De roekeloos spottende samenrotters – Psalm 1 van 1566 tot 1973

Psalm 1:1, 2 luidt in de Herziene Statenvertaling:

Welzalig de man
die niet wandelt in de raad van de goddelozen,
die niet staat op de weg van de zondaars,
die niet zit op de zetel van de spotters,
2 maar die zijn vreugde vindt in de wet van de HEERE
en Zijn wet dag en nacht overdenkt.

De Statenvertaling gebruikte hier de term “welgelukzalig” wat ik een mooi vondst vind, omdat aan de beide grondbetekenissen van “asjrei” wordt rechtgedaan nl. figuurlijk: gelukkig, rijk, gezegend, vanuit letterlijk: rechtopstaand.

Datheen maakte daarvan:

GEluckigh-en-wel-zaligh is de man,
Die in den raed der godloos’ niet en gaet:
Noch op den wegh der zondaers en blijft staende:
Noch in ’t gestoelt’ der spotters is gezeten:
Maer die zijn lust heeft in des Heeren Wet;
En overdenckt dagh ende nacht zijn Wet.

Zo komt “gelukkig” en “welzalig” hier toch weer voor, mooi bedacht vind ik dat. De tekst van de Psalm wordt hier heel nauwkeurig gevolgd.

De versie van 1773 luidt:

Welzalig hij, die in der bozen raad,
Niet wandelt, noch op ’t pad der zondaars staat,
Noch nederzit, daar zulken samenrotten,
Die roekeloos met God en godsdienst spotten;
Maar ’s HEEREN wet blijmoedig dag en nacht
Herdenkt, bepeinst en ijverig betracht.

Dit is al heel wat vrijer. Nu gaat het over het samenrotten van de spotters – niet in de Psalm – en dat ze dat “roekeloos” doen is ook een versterking van juist deze éne groep mensen. De goddelozen, zondaars en spotters zijn in de Psalm drie categorieën mensen die de Torah afwijzen. Het gaat van kwaad tot erger: je kunt wandelen in goddeloosheid, staan op de weg van een zondaar en zitten op de stoel van de spotters. Drie mooie, korte uitdrukkingen. Waarom heeft de versie van 1773 deze categorie “spotters” zo’n uitbreiding gekregen? En waarom is de spot nu niet alleen tegenover de Torah – zoals de Psalm suggereert – maar is het een spotten met God en godsdienst? Nu opeens is het ook de kerk die bespot wordt en dat wordt dan in de psalm ingelezen. Het hoge bewustzijn van de kerk komt hier toch naar voren, dat zij – instituut van de godsdienst – het voorwerp kan zijn van bespotting en dat zij daarmee op één lijn staat met God, die niet bespot mag worden.

En tenslotte vinden we de tekst zó in 1973:

Gezegend hij, die in der bozen raad
niet wandelt, noch met goddelozen gaat,
noch zich met spotters in de kring laat noden,
waar ieder lacht met God en zijn geboden,
maar die aan ’s Heren wet zijn vreugde heeft
en dag en nacht met zijn geboden leeft.

De kerk – de godsdienst – is weggevallen. Maar opnieuw “waar ieder lacht met God en Zijn geboden” is weer een uitbreiding van de derde categorie, waar Datheen het zuiver houdt naar de woorden van de Bijbelse tekst. Toch is dit weer een vooruitgang tegenover 1773, omdat met het woord “geboden” de Torah – waar het over gaat in Psalm 1 – weer in het gezang betrokken raakt.

Van Hert tot Hinde – Psalm 42

Psalm 42 lezen we als volgt in de Herziene Statenvertaling:

2 Zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen,
zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!
3 Mijn ziel dorst naar God,
naar de levende God.
Wanneer zal ik binnengaan
om voor Gods aangezicht te verschijnen?
4 Mijn tranen zijn mij tot voedsel,
dag en nacht,omdat zij de hele dag tegen mij zeggen:
Waar is uw God?

De gedachtengang is duidelijk: mijn ziel smacht naar God, wanneer zal ik weer in Zijn tempel staan. Vanwaar echter deze jammerklacht? Het is vanwege mensen die zeggen: waar is uw God? Wat de psalm dus tot uitdrukking brengt is het verlies van de Tempel, het verloren gaan van de plaats waar God te vinden is. Het is de herinnering aan het opgaan naar de Tempel in een stoet – de feestvierende menigte van vers 5 – die deze jammerklacht oproept. Wordt deze context van de bede ook meegenomen in de berijmde versie?

1566

Psalm 42 luidt in de versie van Datheen:

Als een hert schreeuwt naer de vlieten
Schreeuwt, ô God, mijn ziel tot u.
Als men my vraeght met verachten,
Waer is nu u Godt soo goedt?
Ick smelt als ick denck daer aen,
Hoe ick voormaels plagh te gaen
Met een hoop volcks hier te lande,
Om u, Heer, te doen offrande.

