Johannes (72) – De aankondiging van de Trooster

Joh. 14:12-20

Na het schokkende bericht dat Jezus van hen zal weggaan en de even schokkende aankondiging van de verloochening door Petrus, geeft Jezus eerst vier troostende woorden aan Zijn discipelen. Twee ervan hebben we in het vorige hoofdstuk al besproken. Het eerste was: Jezus is God Zelf. “U gelooft in God, gelooft ook in Mij.” Het tweede was de aankondiging van het Vaderhuis met zijn vele woningen. Hoewel het heden voor de discipelen onzeker was, konden ze er volstrekt zeker van zijn dat ze ooit zouden aankomen, waar hun Heere naar toe ging. Dan “kom Ik terug en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben.” (Vers 3)

Het derde troostwoord vinden we in vers 12. Voor de discipelen zou het vertrek van Jezus niet betekenen, dat zij krachteloos zouden achterblijven. Speciaal voor de apostelen geldt, dat zij “de werken die Ik doe, ook [zullen] doen”, ja zelfs “grotere” dan deze. Zo lezen we dat ook in het boek Handelingen. Het vierde troostwoord vinden we in vers 13 en 14. Het is de belofte dat alles wat de discipelen zullen vragen in de Naam van Christus, gedaan zal worden. Met het doel dat “de Vader in de Zoon verheerlijkt zal worden.” Niet elk verzoek dus wordt ingewilligd, maar elke bede wordt verhoord die werkelijk in Zijn Naam wordt gebeden, en die deze verheerlijking tot doel heeft. Vers 14 geeft dan de korte vorm van deze belofte: “Als u iets vragen zult in Mijn Naam, Ik zal het doen.”

Daarmee komen we aan het vijfde, zeer uitgebreide troostwoord. Dit is de aankondiging van de komst van de Trooster Zelf, de Heilige Geest. Het gedeelte begint echter met het algemene beginsel dat de achtergrond vormt van de komst van de Heilige Geest. “Als u Mij liefhebt, neem dan Mijn geboden in acht.” Dat zelfde beginsel komt aan de orde in vers 21, 23, 24, en in 15:10, 14. De belofte van de Heilige Geest die nu volgt, heeft dus in de eerste plaats betrekking op mensen die liefde koesteren voor de Heere Jezus. Dat is de conditie voor alles wat volgt. De enige test van deze liefde is de gehoorzaamheid. Het gaat dus niet om wat je zegt, of om het zingen van mooie liederen. Wie Hem liefheeft, neemt Zijn geboden in acht. Het zichtbare effect uiteindelijk van deze liefde is dus het gehoorzamen aan de geboden van de Heere.

Johannes zegt dat ook in zijn brief. “Dit is de liefde tot God, dat wij Zijn geboden in acht nemen; en Zijn geboden zijn geen zware last.” (1 Joh. 5:3) “Wie niet liefheeft, kent God niet”, zegt Johannes ook in 1 Joh. 4:8. En dat is een liefde niet met het woord of met de tong, maar “met de daad en in waarheid.” (1 Joh. 3:18) Maar wat is dan dit gebod? Misschien wel in de allereerste plaats wat we ook in deze eerste brief van Johannes lezen en wat we ook in het volgende hoofdstuk van het evangelie naar Johannes zullen vinden, namelijk: “En dit gebod hebben wij van Hem, dat wie God liefheeft, ook zijn broeder moeten liefhebben.” (1 Joh. 4:21) En minstens daaraan gelijk uiteraard, het gebod in Hem te geloven waarmee hoofdstuk 14 van Johannes ook begint. Zonder dat geloof, is er geen liefde tot God en dan ook geen liefde tot de broeder.

Twee dingen moeten hier meteen bij gezegd worden. In de eerste plaats is het ook denkbaar dat de liefde voor de Heere zich uit op andere wijze. Zo kun je het verdriet van de discipelen over het heengaan van Jezus als een bewijs van hun liefde zien. Toen Jezus Lazarus uit de dood opwekte, was ook Hij vol tranen. En wat zeggen de joodse vrienden van Maria en Martha dan? “Ziet hoezeer Hij hem liefhad!” De overmoedige belofte van Petrus dat hij Jezus zal volgen en zijn leven voor Hem zal geven, kun je ook als een uiting van liefde zien. Het wordt hier wel duidelijk, dat de ware liefde voor Jezus niet in die emotionele reacties of ervaringen besloten ligt, maar wel in de gehoorzaamheid aan Zijn woorden. Omgekeerd is het natuurlijk ook zo, dat iemand die zich ergert aan Jezus of Hem negeert in zijn leven, Jezus in het geheel niet liefheeft.

