Waar komt mijn God vandaan?

Het is een uitdagende vraag. Waar komt je God vandaan? Waarom geloof jij in het bestaan van God? De meeste gelovigen nemen het bestaan van God als een soort axioma aan. Er ontstaat zelfs bij velen onrust, als ze in een situatie belanden waarin ze verantwoording moeten afleggen over hun geloof. Het geloof in God wel te verstaan, want de vraag gaat helemaal niet over de zaken waar gelovigen meestal mee bezig zijn: de persoon van Jezus Christus, en de opdrachten die in het evangelie zijn opgenomen, of de 10 geboden. Ik kan me geen preek herinneren, noch van anderen noch van mijzelf waarin we het bestaan van God zelf als onderwerp hebben genomen. De meeste gelovigen nemen aan dat theologen, die geacht worden van dat soort dingen te weten, zich er in het verleden voldoende hebben beziggehouden.

Een filosofische vraag

Het eerste probleem dat ik hier signaleer, is dat de vraag eigenlijk van filosofische aard is. Wie alleen leeft vanuit de Bijbelse teksten en in de gemeenschap van de kerk komt die vraagt simpelweg niet tegen. Zoals gezegd, het bestaan van God functioneert doorgaans voor ons als een axioma. Een uitgangspunt waarvan je zelf geen rekenschap hoeft te geven, terwijl het zonder de aanname van Gods bestaan met alle andere zaken in het geloof snel afgelopen is. Het is het fundament onder het hele gebouw van het christelijke leven.

Tegenwoordig is juist dit axioma van het geloof het onderwerp van felle kritiek. Gelovigen hebben in het verleden weliswaar het verschijnsel van agnosticisme en atheïsme – respectievelijk ik weet niet of God bestaat, en ik weet dat God niet bestaat – wel meegemaakt, maar altijd in de marge. Het zogenaamde Nieuwe Atheïsme is feller van toon en heeft een hard oordeel over het geloof: onzinnig, aanmatigend, arrogant, kinderlijk, een psychische afwijking, zonder bewijs en zonder waarde. De meeste gelovigen worden aan zoiets niet blootgesteld en ik betwijfel of velen van u – aangenomen dat de meeste lezers van deze blog lid van een kerk zijn – er ooit van gehoord hebben of zich er iets van hebben aangetrokken. De meesten van ons leven betrekkelijk veilig in de cocon van de kerk, en hebben een enorme schuwheid in de omgang met ongelovigen. Het komt al dichterbij als kinderen of kleinkinderen het geloof van de grootouders als een residu van het verleden zien. Of harde kritiek leveren op de verplichte kerkgang of spreken van de “nare sprookjes” waarmee ze als kind geconfronteerd werden.

Godsbewijs als eindpunt

Maar is het dan onmogelijk om een redelijk antwoord te geven op die vraag? Ik denk van niet, maar laat niemand toch denken dat dat een eenvoudig antwoord kan zijn. Laat niemand toch denken dat in een conversatie over God een simpel bewijs dat antwoord geeft op een simpele vraag gegeven kan worden. In de filosofie die haar inspiratie haalt uit het geloof, en in het bijzonder de christelijk geïnspireerde filosofie, zijn er meerdere Godsbewijzen. In aansluiting op de filosofie van Plato en Aristoteles heeft bijvoorbeeld de thomistische traditie getracht om op een redelijke wijze te verantwoorden, dat het geloof geen irrationele en onzinnige aanname heeft. Dus in het bijzonder dat de gedachte dat God bestaat niet irrationeel is.

De christelijk geïnspireerde filosofie bereikt dus een bevestiging van het bestaan van God. Maar niet als een simpel axioma, zoals dat in het geloof eigenlijk werkt. De bevestiging van Gods bestaan is het eindpunt van een lange en moeizame gedachtegang. Alle bewijsvoeringen voor het bestaan van God zijn het eindpunt van het doordenken van de aard van onze werkelijkheid. Het is een poging om aan de wereld van onze ervaring zelf af te lezen, dat het redelijk is om het bestaan van God aan te nemen. Met intellectuele middelen die niet rechtstreeks aan de openbaring zijn ontleend – anders zou het theologie zijn. En theologie overtuigt alleen maar voor het geloof omdat het de aanname ervan deelt.

Daarmee is het probleem niet meteen opgelost. Het uitgangspunt van deze filosofische gedachtegang kan eenvoudig worden geloochend, of haar methode bestreden, of de uitkomst van de redenering kan worden geloochend. Er is geen filosofie die dringend noodzakelijk haar conclusies kan bereiken. De christelijk geïnspireerde filosofie heeft dan ook van meet af aan een veel bescheidener doel. Zij wil uitsluitend bewijzen dat het geloof in het bestaan van God redelijk, dat wil zeggen niet onmogelijk is op grond van argumenten die uitsluitend aan de menselijke rationaliteit ontleend zijn. Zij bewijst dus niet de waarheid van de stelling, maar laat alleen zien dat de aanname van het bestaan van God niet irrationeel is. Zij bewijst dat de gelovige geen gestoorde is, die psychiatrische hulp nodig heeft. Tegenover het Nieuwe Atheïsme zou dat geen slecht resultaat zijn.

Het belang van het godsbewijs

Minstens heeft een dergelijke filosofische gedachtegang betekenis voor de gelovigen, die tegenover andersdenkenden niet uitsluitend een beroep willen doen op het bijzondere van de openbaring of het simpele feit van hun geloof als argument willen aandragen. Wat voor het geloof voldoende is, kan toch intellectueel onbevredigend zijn. En in discussies met andersdenkenden, met atheïsten, met “freethinkers”, is de ervaring dat je met je mond vol tanden moet staan, op zijn minst beschamend. Veel gelovigen vermijden dergelijke discussies dan ook. Niemand heeft overigens het recht jou te dwingen aan zo’n discussie deel te nemen.

In mijn volgende bijdragen wil ik proberen iets te zeggen over het redelijk karakter van de bevestiging van Gods bestaan en de Godsbewijzen te bespreken die in de christelijke filosofie ontwikkeld zijn. Niet als een poging om in discussie te gaan met atheïsten. Ik kan en wil niemand overtuigen van mijn gelijk – en dat is onmiddellijk zoals het voor hen er uit ziet. Ze zien het al gauw als een ongewenste “evangelisatie” waar ze een enorme hekel aan hebben. Ze kennen bovendien meestal alle argumenten al waarop de theologie zich in het verleden heeft beroepen – en ze hebben ze allemaal als onredelijk verworpen. Maar ik wil proberen, voor wie daarin geïnteresseerd is en de ervaring heeft van het moeizame gesprek met ongelovigen, iets aan te dragen wat daarbij zou kunnen helpen. De volgende keer dus zullen we spreken over de aard van het godsbewijs.

Hieronder bespreek ik nog kort de betekenis van Psalm 14:1, “de dwaas zegt in zijn hart, er is geen God.”