Het is duidelijk dat Datheen deze stemming van de Psalm [zie noot *] heel goed heeft aangevoeld. Regel 3 tot en met 8 verwoorden dat ook krachtig. Het maakt de psalm [zie noot *] geschikt om te zingen en dan te denken aan het verloren gaan van de “feestvierende menigte” en het brengt de eenzaamheid tot uitdrukking die je kan overvallen wanneer mensen de spot drijven met je geloof: “Waar is nu je God, die zo goed heet te zijn?” Maar waarom “offrande” als de Psalm alleen spreekt over “verschijnen” en “naderen”?
De reden kán zijn, dat Dathenus heel goed begrepen heeft dat “naderen” de kernbetekenis is van “qorban” dat meestal met offer wordt vertaald. Alleen: er staat in het Hebreeuws geen werkwoord dat van de stam QRB is afgeleid. Verschijnen is beter: jezelf laten zien, presenteren in Gods nabijheid. Datheen kan er ook aan gedacht hebben dat dit “laten zien” natuurlijk wel degelijk het brengen van een offer impliceert. Maar het is niet de kerngedachte.

1773

Dat verlangen is nog wel bewaard in de versie van 1773. Maar in de staatskerk van toen, is de verwijzing naar het verlies en de eenzaamheid niet langer van belang. Het is nu het “gewone” verlangen naar de kerk te gaan waar de gemeente aan kan denken, zou je kunnen zeggen, een gewoon verlangen dat in de plaats treedt van de bitterheid van het verlies. De ballingschap van de kerk is voorbij!

De versie van 1773:

’t Hijgend hert, der jacht ontkomen,
Schreeuwt niet sterker naar ’t genot
Van de frisse waterstromen,
Dan mijn ziel verlangt naar God.
Ja, mijn ziel dorst naar den HEER’;
God des levens, ach, wanneer
Zal ik naadren voor Uw ogen,
In Uw huis Uw Naam verhogen?

1973

Het “hijgend hert” is goed tot het geheugen doorgedrongen. Bijna iedereen kent het nog zó. Waarom het “aan de jacht ontkomen is”, is mij een raadsel. Het hert is vermoeid van het zoeken naar water! Okay. Maar het hijgende hart klonk toch mooi. Maar het moest een eeuw later wijken voor de veel lastiger uitdrukking “moede hinde”, wat me een stap terug in de tijd lijkt te zijn. De jacht verdween, en dat is weer winst. Frisse wateren werd “klare water” wat mij ook minder duidelijk lijkt en vreemd genoeg werd het “naderen” al meteen feestelijk ingevuld met “loven” en “juichend”.

Het Liedboek van 1973 maakt ervan:

Evenals een moede hinde
naar het klare water smacht,
schreeuwt mijn ziel om God te vinden,
die ik ademloos verwacht.
Ja, ik zoek zijn aangezicht,
God van leven, God van licht.
Wanneer zal ik Hem weer loven,
juichend staan in zijn voorhoven?

Het is nu een veel vrijere vertaling geworden en de stemming van de Psalm is verdwenen.

Maar natuurlijk is de stemming van de Psalm wel terug te vinden in het tweede couplet:

Tranen heb ik onder ’t klagen
tot mijn spijze dag en nacht
als mijn haters honend vragen;
“Waar is God dien gij verwacht?”
Ik gedenk hoe ik vooraan
in de reien op mocht gaan,
om mijn dank Hem op te dragen
in zijn Huis op hoogtijdagen.

Gerhardt – 1972
Alleen Datheen had de stemming van de Psalm als geheel nog in het eerste couplet bewaard. 1973 zet het in het tweede couplet, 1773 wijzigt het een beetje. Dan is het aardig om te zien wat Ida Gerhardt ervan gemaakt heeft:

Gelijk het hert dat reikt naar waar het water stroomt,
Zo in verlangen reikt mijn ziel naar u, o God.
Mijn ziel lijdt dorst naar God, naar God die leven is;
Wanneer mag ik opgaan, dat ik voor God verschijn?
Mijn tranen zijn mijn brood, bij dagen en bij nacht
Waar men van vroeg tot laat, mij zegt, Waar is uw God?

Oordeel maar weer zelf, welke psalmversie het beste de oorspronkelijke strekking en stemming van de Psalm heeft vastgehouden…

[*] Met een hoofdletter verwijzen we naar het boek in de Bijbel (Psalm 23:4) en met een kleine letter naar een psalm uit het liedboek. psalm 23:4 dus. Aan het begin van een regel wordt het onduidelijk of we de Psalm of de psalm bedoelen, maar dan kan ons helpen te spreken over de verzen van een Psalm en de coupletten van een psalm. Maar “lied 23” zoals het Nieuwe Liedboek mogelijk maakt, moeten we maar niet gebruiken.

Myn Godt is myn heerder … Datheen en verder

Psalm 23 wordt bij ons altijd gezongen wanneer iemand in de week daarvoor is overleden. Psalm 23 vers 1 en 6, d.w.z. de versie van Gezang 14. Een kleine vergelijking:

In de HSV luidt de tekst:

De HEERE is mijn Herder,
mij ontbreekt niets.
2 Hij doet mij neerliggen in grazige weiden,
Hij leidt mij zachtjes naar stille wateren.
3 Hij verkwikt mijn ziel,
Hij leidt mij in het spoor van de gerechtigheid,
omwille van Zijn Naam.

