God heeft het eerste woord – een Bijbellied van Jan Wit

KLIK OP ONDERSTAANDE LINK:

GEZANG 1 – LIEDBOEK VOOR DE KERKEN 1973

1 God heeft het eerste woord.
Hij heeft in den beginne
het licht doen overwinnen,
Hij spreekt nog altijd voort.

2 God heeft het eerste woord.
Voor wij ter wereld kwamen,
riep Hij ons reeds bij name,
zijn roep wordt nog gehoord.

[2a God heeft het laatste woord
Al moeten wij neerzijgen
in ’t somber rijk van ’t zwijgen
het wordt door Hem verstoord]

3 God heeft het laatste woord.
Wat Hij van oudsher zeide,
wordt aan het eind der tijden
in heel zijn rijk gehoord.

4 God staat aan het begin
en Hij komt aan het einde.
Zijn woord is van het zijnde
oorsprong en doel en zin.

Uit Wikipedia:

Jan Wit (Nijmegen, 7 juli 1914 – Groningen, 26 augustus 1980) was een Nederlands predikant, dichter en hymnoloog.
Jan Wit, die blind was, was van 1948 tot 1967 als predikant verbonden aan de Waalse gemeente van Nijmegen. Hij schreef een groot aantal teksten voor het Liedboek voor de Kerken.
In 1969 ontving hij een eredoctoraat aan de Rijksuniversiteit Groningen. Als theologiestudent behoorde hij tot de vriendenkring van Theo van Baaren en Gertrude Pape en droeg hij in de oorlogsjaren bij aan het baldadige en surrealistische maandblad met een oplage van één exemplaar De Schone Zakdoek.

De zegen

De zegen aan het einde van onze erediensten luidt vaak:

“De Heere zegene en behoede U. De Heere doe Zijn aanschijn over u lichten en zij u genadig, de Heere verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede.”

Er werd mij gevraagd waarom in de zegen aan het eind van de dienst wordt gezegd: “De Heere doe Zijn aanschijn over u lichten” maar ook: “de Heere verheffe Zijn aangezicht over u”. Is dat niet twee keer hetzelfde?

Beide uitdrukkingen betekenen niet hetzelfde. “Aanschijn” en “aangezicht” betekenen wel hetzelfde, namelijk het naar ons toegekeerde gelaat. Iemand kijkt je aan, zijn blik rust op jou en jij ziet dat iemand je aankijkt.

Aanschijn wil zeggen, dat de blik van een ander als een licht naar je toekomt. En van dat gelaat gaat een soort licht uit, iemand is zich van jou bewust, ziet je staan en negeert je niet. In de zegen vind je dat terug. “De Heere doe Zijn aanschijn over U lichten” wil zeggen dat God zich beschermend en troostend naar je toekeert. Het licht van Zijn blik raakt jou. Het aanschijn “verduisteren” betekent dat God in schaamte of boosheid van je wegkijkt. Vandaar dat we erop laten volgen: “en zij u genadig.” Wanneer Hij zich naar je toekeert is dat in genade. Vergeving en ontferming tegelijk.

Aangezicht wil zeggen, dat jij iemand in het gezicht kunt aankijken: het is naar jou toegekeerd. Zo ontmoet je iemand “van aangezicht tot aangezicht. “Het aangezicht “verheffen” wil zeggen dat je in genade en liefde wordt aangekeken en dat zelf ook mag zien. De Heere immers “heeft een oog over de mens.” (Zacharia 9:1) Zijn blik is welwillend op ons gericht. En dat vriendelijke gezicht mogen wij “zien” of beleven. Vandaar dat we daarmee het woord “vrede” verbinden. Wanneer we Zijn vriendelijk gelaat zien, dan ontvangen we vrede voor het hart.

Eerst spreken we dus over de toekeer van God – Zijn aanschijn licht op – , en daarna over Zijn blik, waarmee Hij een ieder van ons aankijkt en die wij mogen zien – Hij verheft Zijn aangezicht. Het zijn menselijke woorden, waarmee we proberen uit te drukken hoe God er voor ons zijn wil.

