De enige waarachtige opdracht van een predikant

In onze kerk heet een predikant een “dienaar des Woords.” Zijn belangrijkste taak is de herderlijke omgang met “de kudde die hun  – predikant en ouderlingen – wordt toevertrouwd.” Maar meteen daarna wordt duidelijk dat deze herderlijke taak in de allereerste plaats met het Woord van God te maken heeft. Hoe moeten de predikanten dan herderlijk omgaan met de kudde? Zo staat het in mijn opdracht: “Zij zullen Gods Woord verkondigen, de vergeving der zonden aanzeggen, en zorg dragen voor de verbreiding van het evangelie.” De troost voor de zieken en het bijstaan van de stervenden, kortom de liefdevolle begeleiding van de gemeente, dat is een taak die de predikanten sámen met de ouderlingen vervullen, en het is eigenlijk een opdracht aan de hele gemeente. Alleen de prediking van het woord – en als consequentie daarvan de bediening van de doop en het geven van geloofsonderricht en het voorgaan bij de viering van het Avondmaal – is uitsluitend aan hen toevertrouwd.

Waarom is de opdracht van de verkondiging van Gods Woord zo belangrijk? Velen in onze tijd zijn van mening, dat iedereen wel in staat is om een preek te houden, te dopen, of om enige vorm van religieus onderwijs te geven. Velen zijn van mening dat in het leven van de gemeente de pastorale zorg eigenlijk het enige belangrijke is. Zeker in gemeenten waar de kerkverlating van jongeren en de vergrijzing hard heeft toegeslagen. De orde voor de bevestiging van een dienaar des Woords ziet dat duidelijk anders. Daaruit heb ik hierboven geciteerd. Maar ook de Bijbel ziet dat heel anders. Daarom wil ik vandaag spreken over een aantal relevante teksten uit de tweede brief van Paulus aan Timotheüs.

De kern van alles, de opdracht van Paulus aan Timotheüs als predikant, staat in het vierde hoofdstuk, het tweede vers: “predik het Woord.” Dat betekent in de allereerste plaats dat het in de prediking zal moeten gaan om Jezus Christus, die het vleesgeworden Woord is. Zo schrijft Paulus in 2 Korinthe 4:5, “Want wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus als Heere.” De prediking moet dus niet over God in het algemeen gaan. De prediking is geconcentreerd op dat ene, fundamentele gegeven. Dat Jezus van Nazareth de door God gegeven koning is, de Christus, en dat Hij God Zelf is, onze Heere. En dat sluit alles in wie Christus is: de eniggeboren Zoon van de Vader, het Lam van God, dat de zonden van de wereld draagt. En het sluit alles in wat Christus gedaan heeft: Hij is geboren uit de maagd Maria, Hij heeft geleden onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, neergedaald in de hel, en op de derde dag opgestaan uit de doden. Zo heeft Hij onze zonden weg gedragen. En door die opstanding is Hij verklaard Gods Zoon te zijn in kracht, is het duidelijk bewezen, dat Hij de Zoon van God is.

Maar in de tweede plaats, is het Woord van God ook hetzelfde als de geschriften van apostelen en profeten. “Heel de Schrift is door God ingegeven” zegt Paulus in 2 Tim. 3:16. “Predik het Woord” betekent dus dat de predikant het geschreven Woord van God moet uitleggen, op zo’n manier dat het vleesgeworden Woord in heel Zijn heerlijkheid, in heel Zijn waarheid duidelijk naar voren komt. Dat is zijn allereerste taak. Maar de uitvoering van die taak wordt bemoeilijkt door de omstandigheden waarin de toehoorders verkeren. Dat was zo in de tijd van Timotheüs, en het is zo in onze tijd. Juist vanwege de moeilijke omstandigheden van de tijd, geeft Paulus in deze brief een aantal aanwijzingen en adviezen die ook voor een predikant in onze tijd van groot gewicht zijn. Het is zeker waar dat een predikant moet begrijpen en welke omstandigheden de gemeente leeft, hoe zij denkt, hoe zij in de wereld staat. Niet met het doel om de prediking van het evangelie daaraan aan te passen, maar juist om de waarheid van het evangelie helder te laten schijnen over de misverstanden, leugens en onwaarheden van de cultuur waarin wij leven.