Het tweede dat hier gezegd moet worden heeft te maken met de algemene vorm van de christelijke ethiek. De christelijke ethiek begint niet met de geboden, en legt geen stelsel van gedragsregels op om daarna pas te spreken over de liefde voor Jezus. We vinden in het Nieuwe Testament een zeer groot aantal gedragsregels; meer dan 1000 maal vinden we een gebiedende wijs specifiek gericht aan gelovigen. Maar het uitgangspunt van de gehoorzaamheid is niet het gebod op zichzelf. Zoals Paulus duidelijk maakt is het gebod op zich wel heilig en goed, maar: “de zonde heeft door het gebod een aanleiding gevonden en in mij allerlei begeerte teweeggebracht, want zonder de wet is de zonde dood.” (Paulus legt dit algemene beginsel uit in Rom. 7:8, met behulp van het voorbeeld van het 10e gebod, “U zult niet begeren.”) Alles wat eenvoudigweg de vorm heeft van een extern gebod leidt ertoe dat bij mij de begeerte wordt opgewekt om dat gebod overtreden, en mijn verstand zal vervolgens proberen om mij van de schuld vrij te pleiten door allerlei uitvluchten te bedenken. De christelijke ethiek begint anders, namelijk met de dankbare liefde en eerbied voor Jezus Christus die op natuurlijke wijze resulteert in de gehoorzaamheid aan Hem. Maar de Christelijke ethiek zal vervolgens ook moeten spreken over de kracht van de Heilige Geest die het ons mogelijk maakt om deze gehoorzaamheid te volbrengen, immers wij zijn “geschapen in Christus Jezus om goede werken te doen, die God van tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.” (Ef. 2:10) Onze goedheid en rechtvaardigheid is een vrucht van de Geest, zoals Paulus zegt in Ef. 5:9. Een christelijke levenswandel behelst een toewijding van ons praktische leven  – onze “lichamen”- aan God als “een levend offer, heilig en voor God welbehaaglijk.” Het berust op een innerlijke verandering, een vernieuwing van onze gezindheid, zodat we in staat zijn te begrijpen wat “de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is.” (Rom. 12:1, 2)

Maar waar komt deze innerlijke verandering en vernieuwing dan vandaan? Ze is gewerkt door de heilige Geest. Voor degenen die Hem liefhebben, en dat laten blijken uit de gehoorzaamheid aan Zijn geboden geeft Jezus in vers 16 deze belofte: “Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een andere Trooster geven.” Wat betekent hier het woord Trooster? Het is de vertaling van het Griekse woord paraklètos, dat zowel met Helper als met Trooster kan worden vertaald. Daar zit een woordspeling in. De discipelen hebben een trooster nodig, en dan zegt Jezus dat Hij een paracleet zal zenden, een Helper. De Heilige Geest wordt er bij – Grieks: parageroepen – Grieks: kleitos. En dan is er nog een element in het Grieks dat we hier moeten begrijpen. Jezus spreekt in vers 1:16 over een “andere” Trooster. Nu kent het Grieks twee verschillende woorden voor “ander”. Het ene woord, heteros, betekent een ander of iets anders dat er op lijkt. Als ik het heb over mijn leesbril dan is die anders dan mijn gewone bril. Het is in die zin een andere bril. Een “andere” bril omdat ze wel op elkaar lijken maar niet hetzelfde zijn. En dan kan ik het woord heteros gebruiken. Maar als ik het woord allos gebruik dan bedoel ik iets wat in alle opzichten hetzelfde is. De Trooster die Jezus hier in het vooruitzicht stelt, is op geen enkele manier te onderscheiden van Jezus zelf. Ook de Heilige Geest is God Zelf, spreekt dezelfde woorden, heeft hetzelfde doel, heeft dezelfde “waardigheid” omdat de Geest de volledige representant is van Vader en Zoon. Johannes gebruikt hetzelfde woord parakleitos ook voor Jezus zelf, maar dan wordt het vertaald met voorspraak, “wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de rechtvaardige.” (1 Joh. 2:1) Jezus is de oorspronkelijke Helper en Trooster. Zoals Jezus in deze afgelopen drie jaren voor de discipelen een paracleet geweest is – Hij is met hen opgetrokken, Hij heeft hen geholpen, Hij heeft hen getroost, Hij heeft hen in de waarheid ingeleid – zo zal de Heilige Geest hun Metgezel en Helper en Trooster en de Verkondiger van de waarheid zijn. Dat betekent dus niet dat de gelovigen nu over twee verschillende Troosters beschikken, maar het betekent dat Jezus en de Heilige Geest in essentie één en dezelfde Trooster zijn.

