Johannes (31) – Geestelijke deserteurs

Johannes 6:14 – 27

We zijn nog steeds bezig met hoofdstuk 6. Het wonder van de broodvermenigvuldiging hebben we de vorige keer besproken. Nu wil ik dit hoofdstuk op twee manieren benaderen. In de eerste plaats vanuit het gezichtspunt van het resultaat, zoals we dat vinden in vers 66. Het resultaat is dat velen van Zijn discipelen zich terugtrekken en niet meer met Hem meegaan. En in die context horen we dan in de laatste verzen van dit hoofdstuk zowel de belijdenis van Simon Petrus als de aanduiding van het verraad van Judas Iskariot. In de tweede plaats vinden we Jezus’ verkondiging over Zichzelf  in de synagoge van Kapernaüm. Velen hebben daar het onderwijs van Jezus gehoord waarin Jezus zich bekend maakt als “het ware brood uit de hemel.” Een prachtig onderwerp waar we dan later over zullen spreken.

Geestelijke deserteurs. Dat is de titel die ik vandaag aan de overdenking heb meegegeven. We kennen allemaal de ervaring dat een broeder of zuster in de kerk plotseling niet meer komt op de zondag, geen bezoek meer wil hebben van de predikant of van andere gemeenteleden, en dan horen we een tijd later dat hij of zij zich heeft laten uitschrijven. We hebben allemaal wel meegemaakt of gehoord, dat een zoon of dochter, die kindernevendienst heeft meegemaakt, op catechisatie is geweest, op latere leeftijd niet meer naar de kerk gaat. Geen belangstelling heeft om belijdenis af te leggen. De grootouders kennen vaak de ervaring, dat hun kinderen het kerkelijk geloof hebben verlaten, en ze zich zorgen maken over hun kleinkinderen die zonder God, Kerk en Bijbel moeten opgroeien. Die dingen gebeuren nu eenmaal. Misschien is het een troost en een les, dat na de wonderen in hoofdstuk zes, en het onderwijs van Jezus, vele discipelen zich hebben teruggetrokken. Het gebeurde toen net als nu. En toen ging het om mensen die Hem wel gezien hebben, en toch niet geloven. (Vers 36.)

Ook Paulus kende deze ervaring. Hij schrijft aan de gemeente van Philippi dat hij Timotheus naar hen zal toesturen, omdat er ook niemand anders is. “Want zij zoeken allen hun eigen belangen, niet die van Christus Jezus.” (2:20) In 2 Timotheus 1:15 zegt Paulus “dat allen die in Asia zijn, zich van mij afgekeerd hebben. Tot hen behoren Fygellus en Hermogenes.” In dezelfde brief zegt Paulus in 4:10, “want Demas heeft mij verlaten, omdat hij de tegenwoordige wereld heeft lief gekregen.” En dan is er nog Alexander, de kopersmid, die Paulus veel kwaad heeft aangedaan en “krachtig tegen onze woorden ingegaan” is. (Vers 15.) En in vers 16 verzucht hij, dat er niemand was die hem bijstond bij zijn eerste verdediging, maar “zij hebben mij allen verlaten.” Dit zijn medewerkers in het evangelie geweest, metgezellen van Paulus, leerlingen van hem aan wie hij verschillende gemeenten had willen toevertrouwen. Het zijn deserteurs geworden.

In al deze gevallen is het goed om te beseffen wat de apostel Johannes schrijft in zijn eerste brief, hoofdstuk 2:19: “zij zijn uit ons midden weggegaan, maar zij waren niet uit ons; want als zij uit ons geweest waren, dan zouden zij bij ons gebleven zijn. Maar het moest openbaar worden dat zij niet allen uit ons zijn.” Zij waren deel van de gemeente, zij waren deel van de zending. En vertoonden de Geestelijke gaven, en dan verlaten ze ondanks dat alles de gemeente. Ze gaan een andere godsdienst aanhangen, of worden atheïst, en dan wordt het openbaar dat hun betrokkenheid bij Christus en de gemeente maar oppervlakkig geweest is. En het beginsel dat Johannes hier formuleert, is heel eenvoudig: zij waren niet van ons, want als zij werkelijk deel hadden uitgemaakt van de gemeente – wedergeboren waren geweest, de heilige Geest hadden ontvangen – dan waren ze gebleven. En hun vertrek uit de gemeente maakt dat ook openbaar dat ze nooit werkelijk bij de gemeente hebben behoord. De schrijver van de brief aan de Hebreeën zegt zelfs, dat het onmogelijk is om mensen die afvallig zijn geworden, opnieuw tot bekering te brengen. God laat in beginsel een dergelijke terugkeer niet meer toe. Daar gaat het om mensen die “verlicht zijn”- het licht van de Zoon van God hebben ervaren – geproefd hebben van de hemelse gave, deelgenoot zijn geweest van de Heilige Geest, het goede Woord van God geproefd hebben,én de krachten van de komende wereld hebben gezien. Wanneer deze mensen afvallen, deserteren, het geloof verliezen, dan is het alsof zij “voor zichzelf de Zoon van God opnieuw kruisigen en openlijk te schande maken.” Daarom is het onmogelijk om hen opnieuw tot bekering te brengen. Ik denk dat God het erbij laat, die mensen laat gaan.

Hoe komt het dan echter dat sommige van onze broeders en zusters afvallig worden, het geloof verliezen en hun belijdenis vergeten? Veel mensen komen tot geloof omdat ze eenvoudigweg meedoen met hun omgeving. Er is een grote menigte die Jezus volgt. Waarom? Omdat zij onder de indruk zijn gekomen van de tekenen die Hij doet. Er hangt een belofte in de lucht, van genezing en succes. Je kunt je voordeel ermee doen, om deze Jezus te volgen. En iedereen in je familie of omgeving doet het. Hoeveel mensen hebben niet belijdenis afgelegd, omdat hun ouders dat verwacht hebben? Alle vrienden het ook deden? Dus waarom niet? Jezus is op dat moment populair. En het nare is, dat de ware discipel net zozeer wordt aangetrokken door de persoonlijkheid van Jezus en de bijzondere tekenen die Hij doet. Een ware discipel legt ook belijdenis af en laat zich dopen – als dat nog niet als kind gebeurd is. Je kunt aan de buitenkant het verschil niet zien. Je kunt er wel deze les uit trekken. Als het christelijk geloof populair wordt, grote menigten aantrekt, dan trekt het net zo makkelijk valse als ware discipelen aan. Het wonder creëert vals geloof als het teken niet gezien wordt.

