Zie, er komen dagen, spreekt de Heere HEERE, dat ik honger in het land zal zenden, geen honger naar brood, geen dorst naar water, maar om de woorden van de Heere te horen. (Amos 8:11)
Preken is een vast element in onze erediensten. Maar je kunt de vraag stellen: waarom preken we? Wat is eigenlijk het doel van een preek? En wat is een preek eigenlijk? Zijn er goede en slechte preken?
Wat is een preek?
Een preek is een verheldering, een uitleg van Gods Woord waarin Christus als Heere wordt geproclameerd, die vermanend, vertroostend, bemoedigend kan zijn. In onze tijd en in ons type kerk (PKN) is een preek heel vaak een samenstel van persoonlijke meningen, de door eigen inzicht gekleurde versie van het evangelie, opgehangen aan enkele losse teksten. Men noemt dat thematisch of profetisch spreken. Er is een bepaald thema dat men invult met citaten uit de Bijbel. Eigen gedachten gaan daarbij voorop. Of er is een actuele kwestie waaraan men bijbelteksten wil “ophangen”. In beide gevallen staat niet het woord van God centraal, en is de verheldering van Gods woord niet het doel. De Bijbel wordt gebruikt voor een boodschap die in onze tijd is ontstaan, en uit de inzichten van de prediker voortkomt en eventueel wordt uitgelokt door de behoeften (vragen) van de gemeente.
Wat is eigenlijk het doel van de preek?
De kern van het evangelie is natuurlijk Christus. Zijn werk, Zijn woorden, Zijn sterven en Zijn opstanding, kortom het evangelie van Gods Zoon. Die Persoon en dat evangelie moet worden verkondigd, dat wil zeggen in het openbaar worden geproclameerd en uitgelegd. Paulus zegt het zo: “Hem verkondigen wij, terwijl we ieder mens terechtwijzen, en ieder mens onderwijzen in alle wijsheid, opdat wij ieder volmaakt zouden stellen in Christus Jezus.” (Kol. 1:28)
De inhoud van de prediking is dus Christus, en het doel van de prediking de “vomaaktheid” van de hoorder. Welke volmaaktheid is dan bedoeld? Ongetwijfeld niet de morele perfectie, maar wél de bekering tot het geloof in Christus. Het geloof “is immers uit het gehoor.” Dat geeft een aanwijzing voor de manier van preken, want dit gehoor is…door het Woord van God.”(Rom. 10:17) Zonder iemand die predikt zullen mensen het woord van God niet horen – opnieuw een aanwijzing voor de methode van het preken. (Rom. 10:14) Maar het doel van de preek is dan in ieder geval: Christus uit te leggen, voor te stellen, de liefde tot Hem te doen toenemen door de kennis van Hem. De persoon van de prediker zelf speelt daarbij geen enkele rol: “Wij verkondigen niet onszelf, maar Christus Jezus als Heere.” (2 Kor. 4:5)
Tekstverklarend preken
Ik ben steeds meer een voorstander van de zogenaamde tekstverklarende preek. In het Engels heet dat “expository preaching”. In de preek wordt de betekenis van de Bijbelse tekst uitgelegd. Let wel: de betekenis van de Bijbel is de Bijbel zelf. Dat wil zeggen: de betekenis van de Bijbel is niet wat het voor jou betekent of voor iemand anders. De Bijbel zelf heeft betekenis. En in de tekstuitlegging, in de “ expositie” wordt die tentoongesteld, helder gemaakt. Tekstverklarend spreken is verduidelijken wat het Woord van God zelf al zegt.
Natuurlijk is er dan wel een grote kloof te overbruggen: de tijd is anders, de taal is anders, de historische omstandigheden zijn anders. Er zit een context achter de tekst die ook begrepen moet worden, in zoverre het nodig is voor het begrip van de boodschap. Dat is het werk van de studeerkamer – zwaar en noodzakelijk, maar ook een zegenrijk werk! De bedoeling is om de hoorder van nu de oorspronkelijke mening te laten horen, zoals die door de eerste hoorder toen kon worden verstaan. Wat het toen betekende, betekent het nu nog!
Het gaat er dus niet om de tekst van toen te laten functioneren in de context van nú. Het gaat er dus niet om je eigen mening als prediker op te hangen aan de tekst. Het gaat er niet om de tekst naar de hoorder van nu te brengen, maar die hoorder van nu moet je brengen naar de tekst van toen. De apostelen en profeten van toen moeten hun eigen woord kunnen spreken in onze tijd.
