Of God bestaat?– op de manier van Thomas

Of God bestaat?

Tegenwerping 1
Het lijkt erop dat God niet bestaat; als God bestaat immers, dan zou Hij oneindig zijn, en dus ook oneindig goed – omdat goed een positieve eigenschap is van het eindige. Maar als God oneindig goed is, dan kan er geen kwaad zijn in de wereld. Nu is er immers overduidelijk kwaad in de wereld, dus moeten we concluderen dat God niet bestaat.

Tegenwerping 2
Als wij de wereld kunnen verklaren, dan doen wij dat door naar de eenvoudige oorzaken en principes te zoeken die voor die verklaring nodig zijn. Het leidt alleen maar tot verwarring, wanneer wij principes en oorzaken aannemen, die voor een verklaring overbodig zijn. Nu blijkt met name in de moderne kosmologie dat alles omtrent het bestaan en de oorsprong van de wereld kan worden verklaard zonder de aanname dat God bestaat. Daaruit moeten we concluderen dat God niet bestaat.

Tegenwerping 3
Als God zou bestaan, dan zou ons menselijk leven erop gericht moeten zijn om in Hem te geloven en te leven volgens Zijn wil. Het is echter overduidelijk dat mensen kunnen leven zonder geloof in Hem, en dat zelfs bij gelovigen het bestaan van God niet de doorslag geeft in het dagelijks leven. Sterker nog, wanneer God zou bestaan, wordt het menselijk leven onverdraaglijk omdat wij dan niet kunnen accepteren dat wij zelf geen God zijn. Immers de mens heeft wel de aangeboren neiging om zelfstandig en onafhankelijk – in volledige vrijheid – te leven. Daaruit moeten wij concluderen dat God niet bestaat.

Tegenwerping 4
Als God bestaat, dan is hij zodanig verheven boven ons denkvermogen, dat wij niet kunnen weten dat God bestaat. Elke vorm van redelijke argumentatie die zou moeten leiden tot de conclusie dat God bestaat, is dan alleen overbodig. Daaruit kunnen wij concluderen dat wij niet kunnen weten dat God bestaat.

Tegenwerping 5
Als God bestaat, dan zou het mogelijk moeten zijn voor het menselijk denkvermogen, om zijn bestaan door argumentatie te ontdekken. Er is echter geen overtuigend argument te leveren dat iedereen met gezond verstand ervan overtuigt dat God bestaat. Het is dus onmogelijk om met een redelijke argumentatie te bepalen of God bestaat of niet, en daaruit kunnen wij concluderen dat God niet bestaat.

In tegendeel, Gods Woord heeft tot ons gezegd: “Want wie tot God komt, moet geloven dat Hij is.” (Hebreeën 11:6)

Ik antwoord: het geloof in het bestaan van God kan redelijk worden onderbouwd. Niet door middel van bewijzen, maar door middel van redelijke argumenten die de overtuiging dat God bestaat kunnen onderbouwen.
Er zijn zeven argumenten te geven voor de overtuiging dat God bestaat.

Het eerste argument verloopt als volgt. In onze kennis van het universum, zijn alle objecten eindig en contingent, omdat ze niet uit zichzelf noodzakelijk zijn. Alle objecten in het universum behoeven dus een verklaring omtrent hun bestaan, bijvoorbeeld door het aanwijzen van een oorzaak van hun bestaan.
Ook het geheel van alle eindige objecten, het universum zelf, is contingent en eindig, en daarom niet uit zichzelf noodzakelijk. Ook het universum als geheel behoeft dus een verklaring omtrent zijn bestaan.
De verklaring van het bestaan van het universum als geheel moet dus iets aanwijzen als grond of oorzaak of een reden van het bestaan, dat zelfs niet een deel van dat universum uitmaakt. Logisch gesproken, moet in deze verklaring van het bestaan van het universum als geheel iets worden aangewezen, dat wel uit zichzelf noodzakelijk is en daarom zelf geen verklaring behoeft omtrent het eigen bestaan, behalve dat eigen bestaan zelf. Daaruit kunnen wij concluderen dat God bestaat en dat Hij de uiteindelijke verklaring is van het bestaan van het universum.

