Bezwaren tegen tekstuitleggende (verklarende) prediking

De Amerikaanse predikant David Fitch schreef een kort artikel tegen “expository preaching”, in “Christianity Today”. Het werd daar opgenomen in een serie bijdragen over de rol van consumentisme in in het geloof en in de prediking. De algemene stelling van Fitch is dan ook, dat tekstuitleggende of tekstverklarende prediking van de Bijbel een soort consumptiegoed maakt.

Tekstverklarend preken als mythe

De kern van de tekstuitleggende prediking zou een mythe zijn, nl.:

“Als de prediker de tekst meer tot in detail volgt in zijn prediking, zullen hij/zij en de gemeente ook meer recht doen aan het Woord van God.”

Geen storende menselijke wijsheid, geen persoonlijke agenda kan dan de prediking verstoren. Het enige wat je hoeft te doen is de instrumenten van de historisch-kritische exegese en je kennis van de grondtalen te gebruiken om zodoende bij de oorspronkelijke betekenis van de tekst te komen.

Fitch noemt dat een mythe omdat “de historisch-kritische methode in de handen van individuen in meer dan 100 jaar nog nooit een enkele betekenis heeft vastgesteld zoals die door de schrijver ook bedoeld is.” Deze methode verwekt steeds minder eensgezindheid over de tekst. En dan zegt hij:

“In werkelijkheid is niet de individuele exegese van de tekst beslissend voor de interpretatie. Dat is de brede consensus in de interpretatie van de Bijbelse teksten zoals die in de geschiedenis van de kerkelijke leer te vinden is. De mythe dat tekstuitleggende prediking meer recht doet aan de tekst is eenvoudig onwaar. Er is ook binnen de tekstuitleggende prediking meer dan genoeg ruimte voor alle mogelijke menselijke interpretatie.”

De rol van de traditie op de achtergrond, verhindert dus dat door de tekstverklarende prediking zoiets als de enige oorspronkelijke betekenis wordt ontdekt en verhelderd. Daarnaast wijst Fitch op het gegeven, dat elke hoorder niet noodzakelijk hetzelfde hoort als wat door de prediker bedoeld wordt. Ook het horen is selectief en wordt vervormd door eigen veronderstellingen en invallen, de persoonlijke context van de hoorder speelt zelfs een zeer grote rol.

Het belangrijkste bezwaar noteert Fitch aan het eind van dit korte artikel. Door gebruik te maken van tekstverklarende prediking, krijgt de predikant zelf de neiging om de bijbeluitleg niet meer te testen binnen de gemeente, maar als geheel en al gereed te beschouwen. Dat zou in strijd zijn met 1 Joh. 4:1: “Geliefden, gelooft niet elke geest, maar beproeft de geesten of zij uit God zijn.” Een merkwaardige tekst om hier te gebruiken, omdat het juist veronderstelt dat zoiets als “uit God zijn” daadwerkelijk kan worden vastgesteld.

Hoe kan men nu deze bezwaren beantwoorden?

In de eerste plaats de betekenis van de historisch-kritische methode. Ik ben geen voorstander van de historisch-kritische methode als men daartoe niet alleen de instrumenten van geschiedenis en linguïstiek rekent, maar ook de historische verklaring van teksten en hun ontstaansgeschiedenis en onderlinge afhankelijkheid. “Kritisch” kijken naar de tekst is iets anders dan de tekst als een object van verklaring beschouwen. Daarin komt de intentie van de auteur nog maar nauwelijks tot zijn recht en verdwijnt de schrijver achter zijn eigen product. Uitleggen wat Johannes bedoelt met “In het begin was het Woord…” etc. veronderstelt wel linguïstiek en bijbelkennis wat de context betreft, maar niet de kennis van de gnostiek en andere tradities die kunnen verklaren waarom Johannes tot deze uitspraak is gekomen. Er staat dat Jezus het Woord van God is. De betekenis van die tekst is gezaghebbend, want het is de Schrift. Een verklaring hoe die tekst tot stand kwam vanuit zuiver historische en literaire gezichtspunten is dat deel van de “historisch-kritische” methode dat van eigen, specifiek onkerkelijke gezichtspunten uitgaat en vaak alleen maar dient om de tekst van haar gezag te beroven.

Bovendien gaat het niet om de oorspronkelijke intentie van de auteur – Schleiermachers model van hermeneutiek is dat men daartoe kan doordringen door een analyse van de tekst vanuit het gezichtspunt van de schrijver. In feite is de kerkelijke manier van Bijbellezen door twee gezichtspunten bepaald die hiermee in strijd zijn. Ten eerste: God is de auteur, volgens de Bijbelse tekst zelf. Er is dus niet een veelheid van menselijke schrijvers van boeken of van fragmenten van boeken, maar (de aanname) is dat één enkele Auteur de eenheid van de Bijbel fundeert en bewaart. Ten tweede: het gaat daarom ook over de eerste lezers en hun context. De betekenis die het toen voor hún had, heeft het ook nu nog.

