We spreken met elkaar vaak over de vragen die wij over God kunnen stellen. Wanneer we twijfelen of God wel bestaat roepen wij in de duisternis: “waar ben jij, God?” We kijken naar boven en om ons heen en er komt geen antwoord. Wanneer de nood in de wereld hoog is en natuurrampen ons gevoel van veiligheid wegnemen, dan wordt de vraag van ons hart: “Heb je ons vergeten, o God? Want wij zijn in nood!” Wanneer we zien dat het kwade in deze wereld regeert en onrechtvaardigen tot bloei komen en de zwakkeren vertrappen, dan roepen we God ter verantwoording en zeggen: “Vanwaar kom jij o God? Wat heb je vandaag voor ons gedaan?”
Onze vragen aan God
We denken recht te hebben op al deze vragen, we voelen ons onrechtvaardig behandeld wanneer er geen antwoorden zijn. Waarom zou God ons die vraag niet beantwoorden? Kan hij ons dan niet de zekerheid geven van zijn aanwezigheid, door zichzelf te vertonen bijvoorbeeld of ons een visioen van hem te schenken? Kan hij dan niet elke ziekte en elke nood die ons mensen treft wegnemen? Kan hij het hart van de onrechtvaardige dan niet buigen zodat die zich gedraagt naar Gods wil en tot een zegen voor zijn naaste? Zijn dat niet de vragen waarmee we leven? Met als hoogtepunt de vraag waarmee we God ter verantwoording roepen. Vanwaar kom je. En we denken misschien dat het antwoord dat God geven moet op onze dringende vragen niet meer voorstelt dan het antwoord van de knecht van Elisa: “ik ben noch herwaarts noch derwaarts gegaan” – of in de nieuwe vertaling: “ik ben nergens heen geweest.” (2 Koningen 5)
Gods vraag: waar ben je?
Maar voordat wij deze vragen aan God hebben gesteld, triomfantelijk of volkomen terneergeslagen, en ontdekken dat we geen antwoord ontvangen, heeft God ons Zijn vragen gesteld. Vraagt hij niet aan ieder mens, vanaf het moment dat we wakker worden in de morgen, dezelfde vraag die hij aan Adam stelde: “waar ben je?” En dan moeten we antwoord geven. Waar zijn wij aan het begin van de dag? Wat zijn onze voornemens, hoe benaderen wij deze nieuwe dag die God ons gegeven heeft, wat is onze plaats in de wereld tegenover andere mensen en voor God? Kortom wie zijn wij eigenlijk?
Is dan het antwoord dat wij aan God geven niet heel vaak hetzelfde antwoord dat Adam gaf? Moeten we niet belijden en zeggen: “Toen ik vanmorgen dacht aan de God die mij mijn leven heeft gegeven, werd ik angstig, want ik weet dat ik naakt en weerloos ben, zondig en zwak, zonder kracht om mijn taken naar behoren te vervullen en de geboden van de Heere in acht te nemen. En daarom wil ik mij het liefst vandaag verbergen voor het aangezicht van de Heere.”
Of is het antwoord anders? Misschien begint onze dag met dankbaarheid: “Ik dank u Heere God, dat u ook vandaag weer mijn leven leiden zult in uw onmetelijke goedheid, groot is uw trouw o Heer, mijn God en Vader, iedere morgen aan mij weer betoond.”
Gods vraag: waar is je broeder?
En als dan onze dag verloopt zoals wij het ons hebben voorgenomen en we bezig zijn met onze noden en behoeften, met onze gezelligheid en met onze zorgen, komt er opnieuw een vraag op ons af. Horen wij de vraag die God tijdens onze dagelijkse bezigheden aan ons stelt? Is dat niet de vraag die ook Kaïn te horen kreeg? “Waar is je broeder? Waar is je zuster? Waar is je naaste?” God wijst ons op degene die onze naaste is, die aan onze zorg is toevertrouwd, misschien een bekende in de gemeente, misschien letterlijk een broer of zuster, of een lid van de familie, of misschien die vreemdeling die zomaar op onze weg is geplaatst. Hebben wij deze dag niet gekregen om de nood van onze naaste te verlichten? Om zorg te hebben voor een echtgenote of een buurvrouw of een gestrande reiziger? Het leven dat God ons schenkt is altijd en in de eerste plaats een samenleven. God heeft de mens niet geschapen om alleen te zijn.
