De zalving in Betanië – Johannes 12:1-8

Derde zondag van de 40-dagentijd.

Maria van Betanie breekt een fles met kostbare nardusolie en zalft de voeten van Jezus. “Zij heeft dit gedaan met het oog op mijn begrafenis”- zegt Jezus. De discipelen zijn echter niet met Hem bezig, maar met hun plannen en ideeën over het Koninkrijk. Zij kijken te ver weg, want de arme in hun midden zien zij over het hoofd. Maria echter ziet en voelt en gelooft – haar daad van aanbidding is belangrijker dan de stoere arbeid van de discipelen. En zo is het ook bij ons. Eerst het hart – gericht op Jezus – en de handen zullen volgen.

Preek over dezelfde tekst, maar nu in Vlagtwedde:

Bourtange Avondzangdienst

Verkondiging over Lukas 15, de verloren zoon:

Nader tot u: “Als ik maar weet dat hier mijn weg…” gezongen door het Interkerkelijk Mannenkoor Scheemda.

De hand van de Heere is op óns… verkondiging tijdens de gedachtenisdienst van 22 november 2014.

Onze ervaring: een dal vol dorre beenderen. De herinnering is vervlogen. Zullen mensen verdwijnen, spoorloos, in de duistere kou van de dood? Of spreekt Gods woord in onze bedremmelde stilte en spreekt Zijn Woord van nieuw leven?

 

 

1 De hand van de HEERE was op mij, en de HEERE bracht mij in de geest naar buiten en zette mij neer, midden in een vallei. Die lag vol beenderen.

2 Hij deed mij er aan alle kanten omheen gaan.  En zie, er lagen er zeer veel op de grond van de vallei, en zie, ze waren zeer dor.

3 Hij zei tegen mij: Mensenkind, zullen deze beenderen tot leven komen? En ik zei: Heere HEERE, Ú weet het!

4 Toen zei Hij tegen mij: Profeteer tegen deze beenderen en zeg tegen hen: Dorre beenderen, hoor het woord van de HEERE.

5 Zo zegt de Heere HEERE tegen deze beenderen: Zie, Ik ga geest in u brengen en u zult tot leven komen.

6 Ik zal pezen op u leggen, vlees op u doen komen, een huid over u heen trekken, en geest in u geven, zodat u tot leven komt. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.

7 Toen profeteerde ik zoals mij geboden was, en er ontstond een geluid zodra ik profeteerde, en zie, een gedruis! De beenderen kwamen bij elkaar, elk been bij het bijbehorende been.

8 En ik zag, en zie, er kwamen pezen op, er kwam vlees op en Hij trok er een huid overheen, maar er was geen geest in hen.

9 Hij zei tegen mij: Profeteer tegen de geest, profeteer, mensenkind! Zeg tegen de geest: Zo zegt de Heere HEERE: Geest, kom uit de vier windstreken en blaas in deze gedoden, zodat zij tot leven komen.

10 Ik profeteerde zoals Hij mij geboden had. Toen kwam de geest in hen en zij kwamen tot leven. Zij gingen op hun voeten staan, een zeer, zeer groot leger.

…bemoedigd te worden door het onderlinge geloof… (Rom. 1:12)

Je hebt mensen die zeggen: ik heb de kerk niet nodig om te geloven. Strikt genomen is dat wel waar, het instituut “kerk” zal wel niet nodig zijn, maar wat betekent dat eigenlijk? De kerk is ook een gemeenschap van gelovigen. Jij hebt anderen niet nodig? En die anderen dan? Die jou misschien nodig hebben? Omdat jij een sterk geloof hebt, dat je ook zonder de kerk overeind kunt houden? Dat sterke geloof zou weleens in de gemeente anderen tot hulp kunnen zijn.

Ik heb het echter nog niet meegemaakt, dat mensen werkelijk echt menen wat ze zeggen. “Ik heb de kerk niet nodig” betekent meestal: ik heb nog maar een restant van mijn geloof. Ik wil er niet mee bezig zijn. Ik heb andere dingen aan mijn hoofd. Vooral als je vraagt wat ze dan geloven, buiten de kerk om. Het antwoord is: ik weet dat God bestaat en Hij helpt me altijd. Is dat dan alles? Een geloof buiten de kerk verpietert, het kaarsje walmt nog wat na, maar vurig is het al lang niet meer. Het klinkt mij altijd in de oren alsof een voetballer zou zeggen, dat hij de rest van het team niet nodig heeft. Maar in je eentje jongleren met een bal, is niet hetzelfde als een wedstrijd spelen met je team.

