Joh. 5:10-18
We komen nu aan het meest dramatische deel van het verhaal over de verlamde in Bethesda. We hebben al gesproken over het merkwaardige bijgeloof van de menigte zieken in Bethesda. Als vers 4 tot de oorspronkelijke tekst behoort, dan zou het gaan om een engel die van tijd tot tijd neerdaalde in het badwater. De beste handschriften waarover wij beschikken laten dat vers echter weg. Het is mogelijk dat een kopiist van de bijbel dit vers heeft toegevoegd in de marge om het verhaal begrijpelijk te maken voor zijn tijdgenoten. En latere kopiisten hebben deze aantekening in de marge toen opgenomen in onze tekst. Dat maakt wel enig verschil, namelijk op twee punten. In de eerste plaats vertelt vers 4 dat het om een engel zou gaan die het badwater in beweging brengt. De zieke man zegt daar niets over in vers 7, dus dat kan een toevoeging zijn. In de tweede plaats zegt vers 4 dat alleen de eerste die in het water afdaalt gezond werd. De zieke zegt in vers 7 alleen maar dat een ander vóór hem zal afdalen, met de suggestie dat hij te traag is om het water te bereiken binnen enige tijd. Ook als het een toevoeging is van een kopiist, kunnen we ons de situatie best zo voorstellen. De toevoeging is zo gek nog niet.
Welk bijgeloof hier ook aanwezig was, de geboden van Jezus zijn duidelijk. Sta op, neem je ligmat op en ga lopen. Hij wil een discussie uitlokken met de farizeeën over de strekking van de sabbat. De Joden zien het wonder niet, hebben geen belang bij de genezing, maar zien wel de overtreding van hun sabbatregel. Dat is de situatie in vers 9. Nu moeten we zien hoe dit verhaal verder gaat.
De discussie met de farizeeën die Jezus wilde uitlokken, vindt niet plaats. Blijkbaar wordt er gewacht tot Jezus de badplaats heeft verlaten, en alleen de genezene wordt aangesproken. Met volle autoriteit wordt tegen hem gezegd, dat het hem niet geoorloofd is de ligmat te dragen. We hebben al gezien dat dat een rabbijns voorschrift is, want het Oude Testament verbood alleen maar het normale werk op de sabbat, en verbood om die reden het dragen van goederen van de ene ruimte naar de andere, omdat dat handel uitsloot, of althans voorbereiding op de handel. Wel zien we iets heel bijzonders in het gedrag van deze man. Wanneer de rabbijnen tegen hem zeggen, dat het niet geoorloofd is om de ligmat te dragen op de sabbat, geeft hij de schuld aan Jezus. Hij verwijst ook nog een keer naar het wonderlijke feit dat hij gezond geworden is. Met deze dubbele strategie weert hij de aanklacht af dat hij de sabbat zou hebben geschonden. Hij noemt eerst Jezus, “Die mij gezond gemaakt heeft.” Op dat punt zouden de farizeeën moeten weten dat hier iemand heeft gesproken met Messiaanse gezag. De macht over de ziekte is het bewijs van het gezag over de wet, omdat het een bewijs levert van de status van Jezus. Alleen de Messias kan op het gezag van zijn woord zieken genezen. Blijkbaar is dat wel in de gedachte van de genezene geweest. Daarom citeert hij vervolgens de woorden van Jezus: “Die heeft tegen mij gezegd: ‘Neem uw ligmat op en ga lopen.'” Kortom, hij zegt tegen de farizeeën, dat de Messias Jezus die hem gezond gemaakt heeft, hem de opdracht heeft gegeven om zijn ligbed te dragen. De farizeeën moeten in ieder geval begrepen hebben, dat Jezus dus opzettelijk een rabbijns voorschrift heeft laten overtreden. Maar ook dat Hij tegelijkertijd het bewijs van Zijn gezag over de wet heeft gegeven door de man te genezen.
Onmiddellijk beginnen de farizeeën een onderzoek. Ze vragen aan de genezene wie die mens is, die het bevel heeft gegeven om rond te lopen met de ligmat. Ze krijgen daarop geen antwoord, de genezene weet niet wie het was en kan Hem ook niet aanwijzen. Jezus heeft zich “ongemerkt verwijderd” en de reden wordt meteen gegeven. Er is een grote menigte op die plaats aanwezig, en dan mogen we aannemen dat Hij geen publieke confrontatie over deze kwestie wilde. Geen opstootje. Dat is dus de situatie. De man is genezen, de farizeeën zijn woedend over de overtreding van de sabbatregels, en ze zijn een formeel onderzoek begonnen. We horen niet dat de man Jezus verdedigt, zoals in het geval van de genezing van de blindgeborene. Het zal later blijken dat dat heel belangrijk is.
