Johannes 6:14 – 27
We zijn nog steeds bezig met hoofdstuk 6. Het wonder van de broodvermenigvuldiging hebben we de vorige keer besproken. Nu wil ik dit hoofdstuk op twee manieren benaderen. In de eerste plaats vanuit het gezichtspunt van het resultaat, zoals we dat vinden in vers 66. Het resultaat is dat velen van Zijn discipelen zich terugtrekken en niet meer met Hem meegaan. En in die context horen we dan in de laatste verzen van dit hoofdstuk zowel de belijdenis van Simon Petrus als de aanduiding van het verraad van Judas Iskariot. In de tweede plaats vinden we Jezus’ verkondiging over Zichzelf in de synagoge van Kapernaüm. Velen hebben daar het onderwijs van Jezus gehoord waarin Jezus zich bekend maakt als “het ware brood uit de hemel.” Een prachtig onderwerp waar we dan later over zullen spreken.
Geestelijke deserteurs. Dat is de titel die ik vandaag aan de overdenking heb meegegeven. We kennen allemaal de ervaring dat een broeder of zuster in de kerk plotseling niet meer komt op de zondag, geen bezoek meer wil hebben van de predikant of van andere gemeenteleden, en dan horen we een tijd later dat hij of zij zich heeft laten uitschrijven. We hebben allemaal wel meegemaakt of gehoord, dat een zoon of dochter, die kindernevendienst heeft meegemaakt, op catechisatie is geweest, op latere leeftijd niet meer naar de kerk gaat. Geen belangstelling heeft om belijdenis af te leggen. De grootouders kennen vaak de ervaring, dat hun kinderen het kerkelijk geloof hebben verlaten, en ze zich zorgen maken over hun kleinkinderen die zonder God, Kerk en Bijbel moeten opgroeien. Die dingen gebeuren nu eenmaal. Misschien is het een troost en een les, dat na de wonderen in hoofdstuk zes, en het onderwijs van Jezus, vele discipelen zich hebben teruggetrokken. Het gebeurde toen net als nu. En toen ging het om mensen die Hem wel gezien hebben, en toch niet geloven. (Vers 36.)
Ook Paulus kende deze ervaring. Hij schrijft aan de gemeente van Philippi dat hij Timotheus naar hen zal toesturen, omdat er ook niemand anders is. “Want zij zoeken allen hun eigen belangen, niet die van Christus Jezus.” (2:20) In 2 Timotheus 1:15 zegt Paulus “dat allen die in Asia zijn, zich van mij afgekeerd hebben. Tot hen behoren Fygellus en Hermogenes.” In dezelfde brief zegt Paulus in 4:10, “want Demas heeft mij verlaten, omdat hij de tegenwoordige wereld heeft lief gekregen.” En dan is er nog Alexander, de kopersmid, die Paulus veel kwaad heeft aangedaan en “krachtig tegen onze woorden ingegaan” is. (Vers 15.) En in vers 16 verzucht hij, dat er niemand was die hem bijstond bij zijn eerste verdediging, maar “zij hebben mij allen verlaten.” Dit zijn medewerkers in het evangelie geweest, metgezellen van Paulus, leerlingen van hem aan wie hij verschillende gemeenten had willen toevertrouwen. Het zijn deserteurs geworden.