Het tweede argument verloopt als volgt. Ook het universum als geheel is ooit begonnen te bestaan. Het universum is immers de gehele tijd-ruimte waarin alles wat bestaat, zijn bestaan heeft. Deze tijdruimte is niet oneindig naar het verleden toe, maar begon ooit te bestaan, zoals we weten van de moderne kosmologie.
Maar alles wat begonnen is te bestaan, moet een oorzaak of grond of reden hebben waardoor het begon te bestaan. Anders moeten we aannemen dat het universum, hoewel het eindig is, uit zichzelf noodzakelijk is, wat duidelijk absurd is. Deze oorzaak kan zelf geen deel uitmaken van het universum, omdat de verklaring van het universum als geheel, niet het universum als geheel zelf kan zijn. Dat zou immers leiden tot een tautologie: wat verklaring behoeft kan zelf niet de verklaring zijn. Het universum bestaat dus niet uit zichzelf noodzakelijk. Daarom moet het universum een oorzaak hebben, die zelf geen deel is van het universum. En omdat het universum het geheel van de fysische werkelijkheid omvat, kan de oorzaak van het universum zelf niet van fysische aard zijn, en daarom kan deze oorzaak ook niet ooit begonnen zijn te bestaan. Immers, als zij ooit begonnen is te bestaan, is zij per definitie een deel van het universum. Daaruit moeten we concluderen dat God bestaat en dat hij de niet-fysische oorzaak is waardoor het universum ooit begonnen is te bestaan.

Het derde argument verloopt als volgt. In de moderne fysica wordt gezocht naar wiskundige modellen die overeenstemmen met observaties in de fysische wereld. Keer op keer wordt ontdekt, dat deze wiskundige modellen haarscherp aansluiten bij de geobserveerde realiteit. Maar wiskundige modellen zijn geen beschrijvingen van de realiteit, maar alleen nuttige constructies in de menselijke geest. Als God niet bestaat, dan is de toepasbaarheid van deze wiskundige modellen uiteindelijk alleen toeval. Maar de toepasbaarheid van wiskundige modellen, gezien de accuraatheid en zekerheid van hun toepassing, is geen toeval te noemen. Daaruit kunnen we concluderen dat God bestaat en dat de wiskunde niet toevallig de taal van het universum is, maar uit de geest van God zelf voortkomt.

Het vierde argument verloopt als volgt. Sinds de Big Bang waarin het bekende universum ontstond, zijn er constanten die de werking van alle natuurwetten bepalen. Zo’n constante is bijvoorbeeld de zwaartekracht, die overal in het universum dezelfde waarde heeft. Een dergelijke constante is ook de entropie waaraan alle fysische systemen onderhevig zijn. Wanneer een van deze constanten een minimale verandering ondergaat, zou het leven in het universum onmogelijk zijn. Voor deze “fijnregeling” van het universum zijn drie mogelijke verklaringen. In de eerste plaats zouden we kunnen denken aan een of andere fysische noodzakelijkheid. Dat is echter uitgesloten, omdat deze constanten voor dit universum gelden, onafhankelijk van de natuurwetten. Die kunnen variëren, terwijl deze constanten hetzelfde zijn. In de tweede plaats zou het bestaan van deze constanten zuiver toeval kunnen zijn. De kans echter dat in ons universum deze constanten precies zo zijn en niet anders, is mathematisch gezien oneindig klein. Die kans wordt groter, als we aannemen dat er een oneindig aantal universa bestaan. Dan is de kans groot dat een van die universa precies deze constante waarden heeft. Het bestaan van een oneindig aantal universa is echter tot op heden niet bewezen. De derde en enig overgebleven mogelijkheid is, dat de “fijnregeling” van het universum een gevolg is van een bewust ontwerp van het universum. Daaruit kunnen wij concluderen, dat er een Ontwerper van het universum bestaat en bijgevolg dat God bestaat.