Sytze de Vries of Pieter van de Kasteele? Over lied 283 (NLB)

Een eenvoudige en sobere liturgie

 

Je kunt je een hele eenvoudige liturgie voorstellen. Kijk maar eens naar de volgende opbouw van de eredienst:

1. orgelspel of samenzang
2. Welkom en mededelingen betreffende de liturgie
3. Gemeentezang (introïtuspsalm)
4. Stil gebed, votum en groet
5. Gemeentezang als antwoord op de groet
6. Verkondiging (samenstel van bijbelteksten)
7. Gemeentezang: loflied
8. Bijbellezing(en)
9. Gebed
10. Gemeentezang
11. Tekst en preek
12. Dankgebed
13. Orgelspel en stilte
14. Gebed
15. Gemeentezang
16. Uitzending en zegen
17. Orgelspel

Er zitten in deze liturgie een aantal bijzonderheden. Bijvoorbeeld onder punt 6. Onder “verkondiging” versta ik dan een gelezen geheel van Bijbelse teksten, die passen bij de tijd van het jaar, en eventueel het thema van de dienst omvatten. Dit vervangt de gebruikelijke wet lezing. Zo kan er een bijzondere verkondiging zijn voor de lijdenstijd, voor Pasen en voor advent en kerst.

Bijzonder is misschien ook punt 8. Één of meerdere lezingen uit de Bijbel gaan vooraf aan het eerste gebed. God spreekt hier tot ons vóór dat wij Hem antwoord geven.

Misschien wordt het ook als bijzonder ervaren dat er (punt 12) een dankgebed wordt uitgesproken na de prediking. Toch lijkt dit terecht. Het geheel van de verkondiging wordt in de vorm van het gebed aan God voorgelegd, zodat duidelijk kan worden welke opdrachten we meenemen en welke lofprijzing in die verkondiging besloten ligt.

Onder punt 16 kan gedacht worden aan de gebruikelijke formules voor uitzending en zegen, maar hier zou het misschien ook passend zijn om een opdracht uit te spreken. Bijvoorbeeld de tekst: “Weest standvastig, onwankelbaar, te allen tijden overvloedig in het werk des Heeren, en de God der liefde en des vredes zal met u zijn. Amen.”

Dit is een eenvoudige en doorzichtige liturgie.

Eventueel kan men hier tussen punt 14 en 15 nog een zogenaamde “vrije ruimte” invoegen, waarin het woord wordt gegeven aan anderen dan de predikant. Hier valt te denken aan de diverse commissies zoals de diaconie en de kindernevendienst. In principe zou hier ook een gesprek met de gemeente kunnen worden gevoerd over de inhoud van de prediking. Op die wijze komt – ordelijk – de gemeente zelf tijdens de eredienst ook aan het woord.

Nog een laatste punt. In de voorbeden is het niet noodzakelijk om het Onze Vader hardop te bidden. Maar het lijkt mij wel van belang dat de gemeente in alle gevallen op het Amen van de voorganger ook zelf met Amen antwoord geeft om op die wijze de instemming met het gebed hoorbaar te maken.

De kansel boven het altaar

De kerk is de kerk van alle eeuwen en van alle plaatsen. Wat we “kerk” noemen valt dus geenszins samen met onze eigen gemeente hier-en-nu of met haar vorm in onze jeugd. Zoals ze ook al niet samenvalt met het grote verband van de Protestantse Kerk In Nederland.

Dat feit brengt sommigen ertoe om te menen dat we de eenheid van de kerk moeten gaan zichtbaar maken in de liturgie. Een oecumenische liturgie, die teruggaat op de ongedeelde kerk van pak en beet de vierde eeuw, zou deze algemeenheid van de kerk demonstreren. Waarom ook niet? De scheidsmuren tussen de kerken – zoals regelmatig zou blijken uit oecumenische diensten en het beraad van de Raad van Kerken – zijn sinds de 16e eeuw dermate afgesleten, dat alleen lokale gewoonten en persoonlijke afkeer verhinderen dat we allen in dezelfde boot zitten. Wie maakt zich immers nog druk over de oude kwesties van misoffer, priesterambt, boetedoening, biecht, aflaten en heiligen- en Mariaverering? En ook Protestanten zouden er goed aan doen te leren van de aandacht voor het mysterie die de RK eredienst beheerst.

