De blinde Bartimeüs – Markus 1:46-52 – De lijdensgeschiedenis van Markus (2)

Samenvatting van de Bijbelbespreking van donderdag 5 maart 2015

De genezingen die in Markus zijn vermeld, hebben niet alleen tot doen iemand te helpen om weer geheel en al in het leven te staan. Ze hebben vaak ook een bijzondere symbolische betekenis. Zo is de genezing van een melaatse nadrukkelijk ook een reiniging – een melaatse was vanwege zijn huidziekte uitgesloten van de toegang tot de Tempel en moest buiten de stad bedelen om in leven te blijven tot hij genezen was. De vrouw die aan bloedvloeingen lijdt, was geheel en al buitengesloten van het religieuze leven en dat gold ook voor de invalide in het badhuis van Bethesda. De genezing van een blinde heeft ongetwijfeld als bijbetekenis dat iemand nu in staat is Jezus werkelijk te zien. De ogen van de ziel worden geopend. De uitdrijvingen van demonen, zoals van de man die in de graven woonde in het land van de Gergasenen wil laten zien dat ook de ontreddering en het totale verlies aan rust en levenszekerheid door de macht van het kwade onder het gezag van Jezus vallen. In ons gedeelte is vooral de blindheid aan de orde – de verblinding van de Farizeeën en Sadduceeën, maar ook de bijziendheid van de discipelen. Lees verder “De blinde Bartimeüs – Markus 1:46-52 – De lijdensgeschiedenis van Markus (2)”

Terug naar de Bron van Gods Woord

Het Woord van God is een onuitputtelijke bron. Het is een bron van levend water, dat wil zeggen water dat ons zo verzadigt dat we geen dorst meer hebben. Alles wat een predikant kan aanbieden en alles wat hij schrijft, is alleen maar het aanreiken van een drinkbeker die het mogelijk maakt om uit die ene bron te putten.

U bent de bron van licht en leven
bron van genâ voor wie gelooft
u wilt geluk en vrede geven
al wat uw Woord ons heeft beloofd

Ik heb gemerkt dat in de Kerk, en dat geldt voor de gewone kerkganger net zo goed als voor de leiding van de Kindernevendienst of voor ouderlingen, de Bijbel toch vooral geschiedenis is. En het is waar dat de Bijbelse geschiedenis ons schijnbaar in ieder geval het makkelijkste aanspreekt. In de kerken die ik tot dusver gediend heb, is de boodschap van het evangelie de eenvoudige gedachte dat God ons heeft vergeven en nu wil dat we een goed leven leiden. De rest is (Bijbelse) geschiedenis. Men zoekt in die geschiedenis het persoonlijke, het herkenbare van het dagelijkse leven, het voorbeeld van hoe de eenvoudige boodschap van het bestaan van God en Zijn genade in het dagelijkse leven verschil kan maken.

Als we kijken naar de volle inhoud van de Bijbel – de diepere laag achter de verhalen in Genesis, de politieke kritiek van de zogenaamde Historische boeken, de oordelende redevoeringen van de Profeten, de wonderbare Persoon van Christus in de Evangeliën, de diepe uitleg van het geheim van het Evangelie in de Brieven, de kritiek op de kerk en haar geschiedenis in het boek Openbaring – is deze fascinatie door de Bijbelse geschiedenis niet meer dan de kleuterschool.

Het zal velen verbazen, maar het christelijk geloof is ook een leerschool. De schrijver van de brief aan de Hebreeën roept zijn lezers op om niet meer in de kleuterschool te blijven. Het wordt tijd om de overgang te maken naar een volgend stadium. Hij schrijft in hoofdstuk vijf dat de Heere Jezus een Hogepriester is geworden. Daarover zouden vele dingen te vertellen zijn en het is niet eenvoudig om te verstaan wat dit inhoudt – “zwaar om te verklaren.” Maar dat ligt aan de hoorder! “Omdat gij traag om te horen geworden zijt.” (5:11)