De Trooster die Jezus zou zenden is volgens vers 17 de “Geest van de waarheid.” Deze Geest wordt gezonden in de Naam van Christus, door God de Vader. Zo leert ons vers 26. En hoewel deze Geest dezelfde Waarheid en waardigheid heeft als Jezus Zelf, is deze Geest er vooral op gericht om naar Jezus Christus te verwijzen. Onderwijs is de voornaamste functie van de Geest. De Geest is niet alleen maar de Waarheid – en herinner je dat Jezus Zichzelf de Waarheid heeft genoemd – maar Hij onderwijst ook in de Waarheid. De Geest onderwijst dus in alle dingen die van Jezus Christus zijn. Zoals we lezen in het tweede deel van vers 26: “Die zal u in alles onderwijzen en u in herinnering brengen alles wat Ik u gezegd heb.” Dit is de Geest over Wie Jezus zegt: “Die zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het Mijne nemen en het u verkondigen.” (Joh. 16:14)

Hoe zit het dan met de rest van de wereld? Vers 17 zegt over de Geest, dat “de wereld [Die] niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet, maar u kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn.” De wereld is niet bij machte om de Heilige Geest te zien net zomin als de wereld het vermogen had om Jezus Christus te begrijpen en te erkennen. In Johannes 8:45 zegt Jezus: “Maar Mij, omdat Ik de waarheid spreek, Mij gelooft u niet.” De waarheid die door de Geest wordt gesproken, dezelfde waarheid die door Jezus werd gesproken, ligt buiten het vermogen van de natuurlijke mens. Want Hij is “een Mens Die de waarheid tot u gesproken heeft, die Ik van God gehoord heb.” (Joh. 8:40) Omdat de mensen het licht schuwen dat hen zou kunnen veroordelen, daarom komen zij niet tot het licht. Omdat zij de wil niet zoeken van God, leren zij die wil ook niet kennen. Daarom kan Paulus schrijven dat “wij niet ontvangen hebben de geest van de wereld, maar de Geest Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen die ons door Gods genade geschonken zijn.” En daarvan spreken wij dus ook, buiten de menselijke wijsheid om,” met woorden die de Heilige Geest ons leert, om geestelijke dingen met geestelijke dingen te vergelijken.” Voor iemand uit de wereld moeten al deze dingen dwaasheid zijn, en “hij kan ze ook niet leren kennen, omdat ze geestelijk beoordeeld worden.” (1 Kor. 2:12-14) We moeten ons niet laten ontmoedigen door de enorme hoeveelheid tegenspraak tegen het evangelie die we in onze tijd meemaken. In plaats daarvan moeten wij leren vasthouden aan de waarheid die door de Heilige Geest aan ons betuigd wordt.

Waarom spreekt de Heere hier meteen over het ongeloof van de wereld? Je zou kunnen denken dat de discipelen nu weer dreigen door te slaan naar de andere kant. Ze hebben te horen gekregen dat zij nog grotere werken zullen doen dan de werken die de Heere Jezus gedaan heeft. (Vers 12) Nu horen ze dat de Heilige Geest bij hen zal blijven en in hen zal zijn. Op dat moment zullen ze even gedacht hebben dat de overwinning die bij Jezus nog op zich laat wachten, dan misschien bij hen zal beginnen. Misschien dat daarom zo nadrukkelijk wordt verwezen naar het onvermogen van de wereld om deze Geest ontvangen. Het ongeloof tegenover Jezus zet zich voort in het ongeloof tegenover de plaatsvervanger van Jezus, de Heilige Geest. De discipelen moeten beseffen dat de wereld hen zal haten – Joh. 15:18, 19. Zij zullen vrede hebben in Christus, maar in de wereld verdrukking – Joh. 16:33. De discipelen gaan dus van wanhoop naar een overmatig enthousiasme dat nu hier weer enigszins wordt getemperd.

