Joh. 10:31-42
We komen aan het einde van het openbare optreden van Jezus. Nog één keer heeft Hij tegenover de joodse leiders duidelijk gezegd wie Hij is. Tijdens het feest van de inwijding van de tempel zegt Jezus nog eens, dat Hij God is, want “Ik en de Vader zijn één.” De werken die Hij gedaan heeft “in de Naam van Mijn Vader”, de genezingen, de broodvermenigvuldiging, dat alles getuigt van Hem. Trouwens, niet zuiver en alleen omdat het wonderen, bovennatuurlijke gebeurtenissen waren, maar vooral omdat het karakter van God daar in openbaar werd. Zijn liefde voor de wereld en voor de mensen. Waarom geloven zij niet? Hier zegt Jezus dat ze daartoe niet zijn uitverkoren. “U bent niet van Mijn schapen.” Het is de Vader, “die hen aan Mij gegeven heeft.” Het was hun verantwoordelijkheid om te geloven in Jezus op grond van Zijn getuigenis en vanwege de werken die Hij deed. Maar tegelijkertijd is het Gods soevereine wil die alleen aan sommigen het geloof heeft geschonken. Menselijke verantwoordelijkheid en Gods soevereine uitverkiezing – voor ons onmogelijk om met elkaar te rijmen. Maar samen is het de waarheid die we moeten erkennen. Daarover hebben we al eerder gesproken.
De woede en de haat van de joodse leiders bereikt nu een hoogtepunt. “De Joden dan pakten opnieuw stenen op om Hem te stenigen.” De eerste keer was in hoofdstuk 8:59, en dan nu opnieuw. Tegenover deze dreiging blijft Jezus volkomen kalm. Hij antwoordt op de dreiging met een eenvoudige vraag. “Ik heb vele goede” – in het Grieks: kalos, d.w.z. prachtig, uitmuntend – “werken van Mijn Vader laten zien.” Hij zwakt Zijn claim in het geheel niet af. Opnieuw spreekt Hij over God als over Zijn Vader. Welnu, “vanwege welk van die werken stenigt u Mij?” Het zijn die werken die ervan hebben getuigd dat Hij werkelijk de Zoon van God is. Ook de blindgeborene wist dat: “Als Deze niet van God was, zou Hij niets kunnen doen.” (9:33) Maar ongeloof is bij machte om de goede vraag te stellen, het goede antwoord te krijgen en dan toch niet te geloven. De werken van Jezus leggen geen gewicht in de schaal. Ze hadden het gezien, ze hadden het gehoord, maar ze waren volkomen gefixeerd op de pretentie God gelijk te zijn die Hij uitsprak. Ze keken niet naar wat Hij deed, maar uitsluitend naar dat ene, dat Hij Zichzelf aan God gelijk maakte.Waarom was dat zo bedreigend? Omdat het absolute gezag van Jezus daarmee in het geding was. Omdat daarmee Jezus werd aangewezen als Degene die het oordeel kan vellen over deze mensen. Niet zij beoordelen Hem, maar Hij oordeelt over hen.
In het evangelie naar Johannes wordt met een aanklacht van godslastering vooral bedoeld, dat Jezus Zichzelf als de gelijke van God voorstelt. Maar dat is ongetwijfeld verbonden met de reden dat Hij in het evangelie naar Mattheus als een godslasteraar wordt betiteld. Wanneer Jezus in Matteüs 9 tegen de verlamde zegt: “Zoon, heb goede moed, uw zonden zijn u vergeven” denken sommigen van de schriftgeleerden onmiddellijk bij zichzelf: “Deze lastert God.” Jezus toont de macht van God in de werken die Hij doet, en spreekt uit dat Hij als God over die macht beschikt. Maar als de joodse leiders die conclusie zouden aanvaarden, dan volgt daar ook uit, dat alleen bij Jezus de vergeving van de zonden kan worden gevonden. En zo komt het ook naar voren in de geschiedenis van de genezing van een verlamde in Mattheus 9. Waarom wordt deze genezen? “Opdat u zult weten dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde zonden te vergeven.” (Mat. 9:6) Daarom zijn ze volledig geobsedeerd door de aanspraak van Jezus God op deze volmaakte wijze te representeren, volkomen één met Hem te zijn in intentie, in wil, in eer en in macht. Omdat de aanvaarding van Jezus als God inhoudt, dat ze Hem ook moeten aanvaarden als Degene bij Wie vergeving voor de zonden te vinden is. En dat betekent dat ze zullen moeten erkennen tegenover God schuldig te staan, en dat ze een verlosser nodig hebben. Daarover gaat heel de zending van Jezus: “Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen” – degenen die in hun eigen ogen rechtvaardig zijn of zichzelf rechtvaardigen – “tot bekering te roepen, maar zondaars.” (Mat. 9:13) Nicodemus kan zichzelf rechtvaardigen en komt dus niet tot het geloof, de Samaritaanse vrouw erkent haar zonden, en komt tot geloof, de verlamde in Bethesda ervaart de genezing maar verwerpt de Genezer, en de blindgeborene aanvaardt dat Jezus “van God was”, en komt tot aanbidding.