Maar is het antwoord dat wij geven ook niet heel vaak het antwoord van Kaïn? Moeten wij niet heel vaak belijden: “Ik weet het niet?” – Ik heb vandaag niemand gezien voor wie ik de nood moet lenigen of de zorg moet wegnemen. Ik heb mij alleen bezig gehouden met mijzelf en mijn eigen noden en daar had ik mijn handen al vol mee. Ik heb niet nagedacht of ik een liefdevol woord kon spreken of een behulpzame daad kon verrichten. Waarom zou ik ook? Ik ben toch niet de herder van mijn naaste?”
Of is het antwoord anders? Misschien ervaren wij de hele dag de dankbaarheid, over de goede werken die de Here God al van tevoren bereid had zodat wij die in zijn opdracht en in zijn naam mocht uitvoeren. Zal Christus dan niet tegen ons zeggen: “ik heb honger geleden en gij hebt mij te eten gegeven. Ik heb dorst geleden en gij hebt mij te drinken gegeven, ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt mij gehuisvest, ik ben naakt geweest en gij hebt mij gekleed, ik ben ziek geweest en gij hebt mij bezocht, ik ben in de gevangenis geweest en gij zijt tot mij gekomen. Want in zoverre wij dit aan een van zijn minste broeders hebben gedaan, hebben wij het aan hem gedaan.”
Gods vraag: vanwaar?
En dan komt deze hier aan het einde van onze dag, wanneer we gaan slapen en overdenken wat we gedaan hebben en nagelaten, wat goed is gegaan en mis is gegaan, en stelt hij ons de vraag die de profeet Elisa ook aan Gehazi stelde. “Vanwaar, Gehazi?” “Waar kom je vandaan, o mens, wie je ook bent? Hoe is jouw weg gegaan vandaag? En welke weg was het die je vandaag hebt gekozen? Was dat de rechte weg die naar Gods koninkrijk leidt, of was dat de Kronkelweg van het egoïsme, de liefdeloosheid, de geldzucht, van de verharding van het hart.” Waar kom je vandaan, oftewel wat heb je zoal uitgespookt vandaag?
Is het niet vaak zo dat wij dan moeten beantwoorden, dat hij het woord van de profeten – het aan ons geopenbaarde woord van God – ongehoorzaam zijn geweest? Moeten we dan niet al te vaak het antwoord geven dat ook de knecht van Elisa en geven moest: ach vandaag zijn we nergens geweest, hebben niets gedaan, alsof God niet weet dat wij ons de hele dag met grote inzet hebben bezig gehouden voor ons eigen belang. En het is ook waar wat we dan zeggen. In Gods ogen hebben wij niets gedaan en is al ons werk waardeloos – want het is niet gedaan in naam van Jezus, maar in onze eigen naam. Heeft Jezus ons niet gezegd, dat hij werkt in het koninkrijk ontvangen voor al wat hij daartoe nodig heeft? Het Jezus ons niet gezegd dat ons zorgen maken over ons dagelijks leven geen centimeter aan onze lengte kan toevoegen? Met andere woorden, onze zorg voor ons dagelijks leven en onze inspanning daarvoor, hoe nodig dat soms en op beperkte schaal ook is, leiden eigenlijk alleen maar af van het belangrijkste in het leven.
U dacht misschien dat het een overbodige luxe was om de bijbel te lezen? U dacht misschien dat de woorden van apostelen en profeten aardige verhalen voor de zondag zijn. Ik zeg u dat u zich dan enorm vergist. We vergeten dan iets heel belangrijks, namelijk dat het woord van de apostelen die Jezus als zijn plaatsvervanger heeft aangesteld, voor ons is als het woord van God zelf. Als de apostel ons oproept om gastvrij te zijn, onze zonden te belijden, de naaste lief te hebben als onszelf, het zwakkere in ere te houden en te verzorgen, in het bijzonder om te zien naar weduwe en wees die in deze wereld zwak en eenzaam kunnen zijn, om elkaar eindeloos vaak te vergeven, om de broederlijke liefde in de gemeente te koesteren, en de broederlijke eenheid in de gemeente te zien als een symbool voor Gods aanwezigheid in de wereld, dan is dat niet het woord van een goed bedoelende oude man, maar woord van God zelf. Hoe anders spreekt hij tot ons dan door profeet en apostel? Zelfs al datgene wat de Heere Jezus ons geleerd heeft, is ons doorgegeven door de apostelen die het gehoord hebben en opgeschreven hebben.
