Johannes (22) – Een koninklijk wonder geneest ongeloof

Joh. 4:43-54

Ongeloof komt in verschillende vormen en soorten. Maar de kern van alle ongeloof is steeds hetzelfde. Dat hebben we gelezen in Joh. 3:19: “de mensen hebben de duisternis liefgehad, meer dan het licht, want hun werken waren slecht.” Elk soort ongeloof is deze weigering om de duisternis te verlaten en in het licht te treden, omdat het licht pijnlijk scherp openbaar maakt wie je eigenlijk bent. De reactie van mensen op de persoon en de prediking van Jezus heeft altijd te maken met het onvermogen om afstand te doen van je eigen overtuigingen, om eerlijk te zijn tegenover jezelf, jezelf te zien in het licht van God. Maar deze duisternis kan verschillende vormen aannemen.

Twee voorbeelden daarvan hebben we nu uitgebreid besproken. De duisternis van Nicodemus is zijn overtuiging dat het volharden in de nauwkeurige naleving van de wet een toegang tot de verlossing zou kunnen geven, terwijl hij in zijn hart weet dat het juist een afstand schept tot God. Zijn wetsbetrachting is een vorm van zelfrechtvaardiging. Hij voelt weliswaar onrust over zijn verhouding tot God, maar het woord van Jezus dat hij een wedergeboorte moet ontvangen, een reiniging door het water van het Woord en een vernieuwing door de heilige Geest, overtuigt hem niet. In zijn duisternis heeft hij het licht niet begrepen dat hem hier wordt aangeboden.

De Samaritaanse vrouw daarentegen ziet het licht vallen op de duisternis van haar eigen leven, en ze krijgt een oordeel te horen over dat leven zonder veroordeling en verwijt. Zo leert ze Jezus kennen als de profeet, die “alles weet wat zij gedaan heeft.” Een bewijs van Zijn alwetendheid, maar bovenal een aanwijzing hoe God met die zonde wil omgaan: Hij wil haar vergeving schenken!  Zij hoort wel degelijk het aanbod van het levende water, dat opwelt tot in het eeuwige leven. Haar onrust bestond daarin, dat ze gevangen was in haar eigen zondige leven en niet wist op welke manier zij daaruit bevrijd zou kunnen worden. Jezus gaat met haar zo ver, dat Hij Zijn eigen identiteit aan haar onthult. Hij zegt tegen haar dat Hij de Messias is, die bij zijn komst alles zou verkondigen en verlossing zou brengen. Hij zal de weg naar de verzoening met God aan de mensen aanbieden. En de Samaritaanse vrouw gelooft in Hem en een heel dorp komt tot bekering. In Israël is dat nog nooit gebeurd. Het is een voorproefje van wat later realiteit zou zijn, namelijk dat Israël de Zoon van God zou verwerpen terwijl de heidense wereld Hem zou aannemen. Daarom sprak Jezus over de oogst die zou komen, en de velden die wit waren zodat je kon zien dat het gewas bijna rijp was. (Omdat we lezen dat de mensen van de stad naar Hem toe gingen in vers 30, en omdat we weten dat ze in die tijd bijna allemaal gekleed waren in lange witte gewaden, moet dat een heel duidelijk beeld zijn geweest. In vers 35 zegt Jezus “Sla uw ogen op en kijk naar de velden, want ze zijn al wit om te oogsten.” Zo zagen die Samaritaanse mannen er ook uit die met hun witte gewaden de stad uitkwamen, Hem tegemoet.)