Misschien is dat ook de reden dat het wonder van de broodvermenigvuldiging helemaal niet uitgebreid vermeld wordt. Waar lezen we van het wonder? Het zit in de witte ruimte tussen vers 10 en 11. Het blijft impliciet. Had Hij de menigte niet nog veel meer onder de indruk kunnen brengen van Zijn wonderbare macht? Er had een donderslag kunnen klinken, en de aarde had kunnen schudden, broden hadden uit de hemel kunnen vallen en visjes hadden uit de zee kunnen vliegen, begeleid door het zingen van engelen. En had Hij geen betere maaltijd kunnen verzorgen? In plaats van sardientjes en beschuit? Maar dan zie je dat Jezus er helemaal niet op uit is om de menigte onder de indruk te brengen van Zijn macht. Het doel van deze maaltijd is om het geloof te verstevigen van de discipelen, voor wie ook de 12 overgebleven manden bestemd zijn. Zo konden zij zien dat Jezus waarachtig was, wie Hij zei dat Hij was. En natuurlijk, als iemand uit de menigte had opgelet, dan was het ook wel duidelijk geweest. Maar hebben zij opgelet? Ze hebben misschien alleen gedacht, dat er nu een einde was gekomen aan de dagelijkse zorg om voedsel. De ultieme welvaartsstaat was aangebroken. Ga maar in het gras zitten, en je krijgt te eten. Dit was nog mooier dan de genezingen. Dat gebeurt eenmaal in je leven, maar hier krijg je elke dag te eten. Mensen worden aangetrokken door wat ze zien als de zegeningen die rondom Jezus worden uitgedeeld. Baat het niet dan schaadt het niet. En het is altijd prettig om tot een hechte gemeenschap te behoren. Veel mensen in de grote kerken zitten er vanwege de gemeenschap waar ze toe willen behoren, niet vanwege Jezus. Maar in ieder geval kun je in de kerk prachtige en wonderlijke verhalen over Jezus horen. En dan zijn er de kerken die vol wonderen zijn met de suggestie van een voortdurend bovennatuurlijk ingrijpen van God. Veel mensen in de charismatische beweging, en ook sommige in evangelische kring, worden gefascineerd door dergelijke tekenen en genezingen en wonderen. Ze worden aangetrokken door de belofte van voorspoed, van dagelijkse zorg van bovennatuurlijke aard, van Gods kracht voor je gezondheid en je welzijn. En het probleem is opnieuw, dat deze dingen zowel valse als ware discipelen aantrekken.

En dan heb je meteen het probleem van het ongeloof. Zolang je elke dag je voedsel hebt, en geneest van je ziekte, en de gemeente waar je toebehoort vrede heeft en enthousiast is, en zolang je over Jezus alleen maar mooie verhalen hoort, is er geen probleem met het geloof. Maar dan komen de moeilijkheden. Als het leven zwaarder wordt, ga je dat God verwijten. Als er geen eind komt aan je ziekte, begin je te twijfelen. Als de gemeente waar je toe behoort zelf maar weinig enthousiasme heeft en vooral wanneer er conflicten zijn, lijkt de kerk een instituut dat je maar beter kunt verlaten. En als de prediking niet alleen maar de mooie verhalen over Jezus vertelt, maar ook vermaningen geeft voor jouw dagelijkse levensweg of jou oproept tot werkelijke bekering, dan is het maar al te makkelijk om af te haken. In plaats van te erkennen dat het probleem bij jou zelf zit, geef je de schuld aan God, de gemeente, aan de predikant of een ouderling. En je maakt jezelf wijs dat je zonder de kerk gewoon thuis ook kunt “geloven” of tenminste een leven kunt leiden waar niemand jou een verwijt over kan maken. En op een goede dag ontdek je dat je het helemaal niet meer gelooft, en als de boosheid maar groot genoeg is laat je jezelf ook uitschrijven. Zo gaat het toch? Is dat de natuurlijke weg van geloof naar ongeloof? Of moeten we dit begrijpen zoals Johannes dat deed in zijn eerste brief? Eigenlijk was zo iemand nooit een gelovige in Bijbelse zin.

Je hebt ook nog mensen die met groot enthousiasme tot geloof komen en lid worden van een gemeente. Ze hebben een grote sociale bewogenheid. Ze willen wat doen voor de armen in deze wereld, in verre landen of in Nederland, maar er moet wel wat gedaan worden. Geloof moet toch immers praktisch zijn. En als zij dan stuiten op een verkondiging waarin Jezus niet alleen maar het boegbeeld is van sociale en politieke actie, en wanneer de gemeente geen grote actiegroep wordt voor goede doelen, dan haken ze teleurgesteld af. De roep om een zogenaamd praktisch christendom, heeft heel veel te maken met ongeloof. Het is idealisme dat tracht aan te haken bij het potentieel – geld, vrijwilligers – dat in de gemeente aanwezig is. Dit zijn mensen die graag preken horen over de Bergrede, die steeds weer opnieuw willen horen dat Jezus het opneemt voor weduwen, wezen en zwakkeren. En zeker, dergelijke zaken horen ook op de agenda te staan van de ware gelovigen. Het trekt beiden aan. Maar dan komt het ongeloof. De gemeente is niet enthousiast genoeg voor deze sociale agenda, en de prediking over Jezus bevat ook de oproep tot persoonlijke bekering en vergeving van zonden. En uiteindelijk blijkt dat de sociale en politieke bevlogenheid van de gemeente zich alleen maar uit in de collectezak en in de diensten voor het werelddiaconaat. In vers 15 van ons hoofdstuk lezen we, dat de mensen Jezus “met geweld” mee willen nemen om Hem koning te maken. Ze willen Hem geforceerd aanpassen aan het beeld dat ze van Hem hebben, dat voortkomt uit een prachtige idealistische motivatie. Maar wat gebeurt er als Jezus zich terugtrekt “op de berg, Hij Zelf alleen?” Als het in de gemeente om bekering en aanbidding gaat? Dan zoeken ze een andere actiegroep, en besluiten dat het geloof in Jezus blijkbaar niet voldoende is om iets goeds in deze wereld tot stand te brengen.

De geestelijke deserteur is meegelopen met de menigte, wordt gefascineerd door tekenen en wonderen, en is vol idealisme over aardse zaken. Maar wil geen aanbidding. Steeds maar weer blijkt dat het criterium te zijn om het verschil te kunnen zien. Een ware discipel wil Jezus Christus de eer geven die Hem toekomt. Een ware discipel stelt Jezus centraal in zijn leven. Een ware discipel is een aanbidder. Het is de enige opdracht die een gelovige krijgt, die een niet-gelovige niet vervullen kan. Alle andere, vooral morele opdrachten, kunnen ook door een niet-gelovige gedaan worden en vaak zelfs beter. (Een gelovige heeft echter met twéé tafelen der Wet te maken, zowel met de opdracht om God lief te hebben als om de naaste lief te hebben.) In het vierde hoofdstuk zegt Jezus dat de Vader “ware aanbidders” zoekt, Die de Vader aanbidden in geest en in waarheid. Is dat niet het kenmerk van echte discipelen? Wat doen de discipelen van Jezus? Vers 16 tot en met 21 laten zien hoe Jezus de discipelen aan een test onderwerpt. Jezus is alleen op de berg, en de discipelen gaan ’s avonds per boot naar Kapernaüm. Zij gehoorzamen Jezus, dat is het eerste wat je kunt zien. En zoals ik vorige keer al zei, zelfs wanneer er ongeloof in je hart is, is er niets verloren. Twijfel is niet dodelijk. Zolang je Jezus maar blijft gehoorzamen zal dat geloof zich kunnen herstellen. En dat gebeurt hier ook met de discipelen. Ondanks het nachtelijke uur en ondanks het feit dat ze vermoedelijk geweten hebben dat er een storm op komst was, gaan ze met hun boot het water op. Ze moeten blijkbaar tegen de wind in roeien, en ze zijn halverwege wanneer de storm hen overvalt – 30 stadiën is maar ongeveer 6 kilometer, gerekend vanaf de kust, dus ze zijn midden op zee. Ongetwijfeld zijn ze angstig geweest vanwege de storm; ze dreigen werkelijk te verdrinken. En dan zien ze Jezus op de zee lopen in hun richting. Ik kan mij voorstellen dat ze daar nog angstiger voor geweest zijn dan voor de storm. Ze hebben nog nooit iemand op water zien lopen. Dit stille bewijs van de godheid van Jezus moet voor hen overweldigend zijn geweest. Johannes vertelt het vanuit zijn geheugen hier heel kort. Jezus zegt tegen hen: “Ik ben het, wees niet bevreesd.” Daarna nemen ze Hem op in het schip, en onmiddellijk komen ze aan land in de buurt van Kapernaüm. Maar dit is een heel bijzonder moment, waar Johannes nu nog maar weinig aandacht aan besteed. Zo lezen we het in Mattheus 14: 33, “zij die in het schip waren, kwamen Hem aanbidden en zeiden: Werkelijk, U bent de Zoon van God!” Ze komen Hem aanbidden zodra Hij weer in het schip – het schip van de kerk? – in hun midden is! We zullen dat in gedachten houden wanneer we straks kijken naar vers 69, in de volgende aflevering, waar we de belijdenis van Petrus vinden.

