De Amerikaanse predikant David Fitch schreef een kort artikel tegen “expository preaching”, in “Christianity Today”. Het werd daar opgenomen in een serie bijdragen over de rol van consumentisme in in het geloof en in de prediking. De algemene stelling van Fitch is dan ook, dat tekstuitleggende of tekstverklarende prediking van de Bijbel een soort consumptiegoed maakt.
Tekstverklarend preken als mythe
De kern van de tekstuitleggende prediking zou een mythe zijn, nl.:
“Als de prediker de tekst meer tot in detail volgt in zijn prediking, zullen hij/zij en de gemeente ook meer recht doen aan het Woord van God.”
Geen storende menselijke wijsheid, geen persoonlijke agenda kan dan de prediking verstoren. Het enige wat je hoeft te doen is de instrumenten van de historisch-kritische exegese en je kennis van de grondtalen te gebruiken om zodoende bij de oorspronkelijke betekenis van de tekst te komen.
Fitch noemt dat een mythe omdat “de historisch-kritische methode in de handen van individuen in meer dan 100 jaar nog nooit een enkele betekenis heeft vastgesteld zoals die door de schrijver ook bedoeld is.” Deze methode verwekt steeds minder eensgezindheid over de tekst. En dan zegt hij:
“In werkelijkheid is niet de individuele exegese van de tekst beslissend voor de interpretatie. Dat is de brede consensus in de interpretatie van de Bijbelse teksten zoals die in de geschiedenis van de kerkelijke leer te vinden is. De mythe dat tekstuitleggende prediking meer recht doet aan de tekst is eenvoudig onwaar. Er is ook binnen de tekstuitleggende prediking meer dan genoeg ruimte voor alle mogelijke menselijke interpretatie.”
De rol van de traditie op de achtergrond, verhindert dus dat door de tekstverklarende prediking zoiets als de enige oorspronkelijke betekenis wordt ontdekt en verhelderd. Daarnaast wijst Fitch op het gegeven, dat elke hoorder niet noodzakelijk hetzelfde hoort als wat door de prediker bedoeld wordt. Ook het horen is selectief en wordt vervormd door eigen veronderstellingen en invallen, de persoonlijke context van de hoorder speelt zelfs een zeer grote rol.
Het belangrijkste bezwaar noteert Fitch aan het eind van dit korte artikel. Door gebruik te maken van tekstverklarende prediking, krijgt de predikant zelf de neiging om de bijbeluitleg niet meer te testen binnen de gemeente, maar als geheel en al gereed te beschouwen. Dat zou in strijd zijn met 1 Joh. 4:1: “Geliefden, gelooft niet elke geest, maar beproeft de geesten of zij uit God zijn.” Een merkwaardige tekst om hier te gebruiken, omdat het juist veronderstelt dat zoiets als “uit God zijn” daadwerkelijk kan worden vastgesteld.
Hoe kan men nu deze bezwaren beantwoorden?
In de eerste plaats de betekenis van de historisch-kritische methode. Ik ben geen voorstander van de historisch-kritische methode als men daartoe niet alleen de instrumenten van geschiedenis en linguïstiek rekent, maar ook de historische verklaring van teksten en hun ontstaansgeschiedenis en onderlinge afhankelijkheid. “Kritisch” kijken naar de tekst is iets anders dan de tekst als een object van verklaring beschouwen. Daarin komt de intentie van de auteur nog maar nauwelijks tot zijn recht en verdwijnt de schrijver achter zijn eigen product. Uitleggen wat Johannes bedoelt met “In het begin was het Woord…” etc. veronderstelt wel linguïstiek en bijbelkennis wat de context betreft, maar niet de kennis van de gnostiek en andere tradities die kunnen verklaren waarom Johannes tot deze uitspraak is gekomen. Er staat dat Jezus het Woord van God is. De betekenis van die tekst is gezaghebbend, want het is de Schrift. Een verklaring hoe die tekst tot stand kwam vanuit zuiver historische en literaire gezichtspunten is dat deel van de “historisch-kritische” methode dat van eigen, specifiek onkerkelijke gezichtspunten uitgaat en vaak alleen maar dient om de tekst van haar gezag te beroven.
