Joh. 15:26, 27
De discipelen zullen te maken krijgen met lijden in de Naam van Christus en de vijandschap van de wereld zal hun deel zijn. Dat is de normale gang van zaken en alleen een kerk die zich identificeert met de wereld zal daaraan kunnen ontkomen. De ware discipelen van de Heer zullen deze vijandschap echter niet op eigen kracht hoeven te doorstaan. De Heer Jezus belooft hier opnieuw de komst van de Trooster. De Geest van de waarheid “blijft bij u en zal in u zijn” (14:17). De Heilige Geest “zal u in alles onderwijzen en u in herinnering brengen alles wat Ik u gezegd heb” (14:26). En dan aan het eind van hoofdstuk 15 vinden we deze woorden: “de Geest van de waarheid, Die van de Vader uitgaat, Die zal van Mij getuigen” (vers 26). Het getuigenis van de discipelen is dus een getuigenis in de kracht van de Geest, met de woorden die de Geest leert, en met de waarheid waarin de Geest de weg zou wijzen: “wanneer Die komt, de Geest van de waarheid, zal Hij u de weg wijzen in heel de waarheid” (16:13).
De komst van de heilige Geest zou de bevestiging zijn van alle beloften die de Heere aan Zijn discipelen gegeven had. Zo is er de belofte dat Jezus zou terugkeren om alle gelovigen met Hem mee terug te nemen naar de hemel, zoals we lezen in Johannes 14:1-6. Paulus noemt de gave van de heilige Geest de garantie van deze belofte. God heeft ons “het onderpand van de Geest gegeven” (2 Kor. 5:5). Deze gave van de heilige Geest betreft ook ons die na de apostelen leven en door hun woord tot geloof zijn gekomen. Toen wij tot geloof kwamen, schrijft Paulus, zijn wij “verzegeld met de Heilige Geest van de belofte, Die het onderpand is van onze erfenis” (Ef. 1:13, 14). Er was ook een werking van de heilige Geest die alleen voor de apostelen waar was: De heilige Geest zou het mogelijk maken om de werken van Christus te doen (14:12) want: “U zult de kracht van de Heilige Geest ontvangen, Die over u komen zal; en u zult Mijn getuigen zijn” (Hand. 1:8). De heilige Geest heeft deze discipelen de garantie gegeven van Zijn beloften, gaf hen de kracht en de wijsheid om te getuigen en heeft hen ingeleid in heel de waarheid. In het praktische dagelijks leven gedragen wij ons als kinderen van God “zovelen als er door de Geest van God geleid worden” (Rom. 8:14). Wij kunnen alleen werkelijk weten dat wij kinderen van God zijn, door het getuigenis van de Geest zoals Paulus zegt: “De Geest Zelf getuigt met onze geest dat wij kinderen van God zijn” (Rom. 8:16). En tenslotte, wij hebben de Geest ook nodig in ons gebed, want “wij weten niet wat wij bidden zullen zoals het behoort. De Geest Zelf echter pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen” (Rom. 8:26) zoals de Geest al onze zwakheden te hulp schiet.
Met de komst van de heilige Geest zijn de discipelen – en wij met hen – tot getuigen van Christus geworden. Dit getuigenis is (1) tegenover de wereld, (2) vanuit de Vader, (3) over de Zoon, en (4) door de mond van gelovigen.
