Gods Woord en de vijf blinden

“Geen enkele religie kan met recht claimen de waarheid in pacht te hebben. Elke religie onthult slechts één aspect van het grote geheel.”

Dit is een bekend beginsel uit de vrijzinnige theologie. Het hoort thuis in een “pleidooi voor universele religie” (Menno Rougoor) en vaak wordt het onderbouwd met een gelijkenis. Die gaat ongeveer zo:

Er was eens een olifant. Rondom die olifant waren nieuwsgierig vijf blinde mannen gaan staan. Ze kregen met elkaar een discussie over de juiste definitie van wat zomaar in het midden van hun dorp was verschenen. Een blinde man stond bij een poot. En hij zei: “wat we hier hebben is een hele grote dikke boom, die eindeloos ver in de hoogte reikt.” Een tweede blinde zei: “Je hebt het mis. Dit is zoiets als een beweeglijke slang.” Hij stond natuurlijk bij de slurf. “Jullie hebben het allemaal mis,” zei de derde blinde. “We hebben hier een lange gladde en harde toeter,” en hij probeerde muziek te maken met een van de slagtanden van de olifant. Een vierde blinde zei: “waarom zeggen jullie dat? Het is een bewegend tapijt, het flakkert in de wind.” En hij stond natuurlijk bij een van de oren van de olifant. De vier blinden hebben hun discussie nog een hele tijd voortgezet, en af en toe werden ze heel erg boos op elkaar, maar ze konden het maar niet eens worden.

De pointe is duidelijk. Wij zijn beperkte mensen, blind, dat wil zeggen wij hebben niet het vermogen om de waarheid van het geheel te overzien. Ieder van ons moet het doen met zijn of haar beperkte ervaring. En dat brengt ons ertoe om te denken, dat we daarmee toch het geheel hebben begrepen. Die pretentie vanuit een beperkte ervaring toch het geheel te kunnen begrijpen, leidt tot de bijzondere godsdiensten. Het christendom is er maar één van. Het pleidooi voor een universele religie is een pleidooi om de eigen bijzondere ervaring niet zomaar op te geven, maar er wel rekening mee te houden dat de anderen – net zo blind als wij – toch een ander aspect van het geheel ervaren hebben. Zodat we ons voordeel kunnen doen met de bijzondere ervaringen die mensen uit een andere religie met God hebben opgedaan.

De oplettende lezer zal vaststellen, dat ik eerst sprak over vijf blinden, en er vervolgens maar vier ten tonele heb gevoerd. Dat is dus geen nalatigheid geweest. Er zit in het verhaal waarop de vrijzinnigheid zich zo graag beroepen wil, een interessante vergissing. De verteller van het verhaal is blijkbaar geen blinde. Hij kent de totaliteit, en nodigt de lezer uit zich met zijn standpunt te vereenzelvigen. Terwijl het verhaal wil zeggen dat we allemaal vastzitten in onze eigen bijzondere ervaringen en ons wil oproepen ook met de beperkte visies van anderen rekening te houden, heeft de verteller – en dus ook de lezer die zich ermee identificeert – een waarachtig inzicht. Hij kan zien dat er een geheel is en niet vier verschillende brokken. Hij kan zien wat dat geheel is, namelijk een olifant. Alleen vanuit zijn standpunt kan gezien worden, dat de bijzondere ervaringen van de vier blinden elkaar aanvullen, en inderdaad allemaal ervaringen zijn van een en hetzelfde.

Maar er is volgens het verhaal geen ervaring van het geheel mogelijk, geen gezichtspunt van waaruit we de olifant herkennen, omdat wij allemaal blind zijn. Volgt daar dan uit, dat geen enkele religie kan claimen de waarheid in pacht te hebben? Is de claim van de verteller het geheel te kunnen neerzetten – al is dat alleen maar een gezichtspunt van de verteller – niet precies de absolute, filosofische waarheidsclaim die het verhaal zelf wilde afbreken? Of volgt daar dan werkelijk uit, dat in een dergelijk filosofisch verhaal, de relatieve waarheid van alle religies kan worden bevestigd? Met andere woorden, is alleen de filosofische pretentie waar? Laten we eens een ander verhaal vertellen:

Er was eens een blinde man. En bij die blinde man kwamen vier andere blinden om te vertellen wat ze beleefd hadden. En de ene zei dat het een boom was. En de tweede zei dat het een slang was. En de derde zei dat het een trompet was, en de vierde zei dat het een tapijt was. De blinde man vroeg aan de anderen waar ze gestaan hadden, hoe ze elkaar gehoord hadden. Hij probeerde alle ervaringen bij elkaar te leggen en zo de puzzel op te lossen, maar hij wist niet wat een olifant was en daarom was hij ook niet in staat het verhaal van de olifant en de vier blinden te vertellen. Maar toen begaf hij zich zelf naar de olifant. Hij riep naar de olifant. “Kun je me verstaan?” zei hij. “Zeg alsjeblieft wie je bent, want wij kunnen het geheim niet uit onszelf ontraadselen.” Er kwam een stem vanuit de hoogte, van de jongen die bovenop de olifant zat en hem door dit dorp had heen geleid. En de jongen legde aan de blinde uit, dat hij op een olifant zat en dat zij allemaal uitgenodigd waren om op de rug van het dier mee te rijden.