Daarnaast is het goed te wijzen op het feit dat geen enkele interpretatie, ook niet die van buitenkerkelijke “historisch-critici” buiten elke traditie staat. Ook de academische traditie van de exegese werkt als een traditie waarin bepaalde resultaten zijn verondersteld en als aannames werken voor een volgend onderzoek. In het Nieuwe Testament is deze rol van traditie – van het onderwijs van de apostelen en leraren binnen de kerk – een gegeven. Juist de inleiding van de belangrijke uitspraak van Paulus over de rol van de Bijbel in het werk van Timotheüs (“Heel de Schrift is etc…””) begint met de woorden: “Blijft u echter bij wat u geleerd hebt en waarvan u verzekerd bent omdat u weet van wie u het geleerd hebt.” (2 Tim. 3:14) En Paulus spreekt niet alleen over wat hij ”zelf ontvangen heeft en heeft overgeleverd, maar vermaant de gemeente van Korinthe: “…waardoor u zalig wordt, als u eraan vasthoudt zoals ik het u verkondigd heb.” (1 Kor. 15:2) Aan Titus schrijft hij zelfs voor, dat diens prediking in overeenstemming moet zijn met de traditie – wat de Bijbel uiteraard niet uitlsuit, maar insluit: “maar u, spreek” – openbaar spreken zal bedoeld zijn – “wat bij de gezonde leer past.” (Tit. 2:1) Kortom: “spreek een gezond woord” – Tit. 2: 8 – “dat tegen alle kritiek bestand is.” Dat is een woord dat niet op eigen gezag berust, maar op het gezag van de Schrift.

Het feit op zich, waarnaar Fitch verwijst, dat op grond van de historisch-kritische methode deze eensgezindheid niet kon worden gediend maar de verwarring in de interpretaties alleen groter werd bewijst niets. Er waren er ook velen in de apostolische tijd die tegen de waarheid ingingen, de “gezonde leer” niet meer konden verdragen, of voor zichzelf leraars zochten die het gehoor streelden. Zelfs Apollos moest meemaken dat zijn prediking van Christus – alleen gebaseerd op de verkondiging van Johannes de Doper – moest worden gecorrigeerd. Een correctie die hij op apostolisch gezag, vertegenwoordigd door Aquila en Priscilla die het van Paulus gehoord hadden, ook heeft verdragen. Een fraai voorbeeld van de doorwerking van apostolisch gezag via een traditieketen. (Hand. 18:24-26)

Het minst sterke argument vind ik het argument dat de hoorder toch zo zijn eigen manier van horen heeft. En dat luisteren ook selectief is, net als de prediking dat is. Dat moge zo zijn, maar is dat alles niet nog veel erger en verwarrender als er geen tekst wordt gevolgd? De tekst in handen van de hoorder werkt als een voortdurende herinnering aan onderwerp en thema van de preek. En dat werkt alleen als de prediker die tekst inderdaad aanreikt en uitlegt. Ook de mogelijkheid van “andere interpretaties” – niet erg als die niet de kern van het evangelie raken – berust dan tenminste op een andere manier van lezen van de tekst en niet op het onoverzichtelijke geheel van emoties en persoonlijke invallen die tijdens de prediking een rol kunnen spelen.