In al deze gevallen is het goed om te beseffen wat de apostel Johannes schrijft in zijn eerste brief, hoofdstuk 2:19: “zij zijn uit ons midden weggegaan, maar zij waren niet uit ons; want als zij uit ons geweest waren, dan zouden zij bij ons gebleven zijn. Maar het moest openbaar worden dat zij niet allen uit ons zijn.” Zij waren deel van de gemeente, zij waren deel van de zending. En vertoonden de Geestelijke gaven, en dan verlaten ze ondanks dat alles de gemeente. Ze gaan een andere godsdienst aanhangen, of worden atheïst, en dan wordt het openbaar dat hun betrokkenheid bij Christus en de gemeente maar oppervlakkig geweest is. En het beginsel dat Johannes hier formuleert, is heel eenvoudig: zij waren niet van ons, want als zij werkelijk deel hadden uitgemaakt van de gemeente – wedergeboren waren geweest, de heilige Geest hadden ontvangen – dan waren ze gebleven. En hun vertrek uit de gemeente maakt dat ook openbaar dat ze nooit werkelijk bij de gemeente hebben behoord. De schrijver van de brief aan de Hebreeën zegt zelfs, dat het onmogelijk is om mensen die afvallig zijn geworden, opnieuw tot bekering te brengen. God laat in beginsel een dergelijke terugkeer niet meer toe. Daar gaat het om mensen die “verlicht zijn”- het licht van de Zoon van God hebben ervaren – geproefd hebben van de hemelse gave, deelgenoot zijn geweest van de Heilige Geest, het goede Woord van God geproefd hebben,én de krachten van de komende wereld hebben gezien. Wanneer deze mensen afvallen, deserteren, het geloof verliezen, dan is het alsof zij “voor zichzelf de Zoon van God opnieuw kruisigen en openlijk te schande maken.” Daarom is het onmogelijk om hen opnieuw tot bekering te brengen. Ik denk dat God het erbij laat, die mensen laat gaan.
Hoe komt het dan echter dat sommige van onze broeders en zusters afvallig worden, het geloof verliezen en hun belijdenis vergeten? Veel mensen komen tot geloof omdat ze eenvoudigweg meedoen met hun omgeving. Er is een grote menigte die Jezus volgt. Waarom? Omdat zij onder de indruk zijn gekomen van de tekenen die Hij doet. Er hangt een belofte in de lucht, van genezing en succes. Je kunt je voordeel ermee doen, om deze Jezus te volgen. En iedereen in je familie of omgeving doet het. Hoeveel mensen hebben niet belijdenis afgelegd, omdat hun ouders dat verwacht hebben? Alle vrienden het ook deden? Dus waarom niet? Jezus is op dat moment populair. En het nare is, dat de ware discipel net zozeer wordt aangetrokken door de persoonlijkheid van Jezus en de bijzondere tekenen die Hij doet. Een ware discipel legt ook belijdenis af en laat zich dopen – als dat nog niet als kind gebeurd is. Je kunt aan de buitenkant het verschil niet zien. Je kunt er wel deze les uit trekken. Als het christelijk geloof populair wordt, grote menigten aantrekt, dan trekt het net zo makkelijk valse als ware discipelen aan. Het wonder creëert vals geloof als het teken niet gezien wordt.
Misschien is dat ook de reden dat het wonder van de broodvermenigvuldiging helemaal niet uitgebreid vermeld wordt. Waar lezen we van het wonder? Het zit in de witte ruimte tussen vers 10 en 11. Het blijft impliciet. Had Hij de menigte niet nog veel meer onder de indruk kunnen brengen van Zijn wonderbare macht? Er had een donderslag kunnen klinken, en de aarde had kunnen schudden, broden hadden uit de hemel kunnen vallen en visjes hadden uit de zee kunnen vliegen, begeleid door het zingen van engelen. En had Hij geen betere maaltijd kunnen verzorgen? In plaats van sardientjes en beschuit? Maar dan zie je dat Jezus er helemaal niet op uit is om de menigte onder de indruk te brengen van Zijn macht. Het doel van deze maaltijd is om het geloof te verstevigen van de discipelen, voor wie ook de 12 overgebleven manden bestemd zijn. Zo konden zij zien dat Jezus waarachtig was, wie Hij zei dat Hij was. En natuurlijk, als iemand uit de menigte had opgelet, dan was het ook wel duidelijk geweest. Maar hebben zij opgelet? Ze hebben misschien alleen gedacht, dat er nu een einde was gekomen aan de dagelijkse zorg om voedsel. De ultieme welvaartsstaat was aangebroken. Ga maar in het gras zitten, en je krijgt te eten. Dit was nog mooier dan de genezingen. Dat gebeurt eenmaal in je leven, maar hier krijg je elke dag te eten. Mensen worden aangetrokken door wat ze zien als de zegeningen die rondom Jezus worden uitgedeeld. Baat het niet dan schaadt het niet. En het is altijd prettig om tot een hechte gemeenschap te behoren. Veel mensen in de grote kerken zitten er vanwege de gemeenschap waar ze toe willen behoren, niet vanwege Jezus. Maar in ieder geval kun je in de kerk prachtige en wonderlijke verhalen over Jezus horen. En dan zijn er de kerken die vol wonderen zijn met de suggestie van een voortdurend bovennatuurlijk ingrijpen van God. Veel mensen in de charismatische beweging, en ook sommige in evangelische kring, worden gefascineerd door dergelijke tekenen en genezingen en wonderen. Ze worden aangetrokken door de belofte van voorspoed, van dagelijkse zorg van bovennatuurlijke aard, van Gods kracht voor je gezondheid en je welzijn. En het probleem is opnieuw, dat deze dingen zowel valse als ware discipelen aantrekken.
