Het ware Brood uit de hemel

Verkondiging op 26 juni 2016 in IJmuiden.

Lezing: Johannes 6:29 – 40.

Thema: Het ware Brood uit de hemel.

(In deze dienst hebben wij ons ook voorbereid op de viering van het heilig Avondmaal volgende week zondag.)

 

HIER LEES JE DE SAMENVATTING

Lees verder “Het ware Brood uit de hemel”

Johannes (70) – Jezus is de Weg

Joh. 14:1-6

De discipelen hebben in korte tijd veel verwarrende en teleurstellende mededelingen moeten verwerken. Ze hebben met elkaar ruzie gemaakt over de vraag wie van hen de voornaamste plaats zou innemen. Jezus heeft hun houding doorzien en een weg van nederig dienstbetoon aangewezen met de voetwassing. De discipelen die zich de toekomstige meesters maanden, worden hard op hun nummer gezet: tegenover elkaar moeten ze de plaats van een dienaar aannemen. Dan komt het verraad van Judas, dat op dit moment voor hen nog niet eens helemaal duidelijk is. Ze zullen vermoed hebben dat er iets bijzonders aan de hand is. Dan komt de herhaalde aankondiging van Jezus, zoals in 13:33, dat Hij van hen zal heengaan, terwijl zij Hem niet kunnen volgen. Dat horen ze, terwijl ze eigenlijk verwachten dat Jezus ofwel Zijn missie zal vervolgen en zal doorgaan met Zijn prediking, ofwel in deze dagen het Koninkrijk van God zal oprichten. In dat laatste geval rekenden zij erop dat zij aan Zijn rechter- en linkerhand zouden delen in de regeringsmacht van God. En dan krijgt vooral Petrus nog te horen, dat hij niet bij machte zal zijn om Jezus te volgen in de komende tijd, dat hij Jezus zal verloochenen – terwijl hijzelf uitschreeuwt dat hij zijn leven voor Jezus zal geven. Ze zullen ook aan Jezus hebben gezien, dat Zijn geest in beroering was, zoals we lezen in 13:21. Deze avond gaat alles anders, voelt alles anders, lijkt de toekomst geheel anders dan hun verwachting.

Dat zal de reden zijn dat hoofdstuk 14 nu opent met de woorden: “Laat uw hart niet in beroering raken.” Misschien kun je beter vertalen: hou er mee op om in beroering te zijn in je hart. Ze zijn al beroerd in hun hart, ze voelen zich al slechter dan ooit, en daarom is het eerder een oproep om hun angst en onzekerheid te laten wegvloeien dan dat ze die moeten voorkomen. Jezus, die Zelf al innerlijk in beroering is vanwege Zijn naderende dood, treedt nu op als de trooster van Zijn discipelen. En die troost is heel eenvoudig: vertrouw op Mij, zegt Jezus. “U gelooft in God, gelooft ook in Mij.” Het eerste is een vaststelling: jullie geloven in God. Neem dat als het uitgangspunt, zegt Jezus. Je hebt toch vertrouwen in God? God in Zijn wijsheid en almacht kan toch voorzien in al jullie noden ondanks het feit dat Jezus moet heengaan en ze zal achterlaten. Maar dan komt een gebiedende wijs: gelooft ook in Mij. Net zoals je in God gelooft, moet je geloven in de Zoon van God. De Vader en de Zoon zijn één.