Wat het testen betreft van de prediking. Ik zei al, dat de verwijzing naar 1 Joh. 4 niet sterk is. De “geesten” beproeven is heel wat anders dan kritisch luisteren naar de prediking, en bovendien veronderstelt die tekst juist dat we wél kunnen vaststellen wat uit God is en wat niet. Maar er is een voorbeeld in Handelingen 17:10, 11. De mensen in Berea waren “edeler van gezindheid” dan die in Thessaloníki, net vijf kilometer verder op. Waarom was dat? Omdat zij (1) niet alleen naar de prediking van Paulus luisterden, maar “het Woord met grote bereidwilligheid ontvingen.” Paulus’ prediking was dan ook geen vrije improvisatie maar zeer waarschijnlijk een tekstverklarende verkondiging. En hun reactie daarop was, dat (2) zij “onderzochten dagelijks de Schriften om te zien of die dingen zo waren.”Juist in een tekstverklarende prediking wordt aan de gemeente geleerd om zelfstandig het Woord te lezen en te overdenken en zo ook te kunnen toetsen of het klopt wat de prediker gezegd heeft. Ook de Heer Jezus Zelf heeft in zijn gesprek met de Emmaüsgangers de Schriften geopend om te laten zien wat er op Hem betrekking had. En Lukas vermeldt als één van de gaven bij de Hemelvaart van Jezus, dat Hij de Schriften opende zodat zij het verstonden, en de Heere spreekt zelf van het werk van de heilige Geest die de apostelen in staat gesteld heeft alles zich te herinneren wat Jezus gezegd had. Die Geest is in de apostolische traditie juist tot een schriftelijke vorm gekomen. Het idee dat een prediking niet de tekst zou moeten volgen lijkt in strijd met deze voorbeelden en met het gezag van de Schrift zelf. (Daarover in een volgende bijdrage nog meer.) Trouwens, één van de manieren van het testen van de prediking is om te zien of zij conform het belijden van de kerk is. In de belijdenis van de Kerk en in haar Catechismus is toch immers het Bijbellezen van vorige generaties vastgelegd en het lijkt mij niet vreemd dat de wijsheid van vroeger een leidraad kan zijn voor de wijsheid van nu. Al zullen accenten verschillen, onze voorgangers in het verleden lazen dezelfde Bijbel en de betekenis ervan kan niet voor hun en voor ons steeds iets anders zijn.

Het blijft een feit dat ook in een tekstverklarende prediking kan blijken of een goede of een slechte exegeet aan het woord is. En het blijft duidelijk dat ook in een dergelijke prediking een mens aan het woord komt, met zijn vooroordelen en zwakheden. Maar is het niet juist in een tekstverklarende prediking dat dat blijken kan? In een meer thematische of profetische of pastorale prediking wordt de afstand tot de Schrift zó groot, dat alleen het gezag van de prediker beslissend is. Een oordeel van de hoorder zal uitsluitend gebaseerd zijn op zijn eigen meningen omdat ook deze geen directe relatie met de Schrift heeft in zijn horen van de prediking. Als de gemeente de Bijbelse tekst niet volgen kan, is zij aan een wijsgerige verhandeling of vrome toespraak blootgesteld.

De prediking volgens de methode van de tekstuitlegging is zeker niet volmaakt. En er is nog veel te doen over de juiste manier waarop dat moet, hoe de exegese moet plaatsvinden, welke rol de traditie speelt etc. Maar daaruit volgt niet dat de tekstverklarende prediking niet de best mogelijke zou zijn, juist om de door Fitch daar tegenin gebracht bezwaren effectief aan te pakken. Méér tekstverklarende prediking lijkt mij daarom nog steeds noodzakelijk.

http://www.awesomescreenshot.com/image/1226473/182de68955d1e22e62d26642b4a2f69b

Waarom is een tekstverklarende prediking noodzakelijk?

Zie, er komen dagen, spreekt de Heere HEERE, dat ik honger in het land zal zenden, geen honger naar brood, geen dorst naar water, maar om de woorden van de Heere te horen. (Amos 8:11)

Preken is een vast element in onze erediensten. Maar je kunt de vraag stellen: waarom preken we? Wat is eigenlijk het doel van een preek? En wat is een preek eigenlijk? Zijn er goede en slechte preken?

Wat is een preek?

Een preek is een verheldering, een uitleg van Gods Woord waarin Christus als Heere wordt geproclameerd, die vermanend, vertroostend, bemoedigend kan zijn. In onze tijd en in ons type kerk (PKN) is een preek heel vaak een samenstel van persoonlijke meningen, de door eigen inzicht gekleurde versie van het evangelie, opgehangen aan enkele losse teksten. Men noemt dat thematisch of profetisch spreken. Er is een bepaald thema dat men invult met citaten uit de Bijbel. Eigen gedachten gaan daarbij voorop. Of er is een actuele kwestie waaraan men bijbelteksten wil “ophangen”. In beide gevallen staat niet het woord van God centraal, en is de verheldering van Gods woord niet het doel. De Bijbel wordt gebruikt voor een boodschap die in onze tijd is ontstaan, en uit de inzichten van de prediker voortkomt en eventueel wordt uitgelokt door de behoeften (vragen) van de gemeente.

Wat is eigenlijk het doel van de preek?