Wat hier gebeurt is niet moeilijk te zien. Men probeert daarmee de Kerkhervorming van de 16e eeuw ongedaan te maken. We volgen daarmee geen hedendaagse mode, maar de roep om liturgische hervorming, die zich ongeveer vijftig jaar geleden zo sterk heeft uitgebreid, dringt nu dan eindelijk ook in Ter Apel en omstreken door. Het heeft even geduurd, maar dan heb je ook wat.

Precies al die ceremoniele elementen van de eredienst, die in die Kerkhervorming werden weggedaan omdat ze de hoofdzaak verduisterden, krijgen dus nu weer een kans. Er is een huwelijk gaande tussen het Protestantse subjectivisme – de nadruk op de individuele beleving en haar uitingen – en de Roomse nadruk op het sacrament- het zichtbare teken van Gods tegenwoordigheid in het offer. Wie de ceremonieën wil invoeren om de kerk weer terug te voeren naar Rome, zal dat dan wel duidelijk moeten zeggen.

Dat gebeurt natuurlijk niet zo duidelijk. Het blijft stilzwijgend verborgen achter populaire dogma’s zoals het al te makkelijke idee dat er toch maar een evangelie en een algemene kerk is. En vooral dat er toch maar een God is.

Was het maar waar. Is dit geen wishful thinking? Er is inderdaad maar een God, de Vader van onze Heer Jezus Christus. Klinkt dat door in de prediking van de kerken met wie we zo graag verbonden willen zijn? Er is inderdaad maar een evangelie, het evangelie van het vleesgeworden Woord dat op zich nam het Lam Gods te zijn, dat voor onze zonden stierf. Klinkt dat evangelie in alle kerken, met wie we zo graag de oecumenische dienst willen uitvoeren?

De innerlijke kant van deze drang om oecumenische waarden te laten prevaleren boven die van de Reformatie, is de poging om in de eigen liturgie het bijzondere van vooral de soberheid te vervangen door het overvloedige van het Rituale Romanum. Beurtspraak, intenties in de voorbede, gedichten, bloemen en kaarsen, de gemeente die massaal en massief het Onze Vader uitspreekt, en dan niet in de logische eenvoud van het Lutherse, maar in de bonte warwinkel van bijna willekeurig samengeraapte liturgische bouwsteentjes. De liturgie van de gemeente wordt geconstrueerd in plaats van geordend.

Die willekeurige elementen in de liturgie kunnen echter juist storend werken op de prediking, omdat ze een andere belijdenis toebehoren. En dat is dan nog het gunstigste geval. Is het niet waarschijnlijker dat de toevoegingen en versieringen in de liturgie uit menselijke verlangens en natuurlijke zaken voortkomen? Als de liturgie beperkt zou moeten zijn – intentie van de Reformatie – tot het antwoord van de gemeente op het Woord in de vorm van belijdenis, lofzang en gebed, zijn al die toevoegsels uitsluitend storingen. Dan krijg je de indruk dat de gemeente zelf aan het woord wil komen om tot zichzelf te spreken.

De orde van de dienst in de gemeente kan geen constructie zijn, geen volg-orde van elementen waarin de beleving het voor het zeggen heeft. De orde volgt uit de voorrang van de prediking, van de toepassing van het Woord dat God tot ons spreekt in Christus op hart en leven, boven het antwoord van de gemeente op dat Woord. En dat antwoord staat zeker boven de elementen met uitsluitend gevoelswaarde, de kitteling van onze beleving. Zoals we die zo uitgebreid erbij hebben gekregen in het Nieuwe Liedboek. De wildgroei moet worden beperkt en liefst uitgebannen – kaarsen-mystiek, Sacred Dance, liturgisch bloemschikken, de presentie van kindernevendienst en diaconie in tussentijdse mededelingen – het moet maar eens genoeg zijn. Want alles wat de presentie vam de Geest tracht te vervangen door symbool en formulier, en alles wat concurrerend met het Woord als bron van inzicht wil optreden zoals dichtwerk en andere speelse invallen, moet worden weggesneden uit de liturgie van de gemeente. De kansel, niet het Roomse altaar van de symbolen en niet het Protestantse altaar van de innerlijke beleving moet de overhand hebben.

God wordt alleen ontmoet in het Woord en in de prediking. Het overige is antwoord, en niet de plaats waar God ons ontmoeten wil. Die innerlijkheid is in het dagelijkse leven – waar dat een leven in geloof is – ook al niet de uitsluitende plaats van de ontmoeting, maar daar gebeurt het. In de eredienst is uitsluitend Gods spreken die plaats. ;

10 stellingen over liturgie

1. Aan het gesprek over de liturgie moet het geloofsgesprek in de kerkenraad en de gemeente voorafgaan. De liturgie volgt Schrift en belijdenis.