Een geestelijke deserteur wil deze aanbidding niet. Het is hem niet te doen om de eer van Jezus Christus als de Zoon van God. Dat vinden we heel duidelijk in vers 25 en 26. De menigte is Jezus gevolgd. Maakt hen dat tot volgelingen van Jezus? In vers 25 hebben ze Hem gevonden en ze noemen Hem rabbi. Ze begrijpen dat er iets wonderlijks met Hem aan de hand is. “Wanneer bent U hier gekomen?” Hoe is het mogelijk dat zij Hem hier vinden, terwijl Hij toch zich terug had getrokken op de berg? Maar Jezus geeft hier geen antwoord op, en verwijst niet naar het wonder. Hij ziet hun hart. Hij leidt zijn antwoord in met woorden die Hij altijd gebruikt als Hij een bijzondere openbaring geeft. “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u.” En wat Hij nu zegt, maakt weer een andere vorm van ongeloof openbaar. Waarom zoekt de menigte Hem? Welnu, niet omdat zij de tekenen – dat zijn de wonderen die een getuigenis afleggen over Jezus, dus niet het wonder als iets bovennatuurlijk op zichzelf – niet omdat zij de tekenen gezien en begrepen hebben, maar “omdat u van de broden gegeten hebt en verzadigd bent.” Hun hele intentie is er op gericht, om voedsel te verwerven dat vergaat. Daarvoor willen ze wel werken, dat wil zeggen achter Jezus aan gaan. Zo hebben zij zich het koninkrijk voorgesteld, als een situatie waarin ze alleen maar even hoeven te roeien, om dan volledig verzadigd te raken. Ze zijn achter Jezus aan gegaan omdat ze hongerig zijn. Zo heb je ook in onze tijd een prediking van het evangelie, waarin het steeds maar weer gaat om voorspoed en welzijn. Hier hebben zij Jezus gezien als degene die in staat was om hun honger te stillen en hun dorst te lessen.

Maar Jezus neemt ze deze illusie meteen af. Zo lezen we in vers 27, “Werk niet om het voedsel dat vergaat, maar om het voedsel dat blijft tot in het eeuwige leven, dat de Zoon des mensen u geven zal.” Jezus zegt duidelijk tegen hen, dat ze naar de verkeerde dingen zoeken. Je kunt je leven eindeloos vullen met het najagen van welzijn en welvaart. Je kunt de hele wereld wel winnen, maar hoe zit het dan met de honger van je ziel? Ik vermoed dat veel mensen elke zondag weer naar de kerk gaan, en zich geen enkele zorgen maken om hun ziel. Hoe zit het dan met het eeuwige leven? Is er geen ultieme bestemming voor ons allemaal? Zijn de keuzes die we maken in dit leven niet beslissend, voor de kwaliteit van het eeuwige leven dat God ons geeft? De geestelijke deserteur gaat mee met de massa, wordt gefascineerd door de bovennatuurlijke wonderen van Jezus, wil Hem tot koning maken omdat Hij een behoefte kan bevredigen. Maar dat wordt allemaal verstoord door een opdracht die met onze ziel en met de eeuwigheid maken heeft. Een discipel van Jezus moet aanbidding schenken aan de Heer Jezus. En dat gaat voorbij alle zorg om persoonlijk voorspoed, want dat volgt rechtstreeks uit het eeuwige leven en niet uit het dagelijkse. Die aanbidding is immers de uiteindelijke bestemming van alle gelovigen – zie Openbaring 5. Maar dan moet je Hem persoonlijk kennen, in je leven hebben toegelaten. De Vader zoekt – wie dan? – niet de mensen die hun behoeften willen bevredigen door gebruik te maken van de christelijke gemeente of gefascineerd worden door de prachtige wonderverhalen over Jezus, die voor alle mensen altijd zo lief was. De Vader zoekt mensen die Hem willen aanbidden in geest en in waarheid. En dat betekent dat ze de waarheid van Jezus kennen, en met heel hun geest, met heel hun ziel en met heel hun verstand, deze Heer erkennen en aanbidden.

Zo hebben we nu gezien welke motieven er kunnen zijn voor geestelijke deserteurs. Het wonder moet steeds maar weer worden herhaald, en zolang de genezende kracht van Jezus werkt, willen ze Hem wel volgen, ze willen wel een koninkrijk waarin alle behoeften die we hebben onmiddellijk worden bevredigd, ze willen achter de aardse zegeningen aan die ook rondom Jezus gegeven worden. Maar zodra deze dingen ontbreken, wordt duidelijk hoe oppervlakkig dit geloof is. Ze zullen Hem uiteindelijk verlaten zodra er iets gaat ontbreken aan de lijst van zegeningen die ze van Hem eisen. Wat wezenlijk bij hen ontbrak, is de wil om Jezus te aanbidden, om Hem te (er)kennen zoals Hij werkelijk is, om in Zijn nabijheid te komen en daarin te leven.

Volgende keer zullen we nog een aantal motieven vinden voor het verlaten van Jezus, het verlaten van de gemeente.

Johannes (25) – Zo Vader, zo Zoon

Joh. 5:18-24

Het vervolg van dit hoofdstuk is een lange redevoering van Jezus over Zichzelf. Hij heeft een wonder verricht op de sabbat, en Zijn antwoord op de aanklacht van de farizeeën is een aanduiding van Zijn eenheid met God. “Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook.” De Joden hebben goed begrepen dat Hij daarmee “zichzelf aan God gelijk maakte.” De redevoering begint in vers 19 en loopt door tot en met vers 47. Ik wil me niet haasten en zal daarom de tekst in een aantal delen moeten bespreken. Het eerste deel loopt tot en met vers 23 en spreekt over de verhouding van Vader en Zoon. Het tweede deel loopt vanaf vers 24 en spreekt over degenen die in de Zoon geloven: zij ontvangen de opstanding ten leven. Vanaf vers 33 spreekt Jezus in het derde deel over het getuigenis van Johannes de Doper. Vers 37 tot en met vers 47 vormen het vierde deel, en spreken over het ongeloof van de Joden tegenover dit getuigenis van Johannes de Doper en het getuigenis dat God de Vader zelf heeft gegeven. Vier onderdelen dus. Vandaag wil ik me beperken tot het gedeelte vanaf vers 19 tot en met 22.