De kern van het evangelie is natuurlijk Christus. Zijn werk, Zijn woorden, Zijn sterven en Zijn opstanding, kortom het evangelie van Gods Zoon. Die Persoon en dat evangelie moet worden verkondigd, dat wil zeggen in het openbaar worden geproclameerd en uitgelegd. Paulus zegt het zo: “Hem verkondigen wij, terwijl we ieder mens terechtwijzen, en ieder mens onderwijzen in alle wijsheid, opdat wij ieder volmaakt zouden stellen in Christus Jezus.” (Kol. 1:28)

De inhoud van de prediking is dus Christus, en het doel van de prediking de “vomaaktheid” van de hoorder. Welke volmaaktheid is dan bedoeld? Ongetwijfeld niet de morele perfectie, maar wél de bekering tot het geloof in Christus. Het geloof “is immers uit het gehoor.” Dat geeft een aanwijzing voor de manier van preken, want dit gehoor is…door het Woord van God.”(Rom. 10:17) Zonder iemand die predikt zullen mensen het woord van God niet horen – opnieuw een aanwijzing voor de methode van het preken. (Rom. 10:14) Maar het doel van de preek is dan in ieder geval: Christus uit te leggen, voor te stellen, de liefde tot Hem te doen toenemen door de kennis van Hem. De persoon van de prediker zelf speelt daarbij geen enkele rol: “Wij verkondigen niet onszelf, maar Christus Jezus als Heere.” (2 Kor. 4:5)

Tekstverklarend preken

Ik ben steeds meer een voorstander van de zogenaamde tekstverklarende preek. In het Engels heet dat “expository preaching”. In de preek wordt de betekenis van de Bijbelse tekst uitgelegd. Let wel: de betekenis van de Bijbel is de Bijbel zelf. Dat wil zeggen: de betekenis van de Bijbel is niet wat het voor jou betekent of voor iemand anders. De Bijbel zelf heeft betekenis. En in de tekstuitlegging, in de “ expositie” wordt die tentoongesteld, helder gemaakt. Tekstverklarend spreken is verduidelijken wat het Woord van God zelf al zegt.

Natuurlijk is er dan wel een grote kloof te overbruggen: de tijd is anders, de taal is anders, de historische omstandigheden zijn anders. Er zit een context achter de tekst die ook begrepen moet worden, in zoverre het nodig is voor het begrip van de boodschap. Dat is het werk van de studeerkamer – zwaar en noodzakelijk, maar ook een zegenrijk werk! De bedoeling is om de hoorder van nu de oorspronkelijke mening te laten horen, zoals die door de eerste hoorder toen kon worden verstaan. Wat het toen betekende, betekent het nu nog!

Het gaat er dus niet om de tekst van toen te laten functioneren in de context van nú. Het gaat er dus niet om je eigen mening als prediker op te hangen aan de tekst. Het gaat er niet om de tekst naar de hoorder van nu te brengen, maar die hoorder van nu moet je brengen naar de tekst van toen. De apostelen en profeten van toen moeten hun eigen woord kunnen spreken in onze tijd.

Paulus zegt tegen Timotheus dat hij zich vooral moet toeleggen op de prediking van het Woord. Zelfs tegen de verdrukking in: “Predik het Woord. Volhard daarin, gelegen of ongelegen.” (2 Tim. 4:2) En daarin gaat het in de eerste plaats om de uitleg van het geschreven woord van God: “Blijf bezig met het voorlezen (uit de Schrift – voegt de NBV toe), met het vermanen (“prediking” zegt de NBV), met het onderwijzen.” (1 Tim. 4:13) Alleen een tekstuitleggende prediking kan aan deze eis voldoen.

Niet alleen hier vinden we deze vorm van prediking. De schrijver van de Hebreeënbrief noemt zijn eigen brief “deze woorden van vermaning” – “paraklèsis” kun je ook vertalen als “bemoediging” of “aansporing.” En dat is een ander woord voor de preek in de Grieks-joodse wereld. Maar als je kijkt naar die brief dan zie je, dat het hele boek draait om de uitleg van de Bijbelse tekst. Het is dus een voorbeeld van een tekstuitleggende prediking.

Deze vorm van prediking is dringend, legt Paulus aan Timotheus uit, ómdat er een tijd zal komen dat “zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar dat zij zullen zoeken wat het gehoor streelt, en voor zichzelf leraars zullen verzamelen overeenkomstig hun eigen begeerten.” (2 Tim. 4:3) Zijn  oproep aan Timotheus om het woord te blijven voorlezen, en dat Woord te verkondigen – want het is nuttig om te onderwijzen etc. – staat dus in een bijzondere context, namelijk van een tijd waarin de bijbelse tekst niet meer bekend is, mensen niet meer studeren en door allerlei wind van leer (Ef. 4:14) heen en weer worden geslingerd.

Goede en slechte preken?

