In onze eredienst van de zondagmorgen gaat het om de persoon van Christus en het werk dat hij volbracht heeft. Wij kennen twee fundamentele vormen van deze eredienst: de bediening van het Woord en de bediening van de Tafel, d.w.z. de viering van het Heilig Avondmaal. Maar deze beide vormen staan wezenlijk met elkaar in verband.
Eredienst is in de eerste plaats een feest. Mozes zegt tegen Farao in Exodus 5:1: “zo zegt de Heere, de God van Israël: laat mijn volk gaan om te mijner ere in de woestijn een feest te vieren.” Deze opdracht om eredienst te houden is niets minder dan een verplichting. Wanneer de Farao weigert zeggen Mozes en Aaron het volgende: “de God der Hebreeën heeft ons ontmoet; laat ons toch drie dagreizen ver de woestijn intrekken, om aan de Here, onze God, te offeren, anders zou Hij ons treffen met de pest of met het zwaard.” Zo belangrijk is dat feest dat hier in het Oude Testament de weigering om God te eren zelfs verbonden is met een zware straf. Uiteindelijk na de uittocht uit Egypte wordt het feest ook gevierd. Na de vermelding dat het volk de Heere vreest en in Hem gelooft, vinden we in Exodus 15 het lied van Mozes. Het tweede vers vat krachtig samen wat eredienst eigenlijk is: “de Heere is mijn kracht en mijn psalm, Hij is mij tot heil geweest. Hij is mijn God, Hem verheerlijk ik, de God van mijn vader, Hem prijs ik.”
Zoals ik het ooit heb geleerd, heeft de eredienst, het feest dus van het volk van God in de ontmoeting met haar Heer, vier kenmerken.
1. Er is in de eerste plaats een heiligdom.
Zo lezen we in het lied van Mozes, in Exodus 15 al meteen over “het heiligdom, Here, door uw hand gesticht.” Dat zelfde beginsel vinden we ook in het nieuwe testament. Merk trouwens op dat dit heiligdom dus niet door mensen, maar door Gods hand gesticht is. Het Nieuwe Testament past dat zelfde beginsel toe op de gemeente van Christus.
“De kern van mijn betoog is dat wij een hogepriester hebben die in de hemel plaatsgenomen heeft aan de rechterzijde van de troon van Gods majesteit en die de dienst vervult in het ware heiligdom, de tent die door de Heer en niet door mensenhanden is opgericht.” (Hebr. 8:1-3) 19 Omdat wij nu, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, langs een nieuwe en levende weg, die Hij voor ons heeft ingewijd door het voorhangsel, dat is door Zijn vlees, en omdat wij een grote Priester hebben over het huis van God, laten wij tot Hem naderen met een waarachtig hart, in volle zekerheid van het geloof, nu ons hart gereinigd is van een slecht geweten en ons lichaam gewassen is met rein water.” (Hebr. 10:19-22)
Hier wordt de eredienst dus vergeleken met de priesterlijke dienst van Israël. Nu hebben wij allen toegang tot de plaats waar God woont, en we mogen met vrijmoedigheid ingaan omdat Christus ons geheiligd heeft tot deze dienst.
2. In de tweede plaats zijn er – zijn wij allen – priesters.
Dat beginsel werd al duidelijk wanneer het volk aan de voet van de berg Sinaï staat en dan te horen krijgt: “U dan, u zult voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden die u tot de Israëlieten moet spreken.”
In het Nieuwe Testament vinden we in wezen dezelfde gedachte. De Heer Jezus is natuurlijk de Hogepriester. Maar alle gelovigen zijn eveneens priesters. Zo worden wij als gelovigen, als gemeente, het “Huis van Christus” genoemd in Hebreeën 3:6. Petrus noemt de gemeente een
“koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht.” (1 Petrus 2:9)
3. In de derde plaats is er sprake van het brengen van offers.
In het gesprek met de Farao sprak Mozes al meteen over het brengen van offers in de woestijn. Hetzelfde beginsel – maar dan als een vorm van aanbidding in de Geest – vinden we ook in het Nieuwe Testament. Zo lezen we in Hebreeën 13:5: “Laten wij dan altijd door Hem een lofoffer brengen aan God, namelijk de vrucht van lippen die Zijn Naam belijden.”
4. In de vierde plaats is er altijd sprake van een altaar.
Over altaren horen we natuurlijk veel in het Oude Testament, ook al meteen in verband met de uittocht uit Egypte. Zo lezen we in Exodus 17: 15, “toen bouwde Mozes een altaar en noemde het: de Heere is mijn banier.”
Ook in het Nieuwe Testament wordt gesproken over een altaar, zo lezen we in Hebreeen 13:10: ” Wij hebben een Altaar waarvan zij die in de tabernakel dienen, niet bevoegd zijn te eten.” Welk altaar is dat dan? Het wordt duidelijk uit een brief van Paulus, 1 Kor. 10, dat ze het dan over de Tafel van de Heer hebben.
Ons heiligdom is in de hemel, onze dienst is die van priesters, wat we brengen is lofoffers en dat doen we aan het altaar
Het lofoffer is dus het hart van de eredienst.
Psalm 107:
21 Laten zij de HEERE loven om Zijn goedertierenheid
en om Zijn wonderen voor de mensenkinderen.
22 Laten zij lofoffers brengen
en met gejuich van Zijn werken vertellen.
(wordt vervolgd)
Vind-ik-leuk Aan het laden...