Paulus verklaart waarom: je hebt bemoediging nodig, vermaning, aansporing. Het geloof van een ander – het delen van je geloof – geeft kracht en moed. Want geloven vergt lange adem, is een kwestie van volhouden, soms tegen de eigen twijfel en de spot van de omgeving in. Geloof is zelf wel een bron van kracht, maar dat vooral wanneer het in een gemeenschap beoefend wordt. Je hebt wel degelijk de kerk nodig om te kunnen en te mogen geloven.

Samen in de Naam van Jezus,
Heffen wij een loflied aan,
Want de Geest spreekt alle talen,
En doet ons elkaar verstaan
Samen bidden, samen zoeken,
Naar het plan van onze Heer,
Samen zingen en getuigen,
Samen leven tot Zijn eer.

(JdH 98:1)

Wat is eigenlijk geloof?

Voordat we verder spreken over het godsbewijs, moeten we nog even kort spreken over de noodzaak van het geloof. Ik spreek meestal over de belijdenis, maar uiteraard is ook de persoonlijke keuze van belang. Het gaat uiteindelijk immers om een relatie tot God. Wat het godsbewijs ons ook te melden heeft, een objectieve waarheid is in ieder geval niet genoeg. Godsdienst berust op overgave en vertrouwen, en die zijn met objectieve gegevens niet tot stand te brengen.

Bijna elke student in de theologie heeft kennis moeten nemen van het boek “Christelijk Geloof” van H. Berkhof. Door velen wordt dit boek gezien als te vrijzinnig, maar ik geloof dat het heel fraai in het midden ligt van wat we in onze Protestantse Kerk allemaal kunnen aantreffen.

Filosofisch, confessioneel, gelovig

Wanneer we spreken over het bestaan van God, ontkomen we er niet aan dat we iets zeggen over de eigen aard van het christelijke geloof. In mijn optiek kunnen we er niet bij blijven staan, en is de objectieve benadering (Godsbewijzen) en de confessionele benadering (belijden is belangrijker dan geloven) eveneens van belang. Het is misschien goed om de verhouding van deze drie, al is het dan heel kort, te schetsen. Het geloof is de persoonlijke kant van de zaak, mijn individuele vertrouwen in de boodschap van het evangelie. De belijdenis schetst de gesprekruimte waarbinnen mijn geloof zich ontplooit, met vele aanknopingspunten die in mijn persoonlijke geloof meer of minder van belang zijn. Het godsbewijs tenslotte staat hier eigenlijk symbool voor de hele sfeer van de christelijke filosofie. En dat is dan het redelijk doordenken van de inhoud van het geloof.

Geloof en religie

In het boek “Christelijk Geloof” introduceert Berkhof het geloof vanuit een specifieke invalshoek. Hij gaat te werk als een godsdiensthistoricus, die verschijnselen beschrijft. Hij meent door deze benadering van buiten af, tot op zekere hoogte neutraal, een accurate beschrijving te kunnen geven van wat het christelijk geloof zo bijzonder maakt.

De historische kern van het geloof reconstrueert hij vanuit Genesis 12.

“Toch waagde deze man met de Babylonische naam Abraham de grote transmigratiesprong in een vreemd, nieuw vertrouwen dat hij zou worden geleid en beschermd door een hogere, naamloze God die hem riep, een God die zowel over het oude als over het nieuwe land als ook over de gevaarlijke tussenliggende woestijn zeggenschap had, een God die niet gebonden was aan een bepaalde natuurlijke ruimte, maar die vanwege zijn transcendentie beweeglijk was en beschermend voor kon gaan naar nieuwe werelden.”

Dit geloof staat in sterk contrast met de religie van het Midden-Oosten.

“Religie is een relatie met het transcendente en absolute; maar de mens kan zulk een relatie alleen hebben via het immanente en relatieve.”

Volgens Berkhof moet dit conflict tussen de twee zijden van de religie goed worden begrepen.

“De wereld werd in de religie ervaren als een universeel natuurgebeuren dat de uitdrukking is van een goddelijke macht. Het absolute drukt zich in het relatieve uit.”