Onze blindheid doet er niet toe, als wij in staat zijn om te horen wat de apostelen en de profeten te melden hebben, want dat is de jongen op de rug van de olifant. Zijn getuigenis is belangrijker dan dat van de verteller, die met absoluut inzicht spreekt. De ervaring van de jongen is de ervaring van het geheel. Hij kan “zien” – en dat zien – en tasten en voelen – van apostelen en profeten, is onze grondslag.

Ons onvermogen om de waarheid van het geheel te kunnen overzien, is dus niet belangrijk als dat geheel zich aan ons openbaart en ons meedeelt wie en wat het is. Het is waar dat geen enkele religie kan claimen om de waarheid in pacht te hebben. Het christendom claimt dat ook niet. Het zegt alleen dat “de genade en de waarheid door Jezus Christus gekomen zijn.” (Joh. 1:17) Het herhaalt het getuigenis dat het zelf ontvangen heeft, namelijk dat “God in deze laatste dagen tot ons gesproken heeft door de Zoon.” (Hebr. 1:1b) Wanneer we op die wijze van tevoren weten, dat het een olifant is, dan pas kunnen de bijzondere ervaringen van de blinde mensen die wij zijn, met elkaar in een zinvol verband geplaatst worden. Dan is het zelfs mogelijk om in het boeddhisme, het hindoeïsme, in de islam en uiteraard bij uitstek in het Jodendom, de sporen van deze waarheid terug te vinden.

Nadenken over Charlie en de Moslims – de weg van Abel

charlieHet is misschien nog te vroeg om na te denken over wat er gebeurd is gisteren in Parijs. Twaalf doden bij een satirisch weekblad door islamitische extremisten die Allahoe achbar riepen op de straat. Maar we hebben dat nadenken wel nodig. Niet meteen “harde actie” – dat is een leuze waarmee politici nu hun verkiezing willen veilig stellen, en waarmee geheime diensten hun budget hopen te verhogen. Dat moet je niet willen,  want in naam van onze veiligheid kan onze vrijheid óók worden bedreigd. Want tegen wie moeten we dan “harde actie” ondernemen? Een gecontroleerde samenleving, die elk radicalisme wil uitsluiten en alle burgers bespioneert om aanslagen te voorkomen is per definitie al een onvrije samenleving. Zo winnen “zij.” Extremisme voedt de duistere kant van de macht van de staat en bevordert op die wijze wat ze bestrijden wil.

Waar ik het meeste bang voor ben is, dat we blijven steken in de gangbare tegenstelling: we zijn of vóór de islam (want extremisme is een uitzondering) of we zijn tegen de islam (want extremisme hoort tot de kern ervan). De eerste groep in kerkelijk verband spreekt sussend over het feit dat wij allen “kinderen van Abraham” zijn, en joden, moslims en christenen dus eigenlijk tot dezelfde familie behoren. En in niet-kerkelijk verband spreken we over de kracht van de democratie om goed geïntegreerde moslims tot vredelievende burgers te maken. De eerste groep wil dat cartoonisten en cabaretiers zich matigen – want waarom zou je een geloof aanvallen? – en de tweede groep wil dat alle religie uit de wereld wordt verwijderd – want er wordt gemoord in naam van een Hersenspinsel. Lees verder “Nadenken over Charlie en de Moslims – de weg van Abel”

Of geloof in God redelijk is? – op de manier van Thomas

Het geloof in God is redelijk, omdat het innerlijk consistent is in God te geloven en omdat het de empirische kennis die wij hebben niet weerspreekt.

Bij deze vraag gaan we als volgt te werk:

Tegenwerpingen:
1. Het lijkt erop dat geloven in God niet redelijk is. Geloven in God staat immers gelijk met het geloof in Sinterklaas: een kinderlijk geloof dat wordt opgegeven zodra we in staat zijn tot empirisch denken. God is een begrip dat hoort bij een vroeger, bijgelovig tijdperk van de menselijke geschiedenis. Nu we dit infantiele stadium achter ons hebben gelaten, is geloof in God niet langer redelijk.
2. Geloof in God is een vals geloof waaraan mensen vasthouden, ondanks sterke bewijzen van het tegendeel. In iets geloven ondanks bewijzen van het tegendeel is per definitie een irrationeel geloof. Het christelijk geloof kan echter alleen maar worden vastgehouden, als mensen de voorkeur geven aan een prettige absurditeit boven een wellicht onprettige waarheid. Zoals ook de kerkvader Tertullianus heeft gezegd: “Ik geloof omdat het absurd is.” Daarom is het geloof in God onredelijk.
3. Elke overtuiging over de werkelijkheid die niet op bewijzen is gebaseerd, is onredelijk. Het bestaan van God kan echter niet met bewijzen worden aangetoond. Daarom is geloof in God onredelijk.
4. Het begrip God wordt gebruikt voor de zogenaamde “gaten” in onze wetenschappelijke kennis. Het bestaan van God wordt dan gebruikt, om te voorzien in de lacunes van het wetenschappelijke inzicht. Het is waar dat onze kennis van de werkelijkheid niet volledig is, maar het heeft geen enkele zin om datgene wat wij niet weten aan God toe te schrijven, alsof wij het wel weten. Om die reden is geloof in God onredelijk.
5. Elke bewering heeft een bepaalde bewijslast. Hoe ongerijmder en vreemder de bewering is, des te hoger is de bewijslast. Voor het geloof in God wordt echter juist geen bewijslast aanvaard, maar God wordt geponeerd als de uiteindelijke verklaring. Daarom is het geloof in God onredelijk.
6. Levensovertuigingen die niet gevormd worden door de wetenschappelijke methode, planten zich voort als konijnen. Dat wil zeggen dat er op ieder ogenblik vele, met elkaar volstrekt tegenstrijdige overtuigingen zijn. Daar staat tegenover dat de waarheid één en enkelvoudig is. Daarom is alleen al het bestaan van vele levensovertuigingen en religies een bewijs van hun onwaarheid. Het geloof in God is dus onredelijk.

