Johannes (59) – Liefde en haat in Bethanië

Joh. 12:1-11

Elf hoofdstukken lang hebben we nu de zending van Jezus Christus gevolgd. In deze hoofdstukken wordt een periode van drie jaar beschreven, vanuit het perspectief van Johannes. Vooral de gebeurtenissen in Judea, tijdens het Paasfeest (3x), het Loofhuttenfeest en het Inwijdingsfeest kregen de volle aandacht. Zes wondertekenen zijn beschreven, die getuigenis afleggen van de Godheid van Jezus Christus. Dat loopt vanaf de bruiloft in Kana tot en met de opwekking van Lazarus. Dat is de manier waarop Johannes het vertelt, en we hebben ook gezien dat hij daarbij vooral wil aanvullen op wat de andere evangeliën ons al verteld hebben.

Vanaf hoofdstuk 12 tot en met 20 beschrijft Johannes de gebeurtenissen van één enkele week. Zo is het evangelie ook begonnen, met de week die voorafging aan de zending, met de getuigenissen van Johannes de Doper en de eerste discipelen. Nu beschrijft Johannes opnieuw een week, na de openbare zending van Jezus, de week van de arrestatie, het lijden, de kruisiging en de opstanding. Vanaf nu wordt alles buitengewoon intens. Al eerder hebben we de extreme reacties op Jezus meegemaakt. Er is geloof en er is ongeloof. Voor Johannes ligt daartussen een scherp contrast, hoewel hij in dit evangelie ook belicht dat er mensen zijn die er als het ware nog tussenin zitten. Nicodemus bijvoorbeeld, of de mensen die vanwege de tekenen in Jezus geloven.

Weten we iets over de tussenliggende periode? Jezus is volgens vers 54 van het vorige hoofdstuk enige tijd in het “land bij de woestijn” geweest. Dat ligt in het zuiden, bij de plaats waar Jezus door Johannes de Doper werd gedoopt. De stad Efraïm wordt genoemd, die in het Oude Testament Efron heette. (Zie 2 Kron. 13:19) Maar het is denkbaar dat Hij daar niet de hele tijd is gebleven, en dat Hij na enkele dagen alweer doorgereisd is. Tussen vers 54 en vers 55 van hoofdstuk 11 is er vermoedelijk een periode van enkele weken geweest. Het is mogelijk dat de terugreis naar Jeruzalem is beschreven vanaf Lukas 17:11 tot en met 19:27. Jezus is dan niet in Efraïm gebleven, maar is doorgereisd naar Galilea en vandaar weer terug gegaan naar Jeruzalem. Een reis van enkele weken dus, tussen de opwekking van Lazarus en de aankomst van Jezus voor het Paasfeest.

We beginnen nu met hoofdstuk 12. Jezus komt weer aan in Bethanië en het is nu zes dagen voor het Paasfeest, dat wil zeggen het is sabbat. De extreme reacties van geloof en ongeloof zullen vanaf nu nog scherper tegenover elkaar staan. En in ons gedeelte zien we de extremen gepersonifieerd in twee personen: Maria staat voor het geloof en Judas staat voor het ongeloof. Jezus komt naar Bethanië om de laatste sabbat van Zijn leven door te brengen met Zijn vrienden. Hij wilde die dag bij Maria, Martha en Lazarus zijn. Martha maakt een maaltijd voor Hem die Hij ook gedeeld heeft met de vrienden en buren vermoedelijk. Het is een avondmaaltijd, een deipnon in het Grieks, en Martha bediende, zoals altijd. We weten uit Mattheus 26 dat deze maaltijd werd gehouden in het huis van een man met de bijnaam Simon de melaatse. Die woonde dus ook in Bethanië. Dat moet iemand zijn geweest die door de Heer Jezus is genezen, een wonderbaarlijke genezing en eigenlijk net zo’n groot wonder als de opwekking van Lazarus. De gastheer is dus een genezen melaatse en een van de belangrijkste gasten is een man die uit de dood is opgewekt. Dat moet een interessant tafelgesprek hebben opgeleverd.