Dan is er een tweede belofte. Een tweede grote zegen in het leven van de discipelen. En dat is de belofte dat Jezus zal terugkeren. Welke terugkeer heeft Johannes hier op het oog? Het lijkt mij dat dit een uitwerking is van de belofte over de Heilige Geest. In vers 19 lezen we: “nog een korte tijd en de wereld zal Mij niet meer zien” – want Jezus zal sterven en na Zijn opstanding nog alleen maar verschijnen aan de discipelen – “maar u zult Mij zien.” Wanneer zal dat dan gebeuren? Is dat bij de uiteindelijke Wederkeer van Jezus? Maar die zou niet onmiddellijk plaatsvinden. En bij zijn Wederkeer is het juist de wereld die Hem nu eindelijk als de definitieve Rechter zal zien. Ik denk dat de discipelen Jezus zullen zien na Zijn Hemelvaart met het oog van het geloof in de kracht van de Heilige Geest. Dit is nog niet de belofte van het letterlijke zien, maar de belofte van het geestelijke zien. Daarom wordt er gezegd in vers 20 – en dat slaat dan volgens mij op de komst van de Heilige Geest – “Op die dag zult u inzien dat Ik in Mijn Vader ben, en u in Mij, en Ik in u.” En deze eenheid van Vader en Zoon, de eenheid van de discipelen met Jezus, en van Jezus’ innerlijke aanwezigheid bij de discipelen, dat alles is een omschrijving van het krachtige werk van de Heilige Geest. Wanneer in vers 23 gesproken wordt over het “intrek nemen” van de Vader met de Zoon, denk ik eveneens dat dat verbonden is met de aanwezigheid van de Heilige Geest in de gelovige.

Het is een ongelofelijk mooie waarheid, die specifiek hoort bij het Nieuwe Verbond. Onder de oude bedeling van de wet, kon de Geest aanwezig zijn, kracht geven, iemand bijstaan, op iemand vallen en rusten maar niet in de gelovige Zijn intrek nemen en wonen. Dat is een uitdrukking die uitsluitend toekomt aan de gelovigen in Christus. Alleen hadden de profeten het wel aangekondigd zoals bijvoorbeeld in Ezechiël: “Ik zal Mijn Geest in uw binnenste geven.” En wat is daarvan dan het gevolg? “Ik zal maken dat u in Mijn verordeningen wandelt en dat u Mijn bepalingen in acht neemt en ze houdt.” (Ez. 36:27) Het is de Geest die de gehoorzaamheid mogelijk maakt. En dan ook in het volgende hoofdstuk: “Ik zal Mijn Geest in u geven, u zult tot leven komen.” (Ez. 37:14) Dat alles wees vooruit naar de tijd van de Messias. Want deze profetie is in ons vervuld, zoals Johannes schrijft in zijn eerste brief: “Hieraan weten wij dat wij in Hem blijven en Hij in ons, doordat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft.” (1 Joh. 4:13) En terwijl Johannes benadrukt dat deze waarheid geldt voor een ieder van ons persoonlijk, spreekt Paulus over de aanwezigheid van de Heilige Geest in de gemeente: “op Wie” – dat is Christus – “ook u mede gebouwd wordt tot een woning van God, in de Geest.” Het fundament is Christus, en niemand kan een ander fundament leggen. Het gebouw is natuurlijk niet het kerkgebouw, maar een geestelijk gebouw, dat bestaat uit mensen, levende stenen. Zodat we mogen zeggen dat in de gemeente van Christus – wanneer zij gebouwd is op het fundament van de apostelen en profeten, en wanneer Jezus Christus daarvan de hoeksteen is – de Heilige Geest ook werkelijk woont.

Johannes (14) – Het natuurlijke en het Geestelijke

Johannes 3:11-15

We zijn nog steeds bezig in het derde hoofdstuk van het evangelie naar Johannes, met het gesprek van Nicodemus en Jezus. Dat is een gesprek over de ingang in het koninkrijk van God, over wat we normaal gesproken zaligheid of behoudenis noemen. In dit evangelie wordt het meestal als “eeuwig leven” aangeduid.

We hebben al gehoord dat je die ingang op twee manieren kunt beschrijven: als wedergeboorte uit water en Geest en als geloof in de Zoon des mensen. Daarin zit een tegenspraak – het is voor ons althans een tegenspraak – maar we hebben beide uitspraken nodig om tot op zekere hoogte te begrijpen wat hier gaande is. Net zoals we ook in dit evangelie moeten begrijpen, dat de Zoon van God tevens het Lam van God is; dat het eeuwige Woord tevens de mens Jezus Christus is. God begrijpt hoe dat alles een perfecte eenheid vormt; wij hebben twee benaderingen, twee manieren van spreken nodig om het te begrijpen. De tegenspraak tussen de twee manieren van spreken is niet toevallig maar wezenlijk. Het komt in ons begrijpen nooit tot een volkomen eenheid. En we moeten eigenlijk ook geen poging doen om de tegenstelling te verzachten en te zeggen “de wedergeboorte is de oorzaak van het geloof”, of “het geloof is de oorzaak van de wedergeboorte.” Ook dat berust op een natuurlijke en verstandelijke manier van redeneren. Maar daarover heb ik de vorige keer al geschreven.