Daarom zijn ze er van overtuigd dat Jezus niet Gods Zoon kan zijn. Die conclusie staat voor hen al vast. Dus kunnen de wonderen niet gebeurd zijn, of ze moeten zijn gebeurd door de macht van de duivel. Ze kijken niet onbevangen naar de werken die Jezus gedaan had – ingrepen in de natuur, zoals alleen de schepper dat kan – maar ze weten van tevoren al dat Jezus moet liegen. Zoals zoveel mensen ook in het heden zeggen. Jezus kan niet God zijn, Jezus kan niet de Zoon van God zijn in de volle betekenis van dat woord. Dat weten ze gewoon. Is Jezus de Zoon van God? – Dat hebben mensen in het verleden beweerd die niet beter wisten, dat hoorde bij de religie in die tijd, dat hebben ze lang na de dood van Jezus bedacht etc. Hoe weet je dat dan? – Dat weet ik gewoon. Jezus kan niet uit de doden zijn opgestaan. Hoe weet je dat dan? – Dat weet ik gewoon. Jezus kan niet over het water gelopen hebben. Hoe weet je dat dan? – Dat weet ik gewoon. Als je die mensen zou vragen hoe lang ze dan de bijbel bestudeerd hebben om dat met zekerheid te kunnen zeggen, komt meestal het antwoord dat ze de bijbel helemaal niet hebben gelezen. Of ze hebben de bijbel hier en daar gelezen nádat ze de conclusie al hadden getrokken dat het allemaal niet waar kan zijn. Of ze hebben de boeken gelezen van mensen die met prachtige historische reconstructies overtuigend wilden bewijzen, dat Jezus niet God is, of zelfs niet eens bestaan heeft. De argumenten van die boeken kunnen ze meestal zelf niet beoordelen, daar is hun kennis te gering voor. Maar de conclusie nemen ze graag over, omdat ze die conclusie immers ook zelf al getrokken hadden. Vóórdat ze die boeken gingen lezen. Ongeloof zal altijd een basis vinden om blind en doof te blijven.
In vers 33 geven de joodse leiders een antwoord. Ze zeggen dat ze Jezus niet willen stenigen vanwege die goede werken. De hele aanklacht tegen Jezus ligt besloten in de godslastering. Jezus “maakte” Zichzelf tot God. Claimt die positie, terwijl Hij toch een Mens is. Ze hanteren een eenvoudige beginsel, of je bent God maar dan geen mens, of je bent een mens maar dan kun je niet God zijn. Op het spel staat dus het idee van de vleeswording. Het Woord is vlees geworden, heeft de menselijke natuur aangenomen, de Zoon van God is aan de mensen gelijk geworden en is “uiterlijk” een mens bevonden – zoals Paulus het zegt. Jezus is daarom volledig mens, en niet alleen maar een verschijning in de gedaante van een mens. Maar als dat beginsel waar is, waar maken de joodse leiders zich dan zo druk om? Dan zijn de woorden van Jezus een vorm van waanzin.