Laten we eerst eens kijken naar Martha. Martha bediende. En met die dienstbaarheid heeft zij God ook gediend. De Zoon des mensen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen – zegt Jezus Zelf in Mattheus 20:28. En dat houdt Hij Zijn discipelen ook voor: “wie onder u groot wil worden, die moet uw dienaar zijn; en wie onder u de eerste wil zijn, die moet uw slaaf zijn.” (vers 26 en 27.) Zo zegt Paulus in Galaten 5:13, “maar dien elkaar door de liefde.” En we zijn ook geroepen tot dienstbaarheid aan onze Heer, zoals Paulus kon zeggen in Hand. 20:19, dat hij “de Heere gediend [had] met alle nederigheid en veel tranen, en onder verzoekingen.”

Maar dan is er ook Maria. Vers 3: “Maria dan nam een pond zuivere narduszalf van zeer grote waarde, zalfde de voeten van Jezus en droogde Zijn voeten met haar haren af; en het huis werd vervuld met de geur van de zalf.” De beschrijving van wat Maria deed, heeft geen enkele theologische betekenis. Het is alleen maar symbolisch voor de liefde die zij had voor de Heer Jezus. Het is volledige, grenzeloze liefde geweest die tot elk offer bereid was. Ik denk niet dat ze er van tevoren over had nagedacht. Het is een opwelling van het hart geweest. Narduszalf komt van een zeer zeldzaam kruid, dat groeit in China en India. Daarom was het ook zo duur, omdat het vervoer zo kostbaar was. De olie werd gebruikt als parfum. Judas wist precies hoe duur het was: 300 denarii, 300 penningen. Dat is ongeveer een jaarloon. Buitengewoon kostbaar dus. Dergelijke olie werd gebruikt bij een begrafenis, of door vrouwen om het huis te laten geuren bij een feestelijke gebeurtenis. Omdat een lijk niet werd gebalsemd, werd de olie gebruikt op de lijkwade om de geur van bederf een beetje te dempen. Hetzelfde heeft later Nicodemus gedaan bij de begrafenis van Jezus.

We weten uit Marcus 14:3 dat Maria deze kostbare olie over het hoofd van Jezus heeft uitgegoten, nadat zij de albasten fles gebroken had waarin het werd bewaard. Dat is nog de oorspronkelijke verpakking geweest want in dergelijke uit steen vervaardigde containers werd deze olie vervoerd. Uit Johannes 12 leren we dat de olie doordruppelde tot aan de voeten van Jezus. (In Mat. 26:12 zegt Jezus dan ook dat Maria Zijn héle lichaam gezalfd had.) Dan maakt ze haar haren los, wat tegen de etiquette van die tijd inging – dat doet een vrouw niet in het openbaar. En dan gebruikt ze haar haren om de voeten van Jezus mee schoon te vegen. Ze doet dus hetzelfde, wat een onbekende prostituee voor hem deed in het huis van een Farizeeër in Galilea, zoals we lezen in Lukas 7. En daar wordt ook beschreven hoe schokkend die gebeurtenis was in de ogen van de Farizeeën. Dit in het openbaar? (Aangeraakt worden door een vrouw? En dergelijke intieme gebeurtenis in het openbaar? Als Jezus een profeet was geweest, had Hij moeten weten dat deze vrouw een zondares was.) Want er zijn vele getuigen hier: Maria, Martha, Lazarus, de 12 discipelen, Jezus Zelf, vermoedelijk nog andere familieleden en buren, en Simon de melaatse. Er moet een bedremmelde stilte gevallen zijn.