Het gesprek met Nicodemus gaat vanaf vers 13 over in een monoloog van de kant van Jezus. Ik denk dat dat ook tot het gesprek met Nicodemus behoort en dat we het op die manier moeten leren verstaan. Eigenlijk moeten we dan beginnen te lezen in vers 12. Dat is de laatste keer dat Jezus rechtstreeks tegen Nicodemus heeft gesproken. Hij zegt in dat vers: “Als Ik aardse dingen tegen u zei en u niet gelooft, hoe zult u geloven als Ik hemelse dingen tegen u zeg?” Wat zijn die aardse dingen? Welnu, dat is gewoon het beeld van de geboorte, want de geboorte hoort bij de aarde. Jezus heeft daar simpelweg mee bedoeld, dat wij niet beschikken over de toegang tot het koninkrijk, dat het ons overkomt op de manier waarop de geboorte ook een gebeurtenis is waarover wij niet kunnen beschikken. Dat is het aardse perspectief. En dus zegt Jezus tegen Nicodemus: “U gelooft het al niet eens als ik dat tegen u zeg, dat u niet kunt beschikken over de toegang tot het koninkrijk. U gelooft dat u zich die toegang kunt verschaffen door het verrichten van de werken van de wet. Maar dat is een aardse voorstelling, een vals geloof. Zo hebben jullie ook de wonderen verstaan die Ik verricht heb. Vanuit de aarde gezien zijn het alleen maar wonderen, maar je hebt de betekenis ervan – het Geestelijke – niet begrepen.” Nicodemus is niet bij machte om de geestelijke werkelijkheid te begrijpen waar Jezus over spreekt. Een mens die alles vanuit zijn menselijkheid probeert te begrijpen – vanuit zijn ervaring, vanuit de traditie, vanuit zijn verstand, vanuit de erfelijkheid en sterfelijkheid – komt hier tekort. We spreken hier over een geestelijke verblindheid. Paulus spreekt erover:

“Van hen, de ongelovigen, geldt dat de God van deze eeuw hun gedachten heeft verblind, opdat de verlichting met het Evangelie van de heerlijkheid van Christus, Die het beeld van God is, hen niet zou bestralen.” (2 Kor. 4:4)

Paulus zegt het op een andere manier in zijn eerste brief aan de gemeente van Korinthe.

“De natuurlijke mens neemt de dingen van de Geest van God niet aan, want ze zijn dwaasheid voor hem. Hij kan ze ook niet leren kennen, omdat ze geestelijk beoordeeld worden.” (1 Kor. 2:14; vgl ook 1:18, 21, 25; 2:4, 5, 7, 10,12, 15.)

Het natuurlijke verstand zal bijvoorbeeld zeggen, dat je bij theologische uitspraken die een tegenspraak inhouden steeds een keuze moet maken. Het is of het een of het ander. Of Jezus is een ander woord voor God, Hij is schijnbaar mens – en dan doet Zijn menselijkheid en Zijn dood er niet toe. Of Jezus is een mens – en dan is Zijn goddelijkheid alleen maar een fraaie titel voor Zijn waarde voor jou. De natuurlijke mens zal zeggen, het is of het een of het ander. Of je wordt een christen door een mysterieuze ingreep van boven – wedergeboorte – of het is een kwestie van je eigen keuze, dan ben je vrij om te geloven of niet te geloven..

En nog een voorbeeld. Het is of het een of het ander. Of Jezus is de Zoon van God en dan is de dood aan het kruis maar een schijnvertoning; of Jezus is alleen maar mens, maar dan is de opstanding een fabeltje. Of het een of het ander. En daarom zegt Paulus:

“En wij hebben niet ontvangen de geest van de wereld, maar de Geest Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen die ons door Gods genade geschonken zijn.”