Ongeloof in soorten en maten

Ongeloof is er in soorten en maten, en de kern is dus de angst voor het licht. Sommige mensen komen tot geloof zoals Johannes de Doper. Zij herkennen Hem. Die herkenning wordt hen vanuit de hemel geschonken, maar zo wordt het dan ook door hen ervaren. De Persoon van Jezus maakt indruk op hen, ze zien, en ze geloven. Sommige mensen komen tot geloof, op grond van de woorden van Jezus. Zo ging het met Andreas en Johannes (de evangelist) die een hele dag met Jezus hebben gesproken. Op grond van wat ze hoorden, kan Andreas tegen zijn broer Simon zeggen: “wij hebben de Messias gevonden.” Er zijn mensen die de Bergrede lezen, of uit andere delen van het onderwijs van Jezus tot de conclusie komen dat er iets bijzonders met deze mens aan de hand is. Ook dat is hen uit de hemel geschonken. Maar dan is het ook deel van hun eigen ervaring. De persoon en de woorden – maar dan ook nog de wonderen. In vers 48 van ons hoofdstuk zegt Jezus tegen de hoveling, maar Hij bedoelt alle mensen in Galilea:” Als u (meervoud) geen tekenen en wonderen ziet, zult u beslist niet geloven.”

Ik denk dat Jezus op Zijn manier met elk van deze vormen van ongeloof omgaat en het weet te overwinnen. Hij vertoont zich aan Johannes de Doper en Zijn discipelen in Kana als Wie Hij is. Hij onderwijst Johannes en Andreas. Bij het wonderteken in Kana staat geschreven dat Hij Zijn heerlijkheid openbaarde door langs bovennatuurlijke weg het feest te redden, en dat de discipelen geloofden. In Kana heeft Hij laten zien dat Hij de gever is van de zegen, van de aardse zegen daar en toen, maar dan ook van de volkomen zegen overal en later. Tegenover de Samaritaanse vrouw spreekt Hij de woorden die haar hart raken, en haar tot geloof bewegen. In de twee dagen die Hij doorbracht in het dorpje Sychar, zijn het Zijn woorden die hebben overtuigd. “Wij geloven… want wijzelf hebben Hem gehoord en weten dat Hij werkelijk de Zaligmaker van de wereld is, de Christus.” (4:42) En in het gedeelte waar we nu over zullen spreken, is er geen getuigenis, maakt Hij met Zijn persoon geen indruk, zijn er geen woorden die tot het hart doordringen. Er is een teken en een wonder nodig om de hoveling tot geloof te bewegen. Maar Jezus wil ook dit ongeloof overwinnen, wil ook in deze duisternis met Zijn licht doordringen.

En dan is er nog een vierde vorm van ongeloof in het evangelie naar Johannes. De Joden van Judea en omstreken hebben de persoon van Jezus aanschouwd, hebben Zijn woorden gehoord, meerdere malen zelfs, en hebben ook Zijn wonderen gezien. En toch hebben zij niet geloofd. Toen Jezus de tempel had schoongeveegd, leeggemaakt, zagen ze een persoon optreden met gezag, die ijver voelde voor het Huis van God. Jezus nam het op voor Zijn hemelse Vader. Ze zagen de macht die Hij uitstraalde, waardoor duizenden mensen rustig gehoorzaamden. Dat was een groot wonderteken, maar het was een wonderteken dat de heerlijkheid van God de Zoon liet zien, zoals Hij dat op menselijke maat wilde tonen. Het was opnieuw de heerlijkheid van de Zoon “vol van genade en waarheid.” En dan toch vragen ze aan Hem: “Welk teken laat u ons zien dat U het recht hebt deze dingen te doen?” (2:18) Jezus verwijst hen dan naar het ultieme wonder, dat de tempel van Zijn lichaam zal worden afgebroken en dat Hij op de derde dag uit de dood zal terugkeren. Dat was het ultieme teken, waaraan iedereen kon zien dat Hij het gezag en de macht had en waarachtig de Zoon van God was, maar we weten uit de geschiedenis dat zij ook dat wonderteken niet hebben geloofd.