En dan heb je meteen het probleem van het ongeloof. Zolang je elke dag je voedsel hebt, en geneest van je ziekte, en de gemeente waar je toebehoort vrede heeft en enthousiast is, en zolang je over Jezus alleen maar mooie verhalen hoort, is er geen probleem met het geloof. Maar dan komen de moeilijkheden. Als het leven zwaarder wordt, ga je dat God verwijten. Als er geen eind komt aan je ziekte, begin je te twijfelen. Als de gemeente waar je toe behoort zelf maar weinig enthousiasme heeft en vooral wanneer er conflicten zijn, lijkt de kerk een instituut dat je maar beter kunt verlaten. En als de prediking niet alleen maar de mooie verhalen over Jezus vertelt, maar ook vermaningen geeft voor jouw dagelijkse levensweg of jou oproept tot werkelijke bekering, dan is het maar al te makkelijk om af te haken. In plaats van te erkennen dat het probleem bij jou zelf zit, geef je de schuld aan God, de gemeente, aan de predikant of een ouderling. En je maakt jezelf wijs dat je zonder de kerk gewoon thuis ook kunt “geloven” of tenminste een leven kunt leiden waar niemand jou een verwijt over kan maken. En op een goede dag ontdek je dat je het helemaal niet meer gelooft, en als de boosheid maar groot genoeg is laat je jezelf ook uitschrijven. Zo gaat het toch? Is dat de natuurlijke weg van geloof naar ongeloof? Of moeten we dit begrijpen zoals Johannes dat deed in zijn eerste brief? Eigenlijk was zo iemand nooit een gelovige in Bijbelse zin.
Je hebt ook nog mensen die met groot enthousiasme tot geloof komen en lid worden van een gemeente. Ze hebben een grote sociale bewogenheid. Ze willen wat doen voor de armen in deze wereld, in verre landen of in Nederland, maar er moet wel wat gedaan worden. Geloof moet toch immers praktisch zijn. En als zij dan stuiten op een verkondiging waarin Jezus niet alleen maar het boegbeeld is van sociale en politieke actie, en wanneer de gemeente geen grote actiegroep wordt voor goede doelen, dan haken ze teleurgesteld af. De roep om een zogenaamd praktisch christendom, heeft heel veel te maken met ongeloof. Het is idealisme dat tracht aan te haken bij het potentieel – geld, vrijwilligers – dat in de gemeente aanwezig is. Dit zijn mensen die graag preken horen over de Bergrede, die steeds weer opnieuw willen horen dat Jezus het opneemt voor weduwen, wezen en zwakkeren. En zeker, dergelijke zaken horen ook op de agenda te staan van de ware gelovigen. Het trekt beiden aan. Maar dan komt het ongeloof. De gemeente is niet enthousiast genoeg voor deze sociale agenda, en de prediking over Jezus bevat ook de oproep tot persoonlijke bekering en vergeving van zonden. En uiteindelijk blijkt dat de sociale en politieke bevlogenheid van de gemeente zich alleen maar uit in de collectezak en in de diensten voor het werelddiaconaat. In vers 15 van ons hoofdstuk lezen we, dat de mensen Jezus “met geweld” mee willen nemen om Hem koning te maken. Ze willen Hem geforceerd aanpassen aan het beeld dat ze van Hem hebben, dat voortkomt uit een prachtige idealistische motivatie. Maar wat gebeurt er als Jezus zich terugtrekt “op de berg, Hij Zelf alleen?” Als het in de gemeente om bekering en aanbidding gaat? Dan zoeken ze een andere actiegroep, en besluiten dat het geloof in Jezus blijkbaar niet voldoende is om iets goeds in deze wereld tot stand te brengen.