-
Ons getuigenis is tegenover de wereld
Het is geen geringe opdracht. Juist tegenover deze wereld die vol vijandschap is tegenover Christus, God niet kent en die de discipelen haat omdat zij niet van de wereld zijn, moet getuigenis van de waarheid worden afgelegd. Ook wij hebben het getuigenis van de waarheid af te leggen, maar we leven in een tijd die elke pretentie van waarheid als arrogant en intolerant beschouwt. In plaats van ons aan te passen aan de houding van de postmoderne cultuur, zouden we moeten beseffen dat deze wereld juist behoefte heeft aan de heldere waarheid van het evangelie. In de tijd van Paulus was de verwarring niet geringer en de haat van de vijandschap niet minder dan in onze tijd. In het besef van de zwaarte van de opdracht om te getuigen kan Paulus daarom schrijven: “Bid ook voor mij, opdat mij het woord gegeven wordt bij het openen van mijn mond, om met vrijmoedigheid het geheimenis van het Evangelie bekend te maken, waarvan ik een gezant ben in ketenen, opdat ik daarin vrijmoedig mag spreken, zoals ik moet spreken.” Paulus was natuurlijk letterlijk een gezant in ketenen. Maar je zou het zo mogen toepassen, dat we aan de ene kant net als hij een gezant zijn, dat wil zeggen een zaakgelastigde die moet spreken namens zijn of haar opdrachtgever. We hebben geen keuze dan de woorden te spreken die de Heere ons heeft toevertrouwd. We mogen de woorden van Paulus op ons toepassen uit 2 Kor. 5, “Wij zijn dan gezanten namens Christus, alsof God Zelf door ons smeekt. Namens Christus spreken wij: laat u met God verzoenen” (2 Kor. 5:20). Aan de andere kant zouden we kunnen zeggen dat ook wij “in ketenen zijn”, omdat ook wij de last en de gebondenheid aan onze eigen cultuur ervaren. Zoals de bewegingsvrijheid en de reputatie van Paulus door zijn ketenen ernstig waren verminderd, zo geldt dat ook voor ons. Ze spreken vanuit een kerk waar geen respect meer voor bestaat. We spreken vanuit een kerk die als een restant van het verleden wordt gezien, een minderheid die op het punt staat te verdwijnen.
We moeten wel verschil maken tussen de ketenen, dat wil zeggen de beperkingen die wij hebben omdat ook wij in de moderne cultuur zijn opgegroeid en er deel van uitmaken zonder het te willen, en de ketenen die we dragen in zoverre wij deze cultuur omhelzen en liefhebben boven het evangelie. Zoals we al gezien hebben, als we willen getuigen tegenover de wereld, is het ondenkbaar dat wij op eenvoudige wijze er deel van uitmaken. Wij zijn niet van de wereld, omdat de Heer Jezus ons “uit de wereld heeft uitverkoren” (15:19). De wereld zal ons haten omdat wij “niet van de wereld zijn, zoals Ik niets van de wereld ben” (17:14), “Zij zijn niet van de wereld, zoals Ik niet van de wereld ben” (17:16). Wanneer we toch in de wereld zijn, en Jezus niet kan bidden dat de Vader ons uit de wereld wegneemt (17: 15), dan hebben wij een bijzondere heiliging nodig. Een afzondering van de wereld terwijl wij toch in de wereld leven. In Zijn gebed wijst Jezus de bron van deze afzondering aan door te zeggen: “Heilig hen door Uw waarheid; Uw woord is de waarheid” (17: 17). Het lezen van Gods Woord, de onderdompeling in Zijn Woord, is de voortdurende bron van heiliging, die een afzondering teweegbrengen tussen het denken van de wereld het denken van Christus. In de wereld zijn maar in en vanuit een andere wereld leven – dat is onze opdracht en de voorwaarde van elk waarachtig getuigenis.
Tegenover de wereld getuigen uit liefde voor mensen die het evangelie zo nodig hebben is heel iets anders dan de wereld zelf liefhebben. De bedoeling van het getuigenis is immers dat de mensen die het evangelie horen en aannemen ook door Jezus uit de wereld worden weggeroepen, uit de wereld worden uitverkoren. De opdracht is dus niet de wereld lief te hebben. De Vader heeft de wereld lief en daarom heeft Hij Zijn Zoon gezonden zegt Joh. 3:16. Maar we lezen nergens dat de Zoon de wereld liefheeft. Hij heeft de Zijnen lief. En we lezen nergens dat wij de wereld moeten liefhebben, integendeel. Jacobus schrijft: “weet u dan niet dat de vriendschap met de wereld vijandschap tegen God is? Wie dan nu een vriend van de wereld wil zijn, wordt als vijand van God aangemerkt” (Jac. 4:4). Johannes schrijft in zijn eerste brief: “heb de wereld niet lief en ook niet wat in de wereld is. Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem” (1 Joh. 2:15).
Waarom dit harde oordeel? Wat is er dan in de wereld dat de gelovigen zich zo duidelijk ervan moeten afzonderen? Welke grondbeginselen bepalen de menselijke wereld in haar rebellie tegenover God, in haar onverschilligheid en ongehoorzaamheid tegenover Gods wil? Johannes vat dat samen in het volgende vers: “Want al wat in de wereld is: de begeerten van het vlees, de begeerten van de ogen en de hoogmoed van het leven, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld” (vers 16).