Paulus zegt tegen Timotheus dat hij zich vooral moet toeleggen op de prediking van het Woord. Zelfs tegen de verdrukking in: “Predik het Woord. Volhard daarin, gelegen of ongelegen.” (2 Tim. 4:2) En daarin gaat het in de eerste plaats om de uitleg van het geschreven woord van God: “Blijf bezig met het voorlezen (uit de Schrift – voegt de NBV toe), met het vermanen (“prediking” zegt de NBV), met het onderwijzen.” (1 Tim. 4:13) Alleen een tekstuitleggende prediking kan aan deze eis voldoen.
Niet alleen hier vinden we deze vorm van prediking. De schrijver van de Hebreeënbrief noemt zijn eigen brief “deze woorden van vermaning” – “paraklèsis” kun je ook vertalen als “bemoediging” of “aansporing.” En dat is een ander woord voor de preek in de Grieks-joodse wereld. Maar als je kijkt naar die brief dan zie je, dat het hele boek draait om de uitleg van de Bijbelse tekst. Het is dus een voorbeeld van een tekstuitleggende prediking.
Deze vorm van prediking is dringend, legt Paulus aan Timotheus uit, ómdat er een tijd zal komen dat “zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar dat zij zullen zoeken wat het gehoor streelt, en voor zichzelf leraars zullen verzamelen overeenkomstig hun eigen begeerten.” (2 Tim. 4:3) Zijn oproep aan Timotheus om het woord te blijven voorlezen, en dat Woord te verkondigen – want het is nuttig om te onderwijzen etc. – staat dus in een bijzondere context, namelijk van een tijd waarin de bijbelse tekst niet meer bekend is, mensen niet meer studeren en door allerlei wind van leer (Ef. 4:14) heen en weer worden geslingerd.
Goede en slechte preken?
Een slechte preek kan een goede toespraak zijn; een goede preek kan een slechte toespraak zijn. Ik spreek nu over de retorische kant van de zaak, over de vraag hoe de boodschap wordt gebracht en of dat aangenaam in de oren klinkt. Een goede toespraak “streelt het gehoor”. Je voelt je er goed bij, meestal omdat je hoort wat je kunt verwachten – het is makkelijk – en omdat je niets hoort wat tegen je eigen mening ingaat – het is bevestigend. Maar een goede, bijbelgetrouwe preek kan je ook verrassen en overtuigen van iets wat je nog niet wist – als je nieuwsgierig bent – en van iets dat je eigenlijk liever niet horen wilde – als je eerlijk bent. het is dus ook de hoorder die het verschil kan maken. Wat slecht en goed is, hangt gedeeltelijk af van de houding van de hoorder en zijn of haar bereidwilligheid om te verstaan wat gezegd wordt.
Stel eens dat hoorder en spreker één ding met elkaar eens zijn: dat de inhoud van de preek niets anders is dan de verheldering van de Bijbelse tekst. Dan mag verondersteld worden dat de hoorder nieuwsgierig is naar de boodschap van Gods Woord en dat hij of zij zich ook onder het gezag van dat Woord wil laten brengen. Bij tekstverklarend spreken is dat nu net het geval. Het Woord wordt verkondigd, en spreker en hoorder stemmen met elkaar overeen, dat zij niets anders dan dat willen zeggen en horen. Een retorisch slecht uitgevoerd toespraak wordt dan toch tot een goede preek omdat de prediker Gods Woord uitlegt en de hoorder het ook aanneemt als Gods Woord.
De zaak ligt anders wanneer de hoorder wel bereid is Gods Woord te horen maar de prediker zijn retorische gaven inzet om iets anders dan Gods Woord te verkondigen: zijn eigen mening, eigen ervaring. Ik heb er geen moeite mee om een dergelijke prediking slecht te noemen, hoewel zij aangenaam in de oren klinkt en de gemiddelde hoorder er geen moeite mee heeft. Kerkleden aanvaarden vaak een on-bijbelse prediking als zij retorisch goed is en geen verassingen bevat. Dat is het gevaar van “valse leraren” die wel het gehoor strelen, maar Christus niet verkondigen.
Wat is dus een goede preek? Als Gods Woord wordt verkondigd door iemand met retorische gaven. Maar ook zonder die retorische begaafdheid kan een preek “goed” zijn als het Bijbelse woord wordt verhelderd. Helderheid is eigenlijk de maatstaf, niet de meeslepende woorden. Een prediker zou daar al vanaf het begin van moeten afzien, zoals Paulus zegt: “Ik ben niet gekomen…om u met voortreffelijkheid van woorden of van wijsheid het getuigenis van God te verkondigen.” (1 Kor. 2:1) En je zou kunnen zeggen dat een al te grote meeslependheid van woorden de aandacht afleidt van de boodschap en die richt op de persoon van de verkondiger die zijn talenten ten toon spreidt. Dan geldt toch zeker: “wij verkondigen niet onszelf”- 2 Kor. 4:5.
Vind-ik-leuk Aan het laden...