Pasen komt er weer aan. Voor sommigen is dat opnieuw de viering van de opstanding van Jezus. Voor anderen is het opnieuw een confrontatie met een ongeloofwaardige en moeizame boodschap. Nog moeilijker dan het verhaal van de maagdelijke (nou ja) geboorte (nou ja, conceptie). Want, is dat nu allemaal wel te geloven?
Maar toch. Dat Jezus op de derde dag is “opgestaan van de doden,” is het geloofsartikel waarmee het evangelie dat wij verkondigen staat of valt. Alles wat we over Jezus zeggen, over zijn leven, zijn woorden en zijn daden, zijn lijden en zijn sterven, krijgt pas zijn beslissende betekenis in het licht van de opstanding. Die opstanding, dat is het keerpunt geweest. Vandaar dat de nieuwe apostel die gekozen werd in de plaats van Judas de verrader, gekozen werd met de opdracht om samen met anderen “getuige te zijn van de opstanding van Jezus.” Om die opstanding ging het en in die opstanding is al het andere besloten. Het is niet de epiloog van het evangelie, maar eigenlijk de dragende kracht van heel het evangelie. Zonder de opstanding zouden alle discipelen naar Galilea zijn teruggekeerd en wij zouden nooit meer ook maar iets van Jezus van Nazareth hebben gehoord.
Zonder opstanding geen geloof
Paulus zegt het nog scherper. De prediking van de apostelen is hol en leeg wanneer Christus niet is opgewekt. Het geloof dat christenen hebben is hol en leeg wanneer Christus niet is opgewekt. Het stelt allemaal niets voor. Het heeft geen enkele zin om nu een andere boodschap te gaan bedenken, een ander evangelie te gaan schrijven, over God in het algemeen te gaan praten zonder Christus, al die vrijzinnige en moderne en twijfelende en aarzelende oplossingen zijn van nul en generlei waarde, wanneer Christus niet is opgewekt. Laten we dan het kapitaal van de kerk maar gebruiken voor ontwikkelingshulp. Laten wij als predikanten dan maar gaan werken in het bedrijfsleven of bij de overheid. Als Christus niet is opgewekt…
Maar Paulus voegt eraan toe: “maar Christus is opgewekt!” Alles is dus anders. De dood heeft niet het laatste woord en in Christus hebben wij de overwinning. Het leven van Jezus is wel voorbij geweest, maar gaat nu weer door. Hij is de Tegenwoordige, de Levende. Kijk, daar kan de kerk wat mee. Nu hebben we een fundament waarop het gebouw van evangelie en theologie en diaconie en zending kan worden gebouwd. En niet alleen maar op de zondag van Pasen, want eigenlijk is dan elke zondag een zondag van Pasen.
Geloof van het getuigenis
We moeten wel een paar dingen begrijpen van de opstanding. Waarom bijvoorbeeld is de Heer Jezus na zijn opstanding niet aan het gehele volk verschenen? Waarom is hij alleen maar verschenen na zijn opstanding aan de getuigen die God gekozen heeft? Dat was een gewaagde zet. De discipelen die hem gezien hebben, konden op grond van hun ervaringen maar moeilijk bewijzen dat zij werkelijk de opgestane Heer Jezus hadden gezien. Ze konden alleen maar getuige zijn van zijn opstanding, dat wil zeggen verkondigen op grond van wat eerst zij gezien hadden, en de discipelen van een latere tijd konden alleen maar verkondigen op grond van de getuigenissen van hun voorgangers. In die begintijd hebben duizenden dat getuigenis ook aangenomen. Het was niet moeilijk voor vele anderen om het teken van de opstanding af te wijzen. Daarom is het ook een teken. De bedoeling van het teken is ons tot geloof te brengen, maar het is niet het middel om dat geloof af te dwingen. En eigenlijk is het middel waarvan God zich voortdurend bedient altijd de prediking en het getuigenis, en in dat alles is het teken eigenlijk alleen maar een onderdeel. Opdat ons geloof werkelijk een daad van vertrouwen zou zijn. Opdat ons geloof zou zijn ingebed in een levende betrekking tot God en niet zou bestaan in de uiterlijke overtuigingen van ogen en verstand.