Dat is voor een predikant soms moeizaam. Paulus zegt dan ook tegen Timotheüs, dat hij in de prediking van het Woord moet volharden. Ondanks de tegenstand die er zijn kan, ondanks de tegenspraak tegen de prediking, ondanks het gebrek aan succes moet hij daarin volharden. Wanneer moet er gepredikt worden? Het antwoord van Paulus is: “gelegen of ongelegen.” Dat is, wanneer de tijd er gunstig voor is of wanneer de tijd er ongunstig voor is. In goede tijden en slechte tijden moet er worden gepredikt, moet de predikant volharden. Maar er is geen andere tijd dan een goede of slechte tijd. In feite zegt de apostel tegen Timotheüs, dat hij altijd moet volharden in de prediking van het woord. En hoe die prediking zal worden ervaren – en daar moet je dan als predikant niet voor terugschrikken – staat er ook meteen achter. De prediking van het Woord is ook een weerlegging. Het is het tegenspreken van de onwaarheid die onze cultuur doortrekt, maar ook gekoesterd kan zijn in de gemeente. Weerleggen! Niet in de vorm van een twistgesprek, hoewel een strijd met argumenten er soms ook bij hoort, maar vooral door wat Paulus noemde het “openbaarmaken van de waarheid.” (2 Kor. 4:2). Maar dat gaat niet altijd zonder strijd. In hoofdstuk 10 van de tweede brief aan Korinthe gebruikt Paulus dan ook de taal van de strijd. Het vijfde vers: “wij breken valse redeneringen af”, “wij nemen elke gedachte gevangen”, en vers zes: “we staan gereed om elke ongehoorzaamheid te bestraffen.” Afbreken – zoals je doet met een vijandelijk bolwerk, gevangen nemen – zoals je doet met een verslagen vijand, en bestraffen – zoals je doet met een soldaat in je eigen leger die ongehoorzaam is.

De prediking van het woord is dus een weerlegging van de valsheid in onze cultuur, en als het gaat om de ongehoorzaamheid van christenen tegenover Gods Woord, is het ook een bestraffing. Bestraffende woorden moeten soms worden gesproken, niet omdat de predikant zijn eigen autoriteit inzet, om anderen te beleren hoe zij moeten leven, niet omdat hij zichzelf tot inhoud van de prediking maakt, want “wij prediken niet onszelf.” (2 Kor. 4:5) Maar wel omdat het zijn taak is om het licht van Gods woord te laten schijnen over iedereen – ook over zichzelf – zodat wij gezamenlijk zouden volharden in de gehoorzaamheid aan Christus. Weerlegging en bestraffing zijn dus de negatieve kant van de prediking van het Woord. Maar dan zegt Paulus dat Timotheüs ook moet vermanen, en dat wil zeggen de gemeente moet herinneren aan de waarheid. En dat moet gepaard gaan met alle geduld en onderricht. Met alle geduld – omdat mensen die willen leren daar tijd voor nodig hebben. En onderricht – de vermaning aan de waarheid van het evangelie is een vorm van onderwijs, waarin mensen de gelegenheid moeten krijgen om te groeien in kennis en inzicht.