Bovendien gaat het niet om de oorspronkelijke intentie van de auteur – Schleiermachers model van hermeneutiek is dat men daartoe kan doordringen door een analyse van de tekst vanuit het gezichtspunt van de schrijver. In feite is de kerkelijke manier van Bijbellezen door twee gezichtspunten bepaald die hiermee in strijd zijn. Ten eerste: God is de auteur, volgens de Bijbelse tekst zelf. Er is dus niet een veelheid van menselijke schrijvers van boeken of van fragmenten van boeken, maar (de aanname) is dat één enkele Auteur de eenheid van de Bijbel fundeert en bewaart. Ten tweede: het gaat daarom ook over de eerste lezers en hun context. De betekenis die het toen voor hún had, heeft het ook nu nog.
Daarnaast is het goed te wijzen op het feit dat geen enkele interpretatie, ook niet die van buitenkerkelijke “historisch-critici” buiten elke traditie staat. Ook de academische traditie van de exegese werkt als een traditie waarin bepaalde resultaten zijn verondersteld en als aannames werken voor een volgend onderzoek. In het Nieuwe Testament is deze rol van traditie – van het onderwijs van de apostelen en leraren binnen de kerk – een gegeven. Juist de inleiding van de belangrijke uitspraak van Paulus over de rol van de Bijbel in het werk van Timotheüs (“Heel de Schrift is etc…””) begint met de woorden: “Blijft u echter bij wat u geleerd hebt en waarvan u verzekerd bent omdat u weet van wie u het geleerd hebt.” (2 Tim. 3:14) En Paulus spreekt niet alleen over wat hij ”zelf ontvangen heeft en heeft overgeleverd, maar vermaant de gemeente van Korinthe: “…waardoor u zalig wordt, als u eraan vasthoudt zoals ik het u verkondigd heb.” (1 Kor. 15:2) Aan Titus schrijft hij zelfs voor, dat diens prediking in overeenstemming moet zijn met de traditie – wat de Bijbel uiteraard niet uitlsuit, maar insluit: “maar u, spreek” – openbaar spreken zal bedoeld zijn – “wat bij de gezonde leer past.” (Tit. 2:1) Kortom: “spreek een gezond woord” – Tit. 2: 8 – “dat tegen alle kritiek bestand is.” Dat is een woord dat niet op eigen gezag berust, maar op het gezag van de Schrift.
Het feit op zich, waarnaar Fitch verwijst, dat op grond van de historisch-kritische methode deze eensgezindheid niet kon worden gediend maar de verwarring in de interpretaties alleen groter werd bewijst niets. Er waren er ook velen in de apostolische tijd die tegen de waarheid ingingen, de “gezonde leer” niet meer konden verdragen, of voor zichzelf leraars zochten die het gehoor streelden. Zelfs Apollos moest meemaken dat zijn prediking van Christus – alleen gebaseerd op de verkondiging van Johannes de Doper – moest worden gecorrigeerd. Een correctie die hij op apostolisch gezag, vertegenwoordigd door Aquila en Priscilla die het van Paulus gehoord hadden, ook heeft verdragen. Een fraai voorbeeld van de doorwerking van apostolisch gezag via een traditieketen. (Hand. 18:24-26)
Het minst sterke argument vind ik het argument dat de hoorder toch zo zijn eigen manier van horen heeft. En dat luisteren ook selectief is, net als de prediking dat is. Dat moge zo zijn, maar is dat alles niet nog veel erger en verwarrender als er geen tekst wordt gevolgd? De tekst in handen van de hoorder werkt als een voortdurende herinnering aan onderwerp en thema van de preek. En dat werkt alleen als de prediker die tekst inderdaad aanreikt en uitlegt. Ook de mogelijkheid van “andere interpretaties” – niet erg als die niet de kern van het evangelie raken – berust dan tenminste op een andere manier van lezen van de tekst en niet op het onoverzichtelijke geheel van emoties en persoonlijke invallen die tijdens de prediking een rol kunnen spelen.