Net als bij de tekenen die Mozes deed bij de farao, kan men het teken proberen te verklaren of weg te redeneren. Het wonder van de opstanding is door de joden verklaard door te zeggen dat zijn discipelen in de nacht het lichaam hadden weggenomen. Theologen van nu doen bijna hetzelfde door te zeggen, dat de indruk van de levende Jezus op de discipelen zo sterk was geweest, dat zij het verhaal van de opstanding wel moesten verzinnen. In een soort hysterie hebben ze elkaar nagepraat om het tenslotte te geloven en te verkondigen. Vele van de tekenen die Jezus zelf heeft gedaan werden door de Schriftgeleerden van zijn tijd zelfs verklaard met een verwijzing naar de macht van de satan. De Koran heeft de opstanding geloochend met het argument dat geen Profeet door God in de steek kon worden gelaten.
De kritische reactie van de natuurwetenschap
Vooral in de 19e eeuw werd de grote aanval op het wonder van de opstanding van Jezus ingezet. Het verhaal van de opstanding zou niet kunnen berusten op werkelijke, voor iedereen waarneembare feiten. Alleen door de innerlijke overtuiging van de discipelen die waren gebaseerd op visioenen, kregen zij de overtuiging dat Jezus toch voortleeft bij God. De missie van Jezus kon toch niet gefaald hebben.De logica is dezelfde als in de Koran, alleen de inhoud is anders. In zekere zin kun je dan zeggen dat de opstanding van Jezus in de harten van zijn discipelen heeft plaatsgevonden, maar niet in de werkelijkheid. En op dat verhaal wilden vele moderne theologen nu de verkondiging van Pasen gaan baseren. Men wilde hiermee ook de kritische, geschoolde en moderne gemeenteleden winnen voor de kerk. Daartoe moest de werkelijke opstanding worden verkleind tot een geestelijk en fictief voortbestaan.
Maar is het eigenlijk denkbaar dat eenvoudige vissers zoals Petrus, die van al hun illusies waren beroofd door de gebeurtenissen van Goede Vrijdag, enkele weken later trots en zelfverzekerd zouden hebben bedacht dat Jezus uit de doden was opgestaan? Dat zou dan toch een staaltje propagandistische manipulatie zijn geweest die zijn weerga in de geschiedenis niet heeft gekend. Historici moeten dan proberen te verklaren hoe deze jammerlijke groep boeren, herders en vissers die hun Meester hadden verloren, zo ineens een zelfverzekerde en overtuigde gemeenschap van zendelingen had kunnen worden. Daar moet iets gebeurd zijn.
Er is in ieder geval iets gebeurd. Enkele vrouwen zijn op zondagmorgen naar het graf gegaan om Jezus te zalven. Dat zij hem gingen zalven betekent dat zij in het geheel niet aan de mogelijkheid van de opstanding hebben gedacht, want zalven is een laatste verzorging van een lijk. Zij vinden echter het graf leeg. Vervolgens vertellen de vrouwen aan de discipelen dat het graf leeg is, maar de reactie is negatief. Onzin! (larion in het Grieks) Dat is wat de discipelen gezegd hebben toen de vrouwen vertelden dat Jezus opgestaan moest zijn uit de doden, omdat het graf leeg was. Dan komt vervolgens de verschijning van Jezus aan Petrus. En omdat hij van mening is dat deze verschijning de bevestiging is van het verhaal van de vrouwen, beginnen de discipelen eindelijk door te krijgen dat Jezus meende wat hij zei over zijn opstanding. Zo, al binnen een week, gaat deze gemeenschap van mensen zeggen: “de Heer is waarlijk opgestaan en hij is aan Simon verschenen.”