Er is een tekst bekend uit het Jodendom, die wordt toegeschreven aan Rabbi Abbahu die aan het begin van de vierde eeuw leefde. “R. Abbahu heeft gezegd: Als een mens tegen je zegt: “Ik ben God”, dan liegt hij; (als hij tegen je zegt:) “ik ben de Zoon des mensen”, dan zal hij daar uiteindelijk spijt van krijgen; (als hij tegen je zegt) “Ik vaar op naar de hemel”, dan heeft hij het wel gezegd, maar zal het niet kunnen waarmaken.” Liegen – zegt Abbahu. Dus zo iemand wéét dat het niet waar is? Of het kán niet waar zijn, zelfs als iemand het gelooft? Maar Abbahu zegt niet dat iemand dan lastert. Een andere tekst die aan hem wordt toegeschreven luidt: “Ik ben de Heere uw God” (Ex. 20:2), wat betekent dat? Rabbi Abbahu heeft gezegd: net als een koning van vlees en bloed, die als koning kan heersen, terwijl hij toch tegelijkertijd een vader of een broer of een zoon heeft. Maar God zegt daarentegen: bij Mij is dat niet het geval. “Ik ben de eerste” (Jes. 44:6), dus Ik heb geen vader – “en Ik ben de laatste” – dus Ik heb geen broer – “en buiten Mij is er geen God” – dus Ik heb geen zoon. Dat is een stevige reactie van joodse zijde op het christendom van de vierde eeuw. Maar wat in die teksten ontbreekt, is de verontwaardiging en de haat die de joodse leiders in ons gedeelte vertonen.
In vers 34 geeft Jezus een prachtige antwoord. Het is alsof hij zegt: jullie zijn helemaal overstuur omdat Ik Mijzelf de Zoon van God noem, en over God spreek als over Mijn Vader. Maar waarom maken jullie dan zo druk? “Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd: U bent goden?” Dat is Psalm 82:1, 2 en 6. “God staat in de vergadering van God (de goden), Hij oordeelt temidden van de goden: Hoelang zult u onrechtvaardig oordelen en de goddelozen bevoordelen?” De rechters werden ‘goden’ genoemd, in het Hebreeuws: elohiem. Waarom die naam? Omdat zij hun ambt hadden ontvangen met een goddelijke aanstelling, werden zij “goden” genoemd, omdat zij recht spraken in godsnaam. Als de rechters van het Oude Testament “elohiem” mogen worden genoemd, zonder dat daar een geval van godslastering van gemaakt kan worden, waarom kan Jezus dan niet Zichzelf de Zoon van God noemen? Op grond van de Bijbelse tekst kan dat helemaal geen godslastering heten. Hieruit volgt overigens in het geheel niet, dat Jezus aan de term “elohiem” de betekenis geeft van een veelheid van goddelijke wezens. Hij bedoelt hiermee niet te zeggen, dat Hij net als die rechters, Zijn goddelijke status door benoeming verworven heeft. Jezus is niet “een” goddelijk wezen, maar werkelijk de Zoon van God, de Ik ben van het Oude Testament. Wat Jezus hier doet is zeer nauwkeurig de beschuldiging van godslastering weerleggen met een verwijzing naar het Oude Testament.
En dan komt vers 37. Jezus nodigt de joodse leiders hier uit om op een andere wijze te gaan kijken. Als zij aan de werken die Hij gedaan heeft, niet kunnen zien dat Hij waarachtig God is, goed, geloof Hem dan niet. Zeg dan net als Rabbi Abbahu dat iemand die zegt dat hij God is, een leugenaar is. Maar zeg dan niet dat hij godslastering heeft gepleegd. Zo mag je de wet niet toepassen. Hier spreekt Jezus als de werkelijke Leraar van Israël. Maar stel nu eens dat Jezus wel degelijk de werken van de Vader doet, en stel nu eens dat zij desondanks niet in Hem geloven. Wat dan? Dan is het de moeite waard voor deze Joodse leiders om nog eens nauwkeurig naar die werken te gaan kijken. Stel dat Jezus Gods werken doet die van Hem getuigen dat Hij Gods Zoon is, is dan hun ongeloof niet een vreselijke miskenning van de waarheid? Jezus vraagt dan de joodse leiders om objectief te kijken naar wat er in Galilea en Jeruzalem de laatste tijd gebeurd is. Hoor dan het getuigenis van de vele mensen die de wonderen hebben meegemaakt. “Geloof dan de werken”, zegt Hij dan. Het zijn die werken waarmee God de Vader Zelf getuigenis heeft gegeven over Zijn Zoon. Geloof je de woorden van Jezus niet? Geloof dan de daden van Jezus.