Met je natuurlijke verstand kun je niet vanaf de aarde opklimmen tot in de hemel, uit jezelf kun je niet ontdekken wie God is. Maar het is juist het kenmerk van het natuurlijke verstand, dat het met behulp van redeneren en logica – het is of het een of het ander – probeert alles te begrijpen. Dat is de wijsheid van deze wereld, en dat logische en dat redeneren leidt dan tot “overtuigende woorden van menselijke wijsheid.” Zo kun je op overtuigende wijze de openbaring van God loochenen en teniet doen. Maar wie kan werkelijk weten wat God is en wat God denkt behalve God alleen? Hoe kan het menselijke uit zichzelf in staat zijn het goddelijke te begrijpen? Hoe kan de menselijke kunst van het redeneren en het natuurlijke verstand de diepten van God leren kennen? Daarom zegt Paulus:

“aan ons echter heeft God het geopenbaard door Zijn Geest. De Geest immers onderzoekt alle dingen, zelfs de diepten van God.” (1 Kor. 2:10)

Terug naar Johannes. Wanneer Nicodemus probeert te begrijpen en misschien te geloven wanneer Jezus hem de hemelse dingen uitlegt, wat moet hij dan als eerste begrijpen en geloven? Het eerste deel van het antwoord daarop, wordt gegeven in vers 11 en 13. Het is een antwoord op de vraag “hoe” iemand immers kan geloven wanneer hij over hemelse dingen hoort spreken. Dan zal hij het getuigenis van Vader en Zoon (vers 11) moeten aannemen. Naar wie moet Nicodemus dan luisteren om in staat te zijn de hemelse dingen te geloven? Dan moet hij luisteren naar iemand die het weten kan, voor wie de hemel een eigen natuurlijke werkelijkheid is. Je kunt niet vanaf het aardse opvaren naar de hemel, maar je kunt wel luisteren naar Degene die uit de hemel is neergedaald. Zo geeft Jezus het antwoord: “En niemand is opgevaren naar de hemel” – niemand kan dus van het hemelse getuigen – “dan Hij Die uit de hemel neergedaald is” – want Hij is in staat om te openbaren wat in het hart van God is. En Wie is dat dan? “… Namelijk de Zoon des mensen, Die in de hemel is.” (Vers 13) Dat is een nieuwe titel van Jezus in dit evangelie. Het lijkt mij, dat je die titel in ieder geval kunt begrijpen als een samenstelling van Zoon van God, en Lam van God. De Zoon van God die mens wordt, is ook de Zoon des mensen. Dat wordt nog versterkt door de uitdrukking die er meteen op volgt. Het gaat om “de Zoon des mensen, Die in de hemel is.” En als Mens wordt Jezus het Lam van God. Daarnaast kun je ook nog beseffen, dat het in het algemeen teruggaat op de profetie van Daniel 7.

Die tegenwoordige tijd: “Die in de hemel is”, is hier opvallend. Dat betekent volgens mij niet dat Johannes de evangelist hier iets heeft toegevoegd aan de woorden van Jezus, omdat dat bij het schrijven de realiteit was – zodat het slaat op de Hemelvaart. Johannes betreft niet te zeggen, dat de Zoon des mensen op het moment van schrijven in de hemel was. Want dan zou je kunnen denken dat Jezus tijdens zijn leven op aarde niet “in de hemel is.” Het heeft volgens mij dezelfde betekenis als in Johannes 1:18, waar we lezen: “de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is.” De Zoon van God was hier op aarde, en de discipelen hebben Zijn heerlijkheid gezien. Maar tegelijkertijd was Hij (en is Hij nu) in de schoot van de Vader. Hij is Zoon van God en mens op aarde, en tegelijkertijd Zoon van God die eeuwig en ongescheiden bij God is. Op grond van Zijn godheid moet het dus zó gezegd worden: “de Zoon des mensen, Die in de hemel is.” Jezus is nooit – behalve in de drie uren van duisternis aan het kruis – van God gescheiden geweest. De eniggeboren Zoon, de Zoon des mensen, was ook tijdens Jezus leven op aarde, in de hemel, en niet van de hemel gescheiden. Dat maakt een einde aan alle mythen over goddelijke wezens, die hier op aarde alleen maar verschijnen – dus geen vlees geworden – of zolang ze op aarde zijn, dus niet in de hemel zijn. Dat zijn de fantasieën van de oude Griekse godsdiensten, die uit het natuurlijke verstand en de aardse religie van de mensen voortkomen.

Vervolgens geeft Jezus in vers 14 en 15 een antwoord op de vraag die in het hart van Nicodemus geleefd heeft. Deze Zoon des mensen moet het Lam van God worden. Alleen als de Zoon van God wordt overgegeven in de dood, kan Hij verlossing brengen aan een zondige wereld. Hij moet worden “verhoogd” aan het kruis, zoals de koperen slang door Mozes in de woestijn “verhoogd”, in de hoogte gestoken werd. (Vergelijk Numeri 21) Iedereen die naar de koperen slang keek, werd genezen. En wie niet opkeek naar de koperen slang, omdat hij of zij niet in de woorden van Mozes vertrouwde, werd niet genezen.