Het vijfde argument verloopt als volgt. Wanneer God niet bestaat, zouden wij allen veroordeeld zijn tot het solipsisme. Het solipsisme zegt dat ik het enige werkelijke bewustzijn ben, en berust op de ervaring dat ik alleen mijn eigen bewustzijn ken maar op grond daarvan niet in staat ben om te weten dat er andere bewustzijns in deze wereld bestaan. Ik kan niet bewijzen dat andere mensen ook bewustzijn hebben en ik heb daar ook geen rechtstreeks bewustzijn van. Ik leef echter met volledige en absolute zekerheid over de geestelijke status van andere mensen in de praktijk van alledag. Zoals ik weet heb over mijn eigen intenties en bewuste gedachten, zo blijkt keer op keer de aanname dat andere mensen ook vanuit het bewustzijn en eigen intenties denken en handelen bevestigd te worden. Als God niet bestaat, heb ik echter geen enkele grond om het bestaan van andere bewustzijns aan te nemen. Mijn ervaring van het gedrag van andere mensen en mijn zekerheid omtrent hun intenties kan dus principieel foutief zijn. Als God bestaat, is het echter volkomen vanzelfsprekend dat niet alleen mijn bewustzijn, maar ook het bewustzijn van andere mensen in de werkelijkheid bestaat. Terwijl het tevens begrijpelijk is dat ik vanuit mijn eigen bewustzijn het bestaan van andere bewustzijns niet kan kennen. Op grond van de ervaring dat het solipsisme in de praktijk van alledag door mij steeds succesvol wordt geloochend, kan ik afleiden dat het redelijk is om aan te nemen dat er een scheppende God bestaat die zowel de oorzaak van mijn bewustzijn als dat van andere bewustzijns is.

Het zesde argument verloopt als volgt. In mijn omgang met mensen op grond van morele normen en waarden, ontdek ik dat er objectieve morele plichten zijn. Wanneer God niet bestaat, zijn er voor de mens alleen maar relatief morele plichten, die afhankelijk zijn van bijvoorbeeld mijn eigen voorkeur, of het maximaliseren van mijn genot, of – en dan onbewust – het doorgeven van DNA of het overleven van de soort en dergelijke biologische argumenten. Ik ervaar echter bepaalde waarden, zoals het niet doden van andere mensen, het geen pijn doen aan andere levende wezens, als absolute morele waarden en plichten. Wanneer ik de objectiviteit en absoluutheid van deze morele waarden ontken, zou ik met mijn eigen levenservaring in contradictie leven. Wanneer ik echter aanneem, dat God bestaat, dan zijn er ook objectieve en absolute morele waarden. De aanname dat God bestaat leidt dus tot een harmonie tussen mijn ervaring van absolute waarden en de realiteit. Daaruit kan ik concluderen dat God bestaat en dat Hij de grondslag is van de objectiviteit van morele waarden.

Het zevende argument verloopt als volgt. Het is mogelijk – denkbaar zonder logische tegenspraak – dat een wezen werkelijk bestaat dat maximaal volmaakt is en dus elke perfectie heeft die er maar kan zijn. Als dat wezen werkelijk is in een of andere mogelijke wereld, dan is hij werkelijk in elke mogelijke wereld. Maar als hij mogelijk is in elke mogelijke wereld, dan is hij ook mogelijk in de feitelijke wereld. Elke feitelijke wereld is immers tenminste ook een mogelijke wereld. Daaruit kan ik concluderen dat God bestaat als het maximaal volmaakte wezen in onze feitelijke werkelijkheid.

Antwoord tegenwerping 1
Omdat God het Goede is, zal Hij zeker geen enkel kwaad in zijn schepping toelaten, tenzij Zijn almachtige goedheid met zich meebrengt, dat Hij in staat is uiteindelijk uit het kwade het Goede voort te brengen. Het is juist een deel van de oneindige goedheid van God, dat Hij het kwade toelaat te bestaan, om er uiteindelijk het hoogste Goede uit voort te brengen. Door niet in te grijpen in het handelen van mensen, laat Hij de mens vrij voor zichzelf zijn bestaan te kiezen. Die vrijheid kent in het bestel van de schepping dus een prijs. Wanneer mensen vrijelijk handelen in tegenspraak tot het goede, dan laat God dat voor een bepaalde tijd en tot op zekere hoogte toe om er uiteindelijk het goede uit voort te brengen.

