlijk” de Vader is van alle mensen en dat dus alle mensen tot God in de verhouding van kind en vader staan. Daar komt het vermoeden bij dat een besef van het bestaan van God bij alle mensen aangeboren zou zijn, en dat dus de Christelijke Godskennis van God als de Vader van Jezus Christus een nadere invulling en toevoeging aan dit algemene godsgeloof is. Daardoor komt het Christendom op één lijn te staan met andere godsdiensten die evenzeer als nadere invullingen van dit algemene godsgeloof kunnen worden gezien. Maar “niemand heeft ooit God gezien”, d.w.z. begrepen, gekend etc. vanuit zichzelf. (Joh. 1:18) God als vader moet “geopenbaard” worden.

God de Vader (van Jezus Christus)

Het eerste artikel van de Apostolische Geloofsbelijdenis moet daarom, zoals door Miskotte en Barth is benadrukt, maar ook door Haitjema in zijn schitterende commentaar op de Heidelbergse van 1962, vanuit het midden van de belijdenis worden gelezen. Dat wil zeggen: vanuit de belijdenis van Christus in Wie God zich als Vader heeft geopenbaard moeten we dit eerste artikel over God de Vader lezen. Het gaat dus niet om een algemeen Vaderschap, maar juist om het Vaderschap van God zoals dat in Jezus de Zoon geopenbaard is.

Het Vaderschap van God is uniek en volmaakt, zozeer dat Paulus kan zeggen dat elk vaderschap naar déze Vader vernoemd is, van déze Vader is afgeleid. (Ef. 3:14, 15) Wij benoemen God dus niet als Vader op grond van onze eigen ervaring met vaders, maar zien in de natuurlijke vaders een mogelijke echo en weerspiegeling van God als Vader.

Dat we God als Vader kunnen zien, is wat Christus ons geleerd heeft. Alleen de Zoon kent de Vader. Niemand komt tot de Vader behalve door de Zoon. (Joh. 14:6b) Alleen de Zoon kan de Vader openbaren aan mensen (Joh. 17:6) die Hem niet als zodanig uit zichzelf vermogen te kennen. Wij leren “Abba, Vader” zeggen door de Heilige Geest (Rom. 8:15) en hebben van Jezus geleerd te bidden tot “Onze Vader, die in de hemelen zijt”.

Alle dingen zijn Mij overgegeven door Mijn Vader; en niemand weet Wie de Zoon is dan de Vader, en Wie de Vader is dan de Zoon, en hij aan wie de Zoon het wil openbaren. (Luk. 10:22)

Wanneer de Apostolische Geloofsbelijdenis dus spreekt over God de Vader, dan moeten we begrijpen dat het gaat over: “de eeuwige Vader van onze Heer Jezus Christus” en geen ander. En het is pas door nadere doordenking van dit gegeven, dat we er dan ook aan toe zijn om te zeggen dat deze Vader ook de Almachtige is. Die Almacht is dan geen abstract “alles-kunnen” met alle verstandelijke bezwaren die dan meteen opkomen. Als God “alles” vermag, zo in het algemeen, waarom dan: dood, zonde, ongelukken, ziekte, etc. Het zogenaamd diepe, maar eigenlijk oppervlakkige vraagstuk van de theodicee  – de rechtvaardiging van Gods karakter in het licht van het kwade in de wereld – komt vanuit het abstracte karakter van de “almacht” waarover wíj dan spreken zonder de Bijbelse openbaring eerst goed verstaan te hebben.

De Almachtige

In de Heidelbergse Catechismus is het terecht, dat het gebied waarop God deze Almacht ten toon spreidt niet de kosmos is, de sterrenstelsels, de planeten, maar het leven van een eindig en sterfelijk mens zoals jij en ik. God is Almachtig niet als Schepper – dat is de abstracte benadering, de rationele – maar is Almachtig als Vader. Dat wil zeggen dat Hij binnen de ordening van de schepping die er is, die Hij wel degelijk uit zich heeft laten voortkomen, God de Enige troost en Redder is. Hij is machtig om te verlossen, om geloof te schenken, om de wereld te bevrijden van zonde en ongerechtigheid, om (uiteindelijk, aan het eind van de geschiedenis die met de schepping een aanvang nam) ”alles en in allen te zijn”. (1 Kor. 15:28)

Wat zou dat een prachtige les zijn, als we leren begrijpen dat almacht betekent, dat God deze schepping heeft voortgebracht, en nu binnen de door Hem gewilde en geschapen orde van de dingen, bij machte is te zeggen: “dit is genoeg”.  De natuurwet blijft in tact, de vrijheid van de mens wordt niet weggenomen, de ruimte waarin God werkt is werkelijke geschiedenis, en niet de fantasie. Als we met enige speelsheid “sjaddai” (óvermachtige in het Hebreeuws) mogen uitleggen met de klankovereenkomst van “zèh dai”, “het is genoeg” in het Hebreeuws – dan zien we dat we beter kunnen spreken van óvermacht.

God is óvermachtig, omdat hij grenzen stelt aan alles dat binnen de schepping werkt. Jezus loopt op het stormende water, en brengt de wind tot zwijgen, maar neemt niet de stormachtigheid weg. Die blijft deel van de schepping. God antwoordt Job dan ook door te zeggen dat Hij de afmetingen van de aarde bepaald heeft, het meetlint over haar uitspande, haar hoeksteen heeft gelegd, en een grens stelde aan wolken en zeeën. (Job 38:1-10) “Tot hiertoe mag u komen en niet verder!” Schepping is voor God een strijdtoneel, nu de zonde en de dood daar hun intreden hebben genomen. De zonde, die onmogelijke mogelijkheid (Barth) heeft van binnenuit de schepping beschadigd.