Vers 19: “Jezus dan antwoordde en zei tegen hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: De Zoon kan niets van Zichzelf doen, als Hij dat niet de Vader ziet doen, want al wat Deze doet, dat doet ook de Zoon op dezelfde wijze.”

De redevoering staat hier niet toevallig. Jezus heeft met het genezen van de verlamde op de sabbat, en met de opdracht de ligmat te dragen, uitdrukkelijk een confrontatie met de Joden gezocht. Het is voor Hem een aanleiding geweest, om rechtstreeks aan de leiders van de farizeeën uit te leggen wie Hij is. Dit is heel belangrijk voor het evangelie naar Johannes. Het doel van het evangelie is te demonstreren dat Jezus God is. De proloog, de getuigenissen, de gesprekken en de berichten over de wondertekenen zijn allemaal middelen tot dat doel. En nu komt het getuigenis van Jezus over Zichzelf er nog eens bij. Jezus spreekt niet tegen, wat de farizeeën denken, dat Hij Zichzelf aan God gelijk maakte. Ik denk dat Hij vooral uitlegt dat dit “maken” – want dat betekent valselijk claimen, zonder grond in de werkelijkheid – een fout is. De hele toespraak die nu volgt is bedoeld om te zeggen dat Hij Zichzelf niet gelijk aan God heeft gemaakt, maar gelijk aan God is.

Toch is er een rangorde. De Zoon volgt de Vader, is Hem gehoorzaam, doet wat Hij de Vader ziet doen. Zoals Paulus uitlegt in Filippenzen 2:6, dat hoewel Jezus Christus “in de gestalte van God was”, dus de positie van God deelde en het karakter van God vertoonde, Hij toch niet voor Zichzelf en voor van God gescheiden doeleinden deze gelijkheid met God heeft uitgeoefend. (“… Het niet als roof beschouwd heeft”) Jezus is God, omdat hij het vleesgeworden Woord is, dat wil zeggen God de Zoon is vlees geworden. Met de woorden van vers 19 wil Jezus duidelijk maken dat de genezing op sabbat, en het bevel aan de genezene uit deze gehoorzaamheid aan God de Vader voortgekomen zijn. Als de Zoon geneest, is het Gods genezende wil wie actief is. Als de Zoon spreekt, is het Gods Woord dat spreekt. En daarom zijn de genezingen gelijk aan scheppende daden: Hij spreekt en het gebeurt. En daarom is Zijn gezag hoger dan dat van de thora. Wat farizeeën zien gebeuren is een mens, nemen zij aan, die zichzelf aan God gelijk maakte, claimt God te zijn. En het antwoord van Jezus in vers 19 is heel eenvoudig: wat je Mij ziet doen, is precies wat God de Vader doet. God werkt op de sabbat van de verlossing van Israël. Daarom doet de Zoon dat ook. God wil mensen tot geloof brengen door wondertekenen die van Hem getuigen. Daarom verricht de Zoon op aarde deze wonderen. En de Zoon doet niet alleen precies wat de Vader doet, maar Hij doet het ook nog eens een keer op dezelfde wijze: dat wil zeggen met dezelfde almacht en alwetendheid die ook God de Vader heeft.

Hoe zou je moeten antwoorden op deze verbluffende claim, dat Jezus God is? Let er ook nog eens op, dat Jezus zijn antwoord in vers 19 laat voorafgaan door de sterke formule “voorwaar, voorwaar.” Je zou bijna zeggen Hij bezweert, met volle zekerheid en overtuiging, dat Hij God gelijk is. Er zijn mensen die zeggen dat Jezus een wonderdoener en genezer was, of een goede leraar, of iemand die stierf voor zijn politieke en religieuze overtuigingen. Voor vele mensen is dit beeld van Jezus als martelaar de hoogste lof die ze Hem kunnen toezwaaien. Op grond van de tekst van de evangeliën moet je echter zeggen, dat wat Hij ook is, Hij in ieder geval nooit en te nimmer zomaar een joodse martelaar kan zijn. Dat is pure fantasie. Er zijn eigenlijk maar twee mogelijkheden. Of Hij is Gods Zoon, zoals Hij van Zichzelf gezegd heeft, of Hij is een charlatan, een bedrieger, een Godslasteraar, een verdwaasd mens. Een goede leraar of martelaar zal God aanroepen in de ijver voor Gods zaak, zal zijn leven stellen in dienst van wat God op deze aarde doen wil. Maar zo iemand – als hij een getrouwe jood is – zal nooit zeggen dat Hij God is. En de discipelen van deze Jezus, zoals blijkt uit de evangeliën, zoals het ook logisch is gezien het feit dat zij joden waren, zouden nooit op het idee zijn gekomen om Jezus met God te identificeren. Ze hebben Hem tijdens zijn leven doorgaans gezien als hun rabbi, als een leraar van God gezonden, als een profeet, als de Messiaanse koning. Maar op een enkel moment komen ze ertoe om Hem aan te duiden met de titel Zoon van God – zelfs bij de belijdenis van Petrus krijg je de indruk dat deze nog niet ten volle begreep wat hij daar beleden had. Er is dus geen sprake van een latere vergoddelijking, er is wel sprake van een rechtstreekse claim van Jezus dat Hij God is. En dan komt onze beslissing: is Hij God of is Hij een bedrieger? Andere keuzemogelijkheden zijn er niet, omdat Hij als joodse martelaar of als profeet wordt gediskwalificeerd vanwege deze uitspraken over Zijn eigen status.

Het gaat in deze passage niet om een simpele gelijkheid. Het is niet zo dat “Vader” en “Zoon” twee namen zijn voor een en hetzelfde Iets. Die beide namen kun je niet vergelijken met bijvoorbeeld de manier waarop wij een en dezelfde planeet zowel met Venus als met de Morgenster aanduiden. Dat zijn dan twee verschillende namen voor hetzelfde iets. In de kerkgeschiedenis is uitgebreid gesproken over het leerstuk van de drie-eenheid. Een poging om in menselijke woorden te vangen hoe we de verhouding moeten begrijpen tussen de Vader en de Zoon in de eerste plaats, en vervolgens ook de plaats van de heilige Geest daarbij. In het evangelie naar Johannes wordt wel van de gelijkheid tussen God de Vader en de Zoon gesproken, maar alleen om te laten zien dat Jezus inderdaad de Zoon van God is. In de uitspraken van Jezus in dit gedeelte gaat het dus vooral om wat de Vader en de Zoon doen of gedaan hebben. Het gaat om dat “werken” waar sprake van was in vers 17. De gelijkheid van God en Jezus wordt hier alleen aangeroerd in termen van wat er gedaan wordt, van de werken. In de latere kerkgeschiedenis gaat het vooral om wat de Vader en de Zoon in zichzelf zijn. In de latere theologie gaat het dus vaak om de eenheid van Vader en Zoon in termen van hun persoonlijkheid, en wezen. Maar in de Bijbelse tekst ligt de nadruk veel meer op wat de Vader en de Zoon doen. Het gaat om datgene waaruit blijkt, waarin gedemonstreerd wordt, dat de Vader en de Zoon daadwerkelijk één zijn.