Alle positieve en negatieve verlangens van een mens zijn de begeerten van het vlees. Alle normale verlangens van het hart worden door de begeerten van het vlees opzijgeschoven en veranderd in een onophoudelijk nastreven van het kwade, voorbij de normen van wat goed en rechtvaardig en redelijk is. De vruchten daarvan worden door Paulus opgesomd in Galaten 5:19-21.
En dan de begeerten van de ogen. De wereld verleidt mensen tot gedachten en daden die in tegenspraak zijn met de wil van God. Onze ogen zijn geopende ramen voor de verleiding. Afgoderij, ontevredenheid en verslaving zijn het gevolg. Het is de zonde van David met Bathseba, die begon met een begerig kijken naar een naakte vrouw, en eindigde met de moord op haar man.
En dan een derde element dat het leven in de wereld karakteriseert. De hoogmoed van het leven. Het is de arrogantie die misschien wel de motivatie is van elke andere zonde. Trots corrumpeert zelfs het meest nobele deel van ons bestaan. In plaats van te accepteren dat wij schepselen zijn die tegenover God kunnen leven in dankbaarheid en nederigheid, zoekt de hoogmoed van het leven onszelf boven alle anderen te verhogen. Het is de wens van Eva om “als God” te zijn, die haar motiveert tot een fatale ongehoorzaamheid aan Gods gebod.
De begeerte van het vlees maakt dat ons bestaan wordt bepaald door onze animale begeerten en verlangens; de begeerte van de ogen maakt dat wij meer willen hebben dan anderen; de hoogmoed van het leven maakt dat wij ons arrogant verwijderen van de plaats die God ons gewezen heeft. Het is de drievoudige matrix van de zonde die in de wereld alle motieven die mensen hebben voor hun gedrag omschrijft. En vanuit die drie motieven wordt de opbouw van de samenleving begrijpelijk die niets anders is dan een verlengstuk van deze matrix.
De wereld is dus niet de samenleving waarin wij vredig kunnen voortleven en waarvan wij deel kunnen uitmaken, maar een manier van denken en leven waar we afstand van moeten nemen. Ons burgerschap – de veilige en verzekerde manier van bestaan in een gemeenschap – is niet hier op aarde, maar in de hemelen. We moeten, in de woorden van Johannes in zijn eerste brief, de wereld – de cultuur, de samenleving zoals hij is – overwinnen. In het vijfde hoofdstuk van zijn eerste brief schrijft Johannes dan deze woorden: “Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning die de wereld overwonnen heeft: ons geloof. Wie anders is het die de wereld overwint dan hij die gelooft dat Jezus de Zoon van God is?” (1 Joh. 5:4, 5).
-
Ons getuigenis is vanuit de Vader
De Heer Jezus zal de Trooster zenden van de Vader, en de Geest gaat van de Vader uit. Het meest definitieve en volmaakte getuigenis over de Zoon, is ook van de Vader. Johannes bevestigt dat in dit evangelie bijvoorbeeld in hoofdstuk 5: “de Vader, Die Mij gezonden heeft, Die heeft Zelf van Mij getuigd” (5:37). Of in hoofdstuk 8: “de Vader, Die Mij gezonden heeft, getuigt van Mij” (8:38).
In de eerste plaats is dit getuigenis aanwezig in de woorden van de profeten. God heeft tot de vaderen gesproken door de profeten, en in deze laatste dagen heeft Hij tot ons gesproken door de Zoon. En het is duidelijk dat het onderwerp waar de profeten voortdurend over hebben gesproken eigenlijk de Zoon is – de afstraling van Gods heerlijkheid en de afdruk van Zijn zelfstandigheid, die alle dingen draagt door Zijn kracht et cetera. (Vgl. Hebr. 1:1-3) Het zijn de Schriften van het Oude Testament die daarom van Christus getuigen, “U onderzoekt de Schriften, want u denkt daardoor eeuwig leven te hebben, en die zijn het die van Mij getuigen” (Joh. 5:39). Kort en bondig lezen we het in Openbaring 19:10, “Het getuigenis van Jezus is namelijk de geest van de profetie”.