Terwijl ze nog nadenken over het gebaar van Maria, worden ze onderbroken door een opmerking van Judas. En meteen wordt ook aangegeven uit welke houding deze reactie komt, nl. in vers 4, en daarna zelfs een uitvoerige uitleg over het motief achter zijn opmerking, in vers 6. Wat zegt Judas? Vers vijf: “Waarom is deze zalf niet voor 300 penningen verkocht en aan de armen gegeven?” Wie is deze Judas? Dat wordt eerst vermeld in vers 4: Judas Iskariot is zijn naam, de zoon van Simon, die Hem verraden zou. En dan de directe reden voor hem om dit te zeggen in vers 6: “En dit zei hij niet omdat hij zich bekommerde om de armen, maar omdat hij een dief was, en de beurs beheerde en droeg wat gegeven werd.”

Daar heb je dus het contrast. Aan de ene kant een diep doorleefde uiting van liefde en toewijding van Maria. En dan de heftige aanval op Maria van de man die in staat was om Jezus te verraden. Judas moet gedacht hebben dat het volgen van Jezus hem uiteindelijk macht en rijkdom zou brengen. Maar de zending van Jezus loopt niet in de richting die Judas wilde. Terwijl alle anderen groeien in hun liefde voor Jezus, groeit in Judas alleen maar de haat. Maar nu hij er voor gekozen heeft om te blijven doen alsof hij werkelijk tot de discipelen van Jezus behoort, moet hij dat volhouden. Hij probeert dus nu tegenover Maria iets te zeggen wat juist heel vroom en gelovig moet klinken. “Kijk eens, Meester, heb ik de verkondiging van het koninkrijk niet heel goed begrepen? Het koninkrijk is toch voor de armen?” Het is op het eerste gezicht zo vroom dat sommige van de discipelen daarin helemaal meegaan. In Markus 14 lezen we immers: “en er waren er sommigen die verontwaardigd waren bij zichzelf en zeiden: Waartoe diende deze verkwisting van de zalf?… En zij vielen scherp tegen haar uit.” (Mk. 14:4, 5) En ook in Mattheus 26 lezen we dat de “discipelen [die] dat zagen, verontwaardigd waren en zeiden: Waartoe deze verkwisting?” Maar Johannes weet wat er in werkelijkheid achter de kritiek van Judas verborgen zat. Toen deze in de gaten kreeg dat de weg van Jezus zou leiden naar de ondergang, begon hij voor zichzelf een deel van het geld weg te nemen. Hij had graag ook zijn handen gelegd op de 300 penningen. Daarom was hij er ook klaar voor om Jezus uiteindelijk voor geld te verraden. Voor slechts 30 penningen trouwens.

De geur van de narduszalf vervult het huis: toewijding en liefde. Het gif van de woorden van Judas verpest de atmosfeer: verontwaardiging over Maria, verdeeldheid onderling. De liefde van Maria en de haat van Judas; geloof tegenover ongeloof en de discipelen, althans sommigen van hen, staan hier tussen die beide extremen. Maar dan. In vers 7 komt het antwoord van Jezus. “Laat haar begaan.” Dat is het eerste. Een duidelijke keuze voor Maria en tegen de woorden van Judas. En dan het tweede: “zij heeft dit bewaard met het oog op de dag van Mijn begrafenis.” In Markus 14: “zij heeft van tevoren Mijn lichaam gezalfd voor de begrafenis.” In Mattheus 26 “want toen zij deze zalf op Mijn lichaam goot, deed zij dat als voorbereiding op Mijn begrafenis.” Heeft Maria dat zelf zo bedoeld? Dat weten we niet, want wij horen niet dat zij nog iets gezegd heeft. Maar het is duidelijk dat Jezus het zo heeft opgevat. In ieder geval neemt Hij het resoluut voor haar op. Wat misschien alleen bedoeld was als een extreme uiting van liefde en toewijding, is in de ogen van Jezus een symbool van Zijn dood en begrafenis. En dan het derde: “Want de armen hebt u altijd bij u, maar Mij hebt u niet altijd.” Ik vind dat een ontroerende zin. Sommige van de discipelen, en ogenschijnlijk ook Judas, hebben hun zorg voor de armen geuit. En dat is zeker een belangrijk element van de verkondiging van het koninkrijk: Gods liefdevolle zorg richt zich tot armen, weduwen, vreemdelingen en wezen. Maar hier staat in hun midden een arme bij uitstek. Hoe kunnen zij de weg die Jezus gaat naar het kruis, Zijn liefdevolle opoffering waarin Hij alles heeft prijsgegeven – Zijn godheid heeft neergelegd, Zich vernederde tot een menselijk bestaan, tot de dood aan het kruis aan toe – over het hoofd zien? Als zij niet bij machte zijn om de armoede van Jezus onder ogen te zien, die Zichzelf geeft voor zondaars, hoe kunnen ze dan werkelijk de armoede van de armen zien? De armoede van Jezus, daar gaat het om. Zoals Paulus zegt in 2 Kor. 8:9, “Want u kent de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij omwille van u arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat u door Zijn armoede rijk zou worden.”