Er is nog een vijfde vorm van ongeloof, die in het evangelie van Johannes niet wordt getekend. We kennen die vorm van ongeloof uit andere teksten van de bijbel. Het is het ongeloof dat zich nestelt midden in het geloof. Het is geloof zonder werken – “wat voor nut heeft het, mijn broeders, als iemand zegt – beweerd, belijdt in het openbaar met de mond – dat hij geloof heeft, en hij heeft geen werken? Kan dat geloof hem zalig maken?” En dergelijk geloof openbaart zich niet rechtstreeks als ongeloof, maar “zonder de werken” zegt Jacobus, zonder gehoorzaamheid aan Jezus, is een dergelijk geloof wel dood.

Er is ook een vorm van ongeloof die zich nestelt binnen het geloof wanneer mensen de houding aannemen die zo typisch was voor de gemeente van Laodicea. Dat is ongeloof dat zichzelf iets wijsmaakt. Dat zegt rijk te zijn en aan niets gebrek te hebben. Dat zijn de mensen die zeggen dat ze het evangelie al lang begrepen hebben en kennen, en er niet mee lastig gevallen willen worden. Het gaat om christenen die lauw zijn, geen enthousiasme meer hebben voor het evangelie, geen verlangen hebben om God en Christus beter te leren kennen, die de deur van hun hart hebben gesloten om de stem van Jezus maar niet te hoeven horen. Tegen die mensen zegt Jezus dat Hij aan de deur staat en klopt. En dan zegt Hij wat Hij zou willen, en wat er met deze mensen dus eigenlijk aan de hand is, wat ze tekort komen. Hij wil bij hen binnenkomen – in het hart, in de kern van het persoonlijke leven – en de maaltijd met hen gebruiken – de maaltijd van de gemeenschap, van het gedeelde leven, maar in het bijzonder natuurlijk de maaltijd van de gedachtenis, waarin het lijden en de liefde van Christus weer centraal staan. (Op. 3:20) Wie deze terechtwijzing van Jezus hoort, en de bestraffing ondergaat, wie beseft eigenlijk “ellendig, beklagenswaardig, arm, blind en naakt” te zijn, kan aan dat ongeloof een einde maken. Een nieuwe bekering! Een herstel van de oorspronkelijke verhouding van de gelovige met God. Ook dat alles is ongeloof. Maar het is ongeloof dat werkzaam is in een leven dat toch de kenmerken van de gelovige draagt: iemand gaat naar de kerk, leest uit een Bijbels dagboek, noemt zich een christen – “ik probeer ernaar te leven…” Maar het ongeloof, de ontrouw binnen de relatie met Christus, het buitensluiten van Zijn levende presentie in het leven, dat heeft alle kracht uit het geloof weggenomen.

Terug naar Kana

In onze tekst voor vandaag zien we Jezus terugkeren naar Kana, na een verblijf van ongeveer een jaar in Judea. De reis van Judea naar Galilea heeft ook nog wat langer geduurd vanwege het oponthoud van enkele dagen in Samaria. Hier in Kana ontmoet Hij een man, die van de persoon van Jezus niet onder de indruk is, en die geen vertrouwen heeft in de woorden die Hij spreekt. Het is het meest hardnekkige en harde ongeloof. Het enige wat deze man in Kana natuurlijk gehoord heeft, is dat Jezus een wonderdoener is. En zelfs zonder in Hem te geloven, grijpt de man naar een strohalm. Zijn zoon ligt op sterven. Baat het niet dan schaadt het niet. Wie weet wat deze zoon van een timmerman misschien nog doen kan. Op dezelfde manier gaat hij naar Jezus, zoals zoveel mensen naar Jomanda gingen. Ze had een reputatie, deed allerlei claims, en als dat een laatste redmiddel kan zijn dan grijp je het aan. Vooral omdat je niet het gevoel wil hebben, dat je een kans hebt laten liggen. Wie weet? Misschien werkt het. Zo gaat deze hoveling naar Jezus toe.

