Het Woord van God is een onuitputtelijke bron. Het is een bron van levend water, dat wil zeggen water dat ons zo verzadigt dat we geen dorst meer hebben. Alles wat een predikant kan aanbieden en alles wat hij schrijft, is alleen maar het aanreiken van een drinkbeker die het mogelijk maakt om uit die ene bron te putten.
U bent de bron van licht en leven
bron van genâ voor wie gelooft
u wilt geluk en vrede geven
al wat uw Woord ons heeft beloofd
Ik heb gemerkt dat in de Kerk, en dat geldt voor de gewone kerkganger net zo goed als voor de leiding van de Kindernevendienst of voor ouderlingen, de Bijbel toch vooral geschiedenis is. En het is waar dat de Bijbelse geschiedenis ons schijnbaar in ieder geval het makkelijkste aanspreekt. In de kerken die ik tot dusver gediend heb, is de boodschap van het evangelie de eenvoudige gedachte dat God ons heeft vergeven en nu wil dat we een goed leven leiden. De rest is (Bijbelse) geschiedenis. Men zoekt in die geschiedenis het persoonlijke, het herkenbare van het dagelijkse leven, het voorbeeld van hoe de eenvoudige boodschap van het bestaan van God en Zijn genade in het dagelijkse leven verschil kan maken.
Als we kijken naar de volle inhoud van de Bijbel – de diepere laag achter de verhalen in Genesis, de politieke kritiek van de zogenaamde Historische boeken, de oordelende redevoeringen van de Profeten, de wonderbare Persoon van Christus in de Evangeliën, de diepe uitleg van het geheim van het Evangelie in de Brieven, de kritiek op de kerk en haar geschiedenis in het boek Openbaring – is deze fascinatie door de Bijbelse geschiedenis niet meer dan de kleuterschool.
Het zal velen verbazen, maar het christelijk geloof is ook een leerschool. De schrijver van de brief aan de Hebreeën roept zijn lezers op om niet meer in de kleuterschool te blijven. Het wordt tijd om de overgang te maken naar een volgend stadium. Hij schrijft in hoofdstuk vijf dat de Heere Jezus een Hogepriester is geworden. Daarover zouden vele dingen te vertellen zijn en het is niet eenvoudig om te verstaan wat dit inhoudt – “zwaar om te verklaren.” Maar dat ligt aan de hoorder! “Omdat gij traag om te horen geworden zijt.” (5:11)
In de lange tijd dat zijn lezers in het christelijk leven staan, hadden ze al zoveel moeten leren dat ze geschikt waren geworden om leraar van het christendom te zijn. Maar zijn lezers hebben die tijd verspild. Het is “opnieuw nodig dat men u de eerste beginselen van het woord van God leert; u bent geworden als diegene die melk nodig hebben en vaste spijs niet verdragen.” (Vers 12)
De hoorders zijn dus onervaren in het lezen en verklaren van het woord van God. Ze zijn “onervaren in het woord der gerechtigheid.” En daarmee zijn ze te vergelijken met kinderen, niet omdat ze kinderlijk zijn maar omdat ze nog naar school moeten, nog onderwijs nodig hebben. En dat soms niet eens beseffen.
De eenvoudige basis van het evangelie – “het beginsel van de leer van Christus” – moet nu langzamerhand het fundament zijn geworden, waarop de rest van het gebouw kan worden opgebouwd. Het zou niet nodig moeten zijn om dit fundament opnieuw te leggen. Maar als het ontbreekt zal het wel moeten. Wat zou men als “kind” in het geloof dan al allemaal moeten weten om voort te kunnen gaan tot een volmaakter kennis? De schrijver noemt het: “het fundament van de bekering van dode werken, en van het geloof in God, van de leer van de doop, van de oplegging der handen, van de opstanding der doden van het eeuwige oordeel.”
Wat wordt iedereen die christen is dus geacht te verstaan? Wat is dan de catechisatie die iedereen gehad moet hebben? Dan volgen in de brief de zes artikelen.
- Bekering van dode werken – de bekering dus tot de levende God, het aannemen van het evangelie van Jezus Christus, het leven in de kracht van de Heilige Geest. En die bekering als een toewending naar “levende werken”, de goede werken “die God van tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.” (Efeze 2:10)
- Het geloof in God – niet de eenvoudige overtuiging dat er een God bestaat, maar dat deze God Vader, Zoon, en Heilige Geest is. De God en Vader van Jezus Christus dus kennen.
- De leer van de doop – dat de doop met water het aangaan van een verbond is, dat het gedoopte kind als volwassene zal moeten bevestigen met de belijdenis, dat de doop met het water de uiterlijke vorm is van de innerlijke doop met de Heilige Geest. Dat gedoopt zijn de inlijving van een persoon in het lichaam van Christus betekent.
- De oplegging der handen – het besef dus dat de leraren in de gemeente in een traditieketen staan die teruggaat tot op de apostelen. Dat het ambt van Christus in de gemeente werkt, en dat de Heilige Geest in de gemeente die gaven uitdeelt en bedient zoals Hij wil.
- De opstanding der doden – zodat de gelovige niet meer leeft in de angst voor de dood en daardoor een andere kijk op het leven heeft. En leeft in het besef dat de dag komen zal waarop alle doden zullen opstaan en worden geoordeeld door onze Heer Jezus Christus.
- Het eeuwige oordeel – Gods gerechtigheid zal uiteindelijk alles helder maken. Wie zich tegen Gods wil voor eeuwig blijft verzetten, zal Hij ook voor eeuwig van de gemeenschap met Hem uitsluiten. Maar wie in Christus Jezus is aangenomen als kind van God, zal in de eeuwigheid Gods Heerlijkheid delen.
Dat is het fundament dat gelijk staat aan het “woord der gerechtigheid” waarmee de onderscheiding tussen goed en kwaad in het christelijk leven mogelijk wordt. (5:14) Deze theologische inzichten maken het morele leven dus mogelijk! Wie had dat gedacht?! Dat je dus moet indringen in de geheimen en de diepte van het evangelie om goed te kunnen leven!
Dat fundament moet in ieders leven gelegd zijn. Die kennis en dat inzicht moeten er zijn om te kunnen zeggen dat wij een christelijk leven leiden. Maar als dat fundament er eenmaal is, is het mogelijk en noodzakelijk om voort te gaan in de opbouw van onze kennis. Want het is de bedoeling, schrijft Paulus, dat “Christus door het geloof in uw harten woont en u in de liefde geworteld en bevestigd bent,” en dan in vers 18 “opdat u ten volle zou kunnen begrijpen, samen met alle heiligen, wat de breedte en de lengte en de diepte en de hoogte is.” (Efeze 3:18)
Door deze aandacht voor het volmaakte Woord van God, door ons weer te concentreren op Jezus Christus die God zijn Vader volledig heeft geopenbaard, kunnen we samen “komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volkomen mens, tot de maat van de grootte van de volheid van Christus.” (Efeze 4:13) Het is dus ook nog eens een voorwaarde van een zinvolle oecumene – eenheid van het geloof.
Ik bid tot de God wiens evangelie ik dien, dat de gemeente van Christus weer terug mag gaan naar de volmaakte Bron van het Woord van God.
Vind-ik-leuk Aan het laden...