Antwoord tegenwerping 2
Het bestaan en de aard van het universum kunnen zeker worden verklaard zonder de aanname dat God bestaat. De reden daarvan is dat God het universum heeft geschapen als een zelfstandige, buiten Hem bestaande werkelijkheid. De verklaring van het universum in zoverre het een begin in de tijd heeft gehad, en niet uit zichzelf noodzakelijk is, ligt echter niet binnen de moderne kosmologie, omdat die vraag de grenzen van het menselijk weten overstijgt. Wat mogelijk is, is dat er een mathematisch model wordt ontwikkeld, in overeenstemming met observaties, waarin met een eerste oorzaak geen rekening wordt gehouden. Bijvoorbeeld in de poging om imaginaire tijd te gebruiken om te vermijden dat er naar een antecedente – dus een voorafgaande oorzaak in een tijd, die er nog niet was – oorzaak wordt gezocht – zoals Stephen Hawking heeft betoogd. Het metafysische antwoord op de vraag naar de reden en oorzaak van het bestaan van het universum, is daarmee echter niet weerlegd.

Antwoord tegenwerping 3
Juist omdat de mens een innerlijk streven heeft naar volstrekte zelfstandigheid en onafhankelijkheid, is zijn geest en verstand verduisterd voor de erkenning van het bestaan van God. Daarom zal de mens het inderdaad niet verdragen te moeten erkennen dat God bestaat. Daarom kan ook niet worden gezegd dat alle mensen werkelijk streven naar kennis van God. De uiteindelijke oorzaak van het geloof in God is dan ook niet het redelijk argument, maar een verandering van deze menselijke houding. Het geloof dat door God wordt geschonken, en alleen maar afhangt van zijn gever, bewerkt het opgeven van dit streven naar zuivere zelfstandigheid en onafhankelijkheid, en leert de mens zijn hart te buigen voor een God die hem in liefde en goedheid benadert.

Antwoord tegenwerping 4 en 5

Deze tegenwerpingen zijn al beantwoord in de tekst.

Wat is eigenlijk geloof?

Voordat we verder spreken over het godsbewijs, moeten we nog even kort spreken over de noodzaak van het geloof. Ik spreek meestal over de belijdenis, maar uiteraard is ook de persoonlijke keuze van belang. Het gaat uiteindelijk immers om een relatie tot God. Wat het godsbewijs ons ook te melden heeft, een objectieve waarheid is in ieder geval niet genoeg. Godsdienst berust op overgave en vertrouwen, en die zijn met objectieve gegevens niet tot stand te brengen.

Bijna elke student in de theologie heeft kennis moeten nemen van het boek “Christelijk Geloof” van H. Berkhof. Door velen wordt dit boek gezien als te vrijzinnig, maar ik geloof dat het heel fraai in het midden ligt van wat we in onze Protestantse Kerk allemaal kunnen aantreffen.

Filosofisch, confessioneel, gelovig

Wanneer we spreken over het bestaan van God, ontkomen we er niet aan dat we iets zeggen over de eigen aard van het christelijke geloof. In mijn optiek kunnen we er niet bij blijven staan, en is de objectieve benadering (Godsbewijzen) en de confessionele benadering (belijden is belangrijker dan geloven) eveneens van belang. Het is misschien goed om de verhouding van deze drie, al is het dan heel kort, te schetsen. Het geloof is de persoonlijke kant van de zaak, mijn individuele vertrouwen in de boodschap van het evangelie. De belijdenis schetst de gesprekruimte waarbinnen mijn geloof zich ontplooit, met vele aanknopingspunten die in mijn persoonlijke geloof meer of minder van belang zijn. Het godsbewijs tenslotte staat hier eigenlijk symbool voor de hele sfeer van de christelijke filosofie. En dat is dan het redelijk doordenken van de inhoud van het geloof.

Geloof en religie

In het boek “Christelijk Geloof” introduceert Berkhof het geloof vanuit een specifieke invalshoek. Hij gaat te werk als een godsdiensthistoricus, die verschijnselen beschrijft. Hij meent door deze benadering van buiten af, tot op zekere hoogte neutraal, een accurate beschrijving te kunnen geven van wat het christelijk geloof zo bijzonder maakt.

De historische kern van het geloof reconstrueert hij vanuit Genesis 12.

