Johannes (53) – Godslastering

Joh. 10:31-42

We komen aan het einde van het openbare optreden van Jezus. Nog één keer heeft Hij tegenover de joodse leiders duidelijk gezegd wie Hij is. Tijdens het feest van de inwijding van de tempel zegt Jezus nog eens, dat Hij God is, want “Ik en de Vader zijn één.” De werken die Hij gedaan heeft “in de Naam van Mijn Vader”, de genezingen, de broodvermenigvuldiging, dat alles getuigt van Hem. Trouwens, niet zuiver en alleen omdat het wonderen, bovennatuurlijke gebeurtenissen waren, maar vooral omdat het karakter van God daar in openbaar werd. Zijn liefde voor de wereld en voor de mensen. Waarom geloven zij niet? Hier zegt Jezus dat ze daartoe niet zijn uitverkoren. “U bent niet van Mijn schapen.” Het is de Vader, “die hen aan Mij gegeven heeft.” Het was hun verantwoordelijkheid om te geloven in Jezus op grond van Zijn getuigenis en vanwege de werken die Hij deed. Maar tegelijkertijd is het Gods soevereine wil die alleen aan sommigen het geloof heeft geschonken. Menselijke verantwoordelijkheid en Gods soevereine uitverkiezing – voor ons onmogelijk om met elkaar te rijmen. Maar samen is het de waarheid die we moeten erkennen. Daarover hebben we al eerder gesproken.

De woede en de haat van de joodse leiders bereikt nu een hoogtepunt. “De Joden dan pakten opnieuw stenen op om Hem te stenigen.” De eerste keer was in hoofdstuk 8:59, en dan nu opnieuw. Tegenover deze dreiging blijft Jezus volkomen kalm. Hij antwoordt op de dreiging met een eenvoudige vraag. “Ik heb vele goede” – in het Grieks: kalos, d.w.z. prachtig, uitmuntend – “werken van Mijn Vader laten zien.” Hij zwakt Zijn claim in het geheel niet af. Opnieuw spreekt Hij over God als over Zijn Vader. Welnu, “vanwege welk van die werken stenigt u Mij?” Het zijn die werken die ervan hebben getuigd dat Hij werkelijk de Zoon van God is. Ook de blindgeborene wist dat: “Als Deze niet van God was, zou Hij niets kunnen doen.” (9:33) Maar ongeloof is bij machte om de goede vraag te stellen, het goede antwoord te krijgen en dan toch niet te geloven. De werken van Jezus leggen geen gewicht in de schaal. Ze hadden het gezien, ze hadden het gehoord, maar ze waren volkomen gefixeerd op de pretentie God gelijk te zijn die Hij uitsprak. Ze keken niet naar wat Hij deed, maar uitsluitend naar dat ene, dat Hij Zichzelf aan God gelijk maakte.Waarom was dat zo bedreigend? Omdat het absolute gezag van Jezus daarmee in het geding was. Omdat daarmee Jezus werd aangewezen als Degene die het oordeel kan vellen over deze mensen. Niet zij beoordelen Hem, maar Hij oordeelt over hen.