Ons gedeelte eindigt met een korte vermelding van twee andere reacties. Eerst in vers 9 de “grote menigte” die naar Bethanië gaan om Jezus en Lazarus te zien. Die menigte zal op zondag jubelen wanneer Jezus op een ezeltje de stad binnentrekt. “Hosanna! Gezegend is Hij Die komt in de Naam van de Heere, de Koning van Israël!” En diezelfde menigte zal op vrijdag uitroepen: kruisig Hem! En omdat velen van hen op dat moment in Jezus geloofden – zegt vers 11 – krijgen we een wonderlijke inkijk in de gedachten van de overpriesters. Vers 10: “En de overpriesters beraadslaagden om ook Lazarus te doden.” Dat was in hun ogen de meest effectieve manier om het wonder van de opwekking van Lazarus te bestrijden. Stuur Lazarus terug naar het graf waaruit hij gekomen is! Dan heeft niemand het er meer over!

Vijf reacties op Jezus. De dienstbaarheid van Martha, de liefde van Maria, de haat van Judas, de verwarring bij de discipelen en de onverschilligheid van de menigte die begint met Hosanna en eindigt met Kruisigt Hem. Het koninkrijk van God is waar mensen Jezus liefhebben en Hem dienen. Er zijn mensen die openlijk zich tegen het evangelie gekeerd hebben. Er zijn mensen die in hun hart Jezus hebben afgewezen, terwijl ze zich toch nog als christenen voordoen. Er zijn mensen die Jezus verwelkomen als rebel, als kampioen van verdraagzaamheid en naastenliefde, maar Hem niet willen accepteren als de Zoon van God, en al helemaal niet als het Lam van God dat de zonden van de wereld draagt. Zo was het toen, zo is het nu. Maar er zal altijd een minderheid zijn die in Jezus gelooft en Hem dient en liefheeft.

Johannes (56) – Jezus weende

Joh. 11:28-35

Gelooft u dat? Jezus zegt tegen Martha dat Hij de Opstanding en het Leven is. Geloof je dat, Martha? En Martha zegt: “Ja, Heere.” Ze heeft al geloofd dat Hij “de Christus is, de Zoon van God, Die in de wereld komen zou.” Zij weet nog niets over de kruisiging en Zijn opstanding. Dat moest nog gebeuren. Martha is een voorbeeld van een gelovige onder het verbond van God met Israël. Wij zijn gelovigen van het nieuwe verbond, omdat wij leven na de opstanding. Maar eigenlijk zijn wij niet te beschouwen als twee verschillende soorten van gelovigen. Martha geloofde in de Zoon van God, evenals wij.