In de lange tijd dat zijn lezers in het christelijk leven staan, hadden ze al zoveel moeten leren dat ze geschikt waren geworden om leraar van het christendom te zijn. Maar zijn lezers hebben die tijd verspild. Het is “opnieuw nodig dat men u de eerste beginselen van het woord van God leert; u bent geworden als diegene die melk nodig hebben en vaste spijs niet verdragen.” (Vers 12)

De hoorders zijn dus onervaren in het lezen en verklaren van het woord van God. Ze zijn “onervaren in het woord der gerechtigheid.” En daarmee zijn ze te vergelijken met kinderen, niet omdat ze kinderlijk zijn maar omdat ze nog naar school moeten, nog onderwijs nodig hebben. En dat soms niet eens beseffen.

De eenvoudige basis van het evangelie – “het beginsel van de leer van Christus” – moet nu langzamerhand het fundament zijn geworden, waarop de rest van het gebouw kan worden opgebouwd. Het zou niet nodig moeten zijn om dit fundament opnieuw te leggen. Maar als het ontbreekt zal het wel moeten. Wat zou men als “kind” in het geloof dan al allemaal moeten weten om voort te kunnen gaan tot een volmaakter kennis? De schrijver noemt het: “het fundament van de bekering van dode werken, en van het geloof in God, van de leer van de doop, van de oplegging der handen, van de opstanding der doden van het eeuwige oordeel.”

Wat wordt iedereen die christen is dus geacht te verstaan? Wat is dan de catechisatie die iedereen gehad moet hebben? Dan volgen in de brief de zes artikelen.

  • Bekering van dode werken – de bekering dus tot de levende God, het aannemen van het evangelie van Jezus Christus, het leven in de kracht van de Heilige Geest. En die bekering als een toewending naar “levende werken”, de goede werken “die God  van tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.” (Efeze 2:10)
  • Het geloof in God – niet de eenvoudige overtuiging dat er een God bestaat, maar dat deze God Vader, Zoon, en Heilige Geest is. De God en Vader van Jezus Christus dus kennen.
  • De leer van de doop – dat de doop met water het aangaan van een verbond is, dat het gedoopte kind als volwassene zal moeten bevestigen met de belijdenis, dat de doop met het water de uiterlijke vorm is van de innerlijke doop met de Heilige Geest. Dat gedoopt zijn de inlijving van een persoon in het lichaam van Christus betekent.
  • De oplegging der handen – het besef dus dat de leraren in de gemeente in een traditieketen staan die teruggaat tot op de apostelen. Dat het ambt van Christus in de gemeente werkt, en dat de Heilige Geest in de gemeente die gaven uitdeelt en bedient zoals Hij wil.
  • De opstanding der doden – zodat de gelovige niet meer leeft in de angst voor de dood en daardoor een andere kijk op het leven heeft. En leeft in het besef dat de dag komen zal waarop alle doden zullen opstaan en worden geoordeeld door onze Heer Jezus Christus.
  • Het eeuwige oordeel – Gods gerechtigheid zal uiteindelijk alles helder maken. Wie zich tegen Gods wil voor eeuwig blijft verzetten, zal Hij ook voor eeuwig van de gemeenschap met Hem uitsluiten. Maar wie in Christus Jezus is aangenomen als kind van God, zal in de eeuwigheid Gods Heerlijkheid delen.

Dat is het fundament dat gelijk staat aan het “woord der gerechtigheid” waarmee de onderscheiding tussen goed en kwaad in het christelijk leven mogelijk wordt. (5:14) Deze theologische inzichten maken het morele leven dus mogelijk! Wie had dat gedacht?! Dat je dus moet indringen in de geheimen en de diepte van het evangelie om goed te kunnen leven!
Dat fundament moet in ieders leven gelegd zijn. Die kennis en dat inzicht moeten er zijn om te kunnen zeggen dat wij een christelijk leven leiden. Maar als dat fundament er eenmaal is, is het mogelijk en noodzakelijk om voort te gaan in de opbouw van onze kennis. Want het is de bedoeling, schrijft Paulus, dat “Christus door het geloof in uw harten woont en u in de liefde geworteld en bevestigd bent,” en dan in vers 18 “opdat u ten volle zou kunnen begrijpen, samen met alle heiligen, wat de breedte en de lengte en de diepte en de hoogte is.” (Efeze 3:18)