In het evangelie naar Johannes wordt met een aanklacht van godslastering vooral bedoeld, dat Jezus Zichzelf als de gelijke van God voorstelt. Maar dat is ongetwijfeld verbonden met de reden dat Hij in het evangelie naar Mattheus als een godslasteraar wordt betiteld. Wanneer Jezus in Matteüs 9 tegen de verlamde zegt: “Zoon, heb goede moed, uw zonden zijn u vergeven” denken sommigen van de schriftgeleerden onmiddellijk bij zichzelf: “Deze lastert God.” Jezus toont de macht van God in de werken die Hij doet, en spreekt uit dat Hij als God over die macht beschikt. Maar als de joodse leiders die conclusie zouden aanvaarden, dan volgt daar ook uit, dat alleen bij Jezus de vergeving van de zonden kan worden gevonden. En zo komt het ook naar voren in de geschiedenis van de genezing van een verlamde in Mattheus 9. Waarom wordt deze genezen? “Opdat u zult weten dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde zonden te vergeven.” (Mat. 9:6) Daarom zijn ze volledig geobsedeerd door de aanspraak van Jezus God op deze volmaakte wijze te representeren, volkomen één met Hem te zijn in intentie, in wil, in eer en in macht. Omdat de aanvaarding van Jezus als God inhoudt, dat ze Hem ook moeten aanvaarden als Degene bij Wie vergeving voor de zonden te vinden is. En dat betekent dat ze zullen moeten erkennen tegenover God schuldig te staan, en dat ze een verlosser nodig hebben. Daarover gaat heel de zending van Jezus: “Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen” – degenen die in hun eigen ogen rechtvaardig zijn of zichzelf rechtvaardigen – “tot bekering te roepen, maar zondaars.” (Mat. 9:13) Nicodemus kan zichzelf rechtvaardigen en komt dus niet tot het geloof, de Samaritaanse vrouw erkent haar zonden, en komt tot geloof, de verlamde in Bethesda ervaart de genezing maar verwerpt de Genezer, en de blindgeborene aanvaardt dat Jezus “van God was”, en komt tot aanbidding.

Daarom zijn ze er van overtuigd dat Jezus niet Gods Zoon kan zijn. Die conclusie staat voor hen al vast. Dus kunnen de wonderen niet gebeurd zijn, of ze moeten zijn gebeurd door de macht van de duivel. Ze kijken niet onbevangen naar de werken die Jezus gedaan had – ingrepen in de natuur, zoals alleen de schepper dat kan – maar ze weten van tevoren al dat Jezus moet liegen. Zoals zoveel mensen ook in het heden zeggen. Jezus kan niet God zijn, Jezus kan niet de Zoon van God zijn in de volle betekenis van dat woord. Dat weten ze gewoon. Is Jezus de Zoon van God? – Dat hebben mensen in het verleden beweerd die niet beter wisten, dat hoorde bij de religie in die tijd, dat hebben ze lang na de dood van Jezus bedacht etc. Hoe weet je dat dan? – Dat weet ik gewoon. Jezus kan niet uit de doden zijn opgestaan. Hoe weet je dat dan? – Dat weet ik gewoon. Jezus kan niet over het water gelopen hebben. Hoe weet je dat dan? – Dat weet ik gewoon. Als je die mensen zou vragen hoe lang ze dan de bijbel bestudeerd hebben om dat met zekerheid te kunnen zeggen, komt meestal het antwoord dat ze de bijbel helemaal niet hebben gelezen. Of ze hebben de bijbel hier en daar gelezen nádat ze de conclusie al hadden getrokken dat het allemaal niet waar kan zijn. Of ze hebben de boeken gelezen van mensen die met prachtige historische reconstructies overtuigend wilden bewijzen, dat Jezus niet God is, of zelfs niet eens bestaan heeft. De argumenten van die boeken kunnen ze meestal zelf niet beoordelen, daar is hun kennis te gering voor. Maar de conclusie nemen ze graag over, omdat ze die conclusie immers ook zelf al getrokken hadden. Vóórdat ze die boeken gingen lezen. Ongeloof zal altijd een basis vinden om blind en doof te blijven.

In vers 33 geven de joodse leiders een antwoord. Ze zeggen dat ze Jezus niet willen stenigen vanwege die goede werken. De hele aanklacht tegen Jezus ligt besloten in de godslastering. Jezus “maakte” Zichzelf tot God. Claimt die positie, terwijl Hij toch een Mens is. Ze hanteren een eenvoudige beginsel, of je bent God maar dan geen mens, of je bent een mens maar dan kun je niet God zijn. Op het spel staat dus het idee van de vleeswording. Het Woord is vlees geworden, heeft de menselijke natuur aangenomen, de Zoon van God is aan de mensen gelijk geworden en is “uiterlijk” een mens bevonden – zoals Paulus het zegt. Jezus is daarom volledig mens, en niet alleen maar een verschijning in de gedaante van een mens. Maar als dat beginsel waar is, waar maken de joodse leiders zich dan zo druk om? Dan zijn de woorden van Jezus een vorm van waanzin.