Maar dat betekent dat de godheid precies is zoals de werkelijkheid: veelvormig, groots, ondoorzichtig, tegenstrijdig, grillig, zonder gelaat. Religie mondt uit in de poging van de mens om met offers en bezweringen de goddelijke machten te laten optreden in zijn voordeel.

Het geloof van Abraham

Bij Abraham komt er nu iets nieuws tot verschijning.

  1. De transcendentie van de godheid gaat hier geheel en al samen met de nabijheid van de godheid in concrete levensproblemen. In de religie was er een God die ver weg was, en hulp in het concrete leven werd gezocht bij lagere goden.
  2. De transcendentie van de godheid betekent een ontgoddelijking van de wereld. God staat boven de wereld en treedt richtend of reddend op naar zijn eigen wil. De wil van God kan niet met magische middelen worden beïnvloed.
  3. Daarom is er sprake van een breuk tussen God en de seculaire wereld. De religie verliest haar vanzelfsprekendheid en God is ver en verborgen, en soms oneindig meer nabij dan enige god voorheen ook maar kon zijn: dan heeft Hij een gelaat en verschijnt antropomorf, zoals de drie mannen die aan Abraham verschenen.
  4. Daaruit volgt dat voor de gelovige Abraham het leven ook de ervaring van de leegte kent, de ervaring van de verborgenheid van God. Alleen de herinnering aan voormalige reddende ontmoetingen en de verwachting van toekomstige hulp kan hen dan bijstaan. Het leven van Abraham is een voortdurende overgang van belofte naar vervulling en dan weer naar nieuwe beloften.
  5. De transcendentie van de godheid is ook de basis van het beeldverbod. Wie over een beeld van de godheid kon beschikken, beschikte ook over zijn helpende tegenwoordigheid. Maar een dergelijke magische relatie tussen de mens en God is in Israël verboden.
  6. Precies om die reden staat niet het ritueel, maar het woord centraal. Het woord van God gebeurt of het gebeurt niet; maar het laat zich in ieder geval niet bezweren of manipuleren en het vraagt vertrouwen en gehoorzaamheid.
  7. Het zwaartepunt van de relatie met de transcendente God ligt in de toekomst. De incidentele aanwezigheid van God in de ervaring is een voorlopige en belooft een blijvende openbaarheid in de toekomst waarin alle beloften vervuld zijn. Het geloof is ten diepste gekenmerkt als een weg met een onbekend en onbeschikbaar doel.
  8. De relatie tussen God en Abraham kan niet meer correct worden aangeduid met het woord religie. De distantie tussen God en mens is groter dan het woord religie suggereert. God is alleen te vinden boven de ervaring uit, of zelfs alleen maar wanneer we tegen de ervaring in durven te denken. Anders dan in de religie, gaat de verhouding van deze God niet op in het heden, maar heeft principieel het karakter van de belofte – dus steeds van het nog–niet.

Het kon niet anders dan dat dit geloof in strijd raakte met de religie van de omgeving. Vooral in het “beloofde land” was de strijd tussen het geloof in God de HEERE en de verschillende aspecten van de Baäl het sterkst voelbaar. De Baäl was een zichtbare God met voorspelbare zegeningen (regen, vruchtbaarheid van land, dier en mens)  die men met magische rituelen tot die zegeningen kon oproepen. De Baäl was zichtbaar aanwezig in de natuurkrachten, kon worden afgebeeld en leek daarom zeer dichtbij. De aantrekkingskracht van de Baäl was een voortdurende concurrentie voor het geloof in de Here.

De structuur van het geloof van Abraham is terug te vinden in de drie wereldreligies: Jodendom, Christendom en Islam. Hierin ligt het gemeenschappelijke. Of ik een van deze drie aanhang, is het gevolg van een keuze. Weliswaar niet te vergelijken met de keuze voor een product in een supermarkt. Ik onderga die keuze meer als een overweldigd worden door een waarheid die zich aan mij vertoont. Maar toch is er sprake van een keus, omdat alle religieuze waarheid een existentiële waarheid is: ik moet mijn religieuze verhouding tot de wereld en tot God toe-eigenen, voor mijzelf van toepassing verklaren en beoefend. Niemand anders dan ikzelf is daartoe in staat. Niemand kan voor mij kiezen. Maar een neutrale en kalme keuze zoals een consument die geacht wordt te doen, is hier niet mogelijk.

Geloof of (goed-)gelovigheid?