Er staan dus echt vier verschillende gedachten: (1) mij ontbreekt niets, (2) ik word naar grazige weiden en stille wateren geleid die mij verkwikken, en (3) ik word in het spoor van Gods gerechtigheid geleid. En dit alles “om Zijn Naam” waarmee vers 3 besluit.

In de gemeenten van de Nederduits Gereformeerde Kerk, opgericht in Emden in 1571, werden de Psalmen van Datheen gezongen. Welnu, deze Datheen – op zijn 19e bekeerd tot het Protestantisme, een Calvinistische kerkleider en vertaler van de Psalmen, vervolgd door Willem van Oranje omdat hij de ware godsdienst wilde laten steunen door de overheid – deze Petrus Datheen dus, berijmde Psalm 23:1-3 als volgt:

MYN Godt voedt my als myn hęerder ghepresen,
Dies sal ick geenes dinghs behoeflick wesen.
In t’groene gras seer lieflick hy my weydet,
End’ aen dat soet’ water hy my geleydet,
Hy verquickt myn siel die seer is versleghen,
Om sijns naems wil, leydt hy my in sijn weghen.

Behalve het “seer is versleghen” van de vijfde regel, heeft Datheen alle vier gedachten uit de Psalm in het Nederlands overgezet. (Er zijn nog gemeenten die het op deze wijze zingen, zoals de Oud-Gereformeerde Gemeente.)

In 1773 wordt een nieuwe Psalmberijming ingevoerd. Die is vol van de geest van de Verlichting en ademt soms de sfeer van de Staatskerk die de Nederduits Gereformeerde kerk – intussen Nederlandse Hervormde Kerk geheten – is gaan vervullen. Er was dus veel verzet, maar dat is nu verstomd in die kerken waarin men de psalmen van 1773 handhaaft, zoals de Hersteld Hervormd Kerk. De Psalmberijming van 1773 klinkt dan als volgt:

De God des heils wil mij ten Herder wezen.
‘k Heb geen gebrek, ‘k heb geen gevaar te vrezen.
Hij zal mij zacht, in liefelijke weiden,
Aan d’ oevers van zeer stille waatren leiden.
Hij sterkt mijn ziel; richt, om Zijn Naam, mijn treden
In ’t effen spoor van Zijn gerechtheden.

Ook hier is alles aanwezig, wat tot de Psalm behoort. Het ” ‘k heb geen gevaar te vrezen” was wel een toevoeging, maar dat is bepaald niet erg, evenmin als “God des heils”.

Twee honderd jaar later komt de Nieuwe Berijming in het Liedboek voor de kerken (in 1973). Dan horen we het zo:

Ik wil van God als van mijn Herder spreken.
Onder zijn hoede zal mij niets ontbreken.
Groen is het land waarin Hij mij doet komen,
fris is de bron die hij voor mij doet stromen.
Hij sterkt mijn ziel en wijst mij rechte wegen,
opdat ik Hem zal prijzen om zijn zegen.

Nu is het niet meer de belijdenis – de Heere IS mijn Herder – maar mijn geloof dat spreekt. Ik wil van God etc. Nu is het land “groen” – en niet het gras zoals bij Datheen – en het zijn niet meer wateren – beekjes – maar een bron. Vreemd voor schapen, die niet bij een bron drinken, maar bij stroompjes water. De wegen van de gerechtigheid zijn nu “rechte wegen”, wat een verzwakking is van de gedachte. En dan wordt toegevoegd – i.p.v. “om Zijn Naam” – “opdat ik Hem zal prijzen om zijn zegen.”

We zijn dus intussen steeds meer kwijt geraakt. En dan komt het. Want wij zingen in onze kerk niet psalm 23 in de versie van 1973, maar gezang 14 (Nieuwe Liedboek: 23b) en dat loopt zo:

De Heer is mijn Herder!
‘k Heb al wat mij lust;
Hij zal mij geleiden
naar grazige weiden.
Hij voert mij al zachtkens
aan waat’ren der rust.

Nu zijn de wegen der gerechtigheid weggevallen, en ook “om Zijn Naam”, en niet alleen dat mij niets ontbreekt, maar nu krijg ik alles waar ik trek in heb: “‘k Heb al wat mij lust.”
Geest van de tijd?

Er is nog deze versie, van Ida Gerhardt, en die luidt zo:

De Heer is mijn herder, mij zal niets ontbreken,
Hij wijst mij te liggen in grazige weiden,
Hij voert mij naar wateren der rust.
Hij behoedt mijn ziel voor verdwalen,
Hij leidt mij in sporen van waarheid
getrouw aan Zijn naam.

Deze werd getoonzet door “Benedictijner en Cisterciënzer monniken” en uitgegeven in 1972.

Wat is de mooiste? Dat heeft natuurlijk ook te maken met de melodie en die van Gezang 14 is werkelijk mooi en eenvoudig. Maar wat is de beste, in de zin dat hij dichtbij de oorspronkelijke tekst blijft? U mag het zeggen.