Er is een tekst bekend uit het Jodendom, die wordt toegeschreven aan Rabbi Abbahu die aan het begin van de vierde eeuw leefde. “R. Abbahu heeft gezegd: Als een mens tegen je zegt: “Ik ben God”, dan liegt hij; (als hij tegen je zegt:) “ik ben de Zoon des mensen”, dan zal hij daar uiteindelijk spijt van krijgen; (als hij tegen je zegt) “Ik vaar op naar de hemel”, dan heeft hij het wel gezegd, maar zal het niet kunnen waarmaken.” Liegen – zegt Abbahu. Dus zo iemand wéét dat het niet waar is? Of het kán niet waar zijn, zelfs als iemand het gelooft? Maar Abbahu zegt niet dat iemand dan lastert. Een andere tekst die aan hem wordt toegeschreven luidt: “Ik ben de Heere uw God” (Ex. 20:2), wat betekent dat? Rabbi Abbahu heeft gezegd: net als een koning van vlees en bloed, die als koning kan heersen, terwijl hij toch tegelijkertijd een vader of een broer of een zoon heeft. Maar God zegt daarentegen: bij Mij is dat niet het geval. “Ik ben de eerste” (Jes. 44:6), dus Ik heb geen vader – “en Ik ben de laatste” – dus Ik heb geen broer – “en buiten Mij is er geen God” – dus Ik heb geen zoon. Dat is een stevige reactie van joodse zijde op het christendom van de vierde eeuw. Maar wat in die teksten ontbreekt, is de verontwaardiging en de haat die de joodse leiders in ons gedeelte vertonen.

In vers 34 geeft Jezus een prachtige antwoord. Het is alsof hij zegt: jullie zijn helemaal overstuur omdat Ik Mijzelf de Zoon van God noem, en over God spreek als over Mijn Vader. Maar waarom maken jullie dan zo druk? “Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd: U bent goden?” Dat is Psalm 82:1, 2 en 6. “God staat in de vergadering van God (de goden), Hij oordeelt temidden van de goden: Hoelang zult u onrechtvaardig oordelen en de goddelozen bevoordelen?” De rechters werden ‘goden’ genoemd, in het Hebreeuws: elohiem. Waarom die naam? Omdat zij hun ambt hadden ontvangen met een goddelijke aanstelling, werden zij “goden” genoemd, omdat zij recht spraken in godsnaam. Als de rechters van het Oude Testament “elohiem” mogen worden genoemd, zonder dat daar een geval van godslastering van gemaakt kan worden, waarom kan Jezus dan niet Zichzelf de Zoon van God noemen? Op grond van de Bijbelse tekst kan dat helemaal geen godslastering heten. Hieruit volgt overigens in het geheel niet, dat Jezus aan de term “elohiem” de betekenis geeft van een veelheid van goddelijke wezens. Hij bedoelt hiermee niet te zeggen, dat Hij net als die rechters, Zijn goddelijke status door benoeming verworven heeft. Jezus is niet “een” goddelijk wezen, maar werkelijk de Zoon van God, de Ik ben van het Oude Testament. Wat Jezus hier doet is zeer nauwkeurig de beschuldiging van godslastering weerleggen met een verwijzing naar het Oude Testament.