Dat is dus de kerntaak van de predikant, eigenlijk zijn enige taak. Maar sinds de jaren 80 van de vorige eeuw, is het ambt van de predikant op een andere wijze gedefinieerd. Dat kwam niet uit een dieper inzicht in de bijbel voort, maar het was een buiging voor een verandering in de cultuur. De tijd waarin wij leven is een tijd van het relativisme. Jij hebt jouw waarheid, en ik heb mijn waarheid, en laten we maar niet spreken over wat ons scheidt. Het gebod van de tijd is dat iedereen zijn eigen mening moet en kan hebben, omdat de waarheid toch niet kan worden gekend. Het is ook de tijd van het pragmatisme, waarin we vooral iets willen dóen in plaats van de waarheid ook te kennen. Zolang we bezig zijn met elkaar, hoeven we niet de moeilijke opdracht op ons te nemen om de waarheid ook te begrijpen. En het is de tijd van het subjectivisme. De tijd waarin vooral de psychologie dicteert hoe we naar onszelf en onze medemensen kijken. Het gaat over de gevoelens van welzijn, het gevoel erkend te zijn, het gevoel dat het leven zinvol is. En vanwege het relativisme mocht de predikant niet langer de waarheid van de bijbel rechtstreeks prediken, maar moest het vager, moest hij rekening gaan houden met andere opvattingen, werd de duidelijke waarheid van de bijbel afgewezen als een persoonlijke aanval op mensen met afwijkende meningen. Niet de bijbel, maar de predikant werd daarvoor verantwoordelijk gesteld. En vanwege het pragmatisme moest de predikant vooral meedoen met het team, een van de managers van de gemeente worden, organisator van vrolijke bijeenkomsten. En vanwege het subjectivisme werd de predikant een amateurtherapeut, die mensen moest laten praten over hun gevoelens in de vorm van een gesprek waarin de bijbel de buikspreekpop van de therapeut werd. Komt er zo nog iets terecht van de opdracht van de predikant, een dienaar des Woords te zijn? Of werd hij een dienaar van de gemeente en een buikspreekpop van de heersende cultuur met al haar vooroordelen, modes en veranderende inzichten die ons met alle winden laten meegaan?

In onze tijd zijn er mensen die, net als toen, tégen de waarheid ingaan. Zij loochenen de belijdenis van de kerk, wijzen de Bijbel af als enige richtsnoer van geloof en leven. Er zijn mensen die de Bijbel niet rechtstreeks afwijzen, maar wel negeren omdat ze eigenlijk meer zichzelf dan God liefhebben. Het zijn kwaadsprekers die de lessen van vorige generaties negeren en alleen maar een schijn hebben van godsvrucht. Ze willen gewoon hun eigen gang gaan. Wat de Bijbel leert over naastenliefde, vergeving, eredienst, het is voor hen onbelangrijk. Ze zijn niet te “bestraffen” omdat zij geen enkele vermaning aanvaarden. Paulus zegt dan tegen Timotheüs: “Keer u ook van hen af.” In onze tijd zijn er mensen die de “gezonde leer” niet langer verdragen. Niet dat ze het er niet mee eens zijn, maar het idee dat het evangelie ook kan worden uitgedrukt in een “leer”, in een waarheid die je kunt formuleren, zoals in de Heidelberger Catechismus gebeurt, is hen vreemd. Ze wijzen alle “theologie” af, en noemen alles wat uit de Bijbel geleerd kan worden “theologie.” En ze kunnen zich in onze tijd altijd wel beroepen op iemand die het óók zo gezegd heeft, die óók zo denkt zoals zij. Krijg je het idee dat Christus nooit geleefd heeft? Er is een dominee die het ook zegt. Wil je niet langer aanvaarden dat Christus voor jouw zonden is gestorven? Er is een leraar uit Kampen die net een boek heeft gepubliceerd over verzoening en het niet meer gelooft. Je kunt tegenwoordig “voor jezelf leraars verzamelen overeenkomstig je eigen begeerten.” Je kunt je eigen theologie bij elkaar googelen. Niet omdat je van hen de waarheid hebt gehoord, niet omdat je kritisch hebt nagedacht en tot een conclusie bent gekomen, niet omdat zij de Bijbel beter uitleggen maar omdat het zó in je hoofd opkwam en iemand anders het óók al zei.