Ik heb heel lang geleden veel gesprekken gevoerd met mensen die zeiden, dat Jezus in het geheel niet over de gelijkheid met God sprak. Zichzelf helemaal niet heeft beschouwd als aan God gelijk. En als ik dan verwees naar de vele teksten uit het evangelie naar Johannes, dan zeiden sommigen: ‘ja, maar dat is de manier waarop de discipelen over Hem gesproken hebben. Zij hebben Hem tot God gemaakt.’ Dan heb je met mensen te maken die als het ze uitkomt de tekst van de bijbel simpelweg aan de kant schuiven, om er hun eigen historische verhaal voor in de plaats te stellen. En dan wees ik op de vele teksten uit de andere evangeliën, waarin de uitdrukking “Zoon van God” voorkomt, en dan zeiden ze dat dat gewoon de Oudtestamentische aanduiding was voor de Messias, de Koning. Zo kan je met een verwijzing naar het Oude Testament juist de openbaring van het Nieuwe Testament verzwakken en zelfs aan de kant schuiven. Het is alleen maar logisch dat in de tijd van het Oude Testament niet rechtstreeks gesproken kan worden over de Zoon van God, omdat Die Zichzelf pas met Zijn komst in de wereld openbaarde.

En dan wees ik anderen op Romeinen 9:5, waar van Christus gezegd wordt: “Die God is, boven alles, te prijzen tot in eeuwigheid.” En dan zeiden ze, dat je dat anders moest vertalen uit het Grieks. Of ik verwees naar Kolossenzen 1:15, waarvan Christus gezegd wordt dat Hij “de Eerstgeborene van heel de schepping” is, en dan zeiden ze dat dat juist bewijst dat Christus door God als Eerste geschapen is. (Terwijl er meteen achter staat dat “door Hem alle dingen geschapen zijn”, waaruit blijkt dat Hij Zelf geen schepsel is.) Uiteindelijk kwamen we in die gesprekken altijd uit bij de proloog van het evangelie naar Johannes. Als Johannes zegt “het Woord was God” spreekt hij niet over een schepsel. En dan zeiden ze dat je moest gaan kijken in het Grieks, want er stond voor “God” geen lidwoord, dus je moest vertalen met “een god”. Jezus was een god, een goddelijke persoon, net als een engel in de ogen van Johannes. Maar dat kon ik natuurlijk niet weten, zeiden ze, maar dat stond in het Grieks. En als ik dan zei dat ik acht jaar onderwijs in het Grieks van het Nieuwe Testament had genoten – en dan weet je echt nog niet alles – en dat het voor mij volstrekt duidelijk was dat het lidwoord hier om grammaticale redenen was weggelaten, keken ze eerst verwonderd, en vielen toen stil.

De Joden in de tijd van Jezus begrepen tenminste wat de titel “Zoon van God” betekende, en zij zeggen het hier zelf, dat Jezus Zichzelf aan God gelijk maakte door over God te spreken als Zijn Vader. Uit het antwoord van Jezus blijkt, dat Hij dat inderdaad bedoeld heeft. Want Hij corrigeert de opvatting van de Joden niet als een misvatting, maar legt getuigenis af van de waarheid daarvan. Een historische reconstructie, of een afwijzing van het evangelie naar Johannes, of pogingen om de grammatica van het Grieks aan je kant te krijgen, zijn niet bij machte om je van deze schandalige claim te bevrijden. Jezus zegt dat Hij God Zelf is. Wanneer wij zeggen dat Jezus de Zoon van God is, of we dat nu lezen bij Marcus of in de brieven van Paulus, dan bedoelen we hetzelfde: Jezus is God. De Vader en de Zoon zijn één. Jezus is God, te prijzen tot in eeuwigheid.

Vers 20: “Want de Vader heeft de Zoon lief en laat Hem alles zien wat Hij doet, en Hij zal Hem grotere werken laten zien dan deze, opdat u zich verwondert.”

Nu zou er iemand kunnen opstaan, en kunnen zeggen tegen Jezus: ‘oké, oké, U en de Vader zijn één. Maar er is toch ook een onderscheid. “Het Woord was immers ‘bij’ God.” U bent hier op aarde en God de Vader is in de hemel. U bent hier als mens, en God is nog steeds God. Het is dus niet onmogelijk dat U bepaalde dingen doet, maar dat u niet weet dat ze in strijd zijn met Gods wil.’ Daarmee zeggen ze: ‘Jezus, je kunt als mens nog steeds falen en dus ook zondigen. Misschien was je wel onwetend toen je de sabbat overtrad.’ Daarom zegt Hij in vers 20: “[God de Vader] laat Hem [de Zoon] alles zien wat Hij [God de Vader] doet.” Wat de Vader weet, dat weet de Zoon. Zien betekent hier: weten, onmiddelijk inzien en volkomen begrijpen. De alwetendheid van God, is ook aanwezig in God de Zoon. Ze delen niet alleen maar de band van de liefde met elkaar – de Vader heeft de Zoon lief – maar ze zijn ook één in hun kennis. En dan kondigt Hij ook nog eens aan, dat wat de Joden Hem hier hebben zien doen, zeker nog niet het laatste woord of de laatste daad van God is. ‘Jullie denken,’ zegt Hij, ‘dat de genezing van een man die 38 jaar verlamd was, iets bijzonders is? Je zult nog veel grotere wonderen zien dan deze.’ Lazarus zou worden opgewekt, Jezus zou opstaan uit de doden, de heilige Geest zou Zijn intrek nemen in de Gemeente etc. Ook dat weet Hij. Gods volstrekte alwetendheid is in de Zoon van God aanwezig. Jezus claimt dat Hij één is met God in de werken. Daar zit achter dat de Vader en de Zoon volledig eens zijn, want dat is de grondslag van het feit dat ze daadwerkelijk een zijn. Kortom: Jezus is God.

Vers 21: “Want zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend wie Hij wil.”

Dat moet wel een bijzondere indruk hebben gemaakt. God de Vader is bij machte de doden op te wekken en nieuw leven te schenken. Maar dat kan de Zoon dus ook. Wat een claim! En hier wordt niet alleen maar bedoeld wat je een geestelijke opwekking, of spirituele vernieuwing zou kunnen noemen. Het gaat zowel om de macht over het fysieke leven als over de macht over het geestelijk leven. God geeft nieuw leven aan mensen die “dood waren in hun misdaden en zonden”, zoals Paulus zegt in Efeze 2:1. Dat doet ook de Zoon, zoals Hij zelf spreekt over het levende water dat Hij schenken kan aan de Samaritaanse vrouw. Maar de Zoon van God is ook bij machte het fysieke leven te herstellen, zoals Hij dat ook demonstreert in Johannes 11 met de opwekking van Lazarus. Gods almacht die reikt tot voorbij de dood, over het geestelijke en het fysieke leven, is ook in de Zoon van God aanwezig. Kortom: Jezus is God.