En dan komt vers 37. Jezus nodigt de joodse leiders hier uit om op een andere wijze te gaan kijken. Als zij aan de werken die Hij gedaan heeft, niet kunnen zien dat Hij waarachtig God is, goed, geloof Hem dan niet. Zeg dan net als Rabbi Abbahu dat iemand die zegt dat hij God is, een leugenaar is. Maar zeg dan niet dat hij godslastering heeft gepleegd. Zo mag je de wet niet toepassen. Hier spreekt Jezus als de werkelijke Leraar van Israël. Maar stel nu eens dat Jezus wel degelijk de werken van de Vader doet, en stel nu eens dat zij desondanks niet in Hem geloven. Wat dan? Dan is het de moeite waard voor deze Joodse leiders om nog eens nauwkeurig naar die werken te gaan kijken. Stel dat Jezus Gods werken doet die van Hem getuigen dat Hij Gods Zoon is, is dan hun ongeloof niet een vreselijke miskenning van de waarheid? Jezus vraagt dan de joodse leiders om objectief te kijken naar wat er in Galilea en Jeruzalem de laatste tijd gebeurd is. Hoor dan het getuigenis van de vele mensen die de wonderen hebben meegemaakt. “Geloof dan de werken”, zegt Hij dan. Het zijn die werken waarmee God de Vader Zelf getuigenis heeft gegeven over Zijn Zoon. Geloof je de woorden van Jezus niet? Geloof dan de daden van Jezus.

Dat alles berust op getuigenissen. Het getuigenis van Johannes de evangelist over de getuigenissen van Andreas en Jacobus en Petrus en de blindgeborene en de verlamde in Bethesda et cetera. Geloof wordt gewekt door het gehoor, dat wil zeggen door het horen van de getuigenissen van mensen over Jezus. Natuurlijk wordt het ook gewekt door de woorden van Jezus – en ook die horen we niet rechtstreeks, maar via het getuigenis van de evangelisten –, maar voor wie niet gevoelig is voor wat Hij allemaal gezegd heeft, is er nog een toegang tot het geloof via de daden van Jezus. En dat alles kan ertoe leiden dat iemand “erkent en gelooft dat de Vader in Mij is en Ik in Hem.” (10:38)

Zo verloopt deze ontmoeting tijdens Chanoeka: eerst de confrontatie, dan de hernieuwde claim van Jezus, dan de aanklacht van godslastering, dan de aansporing om naar de werken te kijken en tenslotte de poging tot moord. In vers 24 confronteren de joodse leiders Jezus met de vraag “Als U de Christus bent, zeg het ons vrijuit.” En dat vragen ze om Hem uit de tent te lokken en te kunnen aanklagen. Jezus antwoordt met een majestueuze herhaling van Zijn claim: “Ik en de Vader zijn één.” Hij is God Zelf, het vleesgeworden Woord. En dan komt de aanklacht in vers 33: godslastering. Jezus antwoordt met een verwijzing naar Psalm 82. Daarmee weerlegt Hij als een jurist de aanklacht. Er kan geen sprake zijn van godslastering. En daarna nodigt Jezus hem uit om dan maar niet te kijken naar Zijn woorden, maar naar Zijn daden, de werken. Maar dan in vers 39 blijkt dat ze daartoe niet bereid zijn. “Zij probeerden dan opnieuw Hem te grijpen, maar Hij ontkwam aan hun handen.”