“Toch waagde deze man met de Babylonische naam Abraham de grote transmigratiesprong in een vreemd, nieuw vertrouwen dat hij zou worden geleid en beschermd door een hogere, naamloze God die hem riep, een God die zowel over het oude als over het nieuwe land als ook over de gevaarlijke tussenliggende woestijn zeggenschap had, een God die niet gebonden was aan een bepaalde natuurlijke ruimte, maar die vanwege zijn transcendentie beweeglijk was en beschermend voor kon gaan naar nieuwe werelden.”

Dit geloof staat in sterk contrast met de religie van het Midden-Oosten.

“Religie is een relatie met het transcendente en absolute; maar de mens kan zulk een relatie alleen hebben via het immanente en relatieve.”

Volgens Berkhof moet dit conflict tussen de twee zijden van de religie goed worden begrepen.

“De wereld werd in de religie ervaren als een universeel natuurgebeuren dat de uitdrukking is van een goddelijke macht. Het absolute drukt zich in het relatieve uit.”

Maar dat betekent dat de godheid precies is zoals de werkelijkheid: veelvormig, groots, ondoorzichtig, tegenstrijdig, grillig, zonder gelaat. Religie mondt uit in de poging van de mens om met offers en bezweringen de goddelijke machten te laten optreden in zijn voordeel.

Het geloof van Abraham

Bij Abraham komt er nu iets nieuws tot verschijning.

  1. De transcendentie van de godheid gaat hier geheel en al samen met de nabijheid van de godheid in concrete levensproblemen. In de religie was er een God die ver weg was, en hulp in het concrete leven werd gezocht bij lagere goden.
  2. De transcendentie van de godheid betekent een ontgoddelijking van de wereld. God staat boven de wereld en treedt richtend of reddend op naar zijn eigen wil. De wil van God kan niet met magische middelen worden beïnvloed.
  3. Daarom is er sprake van een breuk tussen God en de seculaire wereld. De religie verliest haar vanzelfsprekendheid en God is ver en verborgen, en soms oneindig meer nabij dan enige god voorheen ook maar kon zijn: dan heeft Hij een gelaat en verschijnt antropomorf, zoals de drie mannen die aan Abraham verschenen.
  4. Daaruit volgt dat voor de gelovige Abraham het leven ook de ervaring van de leegte kent, de ervaring van de verborgenheid van God. Alleen de herinnering aan voormalige reddende ontmoetingen en de verwachting van toekomstige hulp kan hen dan bijstaan. Het leven van Abraham is een voortdurende overgang van belofte naar vervulling en dan weer naar nieuwe beloften.
  5. De transcendentie van de godheid is ook de basis van het beeldverbod. Wie over een beeld van de godheid kon beschikken, beschikte ook over zijn helpende tegenwoordigheid. Maar een dergelijke magische relatie tussen de mens en God is in Israël verboden.
  6. Precies om die reden staat niet het ritueel, maar het woord centraal. Het woord van God gebeurt of het gebeurt niet; maar het laat zich in ieder geval niet bezweren of manipuleren en het vraagt vertrouwen en gehoorzaamheid.
  7. Het zwaartepunt van de relatie met de transcendente God ligt in de toekomst. De incidentele aanwezigheid van God in de ervaring is een voorlopige en belooft een blijvende openbaarheid in de toekomst waarin alle beloften vervuld zijn. Het geloof is ten diepste gekenmerkt als een weg met een onbekend en onbeschikbaar doel.
  8. De relatie tussen God en Abraham kan niet meer correct worden aangeduid met het woord religie. De distantie tussen God en mens is groter dan het woord religie suggereert. God is alleen te vinden boven de ervaring uit, of zelfs alleen maar wanneer we tegen de ervaring in durven te denken. Anders dan in de religie, gaat de verhouding van deze God niet op in het heden, maar heeft principieel het karakter van de belofte – dus steeds van het nog–niet.

Het kon niet anders dan dat dit geloof in strijd raakte met de religie van de omgeving. Vooral in het “beloofde land” was de strijd tussen het geloof in God de HEERE en de verschillende aspecten van de Baäl het sterkst voelbaar. De Baäl was een zichtbare God met voorspelbare zegeningen (regen, vruchtbaarheid van land, dier en mens)  die men met magische rituelen tot die zegeningen kon oproepen. De Baäl was zichtbaar aanwezig in de natuurkrachten, kon worden afgebeeld en leek daarom zeer dichtbij. De aantrekkingskracht van de Baäl was een voortdurende concurrentie voor het geloof in de Here.