Vers 22: “Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft heel het oordeel aan de Zoon gegeven.”

We weten uit het Oude Testament dat God de Rechter is van heel de aarde, van alle volkeren. We weten dat er een dag komen zal waarop God het aardrijk in gerechtigheid zal oordelen. Dat is het oordeel van God de Vader. Maar ook in dat oordeel heeft Jezus op dezelfde wijze deel als de Vader. In staat zelf dat het oordeel aan de Zoon gegeven is: de maatstaf van het oordeel is het geloof in de Zoon, de rechter die oordeelt is de Zoon van God die tevens de Zoon des mensen is. Alleen God kan en mag beoordelen, nietwaar? Maar ook in de prediking van Paulus wordt duidelijk dat dit oordeel aan een Mens is overgedragen. God heeft een dag vastgesteld, “waarop Hij de wereld rechtvaardig zal oordelen.” God is de rechter. Maar dat oordeel wordt voltrokken “door een Man Die Hij daartoe aangesteld heeft.” (Handelingen 17: 31) Jezus is de rechter. Kortom Jezus is God.

Vers 23: “opdat allen de Zoon eren zoals zij de Vader eren.”

En dan horen we dus ook dat de heerlijkheid van God de Vader en de heerlijkheid van God de Zoon gelijk zijn aan elkaar. De Zoon van God moet worden geëerd precies in dezelfde mate, precies op dezelfde manier, met dezelfde intensiteit en overgave, als God de Vader.

Jezus is God. Daarom zijn de werken van Jezus ook de werken van God de Vader. (Vers 17, 19) Daarom is Jezus alwetend, zoals de Vader. (Vers 20) Daarom heeft Jezus dezelfde macht en soevereiniteit als God, zodat Hij zelf kan levend maken wie Hij maar wil. (Vers 21) Daarom is het oordeel dat uitsluitend aan God behoort, aan de Zoon overgegeven. (Vers 22) En dan ten slotte, aan de Zoon komt dezelfde eer en verering toe, als aan de Vader. (Vers 23) Kortom: Jezus is God. En dan heeft Hij ook recht op onze aanbidding.

Hem zij de eer, en de kracht, en de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid.

Johannes (20) – Waarachtige aanbidding

Johannes 4:21-24

21 Jezus zei tegen haar: Vrouw, geloof Mij, de tijd komt dat u niet op deze berg, en ook niet in Jeruzalem de Vader zult aanbidden. 22 U aanbidt wat u niet weet; wij aanbidden wat wij weten, want de zaligheid is uit de Joden. 23 Maar de tijd komt en is nu, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid, want de Vader zoekt wie Hem zo aanbidden. 24 God is Geest en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.

We hebben al even aangestipt, dat de Samaritaanse vrouw op het eerste gezicht een discussie over theologie begint. Misschien wel om de aandacht af te leiden van het gesprek over de zonde in haar leven, dat plaatsvindt in de verzen 16 – 18. Toch is dat het begin van een belangrijke levensvraag voor haar. Nu de zonde in haar leven tegenover deze Joodse profeet niet meer te ontkennen valt, komt de vraag op of welke plaats en op welke wijze verzoening kan worden gedaan voor haar zonden. Moet zij naar Jeruzalem of naar de tempel in Samaria? Is er een oplossing? Dat is voor de vrouw de persoonlijke inzet achter dit gesprek.

Het gaat over aanbidding. In vers 21 over de plaats van de aanbidding. En dat die aanbidding gericht is op de Vader. In vers 22 bevestigt Jezus dat deze aanbieding in de lijn ligt van heel het Oude Testament. Vers 23 maakt duidelijk dat met de komst van Jezus een nieuwe vorm van aanbidding gekomen is, aanbidding in geest en waarheid. En dat de Vader mensen zoekt om Hem op die wijze te aanbidden. En dat wordt als beginsel verbonden met het wezen van God zelf – God is Geest – in vers 24.

Waarom is aanbidding een belangrijk begrip? De kerkdienst van elke zondag noemen wij ook wel de eredienst. Wij verrichten gezamenlijk een dienst, en de inhoud van die dienst is een eerbetoon aan God. Het gaat dus heel in het algemeen om de uitgesproken en uitgezongen erkenning van de waarde en de heerlijkheid van God. Elke kerkdienst is in die zin een eredienst. Het is een dienst van aanbidding. Maar waarom is aanbidding dan zo belangrijk? Daar zijn vele redenen voor, en aanbidding komt dan ook in de hele bijbel voor. Het is b.v. het eerste gebod in Exodus 20. Daar vinden we eerst wie deze God is – de Here, de bevrijder uit Egypte. Deze God wil dat Israël voor Zijn aangezicht staat – en dan mogen er geen andere goden zijn. Deze God wil dat je alleen voor Hem neerbuigt en alleen Hem dient. Daarom het verbod om je voor andere goden neer te buigen of andere goden te dienen. (Exodus 20:5) In Mattheus 22:37 geeft Jezus dat weer als het grote gebod in de wet, namelijk “de Here uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand.” Dat is het gebod van de aanbidding. Want wie deze God kent en Hem eren wil, zal Hem ook liefhebben.

Uiteraard kende het Oude Testament een heel systeem van aanbidding in de vorm van de tempeldienst. Daar werden de psalmen gezongen ter ere van God, daar werden de offers gebracht – en met name het brandoffer was een offerande van aanbidding. In het Nieuwe Testament is dat wezenlijk niet anders. Zo vinden we bijvoorbeeld in Hebreeën 13:15 de oproep, om “door Hem” – onder leiding van onze Hogepriester in de hemel, Jezus Christus – “een lofoffer [te] brengen aan God, namelijk de vrucht van lippen die Zijn Naam belijden.” Op grond daarvan kunnen we de teksten van het Oude Testament over aanbidding in de vorm van lichamelijke en materiële handelingen en zaken, nu opnieuw gaan lezen als teksten over de grondbeginselen van aanbidding. Een onderwerp dat onze aandacht meer dan waard is maar nu te ver zou voeren.

In Romeinen 12:1, wordt gesproken over onze “redelijke godsdienst”, dat wil zeggen dat wij ons eigen leven (lichamen staat er letterlijk) aan God moeten wijden als een “levend offer, heilig en voor God wel behaaglijk.” Ook dat gaat dus over aanbidding. En net zoals in het Oude Testament alleen de priesters het recht hadden om offers te brengen, zo geldt dat ook voor onze tijd. Wij allen zijn een “geestelijk huis, een heilig priesterschap, om geestelijke offers te brengen, die God welgevallig zijn door Jezus Christus.” (1 Petrus 2:5b) Kort gezegd, alleen christenen, een “koninklijk priesterschap, een heilig volk, een volk dat God Zich tot Zijn eigendom maakte”, hebben het recht en het vermogen om dergelijke offers te brengen. “Wij hebben een altaar, waarvan zij die in de tabernakel dienen, niet bevoegd zijn te eten.” (Hebr. 13:10)

En wanneer de bijbel spreekt over het dienen van God, sluit dat doorgaans de aanbidding in. Zo bijvoorbeeld in Hebreeën 12:28. Daar horen we de oproep: “laten wij daarom… God dienen op een Hem welgevallige wijze, met ontzag en eerbied.” Het woord dat hier voor dienen wordt gebruikt, is hetzelfde Griekse woord als waar ons woord “liturgie” is afgeleid. Het is het priesterlijke dienen, een “litourgein,  waarmee we God eren. En dat is niet alleen maar een dienen met de lippen (13:15), maar uitdrukkelijk horen daar ook onze daden bij. In Hebreeën 13:16 horen we om die reden: “vergeet het weldoen en het onderlinge hulpbetoon niet, want aan zulke offers heeft God een welgevallen.” Ook dienstbetoon is dus een daad van aanbidding.