Dan vinden we vervolgens de man in de tempel. Dat lijkt wel een bewijs van de vroomheid van deze man, als hij vanwege zijn wonderbare genezing onmiddellijk een offer in de tempel heeft willen brengen. Het heeft er tot nu toe alle schijn van, dat deze man zijn genezing aan de Messias toeschrijft, Zijn gezag erkend heeft, en zich aan de wet van Mozes wil houden. Maar dan komt Jezus hem tegen in de tempel. “Zie,” zegt Hij, “U bent gezond geworden, zondig niet meer opdat u niet iets ergers overkomt.” Wat betekent dat?
Er zijn twee mogelijkheden. Het kan zijn dat Jezus met deze zonde de oorzaak van de verlamming aanduidt. We weten uit de geschiedenis van de blindgeborene, dat Jezus het vooroordeel van de farizeeën tegenspreekt dat ziekten of misvormingen aan het lichaam altijd als een straf voor de zonde beschouwd moeten worden. Wie heeft gezondigd, hij of zijn ouders? Dat zeggen de farizeeën immers tegen Jezus. Voor de farizeeën stond het vast dat de ziekte van deze man, die 38 jaar lang niet kon lopen, aan een of andere zonde moest worden toegeschreven. Het is misschien juist om die reden dat ze hem letterlijk links laten liggen. Met een zondaar wil je immers niets te maken hebben. Het zou ook nog kunnen, dat ze het morele gezag van Jezus in twijfel trekken, omdat Hij als het ware Gods straf tegenwerkt. Door de verlamde te genezen, onderbreekt Hij de levenslange straf die God hem voor zijn zonden heeft laten dragen. Maar betekent dat nu dat er geen ziekte is als een gevolg van zonde? Er is toch zeker ook ziekte die een gevolg is van een verkeerde levensstijl, dan maak ik mijzelf ziek. Maar er is ook ziekte die God iemand te dragen geeft om Zijn doel te bereiken, zoals bijvoorbeeld de “doorn in het vlees” die Paulus te dragen had. Misschien wel een zware hoofdpijn of andere lichamelijke, chronische klachten. Paulus zelf omschrijft het als” een engel van de satan, om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet zou verheffen.” En bij die gelegenheid, toen Paulus bad dat deze kwaal van hem zou worden weggenomen, kreeg hij te horen: “Mijn genade is voor u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.” Maar er is ook ziekte die voortkomt uit een verkeerde verhouding tot God. “Wie op onwaardige wijze het avondmaal gebruikt,” zegt Paulus, en “het lichaam van de Heere niet onderscheidt” – niet als heilige maaltijd van de gedachtenis benadert – kan dat ervaren. Daarom zegt Paulus: “zijn er onder u veel zwakken en zieken, en velen zijn ontslapen.” (1 Kor. 11:30) Geestelijke gezondheid, ook in samenhang met lichamelijke kwalen, heeft wel degelijk te maken met onze, laat ik zeggen religieuze gezondheid.
Betekent dat dan, dat elke ziekte een aanwijsbare religieuze oorzaak zou moeten hebben? Een straf van God is? Juist in het gesprek over de blindgeborene maakt Jezus duidelijk dat dat in het geheel niet het geval is. We weten tegenwoordig wel heel goed, dat elke lichamelijke ziekte ook een psychologische component heeft. Het is evenzeer waar dat elke psychologische toestand een religieuze component heeft. God gebruikt in het leven van een christen allerlei instrumenten om iemand naar Zijn doel te brengen. Zwakte en ziekte kunnen middelen zijn die God gebruikt om de religieuze gezondheid van iemand uiteindelijk te bevorderen. Iemand te herinneren aan Zijn aanwezigheid, iemand gelegenheid te geven om in relatieve rust over het eigen leven na te gaan denken, de eventueel verbroken of verminderde relatie met God weer te herstellen. Daaruit volgt voor ons als simpele vuistregel, dat we bij elke ziekte mogen aannemen dat er ook een goede kant aan zit. Minstens dat God bereid is om ons te troosten, zelfs wanneer wij door eigen schuld onze gezondheid hebben geschaad. Maar de simpele rekensom van de farizeeën, dat elke kwaal een directe straf van God is, vergeet dat deze schepping bedorven is, en dat gelovigen net als alle andere mensen gevoelig zijn voor lichamelijke zwakten en kwalen, slachtoffer kunnen worden van epidemieën en verkeerde medische behandelingen. Ziekte kán door God worden gebruikt, maar dat wil niet zeggen dat Hij ons die ziekte laat overkomen. Hij laat toe, maar veroorzaakt niet. De grootste ketterij op dat punt in onze tijd, is de leer van Christian Science, die zegt dat elke ziekte door een demon wordt veroorzaakt, en demonen alleen toegang tot ons krijgen door een verkeerde geestelijke instelling. Dan zijn we rechtstreeks verantwoordelijk voor alles wat ons overkomt.