Dit betekent nog steeds niet dat de opstanding gezien werd als een simpele en eenvoudige gebeurtenis. Als Jezus verschijnt op een avond aan zijn discipelen worden zij “ontzet en verschrikt.” Ze denken dat zij een geest zien. Thomas gelooft het getuigenis van de anderen al sowieso niet, – waarom zou Jezus zich nou juist vertonen aan de twijfelende en vluchtende discipelen? – zodat Jezus zijn handen en voeten aan hem moet laten zien. Zelfs na dit alles, het lege graf, de verschijning aan Petrus, de verschijning aan de discipelen, de verschijning aan de mannen die uit Emmaus afkomstig waren, dan nog geloven ze het nog nauwelijks.
“Waarlijk” opgestaan?
Waarom zeggen de discipelen dat de Heer waarlijk is opgestaan? Normaal gesproken zet je een uitdrukking die over simpele feiten gaat geen kracht bij met woorden als waarlijk, of heus. Dingen die we zelfsprekend vinden, zeggen we nooit op die wijze. Ga maar na. 2 × 2 is vier, echt waar, hoor! Dat klinkt echt niet. De uitdrukking waarlijk is juist passend als het gaat om dingen die je wel moet geloven, maar die je bijna niet kunt geloven. De discipelen hebben het verhaal van de bevrijding gehoord zoals de eerste berichten van de Duitse capitulatie in Nederland. Is het echt waar? Van wie weet je dat dan? Zou het kunnen? Ongeloof overheerst, en angst dat je ten onrechte aan die mededeling geloof zou hechten. Angst dus voor een nieuwe teleurstelling. Uit deze analyse van de teksten blijkt maar al te duidelijk, dat de discipelen in het geheel niet zelf op de gedachte kwamen dat Jezus was opgestaan. Integendeel, ze hebben grote moeite gehad om de werkelijkheid van de opstanding te aanvaarden. Ook voor ons is het belijden van de opstanding geen vanzelfsprekende zaak. Wij belijden de opstanding onder de spanningsboog van een geloof dat kan worden bestreden en twijfels kent maar dat toch wezenlijk een blije zekerheid is, want – dan zeggen we het toch maar weer eens – de Heer is waarlijk opgestaan!
Ik ben mij er ten volle van bewust, dat de opstanding in onze kerken over het algemeen niet wordt bestreden. Maar dat komt vanwege een misverstand. Velen menen dat de Heer Jezus is opgestaan in de zin dat hij geestelijk voortleeft bij God en voor ons mensen nog steeds van betekenis is. Daarmee ontkennen zij dat de Heer lichamelijk is opgestaan. Dit verhaal over de geestelijke opstanding is een gevaarlijke dwaalweg die de troost van de opstanding eigenlijk weg neemt. In de eerste plaats is het feit van het lege graf een aanwijzing dat we aan een lichamelijke opstanding moeten denken. In de tweede plaats zegt Jezus tegenover de discipelen dat ze zijn handen en voeten kunnen betasten. Zo zegt hij dat ook tegen Thomas. In Handelingen 10: 41 is wel sprake van mensen die “met Jezus gegeten en gedronken hebben, nadat hij uit de doden was opgestaan.” Heel nadrukkelijk staat het in Lukas 24: 38 dat “een geest geen vlees en geen beenderen heeft, zoals gij ziet dat ik heb.” De opvatting dus dat Jezus is opgestaan in een puur geestelijke zin, maakt de verschenen opgestane Heer tot een geest. We kunnen er helaas niet aan ontkomen – of beter gelukkig niet! – dat Jezus is opgestaan in lichamelijke zin en niet in een allegorische of spirituele zin.