God moet dus aanbeden worden, erkend als wie Hij is, en dan moet beleden worden wie Hij is, en dan moet Hij geëerd worden om wie Hij is, en dat betekent in de kern dat wij in woorden en gedachten, in liederen en in daden moeten weerspiegelen wie Hij is. Aanbidding is volkomen, als een schepsel de echo is van Gods Woord, als het schepsel zichtbaar maakt wat God is: als de mens werkelijk laat zien dat hij in het beeld en naar de gelijkenis van God geschapen is. (Beeld: in zijn positie dus God representeert; gelijkenis: in zijn karakter dus de eigenschappen van God weerspiegelt.) Zo bezien, is de kern van alle aanbidding de vleeswording van het Woord in Jezus Christus. In Hem woonde immers de volheid van God lichamelijk, (Vgl. Kol. 1:19) Hij maakte zichtbaar en hoorbaar wie God was. Heel zijn leven in gehoorzaamheid aan God, is een aanbidding, een eerbetoon aan deze God.

Kan er aanbidding zijn zonder kennis van de ware God? Paulus meent van niet. Wanneer hij in Athene aankomt, spreekt hij de mensen aan over een klein altaar dat hij gezien had, gewijd aan aan “de onbekende God.” Paulus zegt daarmee dat ze wel de goede richting op gedacht hebben, maar deze onbekende God niet kennen. Deze onbekende God is de God en Vader van de Heer Jezus Christus is gestorven is voor onze zonden en opgestaan uit de doden op de derde dag. Dat is dan zijn getuigenis in Athene. Dus hij zegt daarmee feitelijk, dat hun poging om de goden te aanbidden op verkeerde informatie berust. Ze kennen de God niet die hemel en aarde geschapen heeft. Het is dus terecht dat ze dat kleine altaar neerzetten aan de “onbekende” God. Maar deze God is niet onbekend, maar heeft Zich geopenbaard!

Terug naar Johannes. Jezus zegt in vers 23, dat de ware aanbidders, de Vader zullen aanbidden in geest en in waarheid. Daarmee worden vier hele belangrijke dingen gezegd, waar ik nu snel doorheen zal lopen.

In de eerste plaats: met Christus is de tijd aangebroken dat er ware, waarachtige aanbidders zullen zijn. Wat zijn waarachtige aanbidders? Dat zijn mensen in wie de Geest van God Zelf woont. Mensen die Christus hebben aangenomen als Heer en Verlosser. Dat zijn de mensen over wie Johannes al een paar keer heeft gesproken, die eeuwig leven hebben ontvangen in de wedergeboorte, die hun vertrouwen stellen op de Zoon des mensen, die uit God geboren zijn. Alleen die mensen kunnen waarachtige aanbidders zijn.

En dan in de tweede plaats, wie zullen deze mensen aanbidden? Zij kennen God als de Vader van Jezus Christus. Er is geen aanbidding van God mogelijk zonder Jezus Christus, omdat God als de Vader moet worden aanbeden, en de Vader en de Zoon zijn één. Daar hebben we al eerder over gesproken. Om te weten wie God is, moet je weten wie de Vader, de Zoon en de heilige Geest is. Met de komst van de Zoon, gaat de aanbidding van mensen in de richting van God de Vader. Alleen Jezus, de Zoon van God,  heeft God als de Vader geopenbaard. Zo was Hij niet bekend onder het oude verbond.

In de derde plaats gaat het om de wijze van aanbidden. Die aanbidding moet zijn in geest en waarheid. Daarmee wordt een einde gemaakt aan al die vormen van aanbidding waarin ceremoniële gewaden, rituele handelingen, heilige voorwerpen en het offer van dieren een rol speelt. Dat alles is een schaduw geweest van de waarachtige aanbidding die nu wordt geopenbaard. Het zijn de hulpmiddelen geweest waarmee mensen onder het oude verbond God konden zoeken en vinden, zonder de bijstand van de heilige Geest en zonder de volledige openbaring van God in de Zoon.

Een groot deel van de eredienst in onze kerken, is een soort christelijke variant van het Jodendom, of een kerkelijke versie van het heidendom. Wanneer aanbidding wordt voorbehouden aan een priesterlijke elite zoals in de Rooms-katholieke kerk, dan is dat geen aanbidding in geest en waarheid. Het aansteken van kaarsen, liturgische formules van welke aard dan ook, het voorlezen van vooraf geschreven gebeden, het invullen van de zondagen aan de hand van een kerkelijke kalender, toga en stola, liturgische kleuren, het liturgische bloemschikken, het zijn allemaal restanten van een vorm van aanbidding waaraan Jezus juist een einde gemaakt heeft. Als Jezus zou terugkeren en bij ons in de kerk zou gaan zitten, zou Hij dan kunnen zien dat wij hebben begrepen wat Hij bedoelde, met deze aanbidding in geest en waarheid? Want dat is de kern; aanbidding in de geest betekent, dat wij God eer geven met heel onze ziel en verstand. Dat wij aan Hem de lofoffers van onze lippen opdragen, vanuit een oprecht hart dat vol is van de Geest. De bron van onze aanbidding moet geen dienstboek zijn, maar een hart dat overvloeit van dankbaarheid en verering.

Waarom moet de aanbidding van God in geest en waarheid zijn? In de eerste plaats omdat Hij zowel de plaats, als de tijd, als de manier van de aanbidding bepaalt. Die plaats is een gemeenschap, de gemeente van de levende God. Die tijd is elk moment in het leven, omdat wij deze God moeten aanbidden met onderling dienstbetoon, met het afleggen van getuigenis voor Zijn Naam in deze wereld, en omdat wij de onderlinge bijeenkomst – wanneer wij maar de gelegenheid hebben – niet mogen verzuimen. (Hebr. 10:25) En bovenal, de manier van die aanbidding, vergt de volle inzet van onze ziel en verstand. De Reformatie heeft terecht de bediening van het Woord centraal gesteld. Er is geen ruimte voor mystieke belevingen, voor onduidelijke gedachten en gevoelens, voor leeg enthousiasme, voor opzwepend handengeklap, als het Woord niet opengaat en ons zeggen mag wie God is. Het Wóórd moet gepredikt en uitgelegd worden voor ons hart en voor ons verstand, zodat wij de God leren kennen die van ons eredienst en dienstbetoon vraagt. Je kunt alleen God dienen en eren, wanneer je de waarheid over Hem dient en eert.