2. De liederen die wij zingen in de gemeente moeten doordrenkt zijn van de Schriften.

3. Als de gemeentezang uitsluitend gebaseerd zou zijn op het Nieuwe Liedboek verschuift in de gemeente het accent van het Woord van God naar het Geloof van de mens.

4. De gevoelscultuur van onze tijd verlangt allerlei handelingen in de liturgie die in strijd zijn met de eenvoud en de nuchterheid van een geloof dat uitsluitend op het Woord van God is gebaseerd. (Het belangrijkste voorbeeld daarvan is het gebruik van gedichten die ons gevoel tot uitdrukking moeten brengen.)

5. Liturgie is een ordening van de samenkomst van de gemeente, waarin het Woord van God de eerste plaats inneemt en de gemeente de gelegenheid krijgt op dat Woord te reageren in belijdenis, aanbidding, lofprijzing, avondmaalsviering, de gemeenschap, het gebed, het dienstbetoon in en buiten de samenkomst, in een levende verbondenheid met de traditie van de – algemene, apostolische – kerk.

6. De zorg om de juiste prediking – kerkrechtelijk opgedragen aan de ouderlingen en de predikant – moet een vervolg krijgen in de zorg om de juiste leer (bijbelbespreking en bijbelstudie) en de juiste liturgie.

7. In principe hebben we aan de 150 psalmen genoeg voor de orde van de eredienst. Alle overige liederen en gezangen zijn een toevoeging aan deze fundamentele schat aan liederen. Het al dan niet invoeren van een liedboek is daarbij van secundair belang. Wanneer dat liedboek geheel of gedeeltelijk in strijd is met de belijdenis van de gemeente van Christus, dan is dat liedboek een storing van de eredienst.

8. De verantwoordelijkheid voor de prediking en de verantwoordelijkheid voor de liturgie kunnen niet van elkaar worden losgemaakt. Liturgen of liturgiecommissies kunnen dan ook niet zomaar doen wat ze maar willen.

9. Het leesrooster volgens het kerkelijk jaar is alleen maar een aanwijzing voor de keuze van de te lezen Bijbelgedeelten. Bijbels gezien is elke zondag een paaszondag.

10. Het is niet de identiteit van de gemeente die bepaalt wat haar liturgie is, maar het is de prediking, de belijdenis en de liturgie samen die een bijzondere identiteit aan de gemeente van Christus geven.

Hieronder nog een korte toelichting op de stellingen:

Wat is eredienst? (3)

Tweede fragment van de Bijbelbespreking van donderdag 27 maart 2014.

Aan de orde was 1 Korinthe 14.

Welke beginselen voor de eredienst kun je vinden in 1 Kor. 14?

1. tot de eredienst behoort: gezang, gebed en onderwijs uit de Schrift.
2. de eredienst moet ordelijk verlopen
3. enthousiasme moet worden gematigd ter wille van de “ongelovige en toehoorder.”
4. er moet vrede zijn in de gemeente door middel van de orde in de dienst
5. de eredienst moet worden uitgevoerd door iedereen die iets te brengen heeft – niet per se door een vaste voorganger.

 

Wat is eredienst? (2)

Fragment van de Bijbelbespreking van donderdag 27 maart.

Handelingen 2 was als eerste tekst aan de orde.

Welke beginselen voor de eredienst kun je vinden in Handelingen 2?

1. De leer van de apostelen is de basis
2. de gemeenschap is wezenlijk: het gemeenschappelijke van het geloof dat we delen en het “een gemeenschap zijn.”
3. de avondmaalsviering
4. het gezamenlijke gebed in al zijn vormen.

Wat is eredienst? (1)

In onze eredienst van de zondagmorgen gaat het om de persoon van Christus en het werk dat hij volbracht heeft. Wij kennen twee fundamentele vormen van deze eredienst: de bediening van het Woord en de bediening van de Tafel, d.w.z. de viering van het Heilig Avondmaal. Maar deze beide vormen staan wezenlijk met elkaar in verband.