Dat is het einde van het openbare optreden van Jezus in Jeruzalem. De volgende keer dat Hij in Jeruzalem is, is Hij er om te sterven. Aan het einde van het hoofdstuk echter krijgen we heel even een adempauze. Na al deze twistgesprekken en ruzies en conflicten en verdeeldheid, is er even rust. Vers 40 vertelt ons dat Jezus naar de overkant van de Jordaan gaat, naar de plaats waar Johannes de Doper in het begin gedoopt heeft. Vlakbij de woestijn, net ten zuidoosten van Jeruzalem, dichtbij de plaats waar Jezus Zelf gedoopt werd en met Zijn zending begon. En dan is het zo ontroerend om te lezen in vers 41 dat velen naar Hem toe kwamen. Hoe wisten ze dat Hij daar was? Maar ze komen naar Hem toe, en misschien zijn het wel volgelingen van Johannes de Doper geweest. Maar dan zeggen ze: “alles wat Johannes over deze man zei, was waar.” Johannes de Doper was tot het getuigenis gekomen vanaf het moment dat hij Jezus had gedoopt. Hij had Jezus erkend als de Messias, als het Lam van God, als de Zoon van God. En nu zeggen vele mensen dat dit getuigenis van Johannes waar is. Zo eindigt het hoofdstuk toch met een positieve klank. Vers 42: “En velen geloofden daar in Hem.” Het getuigenis van Johannes de Doper was niet tevergeefs geweest. En ondanks de heftige verwerping door de joodse leiders in Jeruzalem, is er hoop. Jezus kwam tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Dat hebben we net meegemaakt. De joodse leiders in Jeruzalem, de Zijnen, hebben Hem inderdaad niet aangenomen en willen Hem zelfs stenigen. Maar we lezen meteen daarna: “Maar allen die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven kinderen van God te worden.” En hier, in het zuiden van de Jordaanvlakte, wordt dat waar. “Velen geloofden daar in Hem.”

Zo gaat het ook nog in onze tijd. De grote massa is helemaal voorgeprogrammeerd door onze sceptische, oppervlakkige, materialistische, ongevoelige en egocentrische cultuur om niet in Jezus te geloven. Zelfs in onze kerken hebben velen moeite met het geloof in Jezus Christus als de Zoon van God. Maar hier en daar, en af en toe komt iemand tot waarachtig geloof. Gaat instemmen met de belijdenis van de discipelen, “wij hebben geloofd en erkend dat Hij de Christus is, de Zoon van de levende God.” En allen die geloven, zijn door de Vader aan de Zoon geschonken. Zij zijn de schapen van de goede Herder. En zij mogen weten, dat “niemand (…) hen uit de hand van Mijn Vader (kan) rukken.”

Johannes (52) – Ik en de Vader zijn één

Joh. 10:22-30

Vanaf hoofdstuk 7:2 tot en met 10:21 horen we over de prediking van Jezus op het Loofhuttenfeest. Het is een lang gedeelte waarin we beginnen met het ongeloof van de broers van Jezus en dan maken we de verwarring en de verdeeldheid onder de joodse leiders mee. Tot tweemaal toe heeft Jezus zichzelf op dat feest bekendgemaakt als Degene in wie de strekking van het feest tot vervulling is gekomen. Op de laatste dag van het feest maakt Jezus zich bekend als het levende water – en Johannes voegt eraan toe dat de werkelijkheid daarvan zichtbaar zou worden met de komst van de heilige Geest. En tijdens de lichtceremonie maakt Hij zich bekend als het Licht der wereld. Het negende hoofdstuk laat zien wat het karakter is van de joodse leiders. Wanneer Jezus de blindgeborene geneest, blijkt hun blindheid. En dan in hoofdstuk 10 in de eerste 21 verzen, maakt Jezus zich bekend als de goede Herder, in contrast met de joodse leiders die zich gedragen als huurlingen, of zelfs als rovers en dieven.