Een slechte preek kan een goede toespraak zijn; een goede preek kan een slechte toespraak zijn. Ik spreek nu over de retorische kant van de zaak, over de vraag hoe de boodschap wordt gebracht en of dat aangenaam in de oren klinkt. Een goede toespraak “streelt het gehoor”. Je voelt je er goed bij, meestal omdat je hoort wat je kunt verwachten – het is makkelijk –  en omdat je niets hoort wat tegen je eigen mening ingaat – het is bevestigend. Maar een goede, bijbelgetrouwe preek kan je ook verrassen en overtuigen van iets wat je nog niet wist – als je nieuwsgierig bent – en van iets dat je eigenlijk liever niet horen wilde – als je eerlijk bent. het is dus ook de hoorder die het verschil kan maken. Wat slecht en goed is, hangt gedeeltelijk af van de houding van de hoorder en zijn of haar bereidwilligheid om te verstaan wat gezegd wordt.

Stel eens dat hoorder en spreker één ding met elkaar eens zijn: dat de inhoud van de preek niets anders is dan de verheldering van de Bijbelse tekst. Dan mag verondersteld worden dat de hoorder nieuwsgierig is naar de boodschap van Gods Woord en dat hij of zij zich ook onder het gezag van dat Woord wil laten brengen. Bij tekstverklarend spreken is dat nu net het geval. Het Woord wordt verkondigd, en spreker en hoorder stemmen met elkaar overeen, dat zij niets anders dan dat willen zeggen en horen. Een retorisch slecht uitgevoerd toespraak wordt dan toch tot een goede preek omdat de prediker Gods Woord uitlegt en de hoorder het ook aanneemt als Gods Woord.

De zaak ligt anders wanneer de hoorder wel bereid is Gods Woord te horen maar de prediker zijn retorische gaven inzet om iets anders dan Gods Woord te verkondigen: zijn eigen mening, eigen ervaring. Ik heb er geen moeite mee om een dergelijke prediking slecht te noemen, hoewel zij aangenaam in de oren klinkt en de gemiddelde hoorder er geen moeite mee heeft. Kerkleden aanvaarden vaak een on-bijbelse prediking als zij retorisch goed is en geen verassingen bevat. Dat is het gevaar van “valse leraren” die wel het gehoor strelen, maar Christus niet verkondigen.

Wat is dus een goede preek? Als Gods Woord wordt verkondigd door iemand met retorische gaven. Maar ook zonder die retorische begaafdheid kan een preek “goed” zijn als het Bijbelse woord wordt verhelderd. Helderheid is eigenlijk de maatstaf, niet de meeslepende woorden. Een prediker zou daar al vanaf het begin van moeten afzien, zoals Paulus zegt: “Ik ben niet gekomen…om u met voortreffelijkheid van woorden of van wijsheid het getuigenis van God te verkondigen.” (1 Kor. 2:1)  En je zou kunnen zeggen dat een al te grote meeslependheid van woorden de aandacht afleidt van de boodschap en die richt op de persoon van de verkondiger die zijn talenten ten toon spreidt. Dan geldt toch zeker: “wij verkondigen niet onszelf”- 2 Kor. 4:5.

De contextuele preek (Over preken… deel 5)

Het idee achter dit type preek is, dat we niet alleen bezig zijn met de context van de tekst. Dat was wel een van de voorwaarden van een goede exegese. Elke predikant leest natuurlijk ook de teksten met zijn eigen bril. Eigen ervaringen en verwachtingen en verlangens spelen een rol bij het interpreteren van teksten. Maar het verhaal van toen wordt hier en nu verteld. Het milieu en de sociale en culturele omstandigheden van de toehoorders, zijn de context waarin dat verhaal tot spreken wordt gebracht. Het maakt verschil of je een preek hoort in onze moderne en vrije welvaartsstaat, of in een vervolgde, ondergrondse gemeente in China.

Dat houdt in dat we naar twee kanten toe kritisch moeten zijn. De eigen maatschappelijke vooroordelen mogen niet zomaar als uitgangspunt worden genomen bij het lezen van de tekst. De boodschap van de Bijbel mag niet worden aangepast aan het culturele milieu van de toehoorder.

Wat wel moet gebeuren is het aantonen van de relevantie van het Bijbelse verhaal, als kritische boodschap tegenover onze vanzelfsprekendheden. Een Bijbelse prediking geeft een boodschap van bevrijding en verlossing die voor iedereen, ongeacht de eigen context, relevant is.