De geestelijke deserteur is meegelopen met de menigte, wordt gefascineerd door tekenen en wonderen, en is vol idealisme over aardse zaken. Maar wil geen aanbidding. Steeds maar weer blijkt dat het criterium te zijn om het verschil te kunnen zien. Een ware discipel wil Jezus Christus de eer geven die Hem toekomt. Een ware discipel stelt Jezus centraal in zijn leven. Een ware discipel is een aanbidder. Het is de enige opdracht die een gelovige krijgt, die een niet-gelovige niet vervullen kan. Alle andere, vooral morele opdrachten, kunnen ook door een niet-gelovige gedaan worden en vaak zelfs beter. (Een gelovige heeft echter met twéé tafelen der Wet te maken, zowel met de opdracht om God lief te hebben als om de naaste lief te hebben.) In het vierde hoofdstuk zegt Jezus dat de Vader “ware aanbidders” zoekt, Die de Vader aanbidden in geest en in waarheid. Is dat niet het kenmerk van echte discipelen? Wat doen de discipelen van Jezus? Vers 16 tot en met 21 laten zien hoe Jezus de discipelen aan een test onderwerpt. Jezus is alleen op de berg, en de discipelen gaan ’s avonds per boot naar Kapernaüm. Zij gehoorzamen Jezus, dat is het eerste wat je kunt zien. En zoals ik vorige keer al zei, zelfs wanneer er ongeloof in je hart is, is er niets verloren. Twijfel is niet dodelijk. Zolang je Jezus maar blijft gehoorzamen zal dat geloof zich kunnen herstellen. En dat gebeurt hier ook met de discipelen. Ondanks het nachtelijke uur en ondanks het feit dat ze vermoedelijk geweten hebben dat er een storm op komst was, gaan ze met hun boot het water op. Ze moeten blijkbaar tegen de wind in roeien, en ze zijn halverwege wanneer de storm hen overvalt – 30 stadiën is maar ongeveer 6 kilometer, gerekend vanaf de kust, dus ze zijn midden op zee. Ongetwijfeld zijn ze angstig geweest vanwege de storm; ze dreigen werkelijk te verdrinken. En dan zien ze Jezus op de zee lopen in hun richting. Ik kan mij voorstellen dat ze daar nog angstiger voor geweest zijn dan voor de storm. Ze hebben nog nooit iemand op water zien lopen. Dit stille bewijs van de godheid van Jezus moet voor hen overweldigend zijn geweest. Johannes vertelt het vanuit zijn geheugen hier heel kort. Jezus zegt tegen hen: “Ik ben het, wees niet bevreesd.” Daarna nemen ze Hem op in het schip, en onmiddellijk komen ze aan land in de buurt van Kapernaüm. Maar dit is een heel bijzonder moment, waar Johannes nu nog maar weinig aandacht aan besteed. Zo lezen we het in Mattheus 14: 33, “zij die in het schip waren, kwamen Hem aanbidden en zeiden: Werkelijk, U bent de Zoon van God!” Ze komen Hem aanbidden zodra Hij weer in het schip – het schip van de kerk? – in hun midden is! We zullen dat in gedachten houden wanneer we straks kijken naar vers 69, in de volgende aflevering, waar we de belijdenis van Petrus vinden.