De structuur van het geloof van Abraham is terug te vinden in de drie wereldreligies: Jodendom, Christendom en Islam. Hierin ligt het gemeenschappelijke. Of ik een van deze drie aanhang, is het gevolg van een keuze. Weliswaar niet te vergelijken met de keuze voor een product in een supermarkt. Ik onderga die keuze meer als een overweldigd worden door een waarheid die zich aan mij vertoont. Maar toch is er sprake van een keus, omdat alle religieuze waarheid een existentiële waarheid is: ik moet mijn religieuze verhouding tot de wereld en tot God toe-eigenen, voor mijzelf van toepassing verklaren en beoefend. Niemand anders dan ikzelf is daartoe in staat. Niemand kan voor mij kiezen. Maar een neutrale en kalme keuze zoals een consument die geacht wordt te doen, is hier niet mogelijk.

Waar komt mijn God vandaan?

Het is een uitdagende vraag. Waar komt je God vandaan? Waarom geloof jij in het bestaan van God? De meeste gelovigen nemen het bestaan van God als een soort axioma aan. Er ontstaat zelfs bij velen onrust, als ze in een situatie belanden waarin ze verantwoording moeten afleggen over hun geloof. Het geloof in God wel te verstaan, want de vraag gaat helemaal niet over de zaken waar gelovigen meestal mee bezig zijn: de persoon van Jezus Christus, en de opdrachten die in het evangelie zijn opgenomen, of de 10 geboden. Ik kan me geen preek herinneren, noch van anderen noch van mijzelf waarin we het bestaan van God zelf als onderwerp hebben genomen. De meeste gelovigen nemen aan dat theologen, die geacht worden van dat soort dingen te weten, zich er in het verleden voldoende hebben beziggehouden.

Een filosofische vraag

Het eerste probleem dat ik hier signaleer, is dat de vraag eigenlijk van filosofische aard is. Wie alleen leeft vanuit de Bijbelse teksten en in de gemeenschap van de kerk komt die vraagt simpelweg niet tegen. Zoals gezegd, het bestaan van God functioneert doorgaans voor ons als een axioma. Een uitgangspunt waarvan je zelf geen rekenschap hoeft te geven, terwijl het zonder de aanname van Gods bestaan met alle andere zaken in het geloof snel afgelopen is. Het is het fundament onder het hele gebouw van het christelijke leven.

Tegenwoordig is juist dit axioma van het geloof het onderwerp van felle kritiek. Gelovigen hebben in het verleden weliswaar het verschijnsel van agnosticisme en atheïsme – respectievelijk ik weet niet of God bestaat, en ik weet dat God niet bestaat – wel meegemaakt, maar altijd in de marge. Het zogenaamde Nieuwe Atheïsme is feller van toon en heeft een hard oordeel over het geloof: onzinnig, aanmatigend, arrogant, kinderlijk, een psychische afwijking, zonder bewijs en zonder waarde. De meeste gelovigen worden aan zoiets niet blootgesteld en ik betwijfel of velen van u – aangenomen dat de meeste lezers van deze blog lid van een kerk zijn – er ooit van gehoord hebben of zich er iets van hebben aangetrokken. De meesten van ons leven betrekkelijk veilig in de cocon van de kerk, en hebben een enorme schuwheid in de omgang met ongelovigen. Het komt al dichterbij als kinderen of kleinkinderen het geloof van de grootouders als een residu van het verleden zien. Of harde kritiek leveren op de verplichte kerkgang of spreken van de “nare sprookjes” waarmee ze als kind geconfronteerd werden.

Godsbewijs als eindpunt

Maar is het dan onmogelijk om een redelijk antwoord te geven op die vraag? Ik denk van niet, maar laat niemand toch denken dat dat een eenvoudig antwoord kan zijn. Laat niemand toch denken dat in een conversatie over God een simpel bewijs dat antwoord geeft op een simpele vraag gegeven kan worden. In de filosofie die haar inspiratie haalt uit het geloof, en in het bijzonder de christelijk geïnspireerde filosofie, zijn er meerdere Godsbewijzen. In aansluiting op de filosofie van Plato en Aristoteles heeft bijvoorbeeld de thomistische traditie getracht om op een redelijke wijze te verantwoorden, dat het geloof geen irrationele en onzinnige aanname heeft. Dus in het bijzonder dat de gedachte dat God bestaat niet irrationeel is.