Echter, zoals de apostel zegt: “wij spreken de wijsheid van God, als een geheim.” 1 Kor. 2:7

Ik antwoord dat de werkelijkheid die wij op grond van de wetenschap kennen, noch een theïstische noch een atheïstische interpretatie noodzakelijk maakt. De grote levensvragen kunnen niet op wetenschappelijke wijze en met zekerheid worden beantwoord. De natuurwetenschappen moeten daarom binnen hun grenzen blijven. Elke wetenschap wil gegevens afwegen en de waarschijnlijkheid van een bepaalde verklaring beoordelen, maar werkt niet met bewijzen die in absolute zin de waarheid demonstreren. Theorieën worden niet volledig bepaald door de gegevens die zij verklaren, en daarom heeft elke wetenschappelijke theorie principieel een bepaald gat, waardoor juist vooruitgang in de vorming van theorieën mogelijk is. Elke verzameling waarnemingen kan door een aantal verschillende theorieën worden verklaard. Wat wij noemen de “huidige stand van de wetenschap”, is datgene wat in de consensus van wetenschappers van dit moment als de meest waarschijnlijke verklaring wordt aanvaard. Echter, niet alle “uiteindelijke” vragen kunnen principieel door de wetenschap worden beantwoord.

Levensovertuigingen of levensbeschouwingen zijn geen concurrenten van wetenschappelijke verklaringen, maar zijn pogingen om deze uiteindelijke vragen te beantwoorden, waarbij alleen kan worden geëist, dat ze niet in strijd zijn met onze menselijke waarnemingen, maar waarbij niet kan worden geëist dat ze met die waarnemingen samenvallen. Ook een wetenschappelijke theorie valt niet samen met de waarnemingen, maar berust op het menselijk vermogen om te extrapoleren en te induceren op grond van die waarnemingen. De eisen die wij aan een levensbeschouwing moeten stellen, hoeven niet hoger te zijn dan die van de wetenschappen zelf.

Voorts geldt voor de wetenschap dat zij niet de wereld als zodanig verklaart, maar alleen de verschijnselen die in de wereld worden waargenomen. Levensbeschouwingen formuleren daarentegen een (existentieel relevant) antwoord op vragen die door de wetenschappelijke methode principieel niet kunnen worden bereikt, zoals bijvoorbeeld de vraag of er in de natuur een doel besloten ligt. De wetenschappelijke methode kan geen antwoord geven op de vraag naar het doel of de uiteindelijke reden waarom, en volgens sommigen is daarom de vraag naar het doel van de natuur en de redenen achter de geschiedenis een schijnvraag. Dat de vraag naar de redenen van de geschiedenis niet door de wetenschap kan worden beantwoord, maakt het echter nog niet tot een schijnvraag, tenzij we bij voorbaat en willekeurig hebben besloten dat alleen wetenschappelijke vragen zinvolle vragen zijn. De overtuiging dat dat zo is, kan echter niet als een verklaring dienen van de verschijnselen in de wereld, met andere woorden een dergelijke overtuiging over de reikwijdte van de wetenschap, is zelf geen wetenschappelijke theorie, maar een levensbeschouwelijke overtuiging.

Om een levensovertuiging redelijk te noemen is het voldoende dat zij aan twee voorwaarden voldoet. In de eerste plaats moet zij logisch consistent zijn. Wat niet logisch consistent is is bij voorbaat in logische zin als onwaarheid uit te sluiten. In de tweede plaats mag zij niet in strijd zijn met bekende empirische gegevens, zoals de levensovertuiging dat de maan van kaas gemaakt zou zijn. Een dergelijke overtuiging heeft empirische consequenties, die in dit geval eenvoudig weerlegbaar zijn, zoals ook geldt voor de astrologie met haar pretentie over de werking van constellaties te kunnen spreken.

Voorts geldt zeker voor het christelijk geloof, dat het ook een inzet van geheel ons verstand vergt. De consistentie van het geloof wordt in de theologie bewaakt en bewaard, en dat is een intellectuele opgave die hoge eisen stelt aan ons verstand. Niet elke mening die ons goed dunkt, is een geldige opvatting binnen de sfeer van het geloof. De innerlijke consistentie van het geloof is een maatstaf waaraan wij de redelijkheid van een bepaalde geloofsovertuiging kunnen afmeten. Wanneer een bepaalde geloofsovertuiging empirische consequenties heeft, zal zij daaraan ook moeten worden getoetst. Zoals bijvoorbeeld de door sommigen verdedigde overtuiging, dat God het gebed verhoort op een zichtbare en constateerbare wijze, zodat christenen gelukkiger zouden moeten leven dan niet christenen. Wanneer uit onderzoek blijkt dat dat in het geheel niet het geval is, is dit onderdeel van de geloofsovertuiging – een voortvloeisel uit een bepaalde overtuiging met empirische consequenties of aanspraken – effectief weerlegd.