Zo hoort elk mens deze drie vragen. Waar ben je? Waar is je broeder? Waar kom je vandaan? Wie ben je en wat zijn je voornemens? Weet je wie naaste is? En als de dag voorbij is, komt samen met God de terugblik: waar kom je vandaan, ben je met jezelf bezig geweest met dingen van het koninkrijk.
Christus’ vraag: heb je Mij lief?
Maar ik zeg u dat er nog een vierde vraag is. Vergeleken met deze drie vragen is het maar een zachte en fluisterende vraag, maar misschien wordt ze wel drie keer gesteld elke dag weer, misschien wordt die vraag zelfs gesteld in het duister van de nacht. Midden in het leven van alledag of in de rust en de stilte van de avond of misschien wel bij de maaltijd die wij met elkaar delen, neemt de Heere Jezus ons apart. En hij weet wat wij allemaal liefhebben, en wie wij allemaal liefhebben, en hij weet ook dat wij onszelf vaak meer liefhebben dan wat en wie dan ook. En dan wijst hij op ons en fluistert dan: “Simon, of Robbert, of Henneke, of Geertje of Frits, – vul je eigen naam maar in – heb jij mij waarlijk lief? Heb je mij lief boven alles? Hebben wij die Heere Jezus lief, die ons liefgehad heeft tot de dood aan toe? Beantwoorden wij zijn liefde met onze gehoorzaamheid? Of is dat opnieuw iets voor de zondag alleen? Hoe kan het voor de zondag alleen zijn, als Hij ons deze vraag elke dag weer stelt? Heb je mij lief?
Wat is dan ons antwoord? Zeggen wij dan niet heel vaak in ons hart dat wij Hem niet kennen, en dat wij hem deze dag ook niet gezien hebben, en zeggen we niet vaak tegen onszelf “wat betekent dat dan dat Hij ons liefheeft? Hebben wij geen recht op Zijn liefde, omdat wij Zijn schepselen zijn? Hebben wij soms om dit bestaan gevraagd? Is het niet de plicht van God ons lief te hebben? Wacht maar tot het ons helemaal goed gaat en de gelukkig zijn, dan, en dan alleen, zullen wij Hem liefhebben!”
Of geven wij het antwoord van Petrus. “Ja Heere, gij weet dat ik u liefheb.” Hoe kan het ook anders, als wij Hem leren kennen? Is het wel mogelijk dat wij op een andere wijze op deze Heere reageren? O, wie Hem niet kent, zal zich neutraal opstellen. Zal zijn rug omkeren en in zichzelf mompelen. Ik ben toch gelovig, ik ga toch naar de kerk, ik heb toch belijdenis gedaan, valt mij nu niet verder meer lastig, want ik heb aan al mijn verplichtingen voldaan. Maar wie Hem werkelijk kent, en de genade kent waarmee Hij vergeeft en en de kracht van de Geest kent die ons met Hem verbindt en hoe Hij ons bemoedigt tot in het eeuwige leven, kan die een ander antwoord geven dan Petrus hier gaf?
“Ja Heere, gij weet alles, gij weet dat ik u liefheb.”
En dan zal Jezus’ antwoord op onze verklaring hetzelfde zijn als tegen Petrus. En dat is wat Jezus tegen Petrus zegt: “weid mijn schapen.” Wie de Herder liefheeft, krijgt een rol toebedeeld in het weiden van de schapen.
Leven in antwoord
Wat een geweldig leven heeft deze God ons gegeven. Dat wij van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat in Zijn dienst worden genomen. Mogen staan voor zijn aangezicht zonder ons te verbergen, vrij van zonde en schuld door het offer van de Heer Jezus op het kruis van Golgotha, en dan mogen leven in dienst van de naaste en als mede-herder van de schapen, zodat we aan het eind van de dag kunnen zeggen op de vraag “vanwaar, o mens?”
Ik heb mijn voet van het kwade pad geweerd
opdat ik gaan zou in uw goede wegen.
Ik wijk niet af van wat uw woord mij leert,
want zo alleen kom ik uw aanschijn tegen,
gij hebt u in uw trouw tot mij gekeerd.
Gij zijt mijn ziel, mijn zaligheid, mijn zegen.
( Ps. 119:38)