Geloof je het evangelie? Bij alles wat we gelezen hebben uit het evangelie naar Johannes is dat in zekere zin de kernvraag. Je leest het, je neemt er kennis van, maar geloof je het ook? Als je het niet gelooft, dan is het niet omdat er geen betrouwbare getuigenissen zijn geweest. Het is niet de dwingende reden om het evangelie te geloven, want geloof is geen verstandelijk inzicht maar het buigen van de wil voor God, maar het zijn wel die getuigenissen die je ertoe kunnen brengen. Als je eenmaal het wonder hebt meegemaakt dat je het gelooft, valt het wel op hoeveel getuigen het geloof onderbouwen. Er zijn ooggetuigen geweest van de opwekking van Lazarus, er zijn ooggetuigen geweest van het lege graf en de verschijningen van Jezus na Zijn opstanding, en op een enkel moment was er zelfs een verschijning van Jezus aan meer dan 500 mensen.

Vanuit de veilige afstand die wij nu hebben in de tijd, is dat makkelijk aan te vechten. De getuigen hebben gelogen, zijn misleid, zijn verzonnen door de schrijver van dit evangelie. Je kunt die vraag te stellen. Maar dat het mogelijk is om een getuige aan te vechten, maakt die getuigen niet onbetrouwbaar. Om een getuigenis te weerleggen, moet je er een ander getuigenis naast kunnen leggen dat het tegenspreekt. Een getuige dus die kan verklaren, dat de opwekking van Lazarus niet heeft plaatsgevonden, Jezus niet is verschenen, er een dringende reden was om te liegen. Maar dat is wat modern ongeloof nooit doet. Als in een rechtszaak vele getuigen komen uitleggen wat naar hun beleving de ware toedracht is, en nergens getuigen kunnen worden gevonden die het tegendeel beweren, wat zal normaal gesproken een rechter dan doen?

Wat het moderne ongeloof altijd doet, is niet wat het zou moeten doen, nl. een getuige produceren die geloofwaardig het tegendeel beweert, maar het doet sinds de 18e eeuw een beroep op algemeen erkende wetenschappelijke inzichten. Zo kun je leren van de medische wetenschap en de biologie, dat het lichaam van een gestorvene na vier dagen in het graf zozeer aan bederf onderhevig is geweest, dat het ondenkbaar is dat we met schijndood te maken hebben. Zo kun je leren van de medische wetenschap dat opstandingen uit de dood niet plaatsvinden omdat dat een wetenschappelijke onmogelijkheid is. Het bederf waaraan een lijk onderhevig is, kan niet worden teruggedraaid; dat is ook een algemene wet in het heelal. Er is geen proces denkbaar waarmee je een gebakken ei weer kunt omvormen tot een rauw ei. Maar de getuigen van de opwekking van Lazarus zijn ook niet ooggetuigen geweest van een natuurwet in actie. Ze hebben een daad van de schepper meegemaakt. Als je van tevoren uitsluit, op grond van een principieel ongeloof, dat er een God is die het onmogelijke kan laten gebeuren, die iets uit niets kan laten ontstaan, die spreekt en het is er, dan moet je de getuigen van het nieuwe testament principieel afwijzen.

In het 11e hoofdstuk van dit evangelie wordt duidelijk dat de getuigen van de opwekking van Lazarus in ieder geval geen misleide mensen waren, maar dat zij zelf helemaal niet van tevoren al geloofden in de mogelijkheid van een opwekking uit de doden. Martha gelooft dat haar broer weer zal leven op de laatste dag, maar zij gelooft niet dat Jezus bij machte is om het daar en toen ook al te laten plaatsvinden. Datzelfde geldt voor Maria. Hun “vooroordeel” was gebaseerd op vroegere ervaringen. Zij wisten dat Jezus iemand kon genezen, kon redden van de dood, en misschien zelfs uit de dood kon terughalen als iemand net gestorven was. Maar ook zij begrepen, dat het gebakken ei geen rauw ei kan worden, dat het verval van het lijk van Lazarus niet kon worden teruggedraaid. Of zij dat nu begrepen met wetenschappelijk inzicht of door hun normale verstand, maakt in zekere zin niets uit. Zij zijn getuige geweest van iets, wat tegen hun levenservaring en verstand en zelfs hun geloof inging. Zij wisten: Lazarus is gestorven, wij hebben hem begraven, hij is nu vier dagen in het graf, zijn lichaam is bezig uiteen te vallen. Einde verhaal.