Daar zit nog een bijzondere gedachte achter. Zij geloofden in een God die ze niet konden zien. God is Geest (Joh. 5:24) en niemand heeft ooit God gezien (Joh. 1:18). Zij geloofden in God maar zij geloofden ook in de openbaring van deze God door middel van het vleesgeworden Woord. Zij hebben een belijdenis afgelegd: U bent de Zoon van God, de Koning van Israël (Joh. 1:50). En daarom hebben ze gezegd tegen Hem, dat Hij de Heilige Gods is en dat Hij woorden van eeuwig leven heeft (Joh. 6:68, 69). De pointe van de woorden van Jezus is dus deze: zoals jullie geloofd hebben in de onzichtbare God, zo zul je ook in Mij moeten geloven, wanneer Ik onzichtbaar ben geworden, aan je oog onttrokken ben. Op dit moment is hun geloof nog sterk verweven met wat ze zien. Thomas is geenszins de uitzondering, wanneer hij later zegt: ik zal niet geloven tenzij ik Hem zie en mijn vingers in Zijn wonden leg. Zo denken de discipelen allemaal op dit moment. Maar de onzichtbare God is nooit ver weg. “Wees sterk en moedig, wees niet bevreesd en schrik niet voor hen terug, want het is de Heere, uw God, Die met u mee gaat. Hij zal u niet loslaten en u niet verlaten.” (Deut. 31:6) En zo zal ook Christus de Zijnen nooit verlaten, ook al gaat Hij terug naar de Vader en is dan niet langer zichtbaar voor Zijn discipelen. Petrus zou het zelf later schrijven: “Hoewel u Hem niet gezien hebt, hebt u Hem toch lief.” (1 Pe. 1:8a) U verkrijgt “het einddoel van uw geloof, namelijk de zaligheid van uw zielen” – hoewel u Hem nu niet ziet, maar wel gelooft. Dat werd de boodschap van Petrus.

Meteen na deze oproep om al je vertrouwen te stellen in Christus, in dezelfde mate als in God Zelf, komen dan deze bekende woorden. “In het huis van Mijn Vader zijn veel woningen; als dat niet zo was, zou Ik het u gezegd hebben. Ik ga heen om een plaats voor u gereed te maken.” (Vers 2) Wat is precies het “huis van Mijn Vader”? In Johannes 2:16 zegt Jezus: “maak niet het huis van Mijn Vader tot een huis van koophandel.” Daar is het dus de tempel. Dat kan hier niet het geval zijn, omdat Hij al heeft gezegd dat van deze tempel geen steen op de andere zal blijven staan. De schrijver van de brief aan de Hebreeën geeft ons een aanwijzing. Hij schrijft: “Want Christus is niet binnengaan in het heiligdom dat met handen gemaakt is en dat een tegen beeld is van het ware, maar in de hemel zelf.” (Hebr. 9:23) De tempel is een tegenbeeld, een aardse kopie van een hemelse werkelijkheid, van de hemelse tempel. Het “huis van Mijn Vader” in het tweede hoofdstuk is de kopie van het huis waar Jezus het nu over heeft.

Soms wordt de hemel aangeduid met de uitdrukking “hemels vaderland” omdat het een werkelijk thuis is. In Openbaring 21 is het een stad, omdat er gewoond wordt, en mensen er “burgers” van kunnen zijn. Soms heet het eenvoudig het Koninkrijk van God, omdat Gods wil daar volledig wordt gedaan. Soms heet het een paradijs vanwege de schoonheid ervan, maar hier heet het een Huis omdat het de plaats is waar Gods familie wonen kan. Het huis van de Vader. Een aardse vader bouwde in die tijd voor zichzelf en zijn bruid een huis waar ook zijn kinderen opgroeiden. En als dan een van zijn kinderen volwassen werd en ging trouwen, bouwde die zijn eigen huis aan het huis van zijn vader vast. En zo kon je zeggen, dat dit huis van de vader vele “woningen” had. Zo was het ook met de hemel. En dan zegt Jezus: “als dat niet zo was, zou Ik het u gezegd hebben. Ik ga heen om een plaats voor u gereed te maken.” Met andere woorden, als er geen plaats zou zijn in de hemel – omdat Hij gezegd had “waar Ik heenga kunnen jullie niet komen” – dan zou Jezus dat wel gezegd hebben.

Met een andere versindeling kun je het zo lezen: als dat niet zo was, zou ik jullie dan gezegd hebben: “Ik ga heen” – Ik ga heen tot de Vader met de bedoeling… – “om een plaats voor u gereed te maken?” Jezus maakt Zijn discipelen dus duidelijk dat Zijn heengegaan het doel heeft om voor de discipelen een plaats in de hemel veilig te stellen. En dan zal Hij terugkeren aan het eind van de tijden en “zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben.” (Vers 3) Deze bewoning van de hemel zal dus plaats hebben vanaf het moment dat Jezus terugkeert. In de tussentijd zijn de overledenen met hun ziel in de tegenwoordigheid van de Heere, in de ‘schoot van Abraham’, maar dit gaat over de uiteindelijke hereniging van ziel en lichaam in de hemelse stad Jeruzalem.