ad 1.
Het is inderdaad onredelijk om op 60-jarige leeftijd nog in Sinterklaas te gaan geloven. Maar het blijkt dat vele christenen pas op latere leeftijd in God zijn gaan geloven. Dat wil zeggen dat ze een groot deel van hun leven als atheïst hebben doorgebracht, om pas op latere leeftijd te besluiten dat het geloof in God voor hen redelijk was. Het is niet juist om dat af te doen met de diagnose, dat deze mensen infantiel zijn geworden. Er is geen aanwijzing voor dat het geloof in God samenhangt met een bepaalde psychische onvolwassenheid.

ad 2.
Het is een overschatting van de positie van het atheïsme te menen, dat er afdoende bewijzen tegen het bestaan van God geleverd zijn. Het atheïsme daagt veelal het theïsme uit om te bewijzen dat er een God bestaat, maar zij acht zich ontslagen van de bewijslast voor de tegenovergestelde positie. Een redelijk geloof in God spreekt echter het empirische gegeven in het geheel niet tegen, en daarom en in zoverre is het niet onredelijk om in God te geloven, omdat er ook geen bewijzen van het tegendeel zijn. Tertullianus overigens heeft deze uitspraak nooit gedaan.

ad 3.
De argumenten voor het bestaan van God, bijvoorbeeld die van Thomas van Aquino, tonen de innerlijke consistentie van het geloof in God aan. Het zijn echter geen bewijzen die vanuit de empirische werkelijkheid naar de aanname van Gods bestaan redeneren. Het gaat over de rationele implicaties van het geloof voor zaken als morele verantwoordelijkheid en causaliteit. Het is voldoende aan te tonen, dat het geloof een zinvolle interpretatie oplevert van wat in de wereld kan worden waargenomen. Zo kan de indruk van het ontworpen zijn van de wereld iemand overtuigen dat er een goddelijke schepper in de werkelijkheid betrokken is, zonder dat hij daarvoor het bewijs kan en moet leveren. De demonstratie van een samenhang (coherentie) tussen geloof en waarneming moet echter niet worden verward met een bewijs voor het geloof op grond van de waarneming.

ad 4.
De manier van denken die in elke lacune van de wetenschappelijke kennis aanleiding vindt om over God als verklaring te spreken, wordt door sommigen in de christelijke traditie aangehangen, maar is niet kenmerkend voor het christendom als geheel. Men kan op grond van de lacunes in onze kennis niet voortredeneren in de richting van een intelligente ontwerper. Het leidt ertoe dat God naar de verborgen uithoeken van het heelal wordt verwezen of naar andere gebieden waar geen onderzoek mogelijk is. Dat is niet alleen wetenschappelijk foutief, maar theologisch gezien onnodig en zelfs schadelijk. Het christendom zelf wordt daardoor nodeloos kwetsbaar voor de wetenschappelijke vooruitgang, waarin immers elke keer weer de claim weerlegd wordt dat God nodig is om (een deel van) de wereld te verklaren. In de filosofische theologie wordt God echter niet gebruikt om de wereld te verklaren, maar wordt de wereld gebruikt om God te begrijpen.

ad 5.
Een verklaring is redelijk, wanneer zij voldoende gronden aanwijst voor het bestaan van iets. Wanneer het gaat over unieke eenmalige gebeurtenissen, of over wonderen, of over de verklaring van het ontstaan van de wereld, gaat het steeds over voldoende gronden, niet om absoluut inzicht of volkomen zekerheid. Het is niet noodzakelijk dat de verklaring in “wonderlijkheid” het wonder zelf nog overtreft. Zo zou men bijvoorbeeld voor de opstanding van Jezus kunnen eisen, dat er een onbetwijfelbaar ooggetuigenverslag of tenminste een video gemaakt zou zijn. Het bewijs voor de opstanding zou echter dan in zekere zin nog wonderlijker zijn, dan de opstanding zelf en een nieuwe, even wonderlijke verklaring behoeven. De eis dat alleen een dergelijk bewijs kan gelden als ondersteuning voor de aanname van het te verklaren feit, is zelfs in de wetenschap niet wenselijk omdat zij tot een oneindige regressie van de vraag “waardoor?” zou leiden. Een verklaring is alleen onredelijk, wanneer zij expliciet tegen erkende feiten en waarnemingen ingaat. Een unieke gebeurtenis in het verleden is door haar eigen karakter niet zomaar te vergelijken met gebeurtenissen in het heden.

Een verklaring is rationeel en dwingend, wanneer kan worden aangetoond dat er geen andere verklaring mogelijk is. Bijvoorbeeld wanneer die andere verklaring in strijd zou zijn met empirische gegevens of logisch onmogelijk is. Het geloof in het bestaan van God is niet rationeel en dwingend en hoeft dat ook niet te zijn. Dat het geloof in God alternatieve opvattingen over de wereld niet uitsluit, betekent nog niet dat zij niet redelijk zou zijn.

ad 6.
Het is waar dat er vele religies cq. levensovertuigingen bestaan. Omdat niemand een absolute aanspraak op waarheid kan hebben, is het redelijk de eigen overtuiging hooguit te zien als een voor jou als persoon meest waarschijnlijke overtuiging. (Subjectieve waarheid.) Vanuit die bescheidenheid is een gesprek tussen levensovertuigingen en een vreedzame coëxistentie tussen gelovigen van verschillende religies heel goed denkbaar en zelfs noodzakelijk.