Ook de aanduiding dat Jezus op de derde dag is opgestaan uit de doden, wil zeggen dat het met een werkelijk gebeuren te maken hebben. Als het om een geestelijk gebeuren zou gaan, dan is de tijdsaanduiding overbodig. Op dezelfde manier wordt in de geloofsbelijdenis de naam van Pontius Pilatus vermeld – die geleden heeft onder Pontius Pilatus – zodat duidelijk is dat Jezus werkelijk in de geschiedenis bestaan heeft. Dat ging er heel anders aan toe in de godsdiensten van de Griekse en Romeinse wereld. De verhalen van stervende en weer tot leven komende goden waren daar een uitbeelding van het sterven en weer tot leven komen van de natuur. In de historische werkelijkheid stierf niemand en was er ook geen opstanding.
Wij belijden dat Jezus op de derde dag uit de doden is opgestaan, dat wil zeggen dat de zoon van God zelf zijn leven weer heeft teruggenomen. Of, dat de zoon des mensen die Jezus ook is, door God uit de doden is opgewekt. Opstaan is een daad van Jezus als de zoon van God, opwekken is wat God deed met zijn zoon. Door Jezus uit de doden op te wekken heeft God uitgesproken dat Jezus rechtvaardig is, en dat de veroordeling van de kant van het sanhedrin en van de Romeinse overheid onterecht was. God grijpt in, in het proces dat de mensheid tegen Jezus begonnen is en verklaart zijn zoon onschuldig. Zo wordt de verworpene, de in de steek gelatene, die door zijn vijanden werd gedood en die in een verzegeld en bewaakt graf was gelegd, zodat niemand nog enige verwachting meer had omtrent zijn missie en proclamatie, alsnog recht gedaan. God rehabiliteert zijn Zoon en erkent Hem openlijk in zijn Messiaanse status. Het hele huis van Israël – en heel de wereld – mag daardoor weten dat God deze Jezus tot Heer en Messias heeft gemaakt, deze Jezus die door Israël en de Romeinen is verlaten en gekruisigd. Het smadelijke opschrift “Jezus Christus koning van de joden” dat Pilatus op het kruis heeft laten zetten, blijkt in de opstanding juist de hoogste waarheid te zijn
Vervulling van Zijn beloften
Vanuit deze opstanding is niet alleen maar zijn leven, maar ook ons leven totaal anders. Wanneer God het lijden van zijn zoon op deze manier als de voltooiing van zijn eeuwig raadsbesluit heeft bevestigd, dan betekent dat dat al die bijzondere beloften voor al diegenen die deze Jezus geloven en volgen, eveneens tot vervulling zullen komen. De opstanding van Jezus is het eerste begin van de opstanding en Jezus is “de Eersteling geworden van degenen die ontslapen zijn.” Dat is niet zomaar de eerste, maar dat betekent dat Hij de representant van het geheel is geworden. Zoals in het Oude Testament de eerstelingen de eerste schoven van de nieuwe oogst waren. Als die in de tempel waren gebracht en God waren gewijd was dat het teken dat de gehele oogst aan God te danken was.
Net als de discipelen toen zijn de gelovigen van nu opgeroepen om getuigen te zijn van zijn opstanding. Op allerlei wijze doen we dat. Je kunt van je geloof niet getuigen zonder de opstanding te veronderstellen. Je kunt niet spreken over de persoon van Jezus zonder over hem te spreken als over de levende – wat de opstanding veronderstelt. En eigenlijk kun je ook over jezelf niet spreken zonder meteen te spreken van de opstanding. Want het nieuwe leven dat in Christus is doorgebroken en dat hij met ons wilde delen, is het leven van de opstanding. Immers, Jezus is “de Weg, de Waarheid en het Leven.”
(Met dank aan Ds. C.A. van Harten, die ik vele jaren geleden las en herlas, vooral zijn boek “Ik geloof… De Apostolische Geloofsbelijdenis uitgelegd voor de gemeente.” Leiden, 1992. Een groot deel van dit artikel is een parafrase van de pp. 134-145 uit dat boek.)
Vind-ik-leuk Aan het laden...