“Geen enkele religie kan met recht claimen de waarheid in pacht te hebben. Elke religie onthult slechts één aspect van het grote geheel.”
Dit is een bekend beginsel uit de vrijzinnige theologie. Het hoort thuis in een “pleidooi voor universele religie” (Menno Rougoor) en vaak wordt het onderbouwd met een gelijkenis. Die gaat ongeveer zo:
Er was eens een olifant. Rondom die olifant waren nieuwsgierig vijf blinde mannen gaan staan. Ze kregen met elkaar een discussie over de juiste definitie van wat zomaar in het midden van hun dorp was verschenen. Een blinde man stond bij een poot. En hij zei: “wat we hier hebben is een hele grote dikke boom, die eindeloos ver in de hoogte reikt.” Een tweede blinde zei: “Je hebt het mis. Dit is zoiets als een beweeglijke slang.” Hij stond natuurlijk bij de slurf. “Jullie hebben het allemaal mis,” zei de derde blinde. “We hebben hier een lange gladde en harde toeter,” en hij probeerde muziek te maken met een van de slagtanden van de olifant. Een vierde blinde zei: “waarom zeggen jullie dat? Het is een bewegend tapijt, het flakkert in de wind.” En hij stond natuurlijk bij een van de oren van de olifant. De vier blinden hebben hun discussie nog een hele tijd voortgezet, en af en toe werden ze heel erg boos op elkaar, maar ze konden het maar niet eens worden.
De pointe is duidelijk. Wij zijn beperkte mensen, blind, dat wil zeggen wij hebben niet het vermogen om de waarheid van het geheel te overzien. Ieder van ons moet het doen met zijn of haar beperkte ervaring. En dat brengt ons ertoe om te denken, dat we daarmee toch het geheel hebben begrepen. Die pretentie vanuit een beperkte ervaring toch het geheel te kunnen begrijpen, leidt tot de bijzondere godsdiensten. Het christendom is er maar één van. Het pleidooi voor een universele religie is een pleidooi om de eigen bijzondere ervaring niet zomaar op te geven, maar er wel rekening mee te houden dat de anderen – net zo blind als wij – toch een ander aspect van het geheel ervaren hebben. Zodat we ons voordeel kunnen doen met de bijzondere ervaringen die mensen uit een andere religie met God hebben opgedaan.
De oplettende lezer zal vaststellen, dat ik eerst sprak over vijf blinden, en er vervolgens maar vier ten tonele heb gevoerd. Dat is dus geen nalatigheid geweest. Er zit in het verhaal waarop de vrijzinnigheid zich zo graag beroepen wil, een interessante vergissing. De verteller van het verhaal is blijkbaar geen blinde. Hij kent de totaliteit, en nodigt de lezer uit zich met zijn standpunt te vereenzelvigen. Terwijl het verhaal wil zeggen dat we allemaal vastzitten in onze eigen bijzondere ervaringen en ons wil oproepen ook met de beperkte visies van anderen rekening te houden, heeft de verteller – en dus ook de lezer die zich ermee identificeert – een waarachtig inzicht. Hij kan zien dat er een geheel is en niet vier verschillende brokken. Hij kan zien wat dat geheel is, namelijk een olifant. Alleen vanuit zijn standpunt kan gezien worden, dat de bijzondere ervaringen van de vier blinden elkaar aanvullen, en inderdaad allemaal ervaringen zijn van een en hetzelfde.
Maar er is volgens het verhaal geen ervaring van het geheel mogelijk, geen gezichtspunt van waaruit we de olifant herkennen, omdat wij allemaal blind zijn. Volgt daar dan uit, dat geen enkele religie kan claimen de waarheid in pacht te hebben? Is de claim van de verteller het geheel te kunnen neerzetten – al is dat alleen maar een gezichtspunt van de verteller – niet precies de absolute, filosofische waarheidsclaim die het verhaal zelf wilde afbreken? Of volgt daar dan werkelijk uit, dat in een dergelijk filosofisch verhaal, de relatieve waarheid van alle religies kan worden bevestigd? Met andere woorden, is alleen de filosofische pretentie waar? Laten we eens een ander verhaal vertellen:
Er was eens een blinde man. En bij die blinde man kwamen vier andere blinden om te vertellen wat ze beleefd hadden. En de ene zei dat het een boom was. En de tweede zei dat het een slang was. En de derde zei dat het een trompet was, en de vierde zei dat het een tapijt was. De blinde man vroeg aan de anderen waar ze gestaan hadden, hoe ze elkaar gehoord hadden. Hij probeerde alle ervaringen bij elkaar te leggen en zo de puzzel op te lossen, maar hij wist niet wat een olifant was en daarom was hij ook niet in staat het verhaal van de olifant en de vier blinden te vertellen. Maar toen begaf hij zich zelf naar de olifant. Hij riep naar de olifant. “Kun je me verstaan?” zei hij. “Zeg alsjeblieft wie je bent, want wij kunnen het geheim niet uit onszelf ontraadselen.” Er kwam een stem vanuit de hoogte, van de jongen die bovenop de olifant zat en hem door dit dorp had heen geleid. En de jongen legde aan de blinde uit, dat hij op een olifant zat en dat zij allemaal uitgenodigd waren om op de rug van het dier mee te rijden.
Onze blindheid doet er niet toe, als wij in staat zijn om te horen wat de apostelen en de profeten te melden hebben, want dat is de jongen op de rug van de olifant. Zijn getuigenis is belangrijker dan dat van de verteller, die met absoluut inzicht spreekt. De ervaring van de jongen is de ervaring van het geheel. Hij kan “zien” – en dat zien – en tasten en voelen – van apostelen en profeten, is onze grondslag.
Ons onvermogen om de waarheid van het geheel te kunnen overzien, is dus niet belangrijk als dat geheel zich aan ons openbaart en ons meedeelt wie en wat het is. Het is waar dat geen enkele religie kan claimen om de waarheid in pacht te hebben. Het christendom claimt dat ook niet. Het zegt alleen dat “de genade en de waarheid door Jezus Christus gekomen zijn.” (Joh. 1:17) Het herhaalt het getuigenis dat het zelf ontvangen heeft, namelijk dat “God in deze laatste dagen tot ons gesproken heeft door de Zoon.” (Hebr. 1:1b) Wanneer we op die wijze van tevoren weten, dat het een olifant is, dan pas kunnen de bijzondere ervaringen van de blinde mensen die wij zijn, met elkaar in een zinvol verband geplaatst worden. Dan is het zelfs mogelijk om in het boeddhisme, het hindoeïsme, in de islam en uiteraard bij uitstek in het Jodendom, de sporen van deze waarheid terug te vinden.