Johannes slaat vervolgens een periode over, van ongeveer twee maanden. We zijn nu in de winter, op het feest van de inwijding van de tempel in Jeruzalem dat in de Joodse kalender werd gevierd op 25 Kislev – ongeveer half december. Het is nu ongeveer drie maanden voor de kruisiging van Jezus. In dit gedeelte krijgen we een laatste beeld van de openbare prediking van Jezus. Het is allemaal begonnen met de verkondiging van Johannes de Doper, en toen zagen we de roeping van de discipelen, de wonderen in Judea en Galilea en dan is het derde jaar van Jezus optreden de openbare proclamatie tijdens het Paasfeest, Loofhuttenfeest en nu in ons gedeelte met Chanoeka. 10 hoofdstukken lang horen we over de claims die Jezus heeft gemaakt, dat Hij het vleesgeworden Woord is, het Lam Gods dat de zonden van de wereld draagt, de Christus, de Zoon van God. Vooral het laatste wekte bevreemding, spot en agressie op. Maar het is de rode draad van de prediking van Jezus geweest. In de andere evangeliën is het de ondertoon, en Johannes haalt het in zijn evangelie uiteraard sterker naar de voorgrond. Het is zijn meest eigen thema. Maar het is herkenbaar dezelfde prediking in alle vier evangeliën. Ook in Mattheus heet Hij de Zoon van God zoals bijvoorbeeld in Mattheus 14 :33. Zo begint Marcus zijn evangelie: “begin van het evangelie van Jezus Christus, de Zoon van God.” In Lukas 1:32 wordt Jezus de “Zoon van de Allerhoogste” genoemd. In vers 35 van datzelfde hoofdstuk wordt Hij genoemd: “het Heilige dat uit u geboren zal worden, Gods Zoon.” Het loopt ook door alles heen. Ik ben de Zoon van God, Ik ben die Ik ben, Ik ben uit de hemel door de Vader gezonden, en de Vader is in Mij en Ik ben in de Vader et cetera.

Het hoogtepunt van de proclamatie is het eenvoudige woord dat Jezus spreekt in vers 30: “Ik en de Vader zijn één.” Dat is geen eenheid van bedoeling, of zending, of gelijkgestemdheid. Het lijkt op de joodse geloofsbelijdenis: hoor Israël, de Heere onze God is één. Daarmee werd over het wezen van God iets gezegd. Hier zegt Jezus: hoor Israël, de Heere onze God, dat is Ik en de Vader, en wij zijn één. De joodse leiders hebben prima begrepen wat hiermee bedoeld wordt: dat Hij Zichzelf aan God gelijk maakte. En dat Hij dat maakte tot de kern van de belijdenis. Dat Hij wezenlijk God was, omdat hij hetzelfde leven, hetzelfde werk, hetzelfde eerbetoon, hetzelfde gezag, dezelfde macht heeft als God de Vader zoals we al gevonden hebben in hoofdstuk 5:19-23. Ze hebben het al begrepen in 5:12 toen Jezus zei dat God Zijn eigen Vader was “en daarmee Zichzelf aan God gelijk maakte.” Ze hebben het begrepen in 8:59, wanneer ze Hem willen stenigen toen Jezus zei: “Vóór Abraham geboren was, ben Ik.” En ze hebben het begrepen in ons gedeelte, zoals blijkt uit vers 31: “de Joden dan pakten opnieuw stenen op om Hem te stenigen.” Waarom doen ze dat? Vers 33: “vanwege godslastering, namelijk omdat U, Die een mens bent, Uzelf God maakt.” En deze weigering om Jezus te aanvaarden als de Zoon van God, die had Jesaja al gezien. Kijk maar naar Jesaja 53:1 “wie heeft onze prediking geloofd, en aan wie is de arm van de Heere geopenbaard?” Zij hebben Hem niet aanvaard als de Zoon van God, maar Hem integendeel veracht, en gezien als een godslasteraar. De claim van Jezus is overduidelijk geweest. En als ze het niet van Jezus hadden gehoord, dan van de getuigen. Johannes de Doper in hoofdstuk 1:34 “En ik heb gezien en getuigd dat Hij de Zoon van God is.” En ook Nathanaël in het zelfde hoofdstuk, vers 50: “U bent de Zoon van God.” En de 12 discipelen in hoofdstuk 6:69 die zeggen: “wij hebben geloofd en erkend dat U de Christus bent, de Zoon van de levende God.” (Of in een andere versie de Heilige Gods, wat op hetzelfde neerkomt.)

Dit is een belangrijk punt om even bij stil te staan. Johannes schrijft in zijn brief: “Al wie belijdt dat Jezus de Zoon van God is, God blijft in hem, en hij in God.” (1 Joh. 4:15) want die belijdenis is gebaseerd op het getuigenis dat God zelf van Zijn Zoon gegeven heeft – 1 Joh. 5:10. Wie niet gelooft in de Zoon van God, heeft het leven niet, schrijft Johannes – 1Joh. 5:12. Dat is de waarheid waar Johannes van wil getuigen. Wie dat niet belijdt, zegt Johannes, is een misleider en een antichrist. Het is godslastering om te zeggen dat Jezus niet de Zoon van God is. En wat dat betekent is helder: dat Hij en de Vader één God is.