Wat het testen betreft van de prediking. Ik zei al, dat de verwijzing naar 1 Joh. 4 niet sterk is. De “geesten” beproeven is heel wat anders dan kritisch luisteren naar de prediking, en bovendien veronderstelt die tekst juist dat we wél kunnen vaststellen wat uit God is en wat niet. Maar er is een voorbeeld in Handelingen 17:10, 11. De mensen in Berea waren “edeler van gezindheid” dan die in Thessaloníki, net vijf kilometer verder op. Waarom was dat? Omdat zij (1) niet alleen naar de prediking van Paulus luisterden, maar “het Woord met grote bereidwilligheid ontvingen.” Paulus’ prediking was dan ook geen vrije improvisatie maar zeer waarschijnlijk een tekstverklarende verkondiging. En hun reactie daarop was, dat (2) zij “onderzochten dagelijks de Schriften om te zien of die dingen zo waren.”Juist in een tekstverklarende prediking wordt aan de gemeente geleerd om zelfstandig het Woord te lezen en te overdenken en zo ook te kunnen toetsen of het klopt wat de prediker gezegd heeft. Ook de Heer Jezus Zelf heeft in zijn gesprek met de Emmaüsgangers de Schriften geopend om te laten zien wat er op Hem betrekking had. En Lukas vermeldt als één van de gaven bij de Hemelvaart van Jezus, dat Hij de Schriften opende zodat zij het verstonden, en de Heere spreekt zelf van het werk van de heilige Geest die de apostelen in staat gesteld heeft alles zich te herinneren wat Jezus gezegd had. Die Geest is in de apostolische traditie juist tot een schriftelijke vorm gekomen. Het idee dat een prediking niet de tekst zou moeten volgen lijkt in strijd met deze voorbeelden en met het gezag van de Schrift zelf. (Daarover in een volgende bijdrage nog meer.) Trouwens, één van de manieren van het testen van de prediking is om te zien of zij conform het belijden van de kerk is. In de belijdenis van de Kerk en in haar Catechismus is toch immers het Bijbellezen van vorige generaties vastgelegd en het lijkt mij niet vreemd dat de wijsheid van vroeger een leidraad kan zijn voor de wijsheid van nu. Al zullen accenten verschillen, onze voorgangers in het verleden lazen dezelfde Bijbel en de betekenis ervan kan niet voor hun en voor ons steeds iets anders zijn.
Het blijft een feit dat ook in een tekstverklarende prediking kan blijken of een goede of een slechte exegeet aan het woord is. En het blijft duidelijk dat ook in een dergelijke prediking een mens aan het woord komt, met zijn vooroordelen en zwakheden. Maar is het niet juist in een tekstverklarende prediking dat dat blijken kan? In een meer thematische of profetische of pastorale prediking wordt de afstand tot de Schrift zó groot, dat alleen het gezag van de prediker beslissend is. Een oordeel van de hoorder zal uitsluitend gebaseerd zijn op zijn eigen meningen omdat ook deze geen directe relatie met de Schrift heeft in zijn horen van de prediking. Als de gemeente de Bijbelse tekst niet volgen kan, is zij aan een wijsgerige verhandeling of vrome toespraak blootgesteld.
De prediking volgens de methode van de tekstuitlegging is zeker niet volmaakt. En er is nog veel te doen over de juiste manier waarop dat moet, hoe de exegese moet plaatsvinden, welke rol de traditie speelt etc. Maar daaruit volgt niet dat de tekstverklarende prediking niet de best mogelijke zou zijn, juist om de door Fitch daar tegenin gebracht bezwaren effectief aan te pakken. Méér tekstverklarende prediking lijkt mij daarom nog steeds noodzakelijk.
http://www.awesomescreenshot.com/image/1226473/182de68955d1e22e62d26642b4a2f69b