Dat alles berust op getuigenissen. Het getuigenis van Johannes de evangelist over de getuigenissen van Andreas en Jacobus en Petrus en de blindgeborene en de verlamde in Bethesda et cetera. Geloof wordt gewekt door het gehoor, dat wil zeggen door het horen van de getuigenissen van mensen over Jezus. Natuurlijk wordt het ook gewekt door de woorden van Jezus – en ook die horen we niet rechtstreeks, maar via het getuigenis van de evangelisten –, maar voor wie niet gevoelig is voor wat Hij allemaal gezegd heeft, is er nog een toegang tot het geloof via de daden van Jezus. En dat alles kan ertoe leiden dat iemand “erkent en gelooft dat de Vader in Mij is en Ik in Hem.” (10:38)
Zo verloopt deze ontmoeting tijdens Chanoeka: eerst de confrontatie, dan de hernieuwde claim van Jezus, dan de aanklacht van godslastering, dan de aansporing om naar de werken te kijken en tenslotte de poging tot moord. In vers 24 confronteren de joodse leiders Jezus met de vraag “Als U de Christus bent, zeg het ons vrijuit.” En dat vragen ze om Hem uit de tent te lokken en te kunnen aanklagen. Jezus antwoordt met een majestueuze herhaling van Zijn claim: “Ik en de Vader zijn één.” Hij is God Zelf, het vleesgeworden Woord. En dan komt de aanklacht in vers 33: godslastering. Jezus antwoordt met een verwijzing naar Psalm 82. Daarmee weerlegt Hij als een jurist de aanklacht. Er kan geen sprake zijn van godslastering. En daarna nodigt Jezus hem uit om dan maar niet te kijken naar Zijn woorden, maar naar Zijn daden, de werken. Maar dan in vers 39 blijkt dat ze daartoe niet bereid zijn. “Zij probeerden dan opnieuw Hem te grijpen, maar Hij ontkwam aan hun handen.”
Dat is het einde van het openbare optreden van Jezus in Jeruzalem. De volgende keer dat Hij in Jeruzalem is, is Hij er om te sterven. Aan het einde van het hoofdstuk echter krijgen we heel even een adempauze. Na al deze twistgesprekken en ruzies en conflicten en verdeeldheid, is er even rust. Vers 40 vertelt ons dat Jezus naar de overkant van de Jordaan gaat, naar de plaats waar Johannes de Doper in het begin gedoopt heeft. Vlakbij de woestijn, net ten zuidoosten van Jeruzalem, dichtbij de plaats waar Jezus Zelf gedoopt werd en met Zijn zending begon. En dan is het zo ontroerend om te lezen in vers 41 dat velen naar Hem toe kwamen. Hoe wisten ze dat Hij daar was? Maar ze komen naar Hem toe, en misschien zijn het wel volgelingen van Johannes de Doper geweest. Maar dan zeggen ze: “alles wat Johannes over deze man zei, was waar.” Johannes de Doper was tot het getuigenis gekomen vanaf het moment dat hij Jezus had gedoopt. Hij had Jezus erkend als de Messias, als het Lam van God, als de Zoon van God. En nu zeggen vele mensen dat dit getuigenis van Johannes waar is. Zo eindigt het hoofdstuk toch met een positieve klank. Vers 42: “En velen geloofden daar in Hem.” Het getuigenis van Johannes de Doper was niet tevergeefs geweest. En ondanks de heftige verwerping door de joodse leiders in Jeruzalem, is er hoop. Jezus kwam tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Dat hebben we net meegemaakt. De joodse leiders in Jeruzalem, de Zijnen, hebben Hem inderdaad niet aangenomen en willen Hem zelfs stenigen. Maar we lezen meteen daarna: “Maar allen die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven kinderen van God te worden.” En hier, in het zuiden van de Jordaanvlakte, wordt dat waar. “Velen geloofden daar in Hem.”
Zo gaat het ook nog in onze tijd. De grote massa is helemaal voorgeprogrammeerd door onze sceptische, oppervlakkige, materialistische, ongevoelige en egocentrische cultuur om niet in Jezus te geloven. Zelfs in onze kerken hebben velen moeite met het geloof in Jezus Christus als de Zoon van God. Maar hier en daar, en af en toe komt iemand tot waarachtig geloof. Gaat instemmen met de belijdenis van de discipelen, “wij hebben geloofd en erkend dat Hij de Christus is, de Zoon van de levende God.” En allen die geloven, zijn door de Vader aan de Zoon geschonken. Zij zijn de schapen van de goede Herder. En zij mogen weten, dat “niemand (…) hen uit de hand van Mijn Vader (kan) rukken.”