Dat is dus van de mens uit gezien de voorwaarde van de ontvangst van het eeuwige leven, van de toegang tot het koninkrijk van God. Vers 15 zegt daarom: “opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.” Om genezen te worden van het slangengif was het nodig om op te kijken naar de koperen slang; om het eeuwige leven te ontvangen – vergeving van zonde en schuld en het nieuwe leven uit God – is het nodig om te geloven in de Zoon des mensen. Het gaat dus niet om goede werken, het gaat niet om onze religieuze plichten en inspanningen, het gaat niet om de moraliteit. Het gaat zelfs niet om de het herhaalde berouw en bekering, zoals in de prediking van Johannes de Doper – als voorbereiding – nog gezegd werd. Alles wat wij moeten doen is opkijken, erkennen, aanvaarden, instemmen met het evangelie van de Zoon van God, die “zichzelf voor mij heeft overgegeven.” (Gal. 2:20) Hoe zou het ook anders kunnen? Als geloven een werk van de mens is, dan is de wedergeboorte uitgesloten. Dan is er geen werk van God nodig en komt alles op onze inspanning van geloven aan. Maar nogmaals: als de wedergeboorte iets is waar ik alleen passief op moet wachten, dan ben ik ongehoorzaam aan de Zoon van God die mij oproept in Hem te geloven.

Spreken in tongen – slot

Ik heb in een aantal blogs de Schriftplaatsen voorgelegd die handelen over het spreken in tongen.  Ik heb een aantal conclusies daaruit getrokken:

  1. Het spreken in vreemde talen – xenolalia – is een gave van de heilige Geest uit het begin van de geschiedenis van de gemeente. Glossolalia – het spreken in taalachtige klanken zonder betekenis -  is een extatische uiting van enthousiasme die niet is gebaseerd op Pinksteren. Het bouwt de gemeente niet op. 
  2. In de gemeente heeft Paulus de opdracht gegeven dat wie spreekt in een vreemde taal – in verkondiging of gebed – een uitlegger moet hebben – doel van alles is de opbouw van de gemeente. Een gebed dat ik niet versta, daar kan ik geen Amen op zeggen, een verkondiging die ik niet versta bouwt mij niet op.
  3. Dat het spreken in tongen niets te maken heeft met de “doop in de heilige Geest”, want die is eenmaal en voor altijd geschied met Pinksteren. In Caesarea en Efeze krijgen ook andere groepen – niet-joden en de gelovigen die alleen Johannes de Doper kenden – de gelegenheid zich daarbij aan te sluiten. De Geest “valt” op hen – geen “doop” met de heilige Geest. Het is on-Bijbels om te zeggen dat een gelovige – bekeerd, belijdenis gedaan, wedergeboren en gedoopt met water – nu zou moeten gaan bidden om de doop met de heilige Geest – wél om het vervuld worden met de heilige Geest.
  4. Dat gemeenten waarin tongentaal wordt gezien als het effect van de doop met de heilige Geest eigenlijk twee soorten christenen introduceren: de gewone gelovigen en degenen die met de heilige Geest gedoopt zijn – die dan allemaal in tongen moeten spreken als bewijs daarvan. Dat is een gevaarlijke ketterij die tot verdeeldheid in het Lichaam van Christus leidt.
  5. De Geest kán zich innerlijk te kennen geven met “onuitsprekelijke verzuchtingen” maar dat is een spreken tot God dat de ontvanger voor zichzelf moet houden – tenzij er een uitlegger zou zijn. Maar ik geloof niet dat dit voor de gemeente van nu bestemd is.

Ik moet dus op grond van de Schrift concluderen dat de praktijk van het spreken in tongen in Pinkstergemeenten en charismatische kringen moet worden afgewezen als onschriftuurlijk. Alle tongen zullen ophouden, wist Paulus al in 1 Kor. 13:8. net als de gave van het Manna ophield bij de intocht in het land.

Hoe kunnen gelovigen bidden om de doop met de heilige Geest, als die Geest al in hun harten woont (Gal. 4:6) en de liefde van God in onze harten brengt? (Rom. 5:5) Zeker, de Vader zal de Geest geven aan wie Hem daarom vragen (Luk. 11:13) maar dat is nu precies wat er gebeurde in Hand. 1:41; 2:1. Hoe kunnen we bidden om de aanwezigheid van de Geest als die Geest er al is?

Is mijn lezing van de Schrift verkeerd, dan hoor ik het graag.