Jezus is op hem voorbereid. Al meteen in vers 44 horen we dat Jezus aan Zijn discipelen gezegd (getuigd) heeft dat een profeet in zijn eigen vaderstad geen eer ontvangt. Omdat ze menen Hem te kennen als de zoon van de timmerman met wie sommigen van hen opgegroeid zijn, is het voor hen niet makkelijk om te aanvaarden dat Hij tenminste een profeet is. Jezus moet onderweg tegen Zijn discipelen gezegd hebben, dat de waarheid van dit spreekwoord spoedig zou blijken. Maar ook dat was een onderdeel van zijn missie. Zo had Jesaja (53:3) het ook al gezegd: “Gestalte of glorie had Hij niet; als wij Hem aanzagen, was er geen gedaante dat wij Hem begeerd zouden hebben. Hij was veracht, de onwaardigste onder de mensen. Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht.” En dat blijkt ook meteen. De mensen in Galilea ontvangen Hem. Het is zuinig. Geen feestelijke ontvangst, geen eerbetoon, geen blijk van geloof. “Ontvangen Hem.” Maar erkennen Hem niet. Niet vanwege Zijn prediking, niet vanwege het wonderteken op de bruiloft in Kana. Het getuigenis van Maria, en de dienaars van het feest, en van de familieleden van de eerste discipelen, dat alles heeft geen enkele indruk op hen gemaakt. Ze ontvangen Hem met enige aandacht, met enige verwachting dat er rondom Hem nog wel iets te gebeuren staat, “omdat zij gezien hadden wat hij gedaan had op het feest in Jeruzalem.” (vers 45)

Johannes vertelt hier niet over een verblijf in Nazareth. Jezus blijft blijkbaar niet in Nazareth, maar gaat verder naar het noorden en komt opnieuw in Kana. Slaat Johannes nu een andere geschiedenis over? We weten dat Jezus aan het begin van Zijn zending een bezoek aan Nazareth heeft gebracht. Maar zoals zo vaak, als de andere evangelisten daarover vertellen, dan slaat Johannes het als bekend over. Misschien dat hij precies tijdens deze reis naar Kapernaüm via Kana nog een kort verblijf heeft gehad bij zijn moeder en broers. Misschien is toen in Nazareth wel gebeurd waar het evangelie van Lucas ons over bericht. Lucas vertelt dat Jezus in Nazareth in de synagoge de boekrol van Jesaja opent, en de profetie van de Messias op zichzelf van toepassing verklaart. Daar gebruikt hij hetzelfde spreekwoord: “dat geen profeet welgevallig is in zijn vaderstad.” En de woedende menigte doet daarna een poging om Hem van de top van de berg waarop het dorp gebouwd was, naar beneden te werpen, Hem te vermoorden. Het is allemaal te lezen in Lucas 4:16-30. Is dat dan ook de reden dat hij definitief uit Nazareth wegtrok? Dat Hij in Kapernaüm is gaan wonen weten we weer uit Marcus (2:1): “En na enkele dagen kwam Hij opnieuw in Kapernaüm; en men hoorde dat Hij thuis was.” Dezelfde mensen in Nazareth die in Kana op de bruiloft waren, en het gerucht moeten hebben gehoord over het wonderteken van Jezus, die proberen hun dorpsgenoot nu te vermoorden.