Geloven we in “iets” of geloven we “aan” iets? Het lijkt maar een klein verschil, uitgedrukt met de voorzetsels “in” of “aan”. Maar het verschil is wezenlijk en wordt al voltrokken in het Oude Testament. Fundamenteel is het.

(In onze belijdenis zeggen wij: Ik geloof “in” God de Vader, maar we zeggen: ik geloof één heilige, algemene, Christelijke kerk. Dat heeft zijn wortels dan weer in het latijn, waarin we zeggen credo IN unem Patrem etc, en credo unam ecclesiam catholicam etc. )

Een mens kan “aan” geesten geloven – dat wil zeggen geloven dat ze er zijn. Maar dat betekent nog niet dat hij “in” geesten gelooft en zijn vertrouwen op die geesten stelt.

In het Oude Testament geloofden de Israëlieten aan vele goden – die waren er ook werkelijk, in de erediensten van de omringende volkeren. Ze waren er werkelijk, want “hun” God, de HEERE, riep hen ter verantwoording, inclusief al diegenen die deze goden dienden en hun macht gebruikten. “Wie is U gelijk, te midden van de goden?” Maar ze weigerden “in” deze goden te geloven en geloofden alleen en uitsluitend “in” de HEERE.

Wie gelooft “in” God de Vader, “in” God de Zoon en “in” God de Heilige Geest drukt uit dat hij of zij een verbond met deze God heeft, een band van vertrouwen. En dat verbond is werkelijk dubbelzijdig: van God uit gezien is er de belofte dat deze Heer trouw zal blijven en vanuit de mens gezien is er de belofte van trouw aan deze God met uitsluiting van andere goden.

Dat heeft met geloven “aan” het bestaan van een of andere God, een Kracht, een “natuur”, een “Iets” dus helemaal niets te maken.

Geloven is een relatie. Geen vermoeden omtrent het Hoogste.

Opstanding – vieren tussen zekerheid en ongeloof

Pasen komt er weer aan. Voor sommigen is dat opnieuw de viering van de opstanding van Jezus. Voor anderen is het opnieuw een confrontatie met een ongeloofwaardige en moeizame boodschap. Nog moeilijker dan het verhaal van de maagdelijke (nou ja) geboorte (nou ja, conceptie). Want, is dat nu allemaal wel te geloven?

Maar toch. Dat Jezus op de derde dag is “opgestaan van de doden,” is het geloofsartikel waarmee het evangelie dat wij verkondigen staat of valt. Alles wat we over Jezus zeggen, over zijn leven, zijn woorden en zijn daden, zijn lijden en zijn sterven, krijgt pas zijn beslissende betekenis in het licht van de opstanding. Die opstanding, dat is het keerpunt geweest. Vandaar dat de nieuwe apostel die gekozen werd in de plaats van Judas de verrader, gekozen werd met de opdracht om samen met anderen “getuige te zijn van de opstanding van Jezus.” Om die opstanding ging het en in die opstanding is al het andere besloten. Het is niet de epiloog van het evangelie, maar eigenlijk de dragende kracht van heel het evangelie. Zonder de opstanding zouden alle discipelen naar Galilea zijn teruggekeerd en wij zouden nooit meer ook maar iets van Jezus van Nazareth hebben gehoord.

Zonder opstanding geen geloof

Paulus zegt het nog scherper. De prediking van de apostelen is hol en leeg wanneer Christus niet is opgewekt. Het geloof dat christenen hebben is hol en leeg wanneer Christus niet is opgewekt. Het stelt allemaal niets voor. Het heeft geen enkele zin om nu een andere boodschap te gaan bedenken, een ander evangelie te gaan schrijven, over God in het algemeen te gaan praten zonder Christus, al die vrijzinnige en moderne en twijfelende en aarzelende oplossingen zijn van nul en generlei waarde, wanneer Christus niet is opgewekt. Laten we dan het kapitaal van de kerk maar gebruiken voor ontwikkelingshulp. Laten wij als predikanten dan maar gaan werken in het bedrijfsleven of bij de overheid. Als Christus niet is opgewekt…

Maar Paulus voegt eraan toe: “maar Christus is opgewekt!” Alles is dus anders. De dood heeft niet het laatste woord en in Christus hebben wij de overwinning. Het leven van Jezus is wel voorbij geweest, maar gaat nu weer door. Hij is de Tegenwoordige, de Levende. Kijk, daar kan de kerk wat mee. Nu hebben we een fundament waarop het gebouw van evangelie en theologie en diaconie en zending kan worden gebouwd. En niet alleen maar op de zondag van Pasen, want eigenlijk is dan elke zondag een zondag van Pasen.

