De crisis van de verhoring van het gebed

En wat u ook zult vragen in Mijn Naam, dat zal Ik doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt zal worden. Als u iets vragen zult in Mijn Naam, Ik zal het doen. (Johannes 14:13, 14)

Het is Christus Jezus die deze belofte doet. En in die naam ligt opgesloten op welke wijze Hij Zijn beloften gestand doet. De titel Christus betekent immers koning en hogepriester. En de naam Jezus betekent verlosser of heiland. Dat Hij koning is houdt in dat het in Zijn macht ligt. Maar dat Hij de Heiland is, betekent dat Hij niet zal doen wat in Zijn macht ligt, wanneer dat het heil van de gelovige bedreigen zal. Als de Heiland ons gebed niet zou verhoren omdat dat strijdig is met Zijn karakter en ons heil, dan zal de Koning het ook niet uitvoeren.

Daarom staat er ook niet, “wat u ook zult vragen, dat zal Ik doen.” Tot tweemaal toe horen we dat alleen het gebed “in Mijn Naam” zal worden verhoord. Wanneer wij bidden om iets, dat uiteindelijk niet tot ons heil dienen zal, bidden wij het niet in de Naam van de Heiland. Hij blijkt dus juist onze verlosser, onze bevrijder te zijn, wanneer hij een dergelijk gebed juist niet verhoort. Zoals het ook de arts is die weet wat de zieke nodig heeft voor zijn genezing en daarom kan zien dat een zieke soms om iets vraagt, dat die genezing in de weg zou staan. Een arts kan dus handelen tegen de wens van de patiënt in, juist om zijn gezondheid te herstellen. Daarom is het van zo’n groot belang om in de Naam van Jezus te bidden. Dat herinnert ons eraan, dat de verhoring van dat gebed net zozeer als het niet verhoord worden van dat gebed, een daad van barmhartigheid van de Heer Jezus Christus is.

Zodra wij ons in gebed tot God richten, bevinden wij ons dus op een kruispunt. Je zou het een crisis kunnen noemen. Aan het vervolg van de gebeurtenissen, wordt zichtbaar of de verhoring in overeenstemming is met ons heil. En wanneer wij niet krijgen wat wij hebben gebeden, en de Heer met ons blijkbaar een andere weg opgaat, is ook dat in zekere zin een verhoring: soms krijgen wij niet wat wij vragen, omdat juist iets anders goed voor ons is.

Zo ontdekken wij in het gebed in ieder geval wat de wil van de Heer voor ons is. Wat wij krijgen is voor ons heil, en dat wij het niet krijgen, is evenzeer voor ons heil. Dat sluit twee houdingen uit. De eerste houding durft het niet om in gebed iets te vragen wat buiten de natuurlijke loop van de dingen lijkt te liggen. God zal toch voor ons geen wonderen verrichten. Maar op die wijze ontdekken wij niet wat in het hart van de Heer leeft. De tweede houding is die van teleurstelling over het uitblijven van de verhoring. God heeft mij niet verhoord. De hemel is doof gebleken voor mijn smeekbede. Dan erkennen wij niet, dat alles wat de Heer Jezus doet, maar ook dat wat Hij niet doet, tot ons heil is.

Het wordt nog duidelijker als wij het tweede overwegen wat onze tekst bevat. De Heer Jezus zegt dat Hij ons gebed verhoren zal “opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt zal worden.” Het gebed in de naam van de Zoon, wordt door de Vader verhoord. Vader en Zoon zijn als het ware gezamenlijk betrokken bij het gebed. Als ons gebed in overeenstemming is met het gebed van de Zoon, die alles doet om ons te zegenen, dan verhoort de Vader ons gebed. Zo wordt de Vader in de Zoon verheerlijkt, dat wil zeggen, het wordt nu in ons leven zichtbaar wat het innerlijk karakter van de drie-enige God is.

Kritiek op het argument van Anselmus

Anselmus heeft een paar zaken verondersteld in zijn presentatie van het ontologisch argument.

Lees verder “Kritiek op het argument van Anselmus”

Het Godsbewijs uit de Perfecties

Het godsbewijs uit de perfecties: het Monologion

In een boek dat aan het Proslogion voorafgaat – het Monologion of Alleenspraak – begint Anselmus zijn argumentatie met een tweetal axioma’s.

Lees verder “Het Godsbewijs uit de Perfecties”