Mensen die God willen aanbidden in geest en waarheid, worden door de Vader ook gezocht. Dat is het laatste waar ik op wil wijzen. De Vader zoekt mensen die Hem op deze manier willen aanbidden. Wie zich verschuilen wil in ingewikkelde liturgieën, uitgebreide ceremoniën, en niet let op de ingevingen van de heilige Geest die de ware voorganger in de gemeente hoort te zijn, die wil deze God niet aanbidden in geest en waarheid. Die komt voor Zijn aangezicht met onduidelijke gevoelens en gedachten en dat wil uiteindelijk zeggen met beelden, van andere goden. Maar de bijbel is duidelijk. Wij kunnen alleen God “dienen op een Hem welgevallig wijze, met ontzag en eerbied” door Jezus Christus. We kunnen alleen een lofoffer brengen aan God, en Zijn Naam belijden, “door Hem”. Voor de gemeente van Christus is de Zoon van God het begin, het beginsel, en het doel van alles.

In geest en in waarheid – voorbij de liturgie

“God is Geest en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in Geest en waarheid.”

De Samaritaanse vrouw laat Jezus merken dat er een kloof is tussen Hem en haar. “Jullie zeggen dat te Jeruzalem de plaats is waar men moet aanbidden” – zegt ze tegen Jezus – “maar onze voorvaderen hebben op deze berg God vereerd.” Dat is dan de berg Gerizim. Een liturgisch conflict tussen de joden in Jeruzalem en de Samaritanen op de Gerizim.

Wie aanbidt God op de juiste wijze? Wie gebruikt de juiste woorden? Welk formulier is geldig? Welk dienstboek moet worden gebruikt? Welke traditie doet recht aan het wezen van God? In welke kerk of op welke plaats moet God worden aanbeden? Hoe moet het ambt van de priester worden geregeld? Wie mag worden toegelaten tot de diensten? Al deze vragen leiden tot een conflict tussen Jeruzalem en Samaria.

Maar Jezus maakt duidelijk dat een nieuwe tijd is aangebroken. De aanbidding is niet meer gebonden aan dergelijke voorwaarden. Het gaat niet meer om de juiste plaats, of de juiste lichaamshouding, of het juiste formuliergebed. De aanbidding van God de Vader moet plaatsvinden volgens de Geest, dat wil zeggen met de juiste geesteshouding tegenover God en in overeenstemming met het geestelijke karakter van deze God. Het betekent dat dit een aanbidding is waarin de persoon van God centraal staat en niet onze eigen behoeften of gevoelens.

De aanbidding van deze God moet ook zijn in waarheid. Dat wil zeggen in overeenstemming met al datgene wat God over zichzelf geopenbaard heeft in Christus. Dat gaat nog verder dan alleen maar de opdracht dat deze aanbidding “rechtzinnig” is, maar die eis geldt ook. De eredienst moet in overeenstemming zijn met de christelijke belijdenis en leer. We kunnen over God niets zeggen wat ons niet in de bijbel al is aangereikt.

Wanneer de Geest en de waarheid belangrijker zijn dan de correcte vorm of plaats, dan is het meteen begrijpelijk waarom het Nieuwe Testament eigenlijk zo weinig aanwijzingen geeft voor de juiste vorm van de eredienst. We vinden geen enkele aanwijzing over een hoge of lage liturgie, alleen maar de eis dat het niet gaat om de juiste liturgie, maar om de houding van de leden van de gemeente tegenover God. Alles wat die houding tegenover God bevordert is blijkbaar toegestaan, en alles wat die juiste houding van onze geest tegenover God belemmert moet worden vermeden.

God de Vader zoekt personen die Hem aanbidden. Hij wil mensen niet alleen maar redden door het evangelie, maar God verlangt ernaar dat degenen die Hem kennen ook tot aanbidding komen. Hij zoekt hen. Maar de aanbidding van deze God is geen vrije zaak van de mens. Die aanbidding moet – moet! – verlopen in Geest en waarheid.

We moeten dus de aandacht verplaatsen van de vraag of wij een hoge, gestileerde liturgie willen hebben of dat wij liever aan een sobere, eenvoudige liturgie de voorkeur geven, naar de enige echte vraag: hoe wil God door ons worden aanbeden? Op welke wijze kunnen wij met zijn allen door het geloof werkelijk tot deze God naderen? Hij wil ons graag ontmoeten. Hij wil dat wij Hem aanbidden, en Zijn Zoon vereren. Maar dat zullen we moeten doen op de wijze die Hij ons voorschrijft.

Eeuwige dank en ere – gezang 257

Een van de mooiste liederen uit ons liedboek is gezang 257. Ik heb het niet kunnen terugvinden in het Nieuwe Liedboek. Men wil het blijkbaar niet meer zingen. Daarmee zou een einde zijn gekomen aan een twee eeuwen oude traditie.

Het lied werd voor het eerst gepubliceerd in 1804. Toen verscheen in Haarlem een anonieme bundel “Liederen voor den huisselijken godsdienst, op choraal-melodieën bij de protestantsche gemeenten in Duitschland in gebruik”. Het lied, toen nog met drie coupletten, was bedoeld om op de zondagavond te gebruiken in de huiselijke kring, als een soort overdenking naar aanleiding van de tweede kerkdienst van de zondag. Het eerste couplet begon toen als volgt:

Halleluja! Zondaars zijn geborgen!
’s Vaders zoon verliet het graf!
Wij gedachten dankend aan dien morgen,
Die ons dezen Feestdag gaf.

Akkoord, dat kun je vanwege de taal nu niet meer zo zingen.

Het derde couplet van dit lied is de basis van gezang 96 uit de bundel van 1806, met het opschrift “Na de predikatie.” De versie van 1806 is dezelfde als vandaag en luidt als volgt

Halleluja, eeuwig dank en ere,
lof, aanbidding, wijsheid, kracht,
word’ op aard’ en in de hemel, Here,
voor uw liefd’ U toegebracht!
Vader, sla ons steeds in liefde gade,
Zoon des Vaders, schenk ons uw genade;
uw gemeenschap, Geest van God,
amen, zij ons eeuwig lot.

Waarom zou men dit lied nu hebben weggelaten in de nieuwe bundel? Een van de redenen kan zijn, dat op ouderwetse wijze worde is aangepast tot word’ en dat gebeurt nog een keer met liefde dat liefd’ wordt. Een andere reden kan zijn dat het lied getuigt van een soort vroomheid die men in de moderne tijd niet meer vindt passen. Toch zijn er ook in het nieuwe liedboek liederen die iets soortgelijks beogen als gezang 257: het toezingen van Vader, Zoon en Heilige Geest in een lofzang.

Ik blijf het mooi vinden dat in dit lied Openbaring 5 en 2 Korinthe 13:13 blijft mee klinken.

Wat ik nog erger vind, is dat ook gezang 258 en 259 verloren zijn gegaan in de nieuwe bundel, althans niet meer te vinden zijn. Twee liederen die zoiets als aanbidding tot uitdrukking brengen, moesten weer wijken.

Je wordt er gewoon treurig van.

Laten wij het maar blijven zingen, vooral bij de viering van het avondmaal.