Terug naar de Bron van Gods Woord

Het Woord van God is een onuitputtelijke bron. Het is een bron van levend water, dat wil zeggen water dat ons zo verzadigt dat we geen dorst meer hebben. Alles wat een predikant kan aanbieden en alles wat hij schrijft, is alleen maar het aanreiken van een drinkbeker die het mogelijk maakt om uit die ene bron te putten.

U bent de bron van licht en leven
bron van genâ voor wie gelooft
u wilt geluk en vrede geven
al wat uw Woord ons heeft beloofd

Ik heb gemerkt dat in de Kerk, en dat geldt voor de gewone kerkganger net zo goed als voor de leiding van de Kindernevendienst of voor ouderlingen, de Bijbel toch vooral geschiedenis is. En het is waar dat de Bijbelse geschiedenis ons schijnbaar in ieder geval het makkelijkste aanspreekt. In de kerken die ik tot dusver gediend heb, is de boodschap van het evangelie de eenvoudige gedachte dat God ons heeft vergeven en nu wil dat we een goed leven leiden. De rest is (Bijbelse) geschiedenis. Men zoekt in die geschiedenis het persoonlijke, het herkenbare van het dagelijkse leven, het voorbeeld van hoe de eenvoudige boodschap van het bestaan van God en Zijn genade in het dagelijkse leven verschil kan maken.

Als we kijken naar de volle inhoud van de Bijbel – de diepere laag achter de verhalen in Genesis, de politieke kritiek van de zogenaamde Historische boeken, de oordelende redevoeringen van de Profeten, de wonderbare Persoon van Christus in de Evangeliën, de diepe uitleg van het geheim van het Evangelie in de Brieven, de kritiek op de kerk en haar geschiedenis in het boek Openbaring – is deze fascinatie door de Bijbelse geschiedenis niet meer dan de kleuterschool.

Het zal velen verbazen, maar het christelijk geloof is ook een leerschool. De schrijver van de brief aan de Hebreeën roept zijn lezers op om niet meer in de kleuterschool te blijven. Het wordt tijd om de overgang te maken naar een volgend stadium. Hij schrijft in hoofdstuk vijf dat de Heere Jezus een Hogepriester is geworden. Daarover zouden vele dingen te vertellen zijn en het is niet eenvoudig om te verstaan wat dit inhoudt – “zwaar om te verklaren.” Maar dat ligt aan de hoorder! “Omdat gij traag om te horen geworden zijt.” (5:11)

In de lange tijd dat zijn lezers in het christelijk leven staan, hadden ze al zoveel moeten leren dat ze geschikt waren geworden om leraar van het christendom te zijn. Maar zijn lezers hebben die tijd verspild. Het is “opnieuw nodig dat men u de eerste beginselen van het woord van God leert; u bent geworden als diegene die melk nodig hebben en vaste spijs niet verdragen.” (Vers 12)

De hoorders zijn dus onervaren in het lezen en verklaren van het woord van God. Ze zijn “onervaren in het woord der gerechtigheid.” En daarmee zijn ze te vergelijken met kinderen, niet omdat ze kinderlijk zijn maar omdat ze nog naar school moeten, nog onderwijs nodig hebben. En dat soms niet eens beseffen.

De eenvoudige basis van het evangelie – “het beginsel van de leer van Christus” – moet nu langzamerhand het fundament zijn geworden, waarop de rest van het gebouw kan worden opgebouwd. Het zou niet nodig moeten zijn om dit fundament opnieuw te leggen. Maar als het ontbreekt zal het wel moeten. Wat zou men als “kind” in het geloof dan al allemaal moeten weten om voort te kunnen gaan tot een volmaakter kennis? De schrijver noemt het: “het fundament van de bekering van dode werken, en van het geloof in God, van de leer van de doop, van de oplegging der handen, van de opstanding der doden van het eeuwige oordeel.”

Wat wordt iedereen die christen is dus geacht te verstaan? Wat is dan de catechisatie die iedereen gehad moet hebben? Dan volgen in de brief de zes artikelen.

  • Bekering van dode werken – de bekering dus tot de levende God, het aannemen van het evangelie van Jezus Christus, het leven in de kracht van de Heilige Geest. En die bekering als een toewending naar “levende werken”, de goede werken “die God  van tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.” (Efeze 2:10)
  • Het geloof in God – niet de eenvoudige overtuiging dat er een God bestaat, maar dat deze God Vader, Zoon, en Heilige Geest is. De God en Vader van Jezus Christus dus kennen.
  • De leer van de doop – dat de doop met water het aangaan van een verbond is, dat het gedoopte kind als volwassene zal moeten bevestigen met de belijdenis, dat de doop met het water de uiterlijke vorm is van de innerlijke doop met de Heilige Geest. Dat gedoopt zijn de inlijving van een persoon in het lichaam van Christus betekent.
  • De oplegging der handen – het besef dus dat de leraren in de gemeente in een traditieketen staan die teruggaat tot op de apostelen. Dat het ambt van Christus in de gemeente werkt, en dat de Heilige Geest in de gemeente die gaven uitdeelt en bedient zoals Hij wil.
  • De opstanding der doden – zodat de gelovige niet meer leeft in de angst voor de dood en daardoor een andere kijk op het leven heeft. En leeft in het besef dat de dag komen zal waarop alle doden zullen opstaan en worden geoordeeld door onze Heer Jezus Christus.
  • Het eeuwige oordeel – Gods gerechtigheid zal uiteindelijk alles helder maken. Wie zich tegen Gods wil voor eeuwig blijft verzetten, zal Hij ook voor eeuwig van de gemeenschap met Hem uitsluiten. Maar wie in Christus Jezus is aangenomen als kind van God, zal in de eeuwigheid Gods Heerlijkheid delen.