God begint echter niet opnieuw, maar is bezig met een diepgaande renovatie. Er is strijd en vijandschap tussen God en Zijn schepping. Zijn strijd is met Behemoth en Leviathan in de menselijke aard, met de Satan als personificatie van aardse machtsinstituten, met de “overheden van de lucht”, de demonen die de geschapen persoonlijkheid van de mens in beslag nemen en corrumperen – in die strijd zal ook de onschuldige, rechtvaardige Job betrokken raken. Niemand kan zich daaraan onttrekken. En in die strijd zijn er ongelukken, tragedies van menselijk falen en onbeheersbare natuurrampen die ons bestaan bedreigen, maar het niet kunnen uitwissen zolang God ons gedenkt.

Daarom kan God niet almachtig heten in de abstracte en filosofische zin dat Zijn “regering” (Heidelbergse) in alles wat gebeurt een goddelijk willen en opzettelijk doen inhoudt. God laat toe, zoals Hij toeliet dat Job beproefd werd, Hij toornt over wat misgaat in de menselijke vrijheid, (Rom. 1:18) maar laat de mens aan de gevolgen van zijn eigen afgoderij en zonde over, en zet desondanks (!) een heilsgeschiedenis door die door niets en niemand kan worden tegengehouden. Hij liet toe, dat Zijn Zoon werd gekruisigd. Dit goddelijk geduld is de maat van Zijn “almacht.”

De abstracte almacht verdedigen levert de heilloze ketterij op, dat God al het kwade dat ons overkomt actief wil en opzettelijk doet, en niet ons “toeschikt” zoals de catechismus uitlegt. Ik zou dit “toeschikken” zo willen verstaan, dat het ons overkomen kwaad door God gebruikt kan worden om Zijn doel te bereiken, en dat Hij het daarom toelaat. Maar niet toelaat als een onachtzaamheid of vergissing, maar als een “schikking” waardoor het kwade niet hopeloos makend, niet zinloos en niet puur toevallig kán zijn.  Zijn Almacht verhindert dat zelfs de meest kwaadaardige gebeurtenissen en rampen als het laatste, zingevende woord van de schepping kunnen optreden.

Schepper des hemels en der aarde

Als deze Almachtige Vader is God dus ook schepper van hemel en aarde. Terecht opnieuw de Bijbelse uitdrukking “hemel en aarde” en niet kosmos of heelal. Het gaat niet om het idee dat “alles” door God geschapen is, maar dat dit “alles” juist in deze orde begrepen moet worden: een aardse werkelijkheid voor de mens, en een hemelse werkelijkheid van God die daarvan onderscheiden, maar niet gescheiden is. Is het hemelse niet de dimensie van het Boven, dat in en door alle dingen héénwerkt? En niet een Uiterste Verte, voorbij de grenzen van de kosmos. Oneindig dichtbij, zozeer dat gezegd kan worden dat wij in dit leven “gezet zijn in de hemelse gewesten” (Ef. 2:6) Maar ook oneindig ver weg, omdat het de onbereikbare en ontoegankelijke ‘plaats’ is die God in de Schepping inneemt.

De Catechismus wil nog meedelen, dat God deze werkelijkheid “uit niet geschapen heeft.” Ook dat klinkt abstracter dan het bedoeld kan zijn. Het gaat om de oude leer van de “schepping uit het niets” tegenover het heidense idee, dat God alleen een vormende kracht is tegenover een eeuwig bestaande – of uit zichzelf voortgekomen – materie. God spreekt en het is er! Maar daarin gaat het niet over bespiegelingen over de aanvang van de schepping. Heel de discussie tussen creationisten en evolutionisten is vergeefs, als niet duidelijk wordt dat erkenning van God als Schepper alleen zinvol is in het kielzog van de erkenning van God als de almachtige Vader van de Heer Jezus Christus en dat dit Vaderschap van God ons existentieel aangaat.

Tot slot van deze korte beschouwing: zou de Catechismus de volgorde in haar laatste zin niet beter kunnen omdraaien? Want alleen omdat God het wíl als Vader, zal Hij daartoe ook Zijn almacht – binnen de grenzen van de schepping en haar geschiedenis – ook kunnen aanwenden. We gaan van een concreet willen naar het kunnen en niet van een kunnen naar het willen. Dat God “mij alles ten beste zal keren” mogen we geloven. Dat is Zijn wil. “Wat God wil, dat geschiedt altijd.” Dat zingen we toch te makkelijk. Wat God uiteindelijk wil, zal gebeuren. Maar op de korte termijn zullen wij ook moeten doormaken wat Job doorstaan moest. Job leerde een God kennen die worstelt met Zijn eigen Schepping omdat Hij juist niet een gefantaseerde, maar een werkelijke en vrije schepping wilde. Job was onschuldig slachtoffer in die strijd, mede omdat hij die strijd ontkende. Gods schepping geeft ons een wereld om in te leven waarin rechtvaardigen kunnen lijden en onrechtvaardigen kunnen bloeien. Dat motiveert niet tot ongeloof, maar tot messiaans geduld. Want er komt een dag die God bepaald heeft, “waarop Hij heel het aardrijk in gerechtigheid zal oordelen door een man  die Hij daartoe bestemd heeft.” (Hand. 17:31)