De hoveling en zijn zoon

Onderweg naar Kapernaüm dus komt hij weer in Kana. En daar treft hij de “Koninklijke hoveling” aan. Wat is dat voor een man? Het koninklijke hof waar hij onderdeel van uitmaakt, is het hof van Herodes Antipas. En echte koning is het niet. Hij is een tetrarch, dat wil zeggen dat hij als gouverneur leiding geeft – onder toezicht van de Romeinen – over een viertal gebieden. Hij werd alleen maar koning genoemd door de mensen, omdat zijn vader, Herodes de Grote, wel een koning was. Toen Jezus stierf, werd het gebied verdeeld onder de vier zoons, en Herodes Antipas kreeg toen Galilea en Perea, dat in het zuidoosten lag, aan de oostzijde van de Jordaan. Tot het hof van deze “koning” behoort nu deze hoveling. De man heeft een heel klein beetje vertrouwen in de mogelijkheid van een wonder. Vertrouwen dat is geboren uit wanhoop. Als zijn zoon niet op sterven had gelegen, was hij nooit en te nimmer naar Jezus toe gegaan. Maar de zoon is nu eenmaal ziek, en daarom gaat de hoveling naar Jezus toe. Hij heeft een interessante vorm van ongeloof en geloof tegelijkertijd. Het is moeilijk om uit de tekst precies op te maken wat deze man gedacht heeft, maar je kunt er wel naar raden. Zijn geloof is uit wanhoop geboren, zeker. Het lijkt sterk op de vorm van geloof die veel mensen nu ook nog hebben. Eigenlijk geloven ze het evangelie niet, eigenlijk ontbreekt hen alle zekerheid. Maar ze denken bij zichzelf, “als ik het bij het verkeerde eind heb, dan is het ook niet verloren.” Het lijkt op een weddenschap. Waarop moet ik mijn geld nu inzetten? Op geloof of op ongeloof? Stel dat ik gelijk heb in mijn geloof, dan is alles goed. Stel dat ik ongelijk heb, stel nu eens dat de dood het einde van mijn leven is, en er geen God in de hemel is die mij het eeuwige leven zal schenken et cetera. Wat is er dan verloren? Een gelovig leven is toch zo slecht nog niet. Ook als het onwaar blijkt te zijn. Ik kan dus maar beter “geloven”, want dan kan ik nooit verliezen.

Dat type geloof is net voldoende om tot God te bidden in nood, om te spreken over een “Iets” dat er toch zijn moet, om te spreken over een “dragende grond”, of om te zeggen dat wij “niet helemaal alleen zijn.” Dat soort geloof is net genoeg om aan Jezus te vragen om zijn kind te genezen. Als Jezus het niet doet, dan is niets verloren. Als Jezus het wel doet, dan hebben we daar baat bij gehad. De man is ook in het geheel niet van plan, om in het geval dat Jezus zijn zoon werkelijk kan genezen, met Jezus in een relatie te treden. Hij wil alleen dat zijn zoon geneest. Hij wil dat Jezus hem daarna gewoon weer met rust laat. Is dat niet het geloof van velen in onze tijd? God komt in het gezichtsveld in tijden van nood. Baat het niet, dan schaadt het niet. Voorbede in de gemeente kan in ieder geval geen kwaad, en wie weet. Maar een relatie opbouwen met die God? Je geloof laten groeien door kennis te nemen van Gods openbaring in Christus? Dat is voor velen te veel gevraagd. Let er ook op dat de hoveling Jezus wil vragen om de zoon te redden terwijl hij nog leeft. Hij zoekt niet naar onderwijs over verlossing van schuld zoals Nicodemus, hij wil niet van zijn schuld genezen? Hij zoekt een herstel van het aardse leven van zijn zoon. Dat hij overleeft is alles wat hij wil en weet.  Niet verkeerd, maar wel tekort. Dat is net als wat Martha tegen Jezus zegt, als haar broer Lazarus is overleden. Als U erbij was geweest, Heere, dan was mijn broer nog in leven! Ziet u het punt? Dat Jezus iets kan bijdragen aan de genezing, dát is nog wel te geloven, dat is een redelijke en menselijk verlangen; maar dat Hij de macht heeft over de verlossing van de schuld, en dat Hij verzoening met God schenkt en eeuwig leven kan geven, en dat Hij de dood overwint, dat gaat voor ons halfslachtige geloof veel te ver. Wie op die manier gelooft, stuit op de harde grens van de dood. Nu heeft het geen zin meer om Jezus te vragen om redding en genezing. Het is allemaal te laat. Wij geloven wel dat het zinvol is om te bidden in onze nood, maar als het te laat is dan heeft de dood overwonnen en dan heeft het geen zin meer Jezus iets te vragen. Zo ziet de hoveling Jezus. Als iemand die voor het tijdelijke kan zorgen; over het eeuwige echter – het domein van Jezus Zelf, Zijn thuis – wille we niets weten. Daar weten we ons geen raad mee.