Door deze aandacht voor het volmaakte Woord van God, door ons weer te concentreren op Jezus Christus die God zijn Vader volledig heeft geopenbaard, kunnen we samen “komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volkomen mens, tot de maat van de grootte van de volheid van Christus.” (Efeze 4:13) Het is dus ook nog eens een voorwaarde van een zinvolle oecumene – eenheid van het geloof.

Ik bid tot de God wiens evangelie ik dien, dat de gemeente van Christus weer terug mag gaan naar de volmaakte Bron van het Woord van God.

Wie is Jezus Christus voor mij?

Mijn getuigenis

Hoe zou je antwoord kunnen geven op de vraag: wie is Jezus Christus voor mij? Of: wat betekent Jezus Christus voor mij?

De verleiding is groot om dan te gaan praten over jezelf. Het gaat immers om “wie Jezus Christus is voor mij.” Je kunt dan immers denken aan de ervaringen in je leven, de manier waarop je tot geloof kwam, wat je met het Woord van God hebt meegemaakt, enzovoort. Als de vraag anders gesteld zou worden, dan zou ik dat ook allemaal gaan zeggen. Als men zou vragen: op welke wijze geloof jij in Jezus Christus? Of: wat betekent jouw geloof in Jezus Christus? Maar dat is eigenlijk een hele andere vraag – en een vraag die ik ook niet op die manier zou willen beantwoorden.

Het antwoord op die vraag kan alleen maar zijn – en zo heb ik het ook van Karl Barth geleerd – wat Jezus Christus voor de kerk betekent. Of anders gezegd, wie Jezus Christus is in het evangelie dat ons is toevertrouwd. Als ik een antwoord zou geven dat zou benadrukken wat Hij feitelijk en alleen voor mij betekent, dan zou ik juist vergeten wat Hij in het bijzonder voor mij betekent. Als u mij nu nog volgen kunt, dan bent u klaar voor het antwoord, het echte antwoord.

Jezus Christus is voor mij precies wat Hij ook voor u en voor ons allen in de kerk is. Hij is de Heer van de gemeente – en ik ben lidmaat van de gemeente en daarom is Hij ook voor mij de Heer van de gemeente.
Jezus Christus is de Verlosser die zichzelf heeft overgegeven om de zonden van de wereld te dragen – omdat ik een deel van de wereld ben, heeft Hij dus ook mijn zonden gedragen. Jezus Christus is degene die uit de doden is opgestaan met de belofte, dat de overwinning over de dood ook gegeven wordt aan een ieder die in Hem gelooft. Omdat ik ook hoor tot de groep van diegenen die in Hem geloven, geldt die belofte dus ook voor mij. Jezus Christus is het Woord van God, in Hem spreekt God tot de wereld en in het bijzonder tot Zijn gemeente. Opnieuw, omdat ik deel uitmaakt van die gemeente, wordt dat Woord ook tot mij gesproken.

Omdat ik niet toevallig, maar wezenlijk deel uitmaak van de mensheid en meer in het bijzonder van de gemeente van Christus, kan het antwoord op de vraag wie Jezus Christus voor mij is alleen maar een belijdenis zijn. Het “voor mij” in de vraag maakt dat niet anders.

Wie is Jezus Christus? Wie is Jezus Christus voor mij? – Dat zijn dus twee formuleringen van dezelfde vraag. Wie is Hij voor mij? Het meest waarachtige en meest persoonlijke antwoord is simpelweg dit:

“Ik geloof in Zijn eniggeboren zoon, Jezus Christus, die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria, die geleden heeft onder Pontius Pilatus, die is gekruisigd, gestorven en begraven, en op de derde dag weer is opgestaan uit de doden, waarna Hij is opgevaren naar de hemel, vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden.”