Pinksteren 2014–Preekschets

De Heilige Geest brengt ons allen samen in de eenheid van de gemeente. Maar ook in ons persoonlijke leven wil de Heilige Geest werkzaam zijn.

1. De Heilige Geest onderwijst ons over Jezus

Maar wanneer de Trooster is gekomen, Die Ik u zenden zal van de Vader, de Geest van de waarheid, Die van de Vader uitgaat, zal Die van Mij getuigen.

14:26 Maar de Trooster, de Heilige Geest, Die de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u in alles onderwijzen en u in herinnering brengen alles wat Ik u gezegd heb.

Maar wanneer Die komt, de Geest van de waarheid, zal Hij u de weg wijzen in heel de waarheid, want Hij zal niet vanuit Zichzelf spreken, maar wat Hij gehoord zal hebben, zal Hij spreken, en de toekomstige dingen zal Hij u verkondigen.

Wat we weten van Jezus – niet historisch of met de ogen van het verstand, maar in geloof – dat weten we door de Heilige Geest. We weten en geloven in Zijn opstanding door de Heilige Geest. We weten van Zijn offer aan het Kruis voor ons, door de Heilige Geest. De Heilige Geest is zelfs het onderpand van onze behoudenis – omdat we de Geest in ons hebben, weten we dat we eeuwig leven hebben, gegarandeerd door Gods genade die aan het kruis van Golgotha is verschenen.

2. De Heilige Geest woont in ons: krachtbron en kompas

Rom. 8:11 En als de Geest van Hem Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zal Hij Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door Zijn Geest, Die in u woont.

De Heilige Geest wil ons ook elke dag weer aan het werk zetten en de richting wijzen die we moeten gaan. Vooral in het boek Handelingen komen we dat vaak tegen: het is de Heilige Geest die de handel en wandel van de apostelen en discipelen heeft geleid. Dat doet Hij ook vandaag nog bij ons.

Maar ook door de Heilige Geest worden wij veranderd. Dat leren we in 2 Kor. 3

17 De Heere nu is de Geest; en waar de Geest van de Heere is, daar is vrijheid.

18 Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heere als in een spiegel aanschouwen, worden van gedaante veranderd naar hetzelfde beeld, van heerlijkheid tot heerlijkheid, zoals dit door de Geest van de Heere bewerkt wordt.

3. Door de Heilige Geest weten we en ervaren we dat we Gods kinderen zijn

Rom. 8:De Geest Zelf getuigt met onze geest dat wij kinderen van God zijn.

Het is geweldig te mogen weten dat we onderdeel zijn van Gods familie. Dat we een liefhebbende Vader in de hemel hebben, in alle omstandigheden van het leven. Die Vader wil ons opvoeden en voor ons zorgen en aanwijzingen geven hoe ons leven geleefd moet worden. Dat alles doet Hij door de Heilige Geest – de band van de adoptie door de Vader, dat is de Heilige Geest. In de kracht van die Geest mogen we vrijmoedig tot God spreken en Hem “Pappa”, Abba, noemen.

4. De Heilige Geest komt onze zwakheden te hulp

Rom 8:26 En evenzo komt ook de Geest onze zwakheden te hulp, want wij weten niet wat wij bidden zullen zoals het behoort. De Geest Zelf echter pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen.

We kunnen proberen eigenzinnig en in eigen kracht te doen wat wij denken dat nodig is. Dan hebben we een houding in het leven waarin alles van ons afhangt. Maar we overzien de gevolgen van onze daden niet, en we kunnen vaak niet handelen zoals we zouden willen: de macht van de zonde en onze begrensde kennis weerhouden ons daarvan. Maar we kunnen ook proberen te leven in de kracht van de Heilige Geest. Dat betekent dat we proberen afhankelijk te blijven van de Heilige Geest, met een innerlijke houding van openheid en ontvankelijkheid voor de aanwijzingen van de Heilige Geest in ons. Dan is Gods Geest in staat ons te veranderen naar het beeld van Christus en ons werkelijk op te voeden tot de mensen die wij in Gods ogen moeten zijn.

De apostel Paulus neemt het gebed als voorbeeld van de bijstand van de Heilige Geest. Omdat wij zelfs niet weten hoe we moeten bidden, komt ook hierin de Heilige Geest ons te hulp. Leren bidden is leren bidden in de kracht van de Geest en niet vooral met je eigen geest. De Heilige Geest moet je laten werken, je moet toelaten dat die het overneemt – een vreemde, maar zeer prettige ervaring. Als Christus wordt groot gemaakt in je hart en in je leven,, dan kun je er zeker van zijn dat de Heilige Geest er de auteur van is.