Martha gelooft wat Jezus tegen haar gezegd heeft, omdat zij Jezus vertrouwde. Maar het is de vraag of zij het heeft begrepen, en het is de vraag of haar geloof al tot zekerheid gerijpt was. In vers 28 gaat Martha bij Jezus weg om Maria te roepen. Het lijkt erop dat Jezus haar die opdracht ook heeft gegeven want Martha zegt tegen haar zuster: “de Meester is er en Hij roept u.” Jezus blijft nog even buiten het dorp staan. We lezen in vers 29 dat Maria meteen naar Hem toe gaat. Maar Maria komt niet alleen. Vers 31: “toen dan de Joden, die met haar in het huis waren en haar troostten, zagen dat Maria snel opstond en naar buiten ging, volgden zij haar en zeiden: Ze gaat naar het graf om daar te huilen.” Zo is er straks een grote groep van getuigen.

Maria is ontroostbaar. Zelfs na vier dagen heeft het verdriet haar nog steeds volledig in de greep. En ook het verwijt is nog sterk in haar hart, dat waarschijnlijk door Martha bedacht is en aan Maria is doorgegeven. “Heere, als U hier geweest was, zou mijn broer niet gestorven zijn.” Maria huilt en de Joden die met haar meegekomen waren huilden ook. Het is een sterk woord in het Grieks. (klaioo) Het is snikken, en weeklagen, vanwege een verdriet dat zo sterk is, dat heel je lichaam ervan schokt. En dan horen we van de reactie van Jezus in vers 33: “Toen Jezus haar dan zag huilen, en ook de Joden die met haar meekwamen, zag huilen, werd Hij heftig in de geest bewogen en raakte innerlijk in beroering.” Wat betekent dat, “innerlijk in beroering” zijn? Het kan betekenen dat je diepe emoties voelt, het kan betekenen dat je heel erg boos bent of verontwaardigd. Het is een innerlijk kreunen, een pijn in je ingewanden en verwarring. Verdriet, gelatenheid, lijdzaamheid, woede – al die emoties grijpen Jezus aan in Zijn geest. Letterlijk staat er: “bracht Zichzelf in beroering.” Ik denk dat dat betekent dat Jezus hier toelaat om te voelen wat Maria en haar bezoekers gevoeld hebben. Is dat niet wat de brief aan de Hebreeën ons ook duidelijk maakt? Jezus moest deel krijgen aan vlees en bloed (Heb. 2:14) en in alles aan Zijn broeders gelijk worden (Heb. 2:17). Daarom mogen we weten dat Jezus waarachtig begrijpt wat het betekent om iemand te verliezen die je liefhebt – Lazarus heet ook een vriend van Jezus: “hij die U lief hebt, is ziek.” (Joh. 11:3) Maar Jezus voelt hier ook de pijn vanwege het ongeloof dat dit verdriet bij Martha en Maria heeft gevoed. Jezus begrijpt de pijn en het lijden van elk mens, ook van degene die zichzelf door hun ongeloof van God hebben vervreemd.