Geloof van het getuigenis

We moeten wel een paar dingen begrijpen van de opstanding. Waarom bijvoorbeeld is de Heer Jezus na zijn opstanding niet aan het gehele volk verschenen? Waarom is hij alleen maar verschenen na zijn opstanding aan de getuigen die God gekozen heeft? Dat was een gewaagde zet. De discipelen die hem gezien hebben, konden op grond van hun ervaringen maar moeilijk bewijzen dat zij werkelijk de opgestane Heer Jezus hadden gezien. Ze konden alleen maar getuige zijn van zijn opstanding, dat wil zeggen verkondigen op grond van wat eerst zij gezien hadden, en de discipelen van een latere tijd konden alleen maar verkondigen op grond van de getuigenissen van hun voorgangers. In die begintijd hebben duizenden dat getuigenis ook aangenomen. Het was niet moeilijk voor vele anderen om het teken van de opstanding af te wijzen. Daarom is het ook een teken. De bedoeling van het teken is ons tot geloof te brengen, maar het is niet het middel om dat geloof af te dwingen. En eigenlijk is het middel waarvan God zich voortdurend bedient altijd de prediking en het getuigenis, en in dat alles is het teken eigenlijk alleen maar een onderdeel. Opdat ons geloof werkelijk een daad van vertrouwen zou zijn. Opdat ons geloof zou zijn ingebed in een levende betrekking tot God en niet zou bestaan in de uiterlijke overtuigingen van ogen en verstand.

Net als bij de tekenen die Mozes deed bij de farao, kan men het teken proberen te verklaren of weg te redeneren. Het wonder van de opstanding is door de joden verklaard door te zeggen dat zijn discipelen in de nacht het lichaam hadden weggenomen. Theologen van nu doen bijna hetzelfde door te zeggen, dat de indruk van de levende Jezus op de discipelen zo sterk was geweest, dat zij het verhaal van de opstanding wel moesten verzinnen. In een soort hysterie hebben ze elkaar nagepraat om het tenslotte te geloven en te verkondigen. Vele van de tekenen die Jezus zelf heeft gedaan werden door de Schriftgeleerden van zijn tijd zelfs verklaard met een verwijzing naar de macht van de satan. De Koran heeft de opstanding geloochend met het argument dat geen Profeet door God in de steek kon worden gelaten.

De kritische reactie van de natuurwetenschap

Vooral in de 19e eeuw werd de grote aanval op het wonder van de opstanding van Jezus ingezet. Het verhaal van de opstanding zou niet kunnen berusten op werkelijke, voor iedereen waarneembare feiten. Alleen door de innerlijke overtuiging van de discipelen die waren gebaseerd op visioenen, kregen zij de overtuiging dat Jezus toch voortleeft bij God. De missie van Jezus kon toch niet gefaald hebben.De logica is dezelfde als in de Koran, alleen de inhoud is anders. In zekere zin kun je dan zeggen dat de opstanding van Jezus in de harten van zijn discipelen heeft plaatsgevonden, maar niet in de werkelijkheid. En op dat verhaal wilden vele moderne theologen nu de verkondiging van Pasen gaan baseren. Men wilde hiermee ook de kritische, geschoolde en moderne gemeenteleden winnen voor de kerk. Daartoe moest de werkelijke opstanding worden verkleind tot een geestelijk en fictief voortbestaan.

Maar is het eigenlijk denkbaar dat eenvoudige vissers zoals Petrus, die van al hun illusies waren beroofd door de gebeurtenissen van Goede Vrijdag, enkele weken later trots en zelfverzekerd zouden hebben bedacht dat Jezus uit de doden was opgestaan? Dat zou dan toch een staaltje propagandistische manipulatie zijn geweest die zijn weerga in de geschiedenis niet heeft gekend. Historici moeten dan proberen te verklaren hoe deze jammerlijke groep boeren, herders en vissers die hun Meester hadden verloren, zo ineens een zelfverzekerde en overtuigde gemeenschap van zendelingen had kunnen worden. Daar moet iets gebeurd zijn.