De joodse leiders draaien het hier om. Ze citeren de wet: “Wie de Naam van de Heere lastert, moet zeker ter dood gebracht worden.” (Lev. 24:16) Zij begrijpen wat de uitspraken van Jezus betekenen, maar zien het als een vorm van godslastering. In Lukas 22:70 vragen de rechters van het Sanhedrin aan Jezus: “Bent U dan de Zoon van God?” En Jezus geeft het antwoord: “U zegt (het). Ik ben (het).” Ook daar gebruikt Hij de godsnaam om Zichzelf aan te duiden. En dat is voor hen genoeg om Hem te veroordelen. Hetzelfde vinden we in Johannes 19:7, waar de Joodse leiders tegen Pilatus zeggen: “Wij hebben een wet en volgens onze wet moet Hij sterven, want Hij heeft Zichzelf Gods Zoon gemaakt.” Daar gaat het dus om. Jezus moet geëxecuteerd worden omdat Hij Zichzelf de Zoon van God noemt. Waarom is het godslastering? Omdat de titel “zoon van God” hier niet alleen maar een ander woord is voor gezalfde koning, een aanduiding voor een menselijke Messias. Dat valt niet onder deze wet. Dat is geen godslastering. “Zoon van God” betekende in hun oren werkelijk wat het ook inderdaad betekent, dat Jezus Christus het vleesgeworden Woord is, dat Hij bij God was en God was.

Laten we nu wat nauwkeuriger kijken naar onze tekst. Vers 22: “En het was het feest van de inwijding van de tempel in Jeruzalem, en het was winter.” Dat feest van de inwijding heet ook wel het Lichtfeest of Chanoeka. Het komt niet voor in het Oude Testament, maar komt uit de periode van 400 jaar tussen de afsluiting van het Oude Testament en de komst van Jezus. In die tijd zijn er geen profeten tot dat Johannes de Doper optreedt. 400 buitengewoon moeilijke jaren voor Israël. Het dieptepunt ligt ongeveer 170 jaar voor Christus. In die tijd was er een Syrische koning met de naam Antiochus. Je kunt zonder meer zeggen dat dit een krankzinnige leider geweest is. Hij noemde zichzelf Antiochus Epiphanes, dat wil zeggen Antiochus de Stralende. Het volk veranderde een letter, en noemde hem Antiochus Epimanes. Dat betekent Antiochus de Krankzinnige. En deze Antiochus wilde, dat ze allemaal wilde in de buurlanden van Israël, en dat is het land en het volk onder hun macht krijgen. Dat lukte. Maar hij is de eerste heidense koning die heerste over Israël, die het volk heeft vervolgd vanwege hun godsdienst. Dat begon in 167 v.Chr. Dan vaardigt deze Krankzinnige een wet uit, die alle mensen in Israël verplichtte om de Griekse religie te volgen, de Griekse taal aan te nemen en de God Zeus als de oppergod te aanbidden. In 170 v.Chr. dringt hij met een groot leger Jeruzalem binnen, verovert de tempel, treedt binnen in het heilige der heiligen en slacht daar een varken. Vervolgens zet hij in de voorhof een groot standbeeld van Zeus neer. Iedereen werd gedwongen om offers te brengen aan heidense goden, of werd geëxecuteerd. Het werd verboden om een exemplaar van de joodse bijbel te bezitten en waar ze werden gevonden werden ze verbrand. De sabbat mocht niet meer worden gehouden. Het was verboden om kinderen te laten besnijden. Het is net als het optreden van ISIS in Irak en Syrië tegenwoordig. Er is niets nieuws onder de zon.