Het is opvallend dat Martha en Maria en hun gasten naar Hem toe moeten komen. Waarom is dat? Waarom gaat Jezus niet het huis van de rouw binnen? Ik denk dat dit de reden is. Om te zien dat Hij de macht over de dood heeft, moeten ze het huis van rouw verlaten. Ik denk dat daar een prachtige betekenis in ligt. Ze verlaten het huis van de rouw, waar ze aan hun eigen gevoelens zijn overgelaten, om naar het graf toe te gaan. Dat betekent dat ze de dood en alle realiteit van het menselijke sterven onder ogen moeten zien. Niet opgesloten raken in je verdriet, maar de oorzaak ervan onder ogen zien, dat is het eerste. Ze gaan daarom naar het graf. Maar daardoor komen ze ook bij Jezus, die daar al is. Hij is aanwezig in en bij die realiteit van de dood. Hij heeft net uitgesproken dat Hij de Opstanding en het Leven is. Hij heeft de dood tegengesproken, althans duidelijk gemaakt dat de dood niet het laatste Woord heeft, maar dat Hij dit laatste Woord spreken zal. Die twee dingen gaan dus samen.

En misschien kun je als derde element de rouwklacht noemen, het werkelijk beleven en ervaren van het tragische van de dood. Die machtiger lijkt te zijn dan liefde. Jezus houdt hen niet tegen in hun verdriet, in hun huilen. Hij huilt ook en er staat zelfs dat Hij weende. Daarmee wordt tegen iedereen gezegd dat het verdriet van het afscheid menselijk en waarachtig is. De Stoïcijnen zouden het niet goedkeuren, en zouden zeggen dat je je wijsgerige onverstoorbaarheid zelfs niet moet verliezen tegenover de dood. De Pythagoreeërs zouden zeggen dat je niet hoeft te wenen bij een graf, omdat de onsterfelijke ziel toch wel weer in een ander lichaam zal terugkeren. Maar voor Jezus is dit huilen en weeklagen terecht, het is een uiting van liefde die iemand wil vasthouden, het is een uiting van dankbaarheid en waardering voor het menselijke leven dat zo kort is, maar toch zo’n prachtig geschenk van de Schepper. Daarom hoort dat erbij.

Deze drie dingen zijn dus de voorbereiding: het huis van de rouw verlaten om naar het graf gegaan, om naar Jezus te gaan, in het volle besef van de realiteit van de dood. Om dan te ontdekken dat Jezus niet is gekomen om mensen aan die pijn, aan die tragische ervaring van het definitieve verlies, aan de macht van de dood en de duivel over te laten. Hij is gekomen om hun geloof te wekken zodat ze daarvan verlost zouden worden. Daarom vraagt Hij waar ze Lazarus hebben gelegd. Niet dat Hij niet weet waar dat graf is, maar Hij vraagt het opdat allen met Hem mee zouden gaan.

En dan komen we bij vers 35, het kortste vers in de bijbel, slechts twee woorden. “Jezus weende.” Hier wordt een ander woord gebruikt dan wat we net tegenkwamen. (Niet klaioo, maar dakruoo.) Dit is niet het luide, expressieve “huilen” en weeklagen van Maria, maar dit woord betekent dat plotseling de tranen over je wangen biggelen, het is een stil janken, een uitbarsting van verdriet naar binnen toe, zonder geluid. Dit is de Man van smarten uit Jesaja 53. Dit is de Man van wie gezegd wordt dat Hij ons leed heeft gedragen, die de ziekte van anderen heeft gedragen evenals hun zonden. En zo, midden in het evangelie dat ons Jezus voorstelt als de waarachtige en volmaakte Zoon van God, is Hij volledig en volmaakt de Zoon des mensen. Jezus weende. Wanneer Hij ziet wat er omgaat in de harten van Maria en Martha, dan voelt Hij Zijn eigen verlies, en het verlies van de zusters, en hij voelt het ongeloof van de menigte, en de pijn van alle mensen in alle tijden. Dit is de barmhartige en getrouwe Hogepriester, die mee kan voelen met de gelovigen, en daarom namens ons kan pleiten bij God. Hij is een Hogepriester die “medelijden kan hebben met onze zwakheden, en die in alles op dezelfde wijze is verzocht, maar zonder zonde.” (Heb. 4:15)