Johannes (16) Geloof is het middel – met een nawoord over de Heidelberger Catechismus

Johannes 3:16-21

Nicodemus heeft tot dusver twee schokkende uitspraken gehoord. Hij heeft gehoord dat hij vanuit zichzelf niets kan bijdragen aan zijn verlossing. Wedergeboorte is nodig. En dat is een daad van God vanuit de hemel. En hij heeft gehoord dat de verlossing aan iedereen wordt aangeboden, en niet alleen aan de kinderen van het uitverkoren volk. God heeft de hele mensheid lief, en niet alleen het uitverkoren volk. Nu staat hem nog een derde schok te wachten. Nu krijgt hij te horen dat het middel dat God geeft van de verlossing het geloof is in de Zoon van God, die het Lam van God is. Hij en de kleine groep farizeeën rondom hem, waren wel bereid om Jezus te zien als een leraar door God gezonden. Maar te geloven in Hem als de Christus, de Zoon van God, het Lam van God? Dat was in strijd met hun verwachting van de Messias, met hun opvatting over het verbond tussen God en Israël, met de plaats van de heidenen in Gods plan. En toch had hij het kunnen weten als hij het Oude Testament beter begrepen had.

God heeft de wereld, d.w.z. de mensheid, lief. Dat is agapè, liefde die zich uitstrekt naar een object dat niet in staat is die liefde terug te geven. Dat is liefde voor het onwaardige, én liefde die bereid is zichzelf geheel en al over te geven. God heeft Zijn Zoon gegeven, overgegeven, uiteindelijk tot de dood aan toe. Dat is het bewijs van Zijn liefde. En alles wat mensen moeten doen om deel te krijgen aan de vergeving en verzoening met God is dat te geloven. Wat is dan het resultaat van dat geloof? Dat je niet verloren gaat, dat je niet onder het oordeel valt, dat de dood voor jou niet het laatste woord zal zijn. Het is het uiterste tegendeel van wat je krijgt als je wél gelooft. Het eeuwige leven. Leven dat uit God is, in overeenstemming met Zijn wil, dat met oneindige kracht in jou doordringt, je aan alle zijden omringt en de kracht wordt die jouw leven voortdurend in verbinding brengt met God zelf. Het doel van de komst van die Zoon was niet “opdat Hij de wereld zou veroordelen.” Dat was precies wat Nicodemus wel verwachtte. De Messias zou komen als een koning die de heidenen zou verslaan en de wereld zou oordelen. Dat was niet het doel van de eerste komst van Jezus in deze wereld. Dat is wel het doel van de terugkeer van de Zoon. Het is nu de tijd van de genade, van het aanbod van behoudenis. Wanneer het oordeel komt, wordt “wie in Hem gelooft, […] niet veroordeeld.”

En dan lezen we: “wie niet gelooft, is al veroordeeld, omdat hij niet gelooft heeft in de Naam van de eniggeboren Zoon van God.” Is al veroordeeld? Veel mensen geloven dat het oordeel uiteindelijk zal afhangen van de goede daden die zij in hun leven gedaan hebben. Zolang we leven is er nog geen oordeel. Dat komt straks pas. Aan het eind van de tijd worden alle goede en slechte daden gewogen en dan zal het oordeel geveld worden over hoe goed we zijn geweest. Dat geloven veel mensen nu, dat geloofden de Joden uit de tijd van Jezus toen. Daarom zegt Johannes dat het oordeel over het ongeloof al geveld is. Het oordeel wordt niet geveld over wat je gedaan hebt, maar over wat je hebt nagelaten: te geloven in de Zoon van God. Het is net als met de slang in de woestijn. Het uitgangspunt is de diagnose dat je door slangengif ziek bent geworden, en sterven zult. Je gaat dood niet door wat je doet, maar door wat je nalaat: in vertrouwen je blik te heffen naar de koperen slang. Zoals hier, je sterft en wordt veroordeeld als je niet in vertrouwen opkijkt naar de verhoogde (gekruisigde) Zoon des mensen. Dat is wat Nicodemus zo ongelofelijk lijkt te zijn, dat het middel van het eeuwige leven alleen maar het geloof is. Want dat is zo eenvoudig en simpel. Nicodemus had liever gehoord over een streng regime, om de voorschriften van de thora nog beter te kunnen vervullen dan hij al deed.