Ook de bijzondere werken van Jezus zijn een getuigenis vanuit de Vader geweest. We lezen in Johannes 5:36, “Ik heb een getuigenis dat groter is dan dat van Johannes, want de werken die de Vader Mij gegeven heeft om die te volbrengen, juist die werken die Ik doe, getuigen van Mij dat de Vader Mij gezonden heeft”. En dan is er nog een derde manier waarop de Vader getuigd heeft, namelijk bij de doop van Jezus en bij de transfiguratie (Mat. 3:17 en 17:5). Daar hoorden de discipelen een stem uit de hemel klinken die zei “dit is Mijn geliefde Zoon in wie Ik mijn welbehagen heb”. Petrus schrijft over die gebeurtenis in zijn tweede brief ( 2 Pe. 1:16-18). En tenslotte gaat het getuigenis van de Vader uit door het zenden van de heilige Geest. Deze Geest die van de Vader uitgaat, getuigt van Christus als de Zoon. Opnieuw in de eerste brief van Johannes: “het is de Geest die getuigt [over Christus], want de Geest is de waarheid” (1 Joh. 5:6).
Als ons getuigenis vanuit de Vader is, dan is het ook duidelijk dat het niet alleen maar een getuigenis is over God als Vader. Er bestaat denk ik in onze kerken de enorme verwarring, dat het spreken over God als een vader, een bron van liefde en recht, als een geest die het goede wil, al een voldoende evangelisch zou kunnen zijn. Maar zoals Christus ons pas openbaart wie de Vader is, zo wil de Vader ons alleen maar bereiken en Zichzelf openbaring in en door Zijn Zoon. De vader, de Zoon en de heilige Geest zijn ook één in hun getuigenis voor de waarheid. Wie dat van elkaar losmaken, en een kerk opbouwen die zich nog maar uitsluitend met de Vader bezighoudt, die raakt de Zoon en de heilige Geest kwijt. En wie zich alleen maar wilt toevertrouwen aan het evangelie over de werkingen van de Geest, die ook in onze tijd nog met wonderen en tekenen zou werken zoals men dat gelooft in de charismatische beweging, die raakt eigenlijk Vader en Zoon kwijt – en al onmiddellijk de waarde van Gods Woord. Men stelt het soms voor alsof een christocentrische kerk, die als middelpunt de openbaring van de Vader, in de kracht van de heilige Geest, in de persoon van Jezus Christus, de Zoon van God neemt, een optie is temidden van andere. Ik denk dat dit pas het evenwicht brengt en dat de waarheid langs deze weg gevonden wordt. Noch de Vader, noch de heilige Geest, kunnen benaderd worden buiten de Zoon om. Wie de Zoon heeft, heeft ook de Vader en de Geest.
-
Ons getuigenis is over de Zoon
“Die zal van Mij getuigen” (15:26b). De kerk heeft geen andere boodschap te verkondigen dan Christus en die gekruisigd, geen andere boodschap dus dan die Paulus al verkondigd heeft: “want ik had mij voorgenomen niets anders onder u te weten dan Jezus Christus, en Die gekruisigd” (1 Kor 2:2). En de kerk heeft niet de bevoegdheid om een andere centrale boodschap te verkondigen dan deze, want: “niemand kan een ander fundament leggen dan wat gelegd is, dat is Jezus Christus” (1 Kor. 3:11). De kerk is dus niet geroepen om de samenleving met sociale of politieke activiteiten te verbeteren, of hervormingen binnen de maatschappij te ondersteunen en zeker niet om bij te dragen aan het gevoel van welzijn en welbevinden waar mensen in deze tijd zo intens naar op zoek zijn. Wij zijn getuigen van Christus, gezanten van de Heer Jezus, terwijl in onze tijd allerlei theorieën de opgang doen over een kerk die moet aansluiten bij de behoeften die mensen nu eenmaal voelen. In plaats van te benadrukken dat het gaat om de heerlijkheid van de persoon en het werk van de Zaligmaker en de verkondiging van de zonde die alleen maar kan worden vergeven door geloof in het verzoenende werk van Jezus Christus, proberen vele kerken relevant te zijn door zich aan te sluiten bij sociale en maatschappelijke activiteiten. De kerk moet een oplossing geven voor de eenzaamheid van ouderen, moet mensen een ruimte bieden om de zin van het leven te ontdekken, moet de hoop op duurzame vrede en gerechtigheid versterken, ze moet een factor zijn binnen de cultuur waarmee zelfs ongelovigen rekening willen houden.