De christelijk geïnspireerde filosofie bereikt dus een bevestiging van het bestaan van God. Maar niet als een simpel axioma, zoals dat in het geloof eigenlijk werkt. De bevestiging van Gods bestaan is het eindpunt van een lange en moeizame gedachtegang. Alle bewijsvoeringen voor het bestaan van God zijn het eindpunt van het doordenken van de aard van onze werkelijkheid. Het is een poging om aan de wereld van onze ervaring zelf af te lezen, dat het redelijk is om het bestaan van God aan te nemen. Met intellectuele middelen die niet rechtstreeks aan de openbaring zijn ontleend – anders zou het theologie zijn. En theologie overtuigt alleen maar voor het geloof omdat het de aanname ervan deelt.

Daarmee is het probleem niet meteen opgelost. Het uitgangspunt van deze filosofische gedachtegang kan eenvoudig worden geloochend, of haar methode bestreden, of de uitkomst van de redenering kan worden geloochend. Er is geen filosofie die dringend noodzakelijk haar conclusies kan bereiken. De christelijk geïnspireerde filosofie heeft dan ook van meet af aan een veel bescheidener doel. Zij wil uitsluitend bewijzen dat het geloof in het bestaan van God redelijk, dat wil zeggen niet onmogelijk is op grond van argumenten die uitsluitend aan de menselijke rationaliteit ontleend zijn. Zij bewijst dus niet de waarheid van de stelling, maar laat alleen zien dat de aanname van het bestaan van God niet irrationeel is. Zij bewijst dat de gelovige geen gestoorde is, die psychiatrische hulp nodig heeft. Tegenover het Nieuwe Atheïsme zou dat geen slecht resultaat zijn.

Het belang van het godsbewijs

Minstens heeft een dergelijke filosofische gedachtegang betekenis voor de gelovigen, die tegenover andersdenkenden niet uitsluitend een beroep willen doen op het bijzondere van de openbaring of het simpele feit van hun geloof als argument willen aandragen. Wat voor het geloof voldoende is, kan toch intellectueel onbevredigend zijn. En in discussies met andersdenkenden, met atheïsten, met “freethinkers”, is de ervaring dat je met je mond vol tanden moet staan, op zijn minst beschamend. Veel gelovigen vermijden dergelijke discussies dan ook. Niemand heeft overigens het recht jou te dwingen aan zo’n discussie deel te nemen.

In mijn volgende bijdragen wil ik proberen iets te zeggen over het redelijk karakter van de bevestiging van Gods bestaan en de Godsbewijzen te bespreken die in de christelijke filosofie ontwikkeld zijn. Niet als een poging om in discussie te gaan met atheïsten. Ik kan en wil niemand overtuigen van mijn gelijk – en dat is onmiddellijk zoals het voor hen er uit ziet. Ze zien het al gauw als een ongewenste “evangelisatie” waar ze een enorme hekel aan hebben. Ze kennen bovendien meestal alle argumenten al waarop de theologie zich in het verleden heeft beroepen – en ze hebben ze allemaal als onredelijk verworpen. Maar ik wil proberen, voor wie daarin geïnteresseerd is en de ervaring heeft van het moeizame gesprek met ongelovigen, iets aan te dragen wat daarbij zou kunnen helpen. De volgende keer dus zullen we spreken over de aard van het godsbewijs.

Hieronder bespreek ik nog kort de betekenis van Psalm 14:1, “de dwaas zegt in zijn hart, er is geen God.”

Kritiek op het argument van Anselmus

Anselmus heeft een paar zaken verondersteld in zijn presentatie van het ontologisch argument.

Lees verder “Kritiek op het argument van Anselmus”

Het Godsbewijs uit de Perfecties

Het godsbewijs uit de perfecties: het Monologion

In een boek dat aan het Proslogion voorafgaat – het Monologion of Alleenspraak – begint Anselmus zijn argumentatie met een tweetal axioma’s.

Lees verder “Het Godsbewijs uit de Perfecties”