In dit bijzondere geval, heeft de verlamming van deze man wel iets te maken met zonde. Zondig niet meer, zegt Jezus. En Hij kan daarmee gezegd hebben: Keer niet terug naar je oude levenswandel. Niet omdat God dan opnieuw zou “straffen” met verlamming, maar omdat dan de herstelde relatie met God weer bedorven zou raken. Dat is wat bedoeld wordt met “iets ergers” dat hem dan zou overkomen. Jezus zeg dus, dat deze genezing van de man ook een daad van vergeving is geweest. Jezus draagt zijn straf, dat wil zeggen Hij neemt de gevolgen weg van de zonde van deze man en vergeeft die zonde. De man is dus hersteld in zijn relatie met God, kent Jezus als zijn verlosser, en is weer gezond geworden. Maar blijkbaar heeft hij iets in de woorden van Jezus gehoord dat hem geprikkeld heeft om een heel andere weg in te slaan. Net als bij de Samaritaanse vrouw spreekt Jezus de man aan op de zonde. De man staat echter in de tempel, om het voorgeschreven offer te brengen. Is het denkbaar dat hij zo vol overtuiging is van zijn eigen onschuld, dat hij zijn ziekte in het geheel niet aan de zonde verbindt die in zijn leven geheerst heeft? Zijn volgende actie lijkt dat wel duidelijk te maken.
Maar er is een eenvoudige tweede mogelijkheid. Je kunt hier ook nog een andere weg inslaan. Is het denkbaar dat Jezus hem niet aanspreekt op een zonde die de oorzaak was van zijn ziekte, maar op een zonde die hij heeft begaan ná zijn genezing? Die zonde kan zijn dat hij niet tot een gelovig getuigenis komt over Jezus, maar zich tegenover de farizeeën alleen wil verontschuldigen voor de overtreding van de sabbat, Jezus daarom de schuld daarvan geeft, het blijkbaar met de farizeeën eens is dat hij door Jezus tot een zonde gebracht is. Dat zou betekenen dat hij niet tot de erkenning was gekomen, dat Jezus die hem genezen had ook gezag had, als Messias, over de sabbat. Is dat de zonde die Jezus bedoelde? Op die manier kunnen we de ingewikkelde theologie van de oorzaak van zwakte en ziekte in het geheel achter ons laten. Dan zou Jezus zich distantiëren van de opvatting van de farizeeën dat ziekte een gevolg is van de zonde.
Wat doet de man? Of Jezus nu met de zonde zijn vroegere levenswandel als oorzaak van de verlamming, of zijn aarzelende, en verraderlijke houding tegenover de farizeeën bedoelde, in ieder geval verraadt de man Jezus aan de Joden. De farizeeën waren naar Hem op zoek. En dan lezen we: “de man ging weg en berichtte de Joden dat het Jezus was Die hem gezond gemaakt had.” Dat is dankbaarheid! Hij wist dat de farizeeën Hem zochten, en niet om Hem te eren voor Zijn daad van genezing, maar omdat Hij opdracht had gegeven om de sabbat te schenden. Misschien zijn zij het wel geweest, de farizeeën, die de genezene de opdracht hebben gegeven om een offer te brengen in de tempel vanwege de schending van de sabbat. En dan is het geen vrome reactie van de genezene op de daad van Jezus, maar het uitvoeren van een opdracht van de rabbijnen om zijn straf te ontlopen. Dat kunnen ze tegen hem gezegd hebben. “Die man die jou zogenaamd genezen heeft, is niet goed wijs. Je hebt de sabbat geschonden. God zal je straffen als je dat doet. Pas op dat je niet opnieuw verlamd raakt. Breng in de tempel het voorgeschreven offer bij een overtreding van de sabbat. Deze man is een leugenaar en een bedrieger.” Zo hebben ze waarschijnlijk op hem ingepraat. En nu komt hij ze vertellen dat het Jezus was, die hem gezond had gemaakt, maar dus ook Jezus die hem de opdracht had gegeven om rond te lopen met zijn ligbed. De man die jullie zoeken om hem te straffen, die heet Jezus! Dat is voldoende aanleiding voor de joodse autoriteiten – op het getuigenis van één man, dus in strijd met hun eigen wet – om Jezus nu te gaan vervolgen. Vers 16 “En daarom vervolgden de Joden Jezus en probeerden zij Hem te doden, omdat Hij deze dingen op de sabbat deed.” Deze dingen – dat is de genezing én dat is de opdracht om het ligbed te dragen. Wie een ander aanspoorde om de sabbat te schenden, werd nog zwaarder gestraft dan degene die per ongeluk een voorschrift overtrad. En Jezus deed beide, door te genézen op de sabbat, en door deze opdracht aan de genezene te geven.