Maar een dergelijke benadering de taak van de kerk kan juist afbreuk doen aan haar opdracht om het Koninkrijk der hemelen te verkondigen, inclusief de oproep tot berouw en bekering, en de verwijzing naar Christus als het enige ware Lam van God dat de zonden van de wereld draagt. Bekering van zondaars is het doel van ons getuigenis. Jezus is niet gekomen om de samenleving een beetje beter te maken, omdat Hij niet gezonden is om de rechtvaardigen te roepen en hun heilzame werk in de samenleving te ondersteunen, maar om “zondaars tot bekering” op te roepen (Luk. 5:32). Paulus heeft zich niet geschaamd om het evangelie van Christus met dat accent te verkondigen. Het evangelie is immers “een kracht van God tot zaligheid voor ieder die gelooft”, omdat in dat evangelie “de gerechtigheid van God wordt geopenbaard uit geloof tot geloof” – vanuit de trouw van God tot het gelovige antwoord van de mens. De rechtvaardige wordt niet opgeroepen om nog rechtvaardiger te worden, om zich in te zetten voor sociale gerechtigheid, maar wordt opgeroepen om in een wereld die al onder het oordeel valt, te leven uit geloof. Dat is de strekking van de passage uit de profeet Habakuk 2, die Paulus citeert in Romeinen 1:17b.
Het is vreselijk om te zien dat in een groot deel van onze christelijke kerken dit “woord van het kruis” als een dwaasheid wordt gezien, als een restant van de theologie van het verleden. En dat we ook al niet meer spreken over de kracht van God, maar liever over de kracht van mensen die zich inzetten voor een betere samenleving. Er wordt niet meer gepredikt over de bekering van het zondige leven en de aanvaarding in het geloof van Jezus als Heiland. Had Paulus niet geschreven: “Want het woord van het kruis is voor hen die verloren gaan wel dwaasheid, maar voor ons die behouden worden, is het een kracht van God” (1 Kor. 1:18)?
Maar sterker nog, heeft ook Christus niet opgeroepen tot bekering? In Mattheus wordt de boodschap van Jezus op deze korte formule gebracht: “Bekeer u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen” (Mat. 4:17). Zou het in onze moderne kerken mogelijk zijn geweest, dat Jezus Zelf een preek had kunnen houden zoals Hij dat deed in Lukas 13? Daar sprak Hij vanuit de actualiteit, vanuit het bericht over de Galileeërs die door Pilatus waren vermoord. Mensen die dat hebben ondergaan, die dat lijden hebben moeten doormaken, hebben dat niet te wijten aan hun eigen zonden. Zij zijn niet grotere zondaars geweest dan alle andere Galileeërs. Maar dan zegt de Heere: “als u zich niet bekeert, zult u allen evenzo omkomen” (Luk. 13:3; idem vers 5)
Ook de vroege kerk heeft het evangelie verkondigd als een boodschap van berouw over de zonde en bekering tot Christus. De eerste preek in de geschiedenis van de kerk vinden we in Handelingen, en die eindigt als volgt: “Bekeer u en laat ieder van u gedoopt worden in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving van de zonden; en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen” (Hand. 2:38). In zijn tweede preek benadrukt Petrus het zelfde: “Kom dus tot inkeer en bekering, opdat uw zonden uitgewist worden en er tijden van verkwikking zullen komen van het aangezicht van de Heere” (Hand 3:19). De eerste kerk is totaal en volledig gericht geweest op de verkondiging van de Zoon van God, van Hem wilden zij getuigen. En ze wisten wat de reden daarvan was: “En de zaligheid is in geen ander, want er is onder de hemel geen andere Naam onder de mensen gegeven waardoor wij zalig moeten worden” (Hand 4:12). Het is ook precies dit spreken over de grote Naam van Christus, dat eerste discipelen in conflict bracht met de synagogen. Als zij hadden gesproken zoals de kerken nu veelal spreken, over sociale gerechtigheid, over vooruitgang, over werk voor de armen, dan hadden zij vermoedelijk zowel van de kant van de Romeinen als van de kant van de joden instemming ondervonden. Zeker als ze bereid waren geweest op het punt van de godsdienst tot tolerante compromissen te komen. Maar dit was het besluit van de joodse Raad: “maar laten wij, opdat het niet nog verder onder het volk bekend raakt, hun met de grootste dreiging gebieden dat zij tot geen enkel mens meer in die Naam mogen spreken” (Hand. 4:17). De kerk van toen heeft geweigerd aan dat gebod te voldoen; de kerk van nu lijkt er vrijwillig voor te kiezen over de Naam te zwijgen.