Verlossing met drie delen…

Een van de moeilijkste woorden uit de bijbel voor mensen van deze tijd, is het woord redding of behoud. Jezus, zeggen wij, is onze Verlosser. Maar wat betekent die verlossing dan eigenlijk? En is die alleen toekomstig of ervaren we die nu al?

In de loop van de kerkgeschiedenis zijn er tenminste drie verschillende antwoorden op die vraag te vinden. De westerse kerk heeft eeuwen lang de verlossing vooral gezien als een verlossing van de machten van de Duisternis, een verlossing uit macht van de Duivel. Omdat mensen zondigen, komen ze in de macht van de Duivel. Wie in zijn zonden gestorven is, blijft in de macht van de Duivel en is voor eeuwig in de Hel. Maar daarbij heeft God wel een voorwaarde gesteld. De Duivel heeft niet het recht iemand in zijn dodenrijk op te nemen, die zonder zonde of schuld is. God wilde nu de mensheid verlossen en zond zijn Zoon in de wereld en stond toe dat deze stierf aan het kruis van Golgotha. De Duivel ontvangt dan Jezus als een zondaar in zijn dodenrijk. Op dat moment echter laat Jezus zien wie Hij werkelijk is. De Duivel heeft dus een onschuldige opgenomen in de Hel. Daarmee heeft hij de afspraak met God geschonden. En daardoor verliest hij alle rechten op de zielen in zijn rijk. Jezus kan nu het evangelie prediken aan de “zielen in gevangenschap”. Dat las de oude Kerk in de eerste brief van Petrus “want daarom is ook aan de doden het evangelie verkondigd.” (1 Petrus 4:6)

Een moderne variant daarvan maakt gebruik van een tekst uit Kolosse 2:15. “Hij heeft de overheden en machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en zo over hen gezegevierd.” Toen Jezus stierf aan het kruis werd duidelijk dat de politieke macht en het recht van Rome  volstrekt falen. En door de veroordeling van Jezus in het Sanhedrin werd ook duidelijk dat de joodse wetgeleerden falen. Macht en recht staan in hun hemd, ze zijn “openlijk tentoongesteld” zoals de leiders van overwonnen volkeren aan het volk van Rome werden vertoond in een triomfantelijke stoet na het beëindigen van de oorlog.

Ongeveer 10 eeuwen lang was dit de belangrijkste uitleg van de verlossing die wij in Christus gevonden hebben. In de 11e eeuw ontstaat een nieuwe verklaring, die wel al bekend was in de oude Kerk, maar geen prominente plaats had gekregen. Nu is de verlossing vooral gericht op de bevrijding uit de macht van de zonde en het inlossen van de schuld die wij mensen dragen. Waarom werd Jezus mens? Omdat er een Middelaar nodig was tussen God en de mensen, die de plaats van de mens kon innemen in het oordeel. Jezus wordt dan gezien als het Lam Gods dat de zonden van de wereld draagt. Doordat de Zoon van God sterft, beladen met de zonden en de schuld van de wereld, kon aan Gods eer genoegdoening worden gegeven. De “verdiensten” van Jezus waren groot genoeg om daarmee ook de mens te verlossen van de zonde en schuld.

In de 19e eeuw werd door de zogenaamde Moderne theologen een derde verklaring van de verlossing voorgesteld. In deze verklaring stond het voorbeeld van Jezus centraal. Dat God toestond dat zijn Zoon door mensen werd mishandeld en gekruisigd, was een bewijs van Gods oneindige en geweldloze liefde. Wanneer mensen begrepen hoe God met Jezus gehandeld had, zouden ze toch uit dankbaarheid hun leven gaan veranderen. Gods liefde voor de mens werd dan een voorbeeld ter navolging. De kern van het christelijke leven was dan het volgen van Jezus in zijn waarachtige menselijkheid.