De Joodse autoriteiten hebben nu al besloten om Hem te doden. Blijkbaar confronteren zij Jezus met hun aanklacht, want in vers 17 horen we dat Jezus antwoord geeft. Het is een korte weergave door Johannes van een vermoedelijk lang gesprek over de betekenis van de sabbat. Ze voeren dat gesprek misschien ook wel, omdat ze nog alleen maar het getuigenis hebben van de genezene. Alleen wanneer Jezus dat getuigenis bevestigt, kunnen ze Hem grijpen en straffen. Maar het antwoord van Jezus onttrekt zich aan het juridische steekspel, en is een soevereine verklaring van de Messiaanse koning. “Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook.” Dat is wezenlijk hetzelfde antwoord als in Markus 2:28: “de Zoon des mensen is Heere, óók van de sabbat.” Dat antwoord berustte op de Messiaanse status van Jezus. Maar hier wordt nog meer gezegd dan dat. In Gods omgang met een bedorven Israël is er geen voorgeschreven rustdag. God werkt ook op de sabbat door, en dat is niet vreemd want Hij staat boven de wet. Maar zo is het ook niet vreemd voor Jezus. Jezus werkt samen met zijn hemelse Vader, Hij en de Vader zijn één. Vader en Zoon hebben permanent dienst. En zolang de Vader werkt in de hemel op de sabbat, zo mag ook de Zoon werken op aarde op de sabbat. Wanneer Jezus God Zijn eigen Vader noemt, is het inderdaad duidelijk dat Hij zichzelf met God gelijkstelt. Voor Johannes is het helder dat Jezus’ optreden op de sabbat een gevolg is van het feit dat Hij de Zoon van God is. Voor de Joden zijn het twee verschillende zaken: de schending van de sabbat is het ene, de uitspraak waarmee hij God lasterde – en dat zou het ook geweest zijn, als Jezus niet God was – dat is het andere. Voor een gewoon mens is het inderdaad een doodzonde om zichzelf gelijk te stellen met God. Gods oordeel treft allen die dat gewaagd hebben. De farao van Egypte volgens Ezechiël 19. De prins van Tyrus volgens Ez. 28, en de koning van Babel volgens Jes. 14.
Jezus heeft veel meer wonderen verricht dan in de evangeliën zijn opgetekend. Het was in zekere zin Zijn dagelijkse werk. Hoeveel mensen zijn daardoor tot bekering gekomen? Het moeten er maar zeer weinigen geweest zijn. En hier zien we dat het Joodse religieuze systeem het een mens onmogelijk maakte om de genezing te aanvaarden als een wonder van de Messias, als een wonder van vergeving en heling tegelijkertijd. Hier zien we hoe een religieuze systeem het optreden van de Zoon van God kan reduceren tot een overtreding van een regel en een aanklacht van godslastering. Vanuit hun gezichtspunt hebben ze nog gelijk ook. Het optreden van Jezus als Zoon van God dwingt ons dan ook tot een radicale keuze. Tot een verandering van perspectief. Als Hij de Zoon van God is, dan toont Hij hier zijn genezende macht én Zijn goddelijk gezag. Als hij slechts een mens is, dan is hij een zondaar die de wet overtreedt en anderen aanmoedigt dat ook te doen; dan is de genezing toevallig, of een trucje, en dan is de aanklacht terecht dat Hij God gelasterd heeft. Zoals vaak in het evangelie van Johannes worden we gedwongen om een radicale keuze te maken. Jezus is de Zoon van God en Hij is de Weg, de Waarheid en het Leven. Of: Jezus is een bedrieger,en een leugenaar en God blijft een ondoorgrondelijk mysterie waar mensen in al hun verschillende religies vergeefs iets van proberen te begrijpen. De weg van de Zoon of de weg van de religie. Welke weg kies jij?