Naar mijn gevoel moeten we vooral de kritische element – de Bijbelse boodschap staat boven ons – benadrukken. Wij hebben belang bij het kritisch doorlichten van onze eigen vanzelfsprekende omstandigheden. De Bijbel is het woord van de Ander bij uitstek. Hier mag men niet – en dat deed mijn gewaardeerde docent destijds wel – te makkelijk spreken over de menswording van God. Omdat God in Jezus ons bestaan gedeeld heeft, heeft hij ook onze verschillende culturen geheiligd. Zodat naast de Griekse en Romeinse en joodse cultuur ook de Germaanse en andere culturen, dat wil zeggen hun talen, gewoonten, en religieuze symbolen en kunstvormen, nu allemaal geëigend zijn om het evangelie tot uitdrukking te brengen. Voor mij is dat onaanvaardbaar.

Onze cultuur wordt opgeroepen tot bekering – iets wat mijn docent natuurlijk ook wel zag – en bovendien wordt zij radicaal onder het oordeel geplaatst – en dat zag hij niet zo helder. De contekstuele preek is dus een middel om de eigen vanzelfsprekend geworden cultuur onder kritiek te plaatsen. Onze vanzelfsprekende "Nederlandse" ervaringen, overtuigingen, zeden en gewoonten, ook al zijn die nog zozeer door de jongste kerkgeschiedenis mede bepaald, toch zijn die niet geheiligd. Integendeel! Onder veel van onze opvattingen en vanzelfsprekendheden zitten inhumane en anti-Messiaanse motieven.

Het hoort dus bij de contextuele preek om datgene ook aan het licht te brengen, wat voor ons allen verborgen is, juist omdat we het zo vanzelfsprekend vinden. Er is een geest van de tijd werkzaam, die we met de Heilige Geest moeten uitdrijven.

Verschillende typen preken (Over preken… deel 4)

Onze moderne tijd is een beeldcultuur. Je zou daaruit de conclusie moeten trekken, dat je daar ook in de preek er rekening mee moet houden.

Hoe hebben wij over het algemeen met taal te maken? Ga maar na. Het is altijd een snelle en compacte communicatie. Het gaat om krantenkoppen, headlines en soundbites. Alles moet gezegd worden in korte, pakkende, heldere beeldtaal. De boodschap lijkt minder belangrijk dan de verpakking. Het gaat dus steeds minder om de inhoud van de preek maar steeds meer om de presentatie. Mag dat?

Sommigen, zoals mijn gewaardeerde docent homiletiek destijds, zullen zeggen dat het zelfs moet. De prediker moet nu eenmaal rekening houden met de kenmerken en het karakter van zijn publiek. Maar hoe kan het dan, dat preken in de Christelijk Gereformeerde traditie nog steeds drie kwartier duren? Hoe kan het dan, dat zelfs in moderne gemeenten van de Baptisten, een preek meestal 50 minuten duurt? Is het dan alleen maar het publiek, de toehoorder in ons type kerk, dat last heeft van dit concentratieverlies?

Hier zou je een beschouwing kunnen inlassen over het verschil tussen de toehoorders in het ene type kerk en het andere type kerk. Dat zal ik niet wagen. Vandaar dat ik nog alleen maar wil zeggen, dat het idee dat wij ons niet langer dan 15 à 20 minuten kunnen concentreren, mij eerder een vooroordeel lijkt te zijn.

Maar nu eerst even iets anders. Laten we dan maar eens kijken naar de presentatie. Dan moeten we – zo werd mij geleerd – eerst eens gaan kijken naar de bedoeling van de preek, de intentie. Wat beoog je met de preek?

Er zijn verschillende mogelijkheden, en die hangen af van de omstandigheden en van het karakter van de toehoorders. Een preek kan willen informeren, onderwijzen, tot bekering oproepen, vermanen, bemoedigen, troosten, of hoop en vertrouwen geven. De predikant treedt daardoor op in steeds andere rollen. Hij is leraar, mede-leerling, pastor, priester, profeet, pleitbezorger, therapeut, entertainer. Geen enkele predikant kan dat allemaal zijn en zeker niet met dezelfde deskundigheid. Achter al deze mogelijkheden zit intussen wel één enkele motivatie. In ieder geval moet de prediker tot doel hebben de oorspronkelijke betekenis en de relevantie van de Bijbelse tekst aan het licht te brengen. Dat is de achtergrond van de keuze tussen de verschillende mogelijkheden van presentatie.

Ik leerde dat er vier fundamentele typen preken zijn die dan ook op vier verschillende vormen van presentatie gebaseerd zijn. Zelf heb ik altijd gedacht dat er nog een vijfde en zesde te onderscheiden zijn. Ik zal ze nu noemen, en in een volgende blog zal ik proberen de waarde en de grenzen van elk van deze vormen van de preek aan de orde te stellen.