De kern van deze strijd is de strijd om de waarheid van de Schrift zelf. Timotheüs – en ik denk dus dat dit woord ook gericht is aan elke predikant, zelfs tot elke gelovige – krijgt van Paulus een duidelijke opdracht. Predik het Woord! Blijf bij wat je geleerd hebt! Het gaat er niet om steeds “modern” te zijn, om je aan te passen aan de tijd, om steeds nieuwe en nieuwere inzichten over te nemen en te verdedigen. “Blijft u echter bij wat u geleerd hebt en waarvan u verzekerd bent, omdat u weet van wie u het geleerd hebt.” Van wie heb ik waarachtig onderwijs in de Schrift gekregen? Ik heb vele docenten gehad. De kritische studie van het Nieuwe Testament en het Grieks waarin dat is geschreven waren nuttig voor me. Het Bijbels Hebreeuws was een studie die zeer de moeite waard was. Maar dat zijn hulpwetenschappen. Van wie heb ik nu de eerbied voor Gods Woord geleerd? Was dat niet van een man in een Bijbelkiosk in Amsterdam, vanwege de eerbied die hij had voor Gods Woord? Voor het vanzelfsprekende gezag dat het Woord voor hem had? Is dat bij mij niet eerder gevormd door de Vergadering, door de volstrekte gehoorzaamheid aan Gods Woord die hen allen kenmerkte? Zo heb ik “van jongs af” de heilige Schriften leren kennen “die mij wijs konden maken tot zaligheid.” Zonder het geloof in Christus blijft de Bijbel een dood boek. Die “broeders” in de Vergadering wilde ik – net zoals Paulus dat aan Timotheüs vraagt – navolgen. In hun onderwijs, levenswandel, levensopvatting, geloof, geduld, liefde en volharding.” (2 Tim. 3:10) Ik wist van wie ik het leerde. De rationele benadering van de Schrift hielp, als toevoeging aan wat ik al wist en ervaren had. Maar de kern was dat de Schrift niet het dode boek was, dat op de snijtafel van de theologie moest worden gelegd, maar de levende stem van God, die onderwijst, weerlegt, verbetert en opvoedt in rechtvaardigheid. (2 Tim. 3:16) Gods Woord moet worden gepredikt om Gods levende stem te kunnen horen en verstaan. Dat is het voorrecht van de predikant: Gods stem hoorbaar te maken, omdat hij die stem eerst gehoord heeft door zich te buigen voor het gezag van Gods Woord.

Er is geen andere taak dan deze. Ook het pastoraat is in de eerste plaats de vertolking van Gods Woord in de bijzondere omstandigheden waarin een gelovige verkeert. Maar mensen in onze tijd, vol van hun eigen gevoelens, vol van hun eigen tragiek soms, vol van het pragmatisme waarin ze alleen nog maar willen handelen en niet leren, vol van het relativisme waarin ze geen enkele waarheid meer kunnen erkennen, “keren hun gehoor af van de waarheid en keren zich tot verzinsels.” (2 Tim. 4:4) En de predikant? Hij moet een dienaar des Woords blijven. Want dit is zijn opdracht:

Predik het Woord, volhard daarin, gelegen of ongelegen. Weerleg, bestraf, vermaan en dat met alle geduld en onderricht. Wees nuchter in alles. (4:2) Lijd verdrukkingen. Doe het werk van een evangelist ten volle. Vervul uw dienstwerk ten volle. (4:5) En weet, dat in de laatste dagen, zware tijden zullen aanbreken. (3:1)

Het anders-zijn van de predikant

De verhouding tussen de predikant en de gemeente is een wezenlijk andere dan de verhouding van de predikant tot de kerkenraad van de gemeente. Tussen predikant en gemeente spelen drie elementen een rol in hun relatie, waarin ze elkaar in zekere zin spiegelen.

Voor de predikant geldt het volgende:

  1. De predikant wil zich en moet zich van de gemeente onderscheiden. Dat komt niet alleen vanwege de beroepsmatige gevraagde afstand – een zekere neutraliteit en vooral niet kopje onder gaan in de emoties van anderen. Deze wil om zich te onderscheiden heeft veel te maken met de beroepsopleiding die van de predikant een theologisch en pastoraal expert maakt. Vanuit die expertise ziet de gemeente er anders uit dan vanuit de gemeente zelf. Daarnaast heeft elke predikant in zekere mate een bewustzijn van een roeping, een roeping tot de prediking van het evangelie als een hogere waarde dan de relatie met de gemeente als zodanig. Beide elementen van beroepsopleiding en roepingsbewustzijn brengen hem ertoe in een of andere zin te streven naar een leidende positie in de gemeente. Organisatorisch ziet de predikant tendensen in het kerkelijk beleid die strijdig kunnen zijn met theologische uitgangspunten. In de prediking kan en moet de predikant ook in staat zijn zichzelf nadrukkelijk tegenover de opvattingen van de gemeente te plaatsen. Met name in zijn positie als leraar van de gemeente zou het dodelijk zijn voor zijn ambt wanneer hij zich liet leiden door de bestaande verwachtingen van gemeenteleden. Maar ook in zijn pastorale omgang met gemeenteleden kan het noodzakelijk zijn om tegenspraak te leveren tegenover schijnbaar vanzelfsprekende opvattingen die leven in de gemeente. In al deze opzichten is de wens om zich van de gemeente te onderscheiden zelfs een noodzakelijke voorwaarde van de uitoefening van het ambt in de gemeente.
  2. De predikant wil ook graag gezien worden als een lid van de gemeente. Hij wil als broeder ook kunnen “opgaan” in de gemeenschap. Daarachter zit primair een theologische notitie: ook de predikant is aangewezen op het Woord dat hem wordt gepredikt. Ook al zou hij dat Woord alleen maar kunnen horen in de voorbereiding van de preek en de al dan niet realiseerbare wens om ook hoorder van de eigen preek te zijn. Opgaan in een consensus en zichzelf kunnen zien als een exponent van de gemeente als geheel geeft ook een gevoel van geborgenheid en verworteling, en dat zijn gevoelens die voor elk mens van wezenlijk belang zijn.
  3. Het conflict tussen de wens om zich te onderscheiden en de behoefte om zich in de gemeente te kunnen terugvinden leidt tot een droom. Het innerlijk conflict tussen deze beide verlangens kan alleen maar worden opgelost als de gemeente meer op hem gaat lijken.

Hiertegenover staat een vergelijkbaar aantal elementen in de beleving van de gemeente.

  1. De gemeente wil zich graag van de predikant onderscheiden. Niet omdat men zich van hem wil distantiëren, maar ook en vooral omdat hij in zijn ambt inderdaad een leidende positie krijgt in de beleving van de gemeente. Men wil het graag van de predikant horen. Men aanvaardt de relatieve passiviteit die dat met zich meebrengt, in het vertrouwen dat de predikant bekwaam en zijn roeping authentiek is.
  2. Tegelijkertijd wil de gemeente de predikant echter kunnen terugvinden als een deel van haar zelf, dat wil zeggen als een broeder of zuster die in wezenlijke opzichten niet van haar is onderscheiden. “Hij is één van ons!” De predikant wordt geacht als mens herkenbaar en respectabel te zijn binnen de gemeente, en in zijn relaties binnen de gemeente authentiek zichzelf te zijn.
  3. Het conflict tussen deze beide verlangens is geen eenduidig innerlijk conflict. Het is eerder een beweeglijke reactie van de gemeente, vanuit haar verschillende geledingen en stromingen, waarin men het anders zijn van de predikant des te makkelijker kan accepteren waar deze zich nadrukkelijk laat terugvinden in haar midden. Sommigen in de gemeente zullen wel accepteren dat de predikant als een goede broeder zijn plaats in de gemeente heeft, en juist om die reden zullen ze maar weinig acceptatie opbrengen voor de onderscheiden rol die hij spelen moet in de prediking en het pastoraat. Anderen in de gemeente zullen die leidende rol in het leraarschap en pastoraat vooropstellen, en de betrokkenheid van de predikant in de gemeente dus niet als een voorwaarde, maar als een waardevolle toevoeging aan het ambt zien.

Het zou goed zijn voor de predikant om het anders zijn van de gemeente volledig te accepteren, dat wil zeggen dat hij de droom moet opgeven dat het innerlijk conflict waar hij zich altijd in bevinden zal, kan worden opgelost door de gemeente meer op hem te laten lijken.

Het zou omgekeerd goed zijn voor de gemeente, als deze het anders zijn van de predikant volledig zou accepteren. De gemeente moet geen poging doen om de predikant te reduceren tot een broeder in de gemeente, die door sociale controle onder de duim kan worden gehouden. Dat de predikant ook maar gewoon een lid van de gemeente is betekent niet dat zijn ambt kan worden gereduceerd tot een uitvloeisel van de verlangens en wensen van de sociale gemeenschap die een kerk ook altijd is.

Het is dan juist de kerkenraad die het anders zijn van de predikant in zijn ambt moet beschermen tegen het verlangen van de gemeente om hem in de gemeenschap te laten opgaan.