Er is in ieder geval iets gebeurd. Enkele vrouwen zijn op zondagmorgen naar het graf gegaan om Jezus te zalven. Dat zij hem gingen zalven betekent dat zij in het geheel niet aan de mogelijkheid van de opstanding hebben gedacht, want zalven is een laatste verzorging van een lijk. Zij vinden echter het graf leeg. Vervolgens vertellen de vrouwen aan de discipelen dat het graf leeg is, maar de reactie is negatief. Onzin! (larion in het Grieks) Dat is wat de discipelen gezegd hebben toen de vrouwen vertelden dat Jezus opgestaan moest zijn uit de doden, omdat het graf leeg was. Dan komt vervolgens de verschijning van Jezus aan Petrus. En omdat hij van mening is dat deze verschijning de bevestiging is van het verhaal van de vrouwen, beginnen de discipelen eindelijk door te krijgen dat Jezus meende wat hij zei over zijn opstanding. Zo, al binnen een week, gaat deze gemeenschap van mensen zeggen: “de Heer is waarlijk opgestaan en hij is aan Simon verschenen.”
Dit betekent nog steeds niet dat de opstanding gezien werd als een simpele en eenvoudige gebeurtenis. Als Jezus verschijnt op een avond aan zijn discipelen worden zij “ontzet en verschrikt.” Ze denken dat zij een geest zien. Thomas gelooft het getuigenis van de anderen al sowieso niet, – waarom zou Jezus zich nou juist vertonen aan de twijfelende en vluchtende discipelen? – zodat Jezus zijn handen en voeten aan hem moet laten zien. Zelfs na dit alles, het lege graf, de verschijning aan Petrus, de verschijning aan de discipelen, de verschijning aan de mannen die uit Emmaus afkomstig waren, dan nog geloven ze het nog nauwelijks.

“Waarlijk” opgestaan?

Waarom zeggen de discipelen dat de Heer waarlijk is opgestaan? Normaal gesproken zet je een uitdrukking die over simpele feiten gaat geen kracht bij met woorden als waarlijk, of heus. Dingen die we zelfsprekend vinden, zeggen we nooit op die wijze. Ga maar na. 2 × 2 is vier, echt waar, hoor! Dat klinkt echt niet. De uitdrukking waarlijk is juist passend als het gaat om dingen die je wel moet geloven, maar die je bijna niet kunt geloven. De discipelen hebben het verhaal van de bevrijding gehoord zoals de eerste berichten van de Duitse capitulatie in Nederland. Is het echt waar? Van wie weet je dat dan? Zou het kunnen? Ongeloof overheerst, en angst dat je ten onrechte aan die mededeling geloof zou hechten. Angst dus voor een nieuwe teleurstelling. Uit deze analyse van de teksten blijkt maar al te duidelijk, dat de discipelen in het geheel niet zelf op de gedachte kwamen dat Jezus was opgestaan. Integendeel, ze hebben grote moeite gehad om de werkelijkheid van de opstanding te aanvaarden. Ook voor ons is het belijden van de opstanding geen vanzelfsprekende zaak. Wij belijden de opstanding onder de spanningsboog van een geloof dat kan worden bestreden en twijfels kent maar dat toch wezenlijk een blije zekerheid is, want  – dan zeggen we het toch maar weer eens – de Heer is waarlijk opgestaan!

Ik ben mij er ten volle van bewust, dat de opstanding in onze kerken over het algemeen niet wordt bestreden. Maar dat komt vanwege een misverstand. Velen menen dat de Heer Jezus is opgestaan in de zin dat hij geestelijk voortleeft bij God en voor ons mensen nog steeds van betekenis is. Daarmee ontkennen zij dat de Heer lichamelijk is opgestaan. Dit verhaal over de geestelijke opstanding is een gevaarlijke dwaalweg die de troost van de opstanding eigenlijk weg neemt. In de eerste plaats is het feit van het lege graf een aanwijzing dat we aan een lichamelijke opstanding moeten denken. In de tweede plaats zegt Jezus tegenover de discipelen dat ze zijn handen en voeten kunnen betasten. Zo zegt hij dat ook tegen Thomas. In Handelingen 10: 41 is wel sprake van mensen die “met Jezus gegeten en gedronken hebben, nadat hij uit de doden was opgestaan.” Heel nadrukkelijk staat het in Lukas 24: 38 dat “een geest geen vlees en geen beenderen heeft, zoals gij ziet dat ik heb.” De opvatting dus dat Jezus is opgestaan in een puur geestelijke zin, maakt de verschenen opgestane Heer tot een geest. We kunnen er helaas niet aan ontkomen – of beter gelukkig niet! – dat Jezus is opgestaan in lichamelijke zin en niet in een allegorische of spirituele zin.