Eredienst is in de eerste plaats een feest. Mozes zegt tegen Farao in Exodus 5:1: “zo zegt de Heere, de God van Israël: laat mijn volk gaan om te mijner ere in de woestijn een feest te vieren.” Deze opdracht om eredienst te houden is niets minder dan een verplichting. Wanneer de Farao weigert zeggen Mozes en Aaron het volgende: “de God der Hebreeën heeft ons ontmoet; laat ons toch drie dagreizen ver de woestijn intrekken, om aan de Here, onze God, te offeren, anders zou Hij ons treffen met de pest of met het zwaard.” Zo belangrijk is dat feest dat hier in het Oude Testament de weigering om God te eren zelfs verbonden is met een zware straf. Uiteindelijk na de uittocht uit Egypte wordt het feest ook gevierd. Na de vermelding dat het volk de Heere vreest en in Hem gelooft, vinden we in Exodus 15 het lied van Mozes. Het tweede vers vat krachtig samen wat eredienst eigenlijk is: “de Heere is mijn kracht en mijn psalm, Hij is mij tot heil geweest. Hij is mijn God, Hem verheerlijk ik, de God van mijn vader, Hem prijs ik.”

Zoals ik het ooit heb geleerd, heeft de eredienst, het feest dus van het volk van God in de ontmoeting met haar Heer, vier kenmerken.

1. Er is in de eerste plaats een heiligdom.

Zo lezen we in het lied van Mozes, in Exodus 15 al meteen over “het heiligdom, Here, door uw hand gesticht.” Dat zelfde beginsel vinden we ook in het nieuwe testament. Merk trouwens op dat dit heiligdom dus niet door mensen, maar door Gods hand gesticht is. Het Nieuwe Testament past dat zelfde beginsel toe op de gemeente van Christus.

“De kern van mijn betoog is dat wij een hogepriester hebben die in de hemel plaatsgenomen heeft aan de rechterzijde van de troon van Gods majesteit en die de dienst vervult in het ware heiligdom, de tent die door de Heer en niet door mensenhanden is opgericht.” (Hebr. 8:1-3) 19 Omdat wij nu, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, langs een nieuwe en levende weg, die Hij voor ons heeft ingewijd door het voorhangsel, dat is door Zijn vlees, en omdat wij een grote Priester hebben over het huis van God, laten wij tot Hem naderen met een waarachtig hart, in volle zekerheid van het geloof, nu ons hart gereinigd is van een slecht geweten en ons lichaam gewassen is met rein water.” (Hebr. 10:19-22)

Hier wordt de eredienst dus vergeleken met de priesterlijke dienst van Israël. Nu hebben wij allen toegang tot de plaats waar God woont, en we mogen met vrijmoedigheid ingaan omdat Christus ons geheiligd heeft tot deze dienst.

2. In de tweede plaats zijn er – zijn wij allen – priesters.

Dat beginsel werd al duidelijk wanneer het volk aan de voet van de berg Sinaï staat en dan te horen krijgt: “U dan, u zult voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden die u tot de Israëlieten moet spreken.”

In het Nieuwe Testament vinden we in wezen dezelfde gedachte. De Heer Jezus is natuurlijk de Hogepriester. Maar alle gelovigen zijn eveneens priesters. Zo worden wij als gelovigen, als gemeente, het “Huis van Christus” genoemd in Hebreeën 3:6. Petrus noemt de gemeente een

“koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht.” (1 Petrus 2:9)

3. In de derde plaats is er sprake van het brengen van offers.

In het gesprek met de Farao sprak Mozes al meteen over het brengen van offers in de woestijn. Hetzelfde beginsel – maar dan als een vorm van aanbidding in de Geest – vinden we ook in het Nieuwe Testament. Zo lezen we in Hebreeën 13:5: “Laten wij dan altijd door Hem een lofoffer brengen aan God, namelijk de vrucht van lippen die Zijn Naam belijden.”

4. In de vierde plaats is er altijd sprake van een altaar.

Over altaren horen we natuurlijk veel in het Oude Testament, ook al meteen in verband met de uittocht uit Egypte. Zo lezen we in Exodus 17: 15, “toen bouwde Mozes een altaar en noemde het: de Heere is mijn banier.”
Ook in het Nieuwe Testament wordt gesproken over een altaar, zo lezen we in Hebreeen 13:10: ” Wij hebben een Altaar waarvan zij die in de tabernakel dienen, niet bevoegd zijn te eten.” Welk altaar is dat dan? Het wordt duidelijk uit een brief van Paulus, 1 Kor. 10, dat ze het dan over de Tafel van de Heer hebben.