Deze drie verschillende verklaringen zijn alle drie nodig om de volmaaktheid van de verlossing in Christus Jezus te begrijpen. Kort gezegd: Jezus heeft ons bevrijd van alle machten van de duisternis, inclusief de machten van de staat en het geweld. Maar Jezus heeft ons ook verlost van de macht van de zonde, door die zonden zelf te dragen. Het doel van die verlossing is echter ook, dat wij nu in gehoorzaamheid aan Gods wil zouden gaan leven – dat wij met liefde zouden antwoorden op het bewijs van Gods liefde jegens ons. Dat is de volmaaktheid van de verlossing die wij nu al mogen ervaren. Wij zijn vrij om God te dienen en staan niet langer onder het gezag van mensen. Wij zijn vrij van de macht van de zonde die ons van God wil wegtrekken en ons tot slaven maakt. Wij zijn vrij om God te dienen en Hem en de naaste lief te hebben. Wij hebben daarom diepe redenen om de Heere Jezus Christus dankbaar te zijn voor het volkomen werk van de verlossing dat Hij volbracht heeft.

Geboren uit de maagd Maria….

Artikel 3 van de Apostolische Geloofsbelijdenis:

“Ontvangen van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria.”

Ik geloof in Jezus Christus, onze Here…

Gelovigen als minderheid

Er is een heel oud verhaal dat verteld wordt om de betrekkelijkheid van elke waarheid te illustreren. Het verhaal gaat dat een groep blinden rondom een olifant staat. De eerste blinde roept uit, dat het vreemde dier dat zomaar op hun pad verscheen een groot touw moet zijn. Een andere blinde ontkent dat heftig, en zegt dat het helemaal geen dier is maar een gebouw met pilaren. De derde zegt dat het wel een dier is, namelijk een slang. Voor de toehoorders van het verhaal is duidelijk dat deze blinde elk een deel van de olifant aanraken. En omdat ze het geheel niet kunnen overzien, identificeren ze de waarheid met hun eigen beperkte ervaring. De pointe van het verhaal is dat niemand van ons bij machte is het geheel te overzien en de waarheid te kennen. Wij hebben alleen onze eigen beperkte ervaringen en perspectieven op die waarheid.

Er is onmiddellijk al een filosofisch bezwaar tegen deze voorstelling van zaken. Een onbevooroordeelde toeschouwer, zelf net zo blind als de anderen, is toch bij machte te begrijpen wat het geheel – lees: de waarheid – zou moeten zijn. De ervaringen en meningen van de blinden vullen elkaar aan. En wie goed luistert zou moeten weten dat de ene blinde bij de slurf van de olifant staat, de andere bij de poten en de derde bij de staart. Ook zonder het geheel als zodanig te kunnen ervaren, kunnen we aan de beperkte ervaringen die mensen hebben inzichten ontlenen over het geheel van de werkelijkheid. De filosofie, die aandachtig luistert naar de ervaringen die mensen hebben, is dus al in staat een beperkt beeld te ontwikkelen van het geheel van de werkelijkheid. En zo is zelfs de filosoof in staat om enig inzicht te ontwikkelen over bijvoorbeeld de richting waarin die werkelijkheid zich zal ontwikkelen. Lees: de richting waarheen de kop van de olifant is gericht. Zin en doel van de wereld zijn niet geheel en al verborgen.

Vanuit de theologie bezien is er echter nog een tweede bezwaar denkbaar. En dat is dat in deze wereld een beschrijving die alleen maar rekening houdt met beperkte menselijke ervaringen enerzijds en een complexe zwijgende werkelijkheid anderzijds – een olifant en vele blinden – niet volledig is. In het verhaal dat ik deze zondagmorgen aan de kinderen vertelde, heb ik dan ook iets nieuws ingevoerd. Is het niet mogelijk dat vanuit de hoogte, vanaf de onzichtbare rug van de olifant, een stem klonk? Een stem die dwars tegen de verdeelde meningen en uitroepen van de blinden in rustig uitlegt dat het om een olifant gaat. De stem bijvoorbeeld van de olifantendrijver die de bewegingen van het dier controleert. Een dergelijke stem zou voor de blinden zelf niet te lokaliseren zijn, en makkelijk kunnen worden aangezien voor de stem van een andere blinde die pretendeert vanuit de hoogte te kunnen spreken over het geheel. Ook voor de filosoof die als toeschouwer dit gehele spektakel probeert te begrijpen, kan deze stem in beginsel niet anders zijn dan weer de stem van een blinde.