-
Het getuigenis van de Geest werkt door middel van mensen
“En u zult ook getuigen, want u bent van het begin af bij Mij” (15:27). De Vader getuigt van de Zoon door middel van de Schriften, de werken van Jezus en met Zijn hemelse stem. De Zoon getuigt van Zichzelf met Zijn Woorden. De heilige Geest getuigt van de Zoon. En het is zeker de opdracht van de kerk om in diezelfde lijn getuigenis van de waarheid af te leggen. De discipelen worden immers betrokken in dit drievoudige getuigenis van de waarheid. Het is de heilige Geest die de gelovigen in staat stelt om tegenover de wereld te getuigen van Jezus Christus. Het werk van de heilige Geest is zo belangrijk, dat de discipelen zelf de opdracht krijgen om in Jeruzalem te wachten tot de komst van de heilige Geest met Pinksteren. Zoals ook Paulus zei, dat hij “door de kracht van de Geest van God” die tekenen en wonderen deed tijdens de bediening van Paulus, “het Evangelie van Christus vervuld” heeft (Rom. 15:19). Dat wil zeggen gepredikt heeft in het arbeidsveld (Vgl. Rom. 15:23) dat door God aan Paulus was toegewezen.
In het bijzonder moesten er in het begin getuige zijn van de opstanding van Christus. De lege plaats van Judas moest daarom worden opgevuld door iemand uit de groep van hen “die met ons omgegaan zijn gedurende heel de tijd dat de Heere Jezus onder ons in- en uitging […] tot op de dag waarop Hij van ons opgenomen werd” (Hand1:21, 22). Zo wordt Matthias eigenlijk de 13e apostel.
Christenen zijn vandaag de dag natuurlijk geen directe ooggetuige meer van de opstanding van Christus. En evenmin wordt ons getuigenis vandaag de dag ondersteund door de bijzondere tekenen en wonderen van de heilige Geest. Die tijd is geweest en nu wij het geschreven Woord van God hebben is het ook niet meer nodig. Het apostolisch gezag is destijds door tekenen ondersteund, en wordt nu erkend door iedereen die het Nieuwe Testament biddend leest en aan wie de heilige Geest dan begrip schenkt. Het is wel de bedoeling dat de kerk van nu in “gemeenschap” verkeert met de apostolische gemeenschap van toen. Johannes schrijft in zijn eerste brief dat hij aan zijn lezers wil verkondigen wat hij gezien en gehoord heeft, “opdat ook u gemeenschap met ons hebt”. Maar de gemeenschap tussen de kerk van toen en de kerk van nu is gebaseerd op het getuigenis van de apostelen, en de verkondiging van Jezus zelf. Daarom voegt Johannes er ook meteen aan toe: “en deze gemeenschap van ons is er ook met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus” (1 Joh. 1:3). En daarom zegt hij dat de verkondiging die hij doorgeeft, de verkondiging is die hij zelf gehoord heeft.
Zoals het toen was, is het in beginsel nog steeds nu. Zij kwamen tot geloof door de prediking van de apostelen, en wij kwamen later tot geloof door de woorden van de apostelen die we lazen. En dan was er steeds iemand die die woorden kon uitleggen en een stem aan ze gaf. Daardoor werd het levende verkondiging en niet alleen maar oude tekst. En wij die het hoorden wilde de heilige Geest zelf het geloof wekken. Want een ieder die de Naam van de Heere aanroept, ontvangt vergeving en verzoening met God. Je kunt deze God alleen aanroepen als je in hem gelooft. Je kunt alleen maar in Hem geloven als je van Hem gehoord hebt. Je kunt van deze God alleen maar horen, als er iemand is die predikt. En het is alleen maar werkelijk prediking, als het Woord van God gepredikt wordt. (Vgl. 2 Tim. 4:2) En alleen iemand die daartoe geroepen is, kan het Woord van God verkondigen. Van begin tot het einde is dit alles de vrucht van de heilige Geest Die mensen inschakelt in Zijn werk.