Dat is het fundament dat gelijk staat aan het “woord der gerechtigheid” waarmee de onderscheiding tussen goed en kwaad in het christelijk leven mogelijk wordt. (5:14) Deze theologische inzichten maken het morele leven dus mogelijk! Wie had dat gedacht?! Dat je dus moet indringen in de geheimen en de diepte van het evangelie om goed te kunnen leven!
Dat fundament moet in ieders leven gelegd zijn. Die kennis en dat inzicht moeten er zijn om te kunnen zeggen dat wij een christelijk leven leiden. Maar als dat fundament er eenmaal is, is het mogelijk en noodzakelijk om voort te gaan in de opbouw van onze kennis. Want het is de bedoeling, schrijft Paulus, dat “Christus door het geloof in uw harten woont en u in de liefde geworteld en bevestigd bent,” en dan in vers 18 “opdat u ten volle zou kunnen begrijpen, samen met alle heiligen, wat de breedte en de lengte en de diepte en de hoogte is.” (Efeze 3:18)

Door deze aandacht voor het volmaakte Woord van God, door ons weer te concentreren op Jezus Christus die God zijn Vader volledig heeft geopenbaard, kunnen we samen “komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volkomen mens, tot de maat van de grootte van de volheid van Christus.” (Efeze 4:13) Het is dus ook nog eens een voorwaarde van een zinvolle oecumene – eenheid van het geloof.

Ik bid tot de God wiens evangelie ik dien, dat de gemeente van Christus weer terug mag gaan naar de volmaakte Bron van het Woord van God.

Triniteit – mysterie of openbaring

 

These are the concepts at the core of this paper. First, that meaning is subject to change, both in the future and in the past. Secondly, that what constitutes the subject initially is a cutting-off – a cutting-off-from, perhaps – such that the subject revolves around a gap or lack. Thirdly, an encounter with the Real, that is, with the original cut, is traumatic. The subject reacts to the trauma by a process that leaves scar. (Kaye-Blake)

Drie principes dus.

  1. Betekenissen van woorden ondergaan veranderingen – zowel in de toekomst  – woord X betekent morgen niet hetzelfde als nu – als in het verleden  – terugkijkend zien we dat een woord iets anders voor ons is gaan betekenen.
  2. Ons persoon-zijn (subject) is een “afgesneden-zijn”, en dat gebeurt vooral door taal. Woorden scheppen afstand tussen ons en het “werkelijke” bestaan. Als je terugdenkt aan je verleden vind je steeds een andere versie van jezelf. Tot je aan het eind van de serie bent gekomen, want daar is “niets” – je hebt geen oorspronkelijk “ik” of zelf dat aan het begin van die serie staat. Een mens ontstaat steeds opnieuw.
  3. Elke ontmoeting met de werkelijkheid, waar woorden ophouden – waar je geen woorden voor hebt – is traumatisch, pijnlijk.

Toen ik deze woorden las – in een artikel over de filosoof Slavoj Zizek, dus in het geheel niet gerelateerd aan theologie – moest ik intussen wel aan het begrip “triniteit” denken.

De voorgeschiedenis. Ik las in Kerkklanken een meditatie van collega Sara Dondorp. Ik heb alleen maar lof voor dat artikel, goed geschreven, helder, en een pleidooi om de triniteit (als aanduiding van een mysterie dat we toch nooit kunnen begrijpen) in ons gelovig vocabulaire te handhaven. Mooi dus.

Maar op grond van de drie principes van Kaye-Blake kun je wel een drietal vragen stellen.

  1. Betekent het woord “triniteit” bij haar nog hetzelfde wat het betekende voor de theologen van de Reformatie?
  2. Op grond waarvan stelt Sara deze betekenis voor? (welk “subject” zit er achter?)
  3. Wat is eigenlijk het “Werkelijke” dat achter of naast de term triniteit verborgen is?

ad 1.Triniteit is voor mij een aanduiding van de wijze waarop God zich geopenbaard heeft. Dat is geen nieuwigheid, dat was zo voor de Reformatie tot en met Karl Barth, en het was zo voor de Katholieke traditie die eraan voorafging.  Ik zou zeggen, het is de taal van de Schepper zelf, als deze zichzelf te kennen geeft als de eenheid van Vader, Zoon en Heilige Geest. In theologische taal: er is geen verschil tussen de economische triniteit (de wijze waarop God als triniteit handelt) en de wezenstriniteit (wat God in zichzelf is).  In de termen van Kaye-Blake, triniteit is voor mij een “master-signifier”, een woord in de geloofstaal dat andere termen domineert en hun geldigheid bepaalt. Triniteit, met andere woorden, is een normatief begrip. Het zou kunnen worden uitgelegd als een serie van spraakregels: hoe moeten we (correct) spreken over God? Het is voor mij dus geen hulpwoord, dat een intuïtie van een onkenbare Werkelijkheid tot uitdrukking brengt. Het is precies de uitdrukking van een Werkelijkheid die Zelf spreekt!