Een koninklijk wonder

In vers 50 horen we Jezus antwoorden op de vraag van de hoveling. “Ga heen, uw zoon leeft.” De timmerman uit Nazareth spreekt koninklijker dan Herodes Antipas. Maar het is die taal die indruk maakt op de hoveling, alleen dát kan hem op andere gedachten over Jezus brengen. Jezus gebiedt.  Jezus laat zien dat Hij in staat is om met Zijn Koninklijke woord de afstand van 20 km tussen Kana en Kapernaüm te overbruggen, en de ziekte van zijn zoon is blijkbaar een deel van Zijn machtsgebied. Ziekte en dood staan onder Zijn gezag. Daarom: “de man geloofde het woord dat Jezus tegen hem zei, en ging heen.” (vers 50) En de slaven komen hem dan tegemoet om hem te vertellen dat zijn kind inderdaad aan de dood is ontsnapt. Toch was ook dat nog niet voldoende om tot geloof in Jezus te komen. Wanneer is dan de beterschap ingetreden? De slaven geven hem het antwoord: gisteren op het zevende uur. Nu begrijpt hij dat er geen sprake kan zijn van toeval. Precies op het moment dat Jezus zei dat zijn zoon leefde, trad de beterschap in. De macht van Jezus werkt dus onmiddellijk, is onbetwijfelbaar, want het is de macht van de schepper zelf. Hier is geen gebedsgenezer die tegen je zegt dat het soms wel en soms niet werkt, afhankelijk van de hoeveelheid geloof je hebt. Hier is geen televisie dominee, die zegt dat God jouw geloof afmeet aan je bijdragen in de collecte, en alleen door dat bewijs van trouw zich laat vermurwen om genezing te schenken. Hij is werkelijk de Zoon van God, aan Wie alle macht is geschonken in de hemel en op aarde.

Dat is het wat deze hoveling, die als geen ander begrijpt hoe Koninklijke macht werkt, tot geloof brengt. Jezus geneest op de kracht van zijn woord, er zijn geen dienaren nodig om Zijn wil te doen. Jezus geneest zonder een tegenprestatie te vragen, zonder verering te eisen, zonder zichzelf angstig te bekommeren of Zijn woord wel effect heeft gehad. Jezus geneest zonder enige bijbedoeling, maar uit liefde voor iemand van wie je mag aannemen dat Hij nog nooit van hem gehoord kan hebben. Maar het tegendeel is waar. Jezus kende deze hoveling en zijn zoon al vanaf de eeuwigheid.

En wat is dan het resultaat van deze vrijmachtige, en overvloedige genade die Jezus aan deze hoveling schenkt? “En hij geloofde, hijzelf en zijn hele huis.” Het aarzelende, wanhopige geloven, in de stemming van ‘baat het niet dan schaadt het niet’, wordt tot een positief zeker geloof. Het steekt anderen aan, die dezelfde gebeurtenis hebben meegemaakt, en nu het wonder van de genezing kunnen voegen bij het getuigenis van de vader. Zo komt deze hoveling dus tot geloof. Eerst geloofde hij een beetje in de wonderen van Jezus. Dan hecht hij geloof aan het woord van Jezus, voldoende geloof in ieder geval om heen te gaan en terug te keren naar Kapernaüm. En tenslotte gelooft hij in de persoon van Jezus – vandaar kortweg de uitdrukking “hij geloofde”. Het (mogelijke) wonder is het begin, het (Koninklijke) woord is het vervolg, en de heerlijkheid van de persoon van Jezus is het eindstation van deze snelle groei van het geloof.