Een geestelijke deserteur wil deze aanbidding niet. Het is hem niet te doen om de eer van Jezus Christus als de Zoon van God. Dat vinden we heel duidelijk in vers 25 en 26. De menigte is Jezus gevolgd. Maakt hen dat tot volgelingen van Jezus? In vers 25 hebben ze Hem gevonden en ze noemen Hem rabbi. Ze begrijpen dat er iets wonderlijks met Hem aan de hand is. “Wanneer bent U hier gekomen?” Hoe is het mogelijk dat zij Hem hier vinden, terwijl Hij toch zich terug had getrokken op de berg? Maar Jezus geeft hier geen antwoord op, en verwijst niet naar het wonder. Hij ziet hun hart. Hij leidt zijn antwoord in met woorden die Hij altijd gebruikt als Hij een bijzondere openbaring geeft. “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u.” En wat Hij nu zegt, maakt weer een andere vorm van ongeloof openbaar. Waarom zoekt de menigte Hem? Welnu, niet omdat zij de tekenen – dat zijn de wonderen die een getuigenis afleggen over Jezus, dus niet het wonder als iets bovennatuurlijk op zichzelf – niet omdat zij de tekenen gezien en begrepen hebben, maar “omdat u van de broden gegeten hebt en verzadigd bent.” Hun hele intentie is er op gericht, om voedsel te verwerven dat vergaat. Daarvoor willen ze wel werken, dat wil zeggen achter Jezus aan gaan. Zo hebben zij zich het koninkrijk voorgesteld, als een situatie waarin ze alleen maar even hoeven te roeien, om dan volledig verzadigd te raken. Ze zijn achter Jezus aan gegaan omdat ze hongerig zijn. Zo heb je ook in onze tijd een prediking van het evangelie, waarin het steeds maar weer gaat om voorspoed en welzijn. Hier hebben zij Jezus gezien als degene die in staat was om hun honger te stillen en hun dorst te lessen.
Maar Jezus neemt ze deze illusie meteen af. Zo lezen we in vers 27, “Werk niet om het voedsel dat vergaat, maar om het voedsel dat blijft tot in het eeuwige leven, dat de Zoon des mensen u geven zal.” Jezus zegt duidelijk tegen hen, dat ze naar de verkeerde dingen zoeken. Je kunt je leven eindeloos vullen met het najagen van welzijn en welvaart. Je kunt de hele wereld wel winnen, maar hoe zit het dan met de honger van je ziel? Ik vermoed dat veel mensen elke zondag weer naar de kerk gaan, en zich geen enkele zorgen maken om hun ziel. Hoe zit het dan met het eeuwige leven? Is er geen ultieme bestemming voor ons allemaal? Zijn de keuzes die we maken in dit leven niet beslissend, voor de kwaliteit van het eeuwige leven dat God ons geeft? De geestelijke deserteur gaat mee met de massa, wordt gefascineerd door de bovennatuurlijke wonderen van Jezus, wil Hem tot koning maken omdat Hij een behoefte kan bevredigen. Maar dat wordt allemaal verstoord door een opdracht die met onze ziel en met de eeuwigheid maken heeft. Een discipel van Jezus moet aanbidding schenken aan de Heer Jezus. En dat gaat voorbij alle zorg om persoonlijk voorspoed, want dat volgt rechtstreeks uit het eeuwige leven en niet uit het dagelijkse. Die aanbidding is immers de uiteindelijke bestemming van alle gelovigen – zie Openbaring 5. Maar dan moet je Hem persoonlijk kennen, in je leven hebben toegelaten. De Vader zoekt – wie dan? – niet de mensen die hun behoeften willen bevredigen door gebruik te maken van de christelijke gemeente of gefascineerd worden door de prachtige wonderverhalen over Jezus, die voor alle mensen altijd zo lief was. De Vader zoekt mensen die Hem willen aanbidden in geest en in waarheid. En dat betekent dat ze de waarheid van Jezus kennen, en met heel hun geest, met heel hun ziel en met heel hun verstand, deze Heer erkennen en aanbidden.
Zo hebben we nu gezien welke motieven er kunnen zijn voor geestelijke deserteurs. Het wonder moet steeds maar weer worden herhaald, en zolang de genezende kracht van Jezus werkt, willen ze Hem wel volgen, ze willen wel een koninkrijk waarin alle behoeften die we hebben onmiddellijk worden bevredigd, ze willen achter de aardse zegeningen aan die ook rondom Jezus gegeven worden. Maar zodra deze dingen ontbreken, wordt duidelijk hoe oppervlakkig dit geloof is. Ze zullen Hem uiteindelijk verlaten zodra er iets gaat ontbreken aan de lijst van zegeningen die ze van Hem eisen. Wat wezenlijk bij hen ontbrak, is de wil om Jezus te aanbidden, om Hem te (er)kennen zoals Hij werkelijk is, om in Zijn nabijheid te komen en daarin te leven.
Volgende keer zullen we nog een aantal motieven vinden voor het verlaten van Jezus, het verlaten van de gemeente.