Dit zijn ze:

  1. De contekstuele preek
  2. De profetische preek
  3. De politieke preek
  4. De narratieve preek
  5. De pastorale preek
  6. De ethische preek

Over deze typen van preken later nog meer.

 

De lengte van een preek… (Over preken… deel 3)

Een van de grootste moeilijkheden bij het preken is de lengte van de preek. Wij leven in een cultuur waarin het kijken en het beeld dominant zijn geworden. Het woord is minder belangrijk geworden. Je zou je kunnen afvragen of in een beeldcultuur de preek nog machten is om haar doel te bereiken. En het doel van de preek is toch onderwijs en bemoediging. Onderwijs en bemoediging zijn toch eigenlijk alleen maar over te dragen met behulp van taal.

Het is een algemeen aanvaard oordeel in onze tijd, dat vele mensen zich niet langer dan 15 à 20 minuten op een preek kunnen concentreren. Hoe was dat dan vroeger, toen preken wel een uur lang konden duren?

Ik vraag me af of het niet al te gemakzuchtig is om mee te gaan met dit algemene vooroordeel. Het is waar dat je tijdens een toespraak wel eens kunt worden afgeleid. Het is ook waar dat een vervelende toespraak die een half uur duurt een kwelling kan zijn. Maar dat ligt niet per se aan het fundamentele en universele onvermogen van de toehoorder om lang naar iets te luisteren. Diezelfde toehoorder vindt het geen enkel probleem om naar een film te kijken die 2 uur duurt. Is die toehoorder dan geconcentreerd aan het kijken? Maar een film van die lengte wordt op televisie vertoond met reclameblokken die de kijker de gelegenheid geven even te ontspannen. En tijdens het kijken naar de film zijn er vanzelfsprekend ook momenten dat de aandacht even is afgeleid.

Mijn stelling zou zijn dat die momenten van wegdromen en niet kunnen volgen van de preek helemaal niet erg zijn. Je kunt de draad altijd wel weer oppakken. En er zal in menige preek toch altijd wel iets zijn wat jou aanspreekt, terwijl andere delen ervan misschien wel voor anderen in de gemeente bedoeld zijn.

Ik denk dat het niet gaat om het onvermogen om je te concentreren, maar om het feit dat moderne mensen minder tolerantie hebben voor momenten van verveling en zich ergeren aan het feit dat ze zelfs even zijn afgeleid.

En daar komt dan nog bij dat we eraan gewend zijn om dat gebrek aan concentratie dan niet aan onszelf toe te schrijven, maar de vertoning of de toespraak de schuld ervan te geven.

Wellicht is het uiteindelijk allemaal een kwestie van gewenning en van jezelf aanleren om geconcentreerd te blijven luisteren. Mij helpt het altijd om op papier of in gedachten aantekeningen te maken van wat ik hoor. Dat helpt bovendien mijn geheugen achteraf om te kunnen navertellen wat ik gehoord heb. Een stukje papier en een pen, je eigen bijbel meenemen naar de kerk zodat je kunt meelezen of kunt herlezen waar de preek over gaat: het zijn allemaal simpele middelen om de concentratie te verlengen.

Ik wil daarmee niet zeggen dat de schuld uitsluitend bij de toehoorder ligt. Maar daarover een andere keer. Want dat is de vraag hoe de predikant in de moderne tijd bij machte is om zijn gehoor werkelijk te boeien. Wat is dan nodig?

 

Over preken… deel 2

Een preek is een uitleg van de Bijbelse tekst. De tekst heeft zelf iets te zeggen. Je mag de tekst niet laten buikspreken, dat wil zeggen er zelf iets inleggen of uithalen. Daarom is er een grondig onderzoek van de tekst nodig, de exegese. Dat is vooral het terrein waarop de deskundigheid van de predikant aan het werk gaat.

De volgende vier stappen zijn daarbij noodzakelijk:

  1. De oorspronkelijke tekst moet niet alleen worden gelezen en bestudeerd in een of andere vertaling, maar in de oorspronkelijke Bijbeltaal. Dat betekent dat elke predikant een goede kennis moet hebben van de talen van de Bijbel: het Grieks voor het Nieuwe Testament en het Hebreeuws voor het Oude Testament. Als je in de vertaling het woord “zonde” tegenkomt, moet je daar niet zelf allerlei fantasieën op loslaten, maar goed beseffen wat het woord in de oorspronkelijke taal betekent.
  2. Elke tekst heeft ook een geschiedenis. Die geschiedenis moet goed begrepen worden. Zo is het van belang om te weten wat het verschil is tussen de Openbaring van Johannes en het boek van de Psalmen. Die twee boeken uit de Bijbel zijn in verschillende tijden, in verschillende talen, met een verschillend publiek en met een ander doel geschreven. Daar hangt hun betekenis van af.
  3. Elke tekst heeft ook een context. Bijbelse teksten zijn bouwstenen in een groter geheel. Dat grotere geheel moet je ook kennen. Elk woord staat in een zin, elke zin staat in een verhaal of een ander type tekst, en die staan weer in een ruimer verband. Zo horen de vijf boeken van Mozes bij elkaar en vormen de 150 psalmen een geheel. Je mag teksten en worden niet uit hun verband rukken en misbruiken.
  4. In zijn omgang met de tekst heeft de predikant een dubbele loyaliteit. Hij is in de eerste plaats solidair met de oorspronkelijke schrijvers. Die schrijvers zijn Gods gezanten. Daarom moet hij zo zorgvuldig mogelijk doorgeven wat zij over de zaak van God hebben bericht. Aan de andere kant moet hij het allemaal zo overbrengen, dat de toehoorders het kunnen verstaan. Dat is ook in hun belang. De zaak van de toehoorders mag ook niet worden verraden.

Elke preek blijft daarom een waagstuk. Aan de ene kant is dat het waagstuk van de predikant die zich in de tekst verdiept – begrijpt hij het wel? Aan de andere kant is dat het waagstuk van de overdracht – is de preek ook interessant en relevant? Elke predikant zal met deze beide zaken te maken krijgen. Het is denkbaar dat hij de Bijbelse tekst goed uitlegt, zonder dat de toehoorder wordt geraakt. Dat is niet alleen maar de schuld van de prediker. Maar hij kan ook zo geconcentreerd zijn op het aanspreken van de toehoorders, dat zij wel genieten van de toespraak, maar niet werkelijk worden geconfronteerd met de boodschap van de Bijbelse tekst. Dat is ook een vorm van verraad, al zal de gemeente daar niet altijd over klagen.

Over preken… deel 1

Er moeten mij een paar dingen van het hart over preken.

Het is alweer jaren geleden dat ik studeerde voor predikant. Één van de vakken waarin ik werd onderwezen was de preekkunde, of homiletiek. Ik heb eens zitten bladeren in de reader die ik voor dat vak bestuderen moest.

Een van de vragen die werd behandeld was deze: wanneer is een toespraak nu een preek? In ieder geval moet een preek een vertolking en uitleg zijn van een Bijbelse tekst. De Schrift moet worden vertaald. In beginsel zou iedereen dat kunnen. Een niet theologisch geschoolde preker is zeker in staat om een uitleg van de bijbel te geven. Maar de prediking in de kerk moet betrouwbaar en geloofwaardig zijn. Vandaar dat aan de prediker een aantal eisen kunnen worden gesteld, vandaar dat het hier toch ook gaat om een vak waar je een bepaalde deskundigheid voor nodig hebt.

Maar wanneer is een toespraak in de kerk nu een preek? Een van mijn leraren (Sonny Hof) legde het zo uit. (Althans zo heb ik het mij herinnerd.) Neem nu eens het verhaal van de Emmaüsgangers. Onderweg van Jeruzalem naar huis spreken zij met elkaar over alles wat er gebeurd was. Dat gesprek met elkaar is in het Grieks een “homilia.” Vandaar dat de preekkunde ook wel homiletiek genoemd wordt. Maar wat gebeurt er nu onderweg? Zo staat het in Lucas 23. Zij “spraken met elkaar over al wat voorgevallen was. En het geschiedde, terwijl zij daarover spraken en van gedachten wisselden, dat Jezus zelf bij hem kwam en met hen meeging.” Om deze drie dingen gaat het dus.

  1. Er is een gesprek met elkaar. De toespraak van de predikant of de preek is geen monoloog waarin het alleen maar gaat om de eigen ideeën en gevoelens van de predikant. Om een dubbele reden niet. Hij moet de Schrift vertolken en hij moet het doen in de vorm van een gesprek met de toehoorders.
  2. Dat gesprek gaat over alles wat gebeurd is. Wat gebeurd is is in ruime zin te verstaan als de daden van God in de geschiedenis. Het gaat niet om een fantasie of om een gevoel maar om de werkelijkheid van God bidden Zijn schepping.
  3. In dat gesprek komt Jezus zelf erbij en gaat met hen mee – Hij raakt betrokken in het gesprek, komt centraal te staan in de uitleg, in de preek, zoals Hij ook centraal staat in de Schrift die wordt uitgelegd.

Dat dus is in ieder geval preken. De Schrift uitleggen in de vorm van een gesprek op zo’n manier dat Jezus zelf de kern van de toespraak wordt.