Wat is nu het eenvoudige geloof in de betekenis waarin Johannes het hier gebruikt? Zo simpel als sommige mensen het vandaag de dag zien is het ook weer niet. Geloven staat nu vrijwel gelijk aan een of andere overtuiging hebben over wat boven onze aardse werkelijkheid uitgaat. Vertrouwen hebben in een “grond” van het bestaan die mij draagt bijvoorbeeld. Maar dat is niet geloof in Bijbelse zin. In de Reformatie werd dat uitgelegd met behulp van drie Latijnse woorden: notitia, fiducia en assensus. Notitia betekent kennis. Je moet ook iets weten. Zo lezen we ook in Romeinen 10:17 dat “het geloof [is] uit het gehoor en het gehoor door het Woord van God.” Dat is ook het doel van de opbouw van de gemeente: “totdat wij allen komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God.” (Ef. 4:13) De verkondiging van het evangelie  – in de vorm van de nauwkeurige studie van Gods Woord  – geeft deze kennis. Zo was de prediking van Johannes de Doper niet beperkt tot alleen maar een uitspraak over de doop. Of een uitspraak over Jezus als het Lam van God. Hij gaf onderwijs vanuit de Schriften. En het onderwijs dat de eerste discipelen bij Jezus kregen, was ongetwijfeld ook een uitleg van Gods Woord. Kennis dus.

Maar wat je verstandelijk weet, moet je ook met je hart geloven. Dat is het tweede woord: fiducia. Je moet ook je vertrouwen stellen op datgene wat je hoort. En in dat geloof moet je je leven gaan vervullen met het voorwerp van het geloof. Kennis en geloof werken samen zodat iemand een echte discipel van Jezus wordt. Maar dan komt het derde, de assensus of de toewijding, de volledige instemming. Dat betekent dat je degene over wie je het evangelie hebt gehoord en begrepen, degene in wie je nu je vertrouwen stelt, ook gaat vólgen, gehoorzaam zult zijn.

Met een verwijzing naar deze waarheid eindigt dit gedeelte in vers 21. Je komt tot kennis van de waarheid, en je vertrouwt erop dat Jezus die waarheid is – want Hij is de weg, de waarheid en het leven. Maar nu moet je ook deze Jezus gehoorzamen. “Maar wie de waarheid doet, komt tot het licht, opdat van zijn werken openbaar wordt dat zij in God gedaan zijn.” Nu is er ook een handelen betrokken in het geloof. Maar de volgorde is heel belangrijk. Het doen van de waarheid, volgt op het geloof in de Waarachtige, en dat is gebaseerd op een vertrouwen in de kennis van de waarheid die men heeft gekregen door de prediking. Het is allemaal niet los te verkrijgen. Zonder geloof is de kennis van de waarheid alleen maar historische kennis. Zonder het doen van de waarheid, is het wat Jacobus noemde, een “dood geloof.” Maar zonder de kennis van de waarheid, is het geloof onbepaald, en er is wel een doen, maar geen doen “van de waarheid.” Anders gezegd, we kunnen van alles en nog wat doen, maar dat wil niet zeggen dat we daarin gehoorzamen aan de wil van God. En dan zijn het “dode werken”. Het is trouwens wel aardig dat we bij Jacobus het idee vinden dat “het geloof zonder de werken dood” is (Jac. 2:26) en in de brief aan de Hebreeën de uitdrukking vinden: “bekering van dode werken.” (Hebr. 6:1) Dat zijn werken zonder geloof. Sommige mensen spannen zich enorm in om dingen te doen, die in Gods ogen “dode werken” zijn, omdat het leven van God daarin ontbreekt. Dat kunnen allerlei religieuze rituelen zijn, of daden van fatsoen en algemene moraliteit, die tegenover God geen betekenis hebben. Alles wat in ongehoorzaamheid tegenover God gedaan wordt, is zonde.

Waarom zijn er mensen die niet in Jezus Christus geloven? Het antwoord op die vraag lezen we in vers 20. Mensen hebben de duisternis lief. Ze houden van hun zonden. En ze willen niet tot Jezus Christus naderen, omdat Hij een licht werpt in die duisternis en die zonde ontmaskert. Het gaat er niet omdat ze het verstand missen. Het gaat er niet om een misverstand. Het gaat om de morele duisternis. Dat is niet simpelweg dat ongelovigen een naar menselijke maatstaven slecht leven zouden leiden. Want dat is meestal niet het geval. Maar wie tot geloof komt, staat geheel en al naakt en weerloos tegenover zijn schepper. Alles wordt openbaar. Elke slechte motivatie, elke weerstand en rebellie, komt aan het licht. Wie van zichzelf wil denken dat hij of zij een goed mens is, wil niet zo diep in zichzelf kijken. Die wil leven aan de oppervlakte, onder de dekmantel van de duisternis. Die wil de “slechte werken” bedekken (vers 19). En opnieuw, die slechte werken zijn niet per se immorele daden, maar wel eigenmachtige daden in ongehoorzaamheid van God. Het gaat om de tegenstelling tussen werken die in God gedaan zijn, en werken die niet in God gedaan zijn en om die reden slecht zijn. De kern van alles is dus dat men het licht niet wil omdat men niet ontmaskerd wil worden, omdat men niet wil weten dat zelfs de eigen goede daden uiteindelijk tegenover God – de enige absolute maatstaf – betekenisloos zijn.