Ook de aanduiding dat Jezus op de derde dag is opgestaan uit de doden, wil zeggen dat het met een werkelijk gebeuren te maken hebben. Als het om een geestelijk gebeuren zou gaan, dan is de tijdsaanduiding overbodig. Op dezelfde manier wordt in de geloofsbelijdenis de naam van Pontius Pilatus vermeld – die geleden heeft onder Pontius Pilatus – zodat duidelijk is dat Jezus werkelijk in de geschiedenis bestaan heeft. Dat ging er heel anders aan toe in de godsdiensten van de Griekse en Romeinse wereld. De verhalen van stervende en weer tot leven komende goden waren daar een uitbeelding van het sterven en weer tot leven komen van de natuur. In de historische werkelijkheid stierf niemand en was er ook geen opstanding.

Wij belijden dat Jezus op de derde dag uit de doden is opgestaan, dat wil zeggen dat de zoon van God zelf zijn leven weer heeft teruggenomen. Of, dat de zoon des mensen die Jezus ook is, door God uit de doden is opgewekt. Opstaan is een daad van Jezus als de zoon van God, opwekken is wat God deed met zijn zoon. Door Jezus uit de doden op te wekken heeft God uitgesproken dat Jezus rechtvaardig is, en dat de veroordeling van de kant van het sanhedrin en van de Romeinse overheid onterecht was. God grijpt in, in het proces dat de mensheid tegen Jezus begonnen is en verklaart zijn zoon onschuldig. Zo wordt de verworpene, de in de steek gelatene, die door zijn vijanden werd gedood en die in een verzegeld en bewaakt graf was gelegd, zodat niemand nog enige verwachting meer had omtrent zijn missie en proclamatie, alsnog recht gedaan. God rehabiliteert zijn Zoon en erkent Hem openlijk in zijn Messiaanse status. Het hele huis van Israël  – en heel de wereld – mag daardoor weten dat God deze Jezus tot Heer en Messias heeft gemaakt, deze Jezus die door Israël en de Romeinen is verlaten en gekruisigd. Het smadelijke opschrift “Jezus Christus koning van de joden” dat Pilatus op het kruis heeft laten zetten, blijkt in de opstanding juist de hoogste waarheid te zijn

Vervulling van Zijn beloften

Vanuit deze opstanding is niet alleen maar zijn leven, maar ook ons leven totaal anders. Wanneer God het lijden van zijn zoon op deze manier als de voltooiing van zijn eeuwig raadsbesluit heeft bevestigd, dan betekent dat dat al die bijzondere beloften voor al diegenen die deze Jezus geloven en volgen, eveneens tot vervulling zullen komen. De opstanding van Jezus is het eerste begin van de opstanding en Jezus is “de Eersteling geworden van degenen die ontslapen zijn.” Dat is niet zomaar de eerste, maar dat betekent dat Hij de representant van het geheel is geworden. Zoals in het Oude Testament de eerstelingen de eerste schoven van de nieuwe oogst waren. Als die in de tempel waren gebracht en God waren gewijd was dat het teken dat de gehele oogst aan God te danken was.

Net als de discipelen toen zijn de gelovigen van nu opgeroepen om getuigen te zijn van zijn opstanding. Op allerlei wijze doen we dat. Je kunt van je geloof niet getuigen zonder de opstanding te veronderstellen. Je kunt niet spreken over de persoon van Jezus zonder over hem te spreken als over de levende – wat de opstanding veronderstelt. En eigenlijk kun je ook over jezelf niet spreken zonder meteen te spreken van de opstanding. Want het nieuwe leven dat in Christus is doorgebroken en dat hij met ons wilde delen, is het leven van de opstanding. Immers, Jezus is “de Weg, de Waarheid en het Leven.”

(Met dank aan Ds. C.A. van Harten, die ik vele jaren geleden las en herlas, vooral zijn boek “Ik geloof… De Apostolische Geloofsbelijdenis uitgelegd voor de gemeente.” Leiden, 1992. Een groot deel van dit artikel is een parafrase van de pp. 134-145 uit dat boek.)