In de tekst van Sara wordt triniteit een door ons gekozen term om iets te benaderen dat aan die term zelf wezenlijk ontsnapt. Wezenlijk! Dat wil hier zeggen dat God in ieder geval NIET is, wat het woord triniteit aanduidt, maar dat we met dat woord wel dichtbij komen, dichterbij dan met andere woorden. Het onbegrijpelijke van de triniteit wordt dan een aanduiding van het mysterieuze – waar geen woorden voor zijn – van Gods bestaan. Als spoor (residu) van de dogmatische taal van het verleden, werkt het begrip triniteit in ieder geval heel anders dan als formele en abstracte aanduiding van de concrete manier waarop God Zich in de Schriften, in Christus en in de Kerkgeschiedenis geopenbaard heeft.

ad 2. Op grond waarvan zeg ik dat? Welk subject vermag aan de term triniteit deze betekenis te geven? Daar wordt het moeilijker. Het “gat” of het gebrek in mijn subject-zijn – die lege term, dat niets aan het eind van de serie – zit voor mij niet in het verre verleden, maar in het heden. “Ik leef niet meer, maar Christus leeft in mij”- zegt Paulus (Gal. 2:20) De nietigheid (de dood zegt Paulus, “ik” ben gestorven met Christus) van mijn eigen subjectiviteit in het heden, is uitgangspunt. Daarom geloof ik de God die Zich openbaart – zonder Hem te kunnen of te willen begrijpen, want dat veronderstelt een subject dat houvast aan iets heeft om van daaruit iets anders te begrijpen.

ad 3. Wat is het “werkelijke” achter de triniteit? Daarin gaan Sara en ik uiteen. Want voor mij zit er juist in de Triniteit niets “achter”. De triniteit – de werkelijkheid van een God die Vader, Zoon en Heilige Geest in-één is – IS voor mij de Werkelijkheid. We kunnen die niet duiden of aanduiden, zij fundeert de taal – in het begin was het Woord. God was Woord, Sprak, was Taal, voordat mensen konden spreken en onze taal, ons spreken is een echo van dat Goddelijke spreken. God spreekt zich uit als triniteit. Dan is de triniteit geen benadering van een mysterie, maar het geopenbaarde mysterie zelf! Het is niet zo dat we de triniteit begrijpen, maar alleen niet begrijpen wat er werkelijk achter zit! We begrijpen de triniteit niet die ons toch geopenbaard is – of met andere woorden, de triniteit is geen naam voor een mysterie, maar het mysterie zelf. (Een mysterie ken je zonder het te kunnen begrijpen.)

Dit zijn maar aanduidingen, ik weet het. Maar ligt hierin niet een werkelijk en radicaal andere wijze om over geloof te spreken, dan in termen van een “rationele overtuiging met betrekking tot het fundamenteel Onkenbare?” Misschien is er een toekomstig subject van mij dat deze aanduidingen kan uitwerken tot een betoog.

 

 

Verlossing met drie delen…

Een van de moeilijkste woorden uit de bijbel voor mensen van deze tijd, is het woord redding of behoud. Jezus, zeggen wij, is onze Verlosser. Maar wat betekent die verlossing dan eigenlijk? En is die alleen toekomstig of ervaren we die nu al?

In de loop van de kerkgeschiedenis zijn er tenminste drie verschillende antwoorden op die vraag te vinden. De westerse kerk heeft eeuwen lang de verlossing vooral gezien als een verlossing van de machten van de Duisternis, een verlossing uit macht van de Duivel. Omdat mensen zondigen, komen ze in de macht van de Duivel. Wie in zijn zonden gestorven is, blijft in de macht van de Duivel en is voor eeuwig in de Hel. Maar daarbij heeft God wel een voorwaarde gesteld. De Duivel heeft niet het recht iemand in zijn dodenrijk op te nemen, die zonder zonde of schuld is. God wilde nu de mensheid verlossen en zond zijn Zoon in de wereld en stond toe dat deze stierf aan het kruis van Golgotha. De Duivel ontvangt dan Jezus als een zondaar in zijn dodenrijk. Op dat moment echter laat Jezus zien wie Hij werkelijk is. De Duivel heeft dus een onschuldige opgenomen in de Hel. Daarmee heeft hij de afspraak met God geschonden. En daardoor verliest hij alle rechten op de zielen in zijn rijk. Jezus kan nu het evangelie prediken aan de “zielen in gevangenschap”. Dat las de oude Kerk in de eerste brief van Petrus “want daarom is ook aan de doden het evangelie verkondigd.” (1 Petrus 4:6)

Een moderne variant daarvan maakt gebruik van een tekst uit Kolosse 2:15. “Hij heeft de overheden en machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en zo over hen gezegevierd.” Toen Jezus stierf aan het kruis werd duidelijk dat de politieke macht en het recht van Rome  volstrekt falen. En door de veroordeling van Jezus in het Sanhedrin werd ook duidelijk dat de joodse wetgeleerden falen. Macht en recht staan in hun hemd, ze zijn “openlijk tentoongesteld” zoals de leiders van overwonnen volkeren aan het volk van Rome werden vertoond in een triomfantelijke stoet na het beëindigen van de oorlog.