Er wordt in de moderne evangelische prediking, vaak op een psychologische manier tegen mensen gesproken. Er wordt gezegd dat Jezus je gelukkig zal maken, je een beter leven zal geven, je relatieproblemen zal oplossen, en je rijker zal maken. Maar dat geeft alleen maar valse bekeerlingen. Op die manier wordt geen licht geworpen op de duisternis waarin mensen leven, en op het feit dat ze niet willen dat hun slechte werken openbaar worden. In een dergelijke prediking wordt niet duidelijk gemaakt wat in de verkondiging van het evangelie juist gezegd moet worden, dat het licht van de zuivere gerechtigheid van Jezus Christus zo helder als maar mogelijk is op iemand moet vallen. Het gaat uiteindelijk om de wetteloosheid, de rebellie en de vijandschap tegen God, om de innerlijke zonde die iemand in zijn greep heeft, om de macht van de verslaving aan de zonden in al zijn lelijkheid. Het gaat om de ontdekking dat ik zonder dit Licht in duisternis leef en die duisternis eigenlijk liever heb dan het licht. En het gaat om de boodschap dat iemand zijn eigen oordeel bewerkt en bevestigt door Jezus Christus als het Lam van God te verloochenen. Iemand die die boodschap hoort, zal óf ver van jou wegrennen, óf hij zal in volle overgave naar de waarheid toe rennen.

De echte prediking van het evangelie is een licht dat in de duisternis schijnt, en dat doet pijn. Als sommigen zeggen dat ze liever naar een andere kerk gaan omdat de boodschap in hun kerk toch te duidelijk is, dat ze liever een woord horen waarbij ze nog zelf wat een ander kunnen bedenken, als ze niet willen horen dat ze zondaars zijn die het evangelie nodig hebben, als het niet willen horen dat Christus centraal staat in de eredienst en dat het hele christelijke leven uiteindelijk draait om de gehoorzaamheid aan Christus, dan betekent dat misschien dat ze liever wat meer in de schaduw zitten, liever wat meer genoeglijke duisternis om zich heen willen hebben. De waarheid van de Bijbelse boodschap klinkt niet aangenaam in de oren van mensen die de duisternis als een warme mantel om zich heen hebben gevouwen. Nicodemus kon in het begin van dit gesprek nog wel hier en daar een vraag stellen. Maar bij de uiteenzetting van Jezus over de betekenis van het geloof en de kracht van het licht valt hij stil. Juist het ontbreken van weerwoord is hier belangrijk. Nicodemus wordt aan zichzelf ontdekt. Maar dat is gaan doorwerken. Het heldere licht van de verkondiging die Jezus hier aan hem ligt, verdrijft uiteindelijk de duisternis. Hij neemt het in het Sanhedrin voor Jezus op. Aan het eind van dit evangelie is hij degene die Jezus begraaft. En we weten uit de traditie dat Nicodemus al zijn rijkdom verloor, onder de ban werd gedaan door het Sanhedrin, en daar kan uiteindelijk maar een reden voor zijn: Nicodemus is tot geloof gekomen in de Zoon van God, die ook voor hem het Lam van God werd, die zijn zonden droeg.

NAWOORD

Het geloof, waarmede geloofd wordt

Je zou als lid van de Protestantse Kerk de indruk kunnen krijgen dat Johannes de evangelist geen lid is van de PKN. Je zou kunnen denken dat deze uitleg van het evangelie naar Johannes prima past in de omgeving van een evangelische gemeente of behoort bij het gedachtengoed van de Baptisten, maar absoluut niet hoort bij een Gereformeerde of Hervormde Kerk.

