Wandelen achter andere goden en navolging in het Nieuwe Testament: een diepe bijbelse lijn

Wie zich verdiept in de taal van het Oude Testament, ontdekt dat afgoderij niet alleen wordt beschreven in termen van rituelen of verboden handelingen. De Schrift gebruikt veel relationele en beeldende taal om duidelijk te maken wat er gebeurt wanneer Israël zich van de HEERE afkeert. Eén van die uitdrukkingen is “wandelen achter andere goden”. Op het eerste gezicht klinkt dat misschien minder scherp dan woorden als “afgoderij” of “hoererij”, maar het Hebreeuws laat zien dat het juist een bijzonder geladen beeld is.

In het Hebreeuws betekent wandelen achter iemand letterlijk dat je je leven op die persoon richt. Het gaat om volgen, vertrouwen, je oriënteren op een ander. De uitdrukking “wandelen achter andere goden” beschrijft daarom geen neutrale of verzachtende vorm van afgoderij, maar een bewuste keuze van richting. Het is relationele ontrouw: Israël loopt achter een andere leider aan, geeft zijn hart en levenspad aan een macht die niet de HEERE is. De metafoor van wandelen is in het Oude Testament altijd verbonden met levensstijl en trouw. Wie wandelt achter de HEERE, leeft in Zijn weg; wie wandelt achter andere goden, verbreekt het verbond en kiest een andere koers.

Juist deze relationele lading maakt de verbinding met het Nieuwe Testament zo opvallend. Want wanneer Jezus Zijn discipelen roept met de woorden “Volg Mij”, gebruikt Hij precies dezelfde logica van richting en toewijding. Het Griekse akoloutheō betekent letterlijk “achter iemand aangaan”, en de uitdrukking “achter Mij aan komen” sluit direct aan bij de oudtestamentische beeldspraak. Navolging in het Nieuwe Testament is daarom niet zomaar een religieuze activiteit, maar een totale heroriëntatie van het leven. Waar het Oude Testament waarschuwt voor het volgen van andere goden, roept Jezus op tot het volgen van Hem als de openbaring van God zelf.

In die zin is navolging de positieve vervulling van wat het Oude Testament bedoelt met trouw aan de HEERE. De vraag die door beide Testamenten heen klinkt, is dezelfde: wie volg je? Wie bepaalt de richting van je leven? Afgoderij en discipelschap zijn elkaars spiegelbeelden. De één is het wegwandelen van God, de ander het terugkeren en je leven richten op Christus. De metafoor van wandelen maakt duidelijk dat het in beide gevallen gaat om meer dan rituelen of overtuigingen: het gaat om een weg, een koers, een relatie.

Wie deze lijn ziet, ontdekt dat de Bijbel een diep consistente visie heeft op geloof en ontrouw. Afgoderij is verkeerde navolging; discipelschap is ware navolging. En de vraag die de Schrift telkens opnieuw stelt, is verrassend eenvoudig en tegelijk allesomvattend: achter wie loop jij aan?