Psalm 1:1, 2 luidt in de Herziene Statenvertaling:
Welzalig de man
die niet wandelt in de raad van de goddelozen,
die niet staat op de weg van de zondaars,
die niet zit op de zetel van de spotters,
2 maar die zijn vreugde vindt in de wet van de HEERE
en Zijn wet dag en nacht overdenkt.
De Statenvertaling gebruikte hier de term “welgelukzalig” wat ik een mooi vondst vind, omdat aan de beide grondbetekenissen van “asjrei” wordt rechtgedaan nl. figuurlijk: gelukkig, rijk, gezegend, vanuit letterlijk: rechtopstaand.
Datheen maakte daarvan:
GEluckigh-en-wel-zaligh is de man,
Die in den raed der godloos’ niet en gaet:
Noch op den wegh der zondaers en blijft staende:
Noch in ’t gestoelt’ der spotters is gezeten:
Maer die zijn lust heeft in des Heeren Wet;
En overdenckt dagh ende nacht zijn Wet.
Zo komt “gelukkig” en “welzalig” hier toch weer voor, mooi bedacht vind ik dat. De tekst van de Psalm wordt hier heel nauwkeurig gevolgd.
De versie van 1773 luidt:
Welzalig hij, die in der bozen raad,
Niet wandelt, noch op ’t pad der zondaars staat,
Noch nederzit, daar zulken samenrotten,
Die roekeloos met God en godsdienst spotten;
Maar ’s HEEREN wet blijmoedig dag en nacht
Herdenkt, bepeinst en ijverig betracht.
Dit is al heel wat vrijer. Nu gaat het over het samenrotten van de spotters – niet in de Psalm – en dat ze dat “roekeloos” doen is ook een versterking van juist deze éne groep mensen. De goddelozen, zondaars en spotters zijn in de Psalm drie categorieën mensen die de Torah afwijzen. Het gaat van kwaad tot erger: je kunt wandelen in goddeloosheid, staan op de weg van een zondaar en zitten op de stoel van de spotters. Drie mooie, korte uitdrukkingen. Waarom heeft de versie van 1773 deze categorie “spotters” zo’n uitbreiding gekregen? En waarom is de spot nu niet alleen tegenover de Torah – zoals de Psalm suggereert – maar is het een spotten met God en godsdienst? Nu opeens is het ook de kerk die bespot wordt en dat wordt dan in de psalm ingelezen. Het hoge bewustzijn van de kerk komt hier toch naar voren, dat zij – instituut van de godsdienst – het voorwerp kan zijn van bespotting en dat zij daarmee op één lijn staat met God, die niet bespot mag worden.
En tenslotte vinden we de tekst zó in 1973:
Gezegend hij, die in der bozen raad
niet wandelt, noch met goddelozen gaat,
noch zich met spotters in de kring laat noden,
waar ieder lacht met God en zijn geboden,
maar die aan ’s Heren wet zijn vreugde heeft
en dag en nacht met zijn geboden leeft.
De kerk – de godsdienst – is weggevallen. Maar opnieuw “waar ieder lacht met God en Zijn geboden” is weer een uitbreiding van de derde categorie, waar Datheen het zuiver houdt naar de woorden van de Bijbelse tekst. Toch is dit weer een vooruitgang tegenover 1773, omdat met het woord “geboden” de Torah – waar het over gaat in Psalm 1 – weer in het gezang betrokken raakt.