Ons heiligdom is in de hemel, onze dienst is die van priesters, wat we brengen is lofoffers en dat doen we aan het altaar

Het lofoffer is dus het hart van de eredienst.

Psalm 107:

21 Laten zij de HEERE loven om Zijn goedertierenheid
en om Zijn wonderen voor de mensenkinderen.
22 Laten zij lofoffers brengen
en met gejuich van Zijn werken vertellen.

(wordt vervolgd)

In geest en in waarheid – voorbij de liturgie

“God is Geest en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in Geest en waarheid.”

De Samaritaanse vrouw laat Jezus merken dat er een kloof is tussen Hem en haar. “Jullie zeggen dat te Jeruzalem de plaats is waar men moet aanbidden” – zegt ze tegen Jezus – “maar onze voorvaderen hebben op deze berg God vereerd.” Dat is dan de berg Gerizim. Een liturgisch conflict tussen de joden in Jeruzalem en de Samaritanen op de Gerizim.

Wie aanbidt God op de juiste wijze? Wie gebruikt de juiste woorden? Welk formulier is geldig? Welk dienstboek moet worden gebruikt? Welke traditie doet recht aan het wezen van God? In welke kerk of op welke plaats moet God worden aanbeden? Hoe moet het ambt van de priester worden geregeld? Wie mag worden toegelaten tot de diensten? Al deze vragen leiden tot een conflict tussen Jeruzalem en Samaria.

Maar Jezus maakt duidelijk dat een nieuwe tijd is aangebroken. De aanbidding is niet meer gebonden aan dergelijke voorwaarden. Het gaat niet meer om de juiste plaats, of de juiste lichaamshouding, of het juiste formuliergebed. De aanbidding van God de Vader moet plaatsvinden volgens de Geest, dat wil zeggen met de juiste geesteshouding tegenover God en in overeenstemming met het geestelijke karakter van deze God. Het betekent dat dit een aanbidding is waarin de persoon van God centraal staat en niet onze eigen behoeften of gevoelens.

De aanbidding van deze God moet ook zijn in waarheid. Dat wil zeggen in overeenstemming met al datgene wat God over zichzelf geopenbaard heeft in Christus. Dat gaat nog verder dan alleen maar de opdracht dat deze aanbidding “rechtzinnig” is, maar die eis geldt ook. De eredienst moet in overeenstemming zijn met de christelijke belijdenis en leer. We kunnen over God niets zeggen wat ons niet in de bijbel al is aangereikt.

Wanneer de Geest en de waarheid belangrijker zijn dan de correcte vorm of plaats, dan is het meteen begrijpelijk waarom het Nieuwe Testament eigenlijk zo weinig aanwijzingen geeft voor de juiste vorm van de eredienst. We vinden geen enkele aanwijzing over een hoge of lage liturgie, alleen maar de eis dat het niet gaat om de juiste liturgie, maar om de houding van de leden van de gemeente tegenover God. Alles wat die houding tegenover God bevordert is blijkbaar toegestaan, en alles wat die juiste houding van onze geest tegenover God belemmert moet worden vermeden.

God de Vader zoekt personen die Hem aanbidden. Hij wil mensen niet alleen maar redden door het evangelie, maar God verlangt ernaar dat degenen die Hem kennen ook tot aanbidding komen. Hij zoekt hen. Maar de aanbidding van deze God is geen vrije zaak van de mens. Die aanbidding moet – moet! – verlopen in Geest en waarheid.

We moeten dus de aandacht verplaatsen van de vraag of wij een hoge, gestileerde liturgie willen hebben of dat wij liever aan een sobere, eenvoudige liturgie de voorkeur geven, naar de enige echte vraag: hoe wil God door ons worden aanbeden? Op welke wijze kunnen wij met zijn allen door het geloof werkelijk tot deze God naderen? Hij wil ons graag ontmoeten. Hij wil dat wij Hem aanbidden, en Zijn Zoon vereren. Maar dat zullen we moeten doen op de wijze die Hij ons voorschrijft.