Ik weet zeker dat dat niet zo is. Zondag 7 van de Heidelberger Catechismus bevestigt dat. Vraag 21 luidt: “wat is een oprecht geloof?” Die vraag is belangrijk, omdat de zaligheid, de behouden is, is voorbehouden aan “degenen, die Hem door een oprecht geloof worden ingelijfd en al zijn weldaden aannemen.” (Antwoord op vraag 20.) Het antwoord luidt als volgt:

Antwoord. Een oprecht geloof is niet alleen een zeker weten of kennis (notitia – RAV) , waardoor ik alles voor waarachtig houd, wat ons God in zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen (fiducia – RAV), hetwelk de Heilige Geest door het evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om de verdienste van Christus wil.

Is de verlossing erfelijk? Wordt zij al gegeven door de kinderdoop? Je zou kunnen denken dat verlossing net zo werkt als de macht van de zonden uit het verleden. Het wordt van de ene generatie op de andere doorgegeven. Immers, God doet toch barmhartigheid aan duizenden geslachten van hen die Hem vrezen?

Precies dezelfde accenten die we gevonden hebben in het evangelie naar Johannes, komen ook in de Catechismus aan de orde. Het woord “inlijven” in het antwoord op vraag 20 verwijst naar de wedergeboorte, en de uitdrukking “door een oprecht geloof” geeft niet weer wat de oorzaak is daarvan, maar het middel. Geloof is nadrukkelijk niet onze prestatie tegenover God. Zo wordt ook benadrukt dat het vaste vertrouwen (fiducia) door de Heilige Geest in mijn hart gewerkt wordt. Geloof is een gave, het vertrouwen wordt door God gewekt, de wedergeboorte is een werkelijke daad van God. En toch vinden we ook hier dezelfde heilzame tegenspraak, omdat wij wél de verantwoordelijkheid hebben te geloven en “Zijn weldaden aan te nemen.” Sterker nog dan bij Johannes, wordt hier in zekere zin de tegenspraak van de wedergeboorte en geloof afgezwakt, en benadrukt dat geloof een gave is. De wedergeboorte is dan de basis van het geloof, zoals de uitverkiezing dan weer de basis is van de wedergeboorte. Dat is langs de lijnen van het Calvinisme gedacht en daaruit komt het grootste deel van de Protestantse Kerk voort. Maar de denkrichting van de Heidelberger Catechismus is toch in beginsel dezelfde als in Johannes. De weg naar de behoudenis gaat van God uit. De onoverbrugbare kloof tussen God en de mens, wordt van God uit overbrugd. Wij hoeven niet naar de hemel op te klimmen, want Christus is van uit de hemel afgedaald. Geloven is dus eenvoudig een aannemen, wat door God al gedaan is. Het is een lege hand ophouden en de weldaden van Christus aannemen. Maar dat aannemen moet wél door de mens worden gedáán.

Er is geen fundamenteel verschil tussen wat de Protestantse Kerk in Nederland belijdt, en wat we gevonden hebben in het evangelie naar Johannes. Het is een en dezelfde boodschap. Maar hoe zit het dan met het geloof van de leden van de Protestantse Kerken? Het zou best kunnen dat die denken, dat de bekering een steeds herhaalde afkeer is van de fouten en zwakheden van het dagelijks leven. Het is mogelijk dat zij geloven dat de behoudenis in Christus aan alle mensen geschonken wordt en niet alleen aangeboden aan de wereld zoals Johannes leert, en dat eigen kinderen en kleinkinderen door de doop al behouden zijn. Het is mogelijk dat zij het niet belangrijk achten om persoonlijk Christus als verlosser aan te nemen. Het is mogelijk dat zij de kerk alleen maar zien als de gemeenschap van mensen die goede werken nastreven, en die de hoop koesteren dat bij een eventueel laatste oordeel, het gewicht van hun goede daden dat van hun slechte zal overtreffen. Het is heel goed mogelijk dat veel mensen in de Protestantse Kerk een dergelijk geloof aanhangen, dat feitelijk meer verwantschap vertoont met het geloof van de Islam, of met een joodse uitleg van het Oude Testament. En misschien dat daarom veel mensen confessionele gemeenten verlaten en die verruilen voor een vrijzinniger gemeente, omdat het licht van de waarheid hun genoeglijke duisternis verstoort. Omdat ze in hun hart verhard zijn en de waarheid niet willen en niet meer kunnen horen.

Ik bid tot God dat mijn diagnose niet klopt. Ik hoop nu eens helemaal ongelijk te hebben. Ik bid tot God dat mijn broeders en zusters in de Protestantse Kerken het evangelie gehoord hebben van hun voorgangers en het in hun hart hebben aangenomen. Wat aan het alternatief durf ik niet eens te denken.