De essentie van de kerk is niet dat wij pretenderen ziende te zijn terwijl de rest van de mensheid blind is. Of dat wij de filosofie in kennis en diepzinnigheid nog kunnen overtreffen. De pretentie van de kerk en van het geloof is simpelweg deze, dat wij menen dat een van de stemmen temidden van al die pogingen om de werkelijkheid te begrijpen, inderdaad vanuit de Hoogte komt. Wij geloven dat een van de stemmen die zich hebben uitgesproken over het geheel van de werkelijkheid terecht de pretentie met zich mee voert, dat geheel te kennen. In gewoon Nederlands, wij accepteren een van deze stemmen als de Stem bij uitstek van de openbaring. Voor ons is de Here Jezus Christus degene die boven deze werkelijkheid uitgaat, en zich met gezag over ons leven uitspreekt. Wij zeggen in Bijbelse taal dat God zich heeft geopenbaard in het menselijke leven van de Here Jezus Christus. Dat is niet de pretentie dat wij de wereld en het leven beter verstaan dan onze medeblinden, maar dat wij nu eenmaal vertrouwen hebben gekregen in het Woord van God dat ons meedeelt wat deze stem vanuit de Hoogte heeft gesproken. Daarmee is ook gezegd dat wij iets anders niet geloven, of althans niet zomaar aannemen, namelijk dat de stem die uit de Hoogte komt niets anders zou kunnen zijn dan weer een spreken van een of andere blinde. Of dat welke blinde dan ook kan pretenderen de waarheid te hebben doorgrond. Maar het is nu net deze aanname, dat de stem die wij vertrouwen werkelijk vanuit de Hoogte komt, die wij niet kunnen bewijzen. Wij belijden en geloven dat de bijbel het Woord van God is. Wij belijden en geloven dat het leven van de Here Jezus Christus daadwerkelijk de openbaring is van de schepper, zodat we in het licht van Zijn woorden en daden ons eigen leven en de wereld beter verstaan, dan degenen die uitsluitend vertrouwen op hun eigen beperkte ervaring, en zelfs beter verstaan dan degenen die uit alle meningen en opvattingen in deze wereld proberen te reconstrueren wat onze werkelijkheid nu eigenlijk is.

Dat wij met deze overtuiging in onze tijd een kleine minderheid vormen, leidt af en toe wel tot frictie en spanning, maar dat is niet te vermijden en stel nu eens dat alle blinden en alle filosofen daadwerkelijk iets anders beweren dan de stem uit de Hoogte. Stel nu eens dat ook de filosofen van mening zijn dat het dier in het midden – zeg maar de zin van het leven – niets anders is dan een slang met enorme poten. Zou het dan niet dwaas zijn om de stem uit de Hoogte te negeren die ons meedeelt dat het uiteindelijk juist om een olifant gaat?

“Door het geloof zien wij in de wereld tot stand gebracht is door het Woord van God, en wel zo dat de dingen die men ziet, niet ontstaan zijn uit wat zichtbaar is.”

Ik geloof in God de Vader… – Apostolische Geloofsbelijdenis deel 1

De opstanding van Jezus – Marcus 16

Het laatste deel van de serie over Marcus, deel 43 in De Belijdeniscatechisatie.

Lees verder “De opstanding van Jezus – Marcus 16”

Het lijdensverhaal – Marcus 15

Deel 40, 41 en 42 van De Belijdeniscatechisatie.

Jezus voor Pilatus:

De kruisiging:

De begrafenis:

Lees verder “Het lijdensverhaal – Marcus 15”