Maar dan komt er een opstand. Een priester met de naam Mattathias begint deze opstand met het vermoorden van een Syrische belastinginner. En deze priester had een zoon met de naam Judas Makkabeus , een geniale legeraanvoerder, die Jeruzalem wist te heroveren. De naam “Makkabeus” komt trouwens van de uitdrukking in de psalmen: Mie Kamoocha Ba-elim Adonaj, “Wie is onder de goden gelijk aan U o Heere?” Makkabi werd daarom de strijdkreet van het joodse verzet. Hij herovert dus de tempel in Jeruzalem, en dat gebeurt op de 25e Kislev. Daarom werd die dag vastgesteld als de dag van het feest van de Inwijding, om de bevrijding van de tempel te vieren. De tempel werd gereinigd, en opnieuw in gebruik genomen. Acht dagen lang werd het feest gevierd. Tijdens dat feest is Jezus opnieuw in Jeruzalem. Volgens vers 23 loopt Hij tijdens dat feest rond in de tempel, en wel bij de zuilengang van Salomo. Dat was de achtermuur aan de oostzijde die was overgebleven van de oorspronkelijke tempel van Salomo. De rest was vernietigd door de Babyloniërs in het jaar 586 v.Chr. Dat werd in deze tijd de zuilengang van Salomo genoemd. Voor deze overgebleven muur waren zuilen geplaatst, met een dak erop, en daar gingen de mensen die de tempel bezochten naartoe als het winter was. Het was dan erg koud en het kan op die hoogte in Jeruzalem in de winter zowel regenen als sneeuwen.

Dan komt de confrontatie. Vers 24: “De Joden dan omringden Hem en zeiden tegen Hem: Hoelang houdt U ons in het onzekere? Als U de Christus bent, zeg het ons vrijuit.” Jezus is net twee maanden weggeweest. Maar zodra Hij weer in het zicht komt, wordt de haat die ze koesterde weer geactiveerd. Het antwoord van Jezus grijpt terug naar het beeld van de goede Herder. Vers 25: “Ik heb het u gezegd en u gelooft het niet.” – Dus waarom vragen jullie dit eigenlijk? Jullie kennen al lang Mijn antwoord, Ik heb jullie gezegd wie Ik ben, maar jullie geloven toch niet. Jullie hebben de werken gezien die Ik gedaan heb in de Naam van Mijn Vader, de werken die van Mij getuigen, maar geloven jullie ook niet. Dus vanwaar deze vraag? – Maar Jezus geeft zelf het antwoord op die vraag. Waarom geloven zij niet? Omdat zij “niet van Mijn schapen” zijn. Wie wel een schaap van Jezus is – door de Vader aan de Zoon is geschonken – die hoort Zijn stem en gaat met de Herder mee uit de schaapskooi.

Waarom geloven zij niet? Niet omdat het zondaars zijn, want dat zijn wij allemaal. Maar omdat zij niet in het licht willen komen zodat die zonde openbaar gemaakt wordt aan hun hart. Ze willen het niet weten. Het zijn zondaars die zichzelf willen rechtvaardigen, maar niet zondaars die gerechtvaardigd willen worden. Ze willen zichzelf verlossen, maar denken daarbij geen Verlosser nodig te hebben. De kern van alle ongeloof zit niet in de redelijkheid van argumenten of verstandelijke inzicht. Het is uiteindelijk een kwestie van de zonde. Dat is een kern van onze christelijke boodschap die we niet kunnen negeren. Mensen willen het evangelie niet omdat ze niet willen accepteren dat ze tegenover God zondaars zijn. Daarom hebben ze de Zoon van God gehaat, omdat Hij met goddelijk gezag tegen iedereen gezegd heeft, dat zij faalden tegenover God en een verlosser nodig hadden. De mensen hebben de waarheid van het evangelie gehaat, omdat ze de genade van datzelfde evangelie niet wilden aannemen. Zo was het toen, zo is het nu.