Ongeveer 10 eeuwen lang was dit de belangrijkste uitleg van de verlossing die wij in Christus gevonden hebben. In de 11e eeuw ontstaat een nieuwe verklaring, die wel al bekend was in de oude Kerk, maar geen prominente plaats had gekregen. Nu is de verlossing vooral gericht op de bevrijding uit de macht van de zonde en het inlossen van de schuld die wij mensen dragen. Waarom werd Jezus mens? Omdat er een Middelaar nodig was tussen God en de mensen, die de plaats van de mens kon innemen in het oordeel. Jezus wordt dan gezien als het Lam Gods dat de zonden van de wereld draagt. Doordat de Zoon van God sterft, beladen met de zonden en de schuld van de wereld, kon aan Gods eer genoegdoening worden gegeven. De “verdiensten” van Jezus waren groot genoeg om daarmee ook de mens te verlossen van de zonde en schuld.

In de 19e eeuw werd door de zogenaamde Moderne theologen een derde verklaring van de verlossing voorgesteld. In deze verklaring stond het voorbeeld van Jezus centraal. Dat God toestond dat zijn Zoon door mensen werd mishandeld en gekruisigd, was een bewijs van Gods oneindige en geweldloze liefde. Wanneer mensen begrepen hoe God met Jezus gehandeld had, zouden ze toch uit dankbaarheid hun leven gaan veranderen. Gods liefde voor de mens werd dan een voorbeeld ter navolging. De kern van het christelijke leven was dan het volgen van Jezus in zijn waarachtige menselijkheid.

Deze drie verschillende verklaringen zijn alle drie nodig om de volmaaktheid van de verlossing in Christus Jezus te begrijpen. Kort gezegd: Jezus heeft ons bevrijd van alle machten van de duisternis, inclusief de machten van de staat en het geweld. Maar Jezus heeft ons ook verlost van de macht van de zonde, door die zonden zelf te dragen. Het doel van die verlossing is echter ook, dat wij nu in gehoorzaamheid aan Gods wil zouden gaan leven – dat wij met liefde zouden antwoorden op het bewijs van Gods liefde jegens ons. Dat is de volmaaktheid van de verlossing die wij nu al mogen ervaren. Wij zijn vrij om God te dienen en staan niet langer onder het gezag van mensen. Wij zijn vrij van de macht van de zonde die ons van God wil wegtrekken en ons tot slaven maakt. Wij zijn vrij om God te dienen en Hem en de naaste lief te hebben. Wij hebben daarom diepe redenen om de Heere Jezus Christus dankbaar te zijn voor het volkomen werk van de verlossing dat Hij volbracht heeft.

De talenten van de burger

De talenten in het welbekende bijbelverhaal, hebben een andere betekenis dan de middelen die de burger inzet en mobiliseert om zijn overschot en surplus te bereiken. Het bijbelverhaal kan ook niet zinvol worden gebruikt om wat in wezen productiemiddelen zijn van een laag vroomheid te voorzien en nu te gaan aanduiden als geschenken uit de hemel. De talenten in het bijbelverhaal zijn ook zeker geen persoonlijke vaardigheden.

Al deze mogelijkheden constitueren een kapitalistische exegese. Je talenten gebruiken wordt dan geïnterpreteerd volgens de ideologie van de burgerlijkheid: het inzetten van je geld en vaardigheden – talenten – om meer te verwerven leidt tot een surplus, waarmee je overbodige consumptiegoederen kunt aanschaffen om daarvan te genieten – en dat is dan het signaal tegenover anderen van de mate van je succes.

Volgens de kapitalistische exegese wordt alles wat een mens is en kan, inclusief de onmeetbare talenten zoals vriendelijkheid en gastvrijheid, op de manier van productiegoederen gemeten.

De kern van de parabel van de talenten is niet de omgang met de eigen of vreemde kapitaalgoederen. Het vergelijkingspunt ligt natuurlijk wel in de economische sfeer. Net zoals geld moet circuleren om effectief te kunnen zijn en iets tot stand te brengen, zo moeten ook de woorden van het evangelie circuleren om iets tot stand te brengen. Het evangelie moet worden uitgewisseld om te werken.

De talenten die ons zijn toevertrouwd werken echter niet als bevestiging van de keurige burgerlijke orde, maar zijn verstoringen van de normale uitwisseling.

De waarden van het koninkrijk van de hemel staan immers haaks op de waarden van de burgerlijke samenleving. Tegenover de mobilisatie van wat we zijn en kunnen om surplus te bereiken, staat de ideologie van de vrijgevigheid. Het ons vrijelijk geschonken evangelie moet ook vrijelijk en bevrijdend worden doorgegeven

Hoe ga je kritisch om met begrippen in de theologie?

De taak van een theologie van de vrede binnen de oecumenische beweging en ten behoeve van kerkelijke instituties die zich met vredeswerk bezighouden, ligt in de eerste plaats bij de verheldering van fundamentele begrippen.

Lees verder “Hoe ga je kritisch om met begrippen in de theologie?”