Wat is dan de hemel? Het is de plaats waar Christus is en waar elke gelovige in Christus zal worden ontvangen, om daar in een volmaakte persoonlijke relatie met Hem te bestaan. Dat is de belofte die Christus hier aan Zijn discipelen geeft. Hij moet weggaan, zij moeten nog blijven. Hij zal een woning voorbereiden in het huis van Zijn Vader, en daar zal Hij elke gelovige ontvangen.

Jezus zegt dan in vers 4: “En waar Ik heenga, weet u, en de weg weet u.” Thomas antwoordt: “Heere, wij weten niet waar U heen gaat, en hoe kunnen wij de weg weten?” Wisten ze dat niet? In hoofdstuk 7:33 had Jezus al in het openbaar gezegd:” Nog een korte tijd ben Ik bij u en dan ga Ik heen naar Hem Die Mij gezonden heeft.” En wisten ze de weg niet? Maar had Jezus dan niet gezegd: “wie in Mij gelooft, zal leven, ook al was hij gestorven”? (11:25) In Johannes 10 noemt Jezus Zichzelf de Deur van de schaapskooi. Ze hadden het al kunnen weten. Maar toch komt dan dit prachtige antwoord in vers 6.

“Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij.” Dit is de zesde keer dat Jezus zo nadrukkelijk met de uitdrukking “Ik ben” over Zichzelf spreekt. De claim van Jezus is heel duidelijk. Hij is de enige toegangsweg tot God, Hij is de waarheid over God, en Hij is het leven van God zelf. Hij is de Weg – de toegangsdeur zoals in hoofdstuk 10. Hij is de Waarheid – zoals in 1:18, “de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard.” En Hij is het Leven – “In het Woord was het leven” (1:4), Hij heeft “het leven in Zichzelf” (5:26). Niemand anders kan dat claimen. En vanwege deze woorden werden de eerste christenen de mensen van “De Weg” genoemd, omdat hun verkondiging was dat Christus de Weg is en geen ander.

De woorden van Jezus in vers 2 worden vaak misbruikt om het tegendeel te beweren van vers 6. Het Vaderhuis heeft vele woningen gaat dan betekenen, dat iedereen met welke religie dan ook aanvaardbaar zou zijn voor God, als je maar een goed leven leidt. Je komt tot dit goede leven door je verstand te gebruiken, en wanneer je een goed leven hebt gehad kan God jou de rest vergeven. Het is een mooie, aardige, aantrekkelijke, verdraagzame vorm van religie die zich hier meester maakt van een vers uit de Bijbel. Maar er staat heel duidelijk: “Niemand komt tot de Vader dan door Mij.” Als het dan al zo is, dat mensen met een andere religie toch voor God aanvaardbaar zijn – joden, moslims, boeddhisten, hindoeïsten et cetera – dan is hun toegang tot de Vader niet door iemand anders dan door Jezus. Wie tot de Vader komt, moet door de enige Deur gekomen zijn.

Niemand komt tot de Vader door het beoefenen van een religie, ook christenen niet. Onze kerkelijke instituties en rituelen zijn eerder nog hinderpalen dan hulpmiddelen. Religie betekent niets. Alleen het geloof in het vleesgeworden Woord telt. God kennen zoals Jezus Hem geopenbaard heeft: vol van genade en waarheid, vol van licht en leven; een Jezus Die kwam in nederigheid om Zijn leven af te leggen voor allen die in Hem zouden geloven. Niemand komt tot de Vader behalve over de Weg van Jezus, in het licht van de Waarheid van Jezus maar dan ook vol van het Leven van Jezus.

Johannes (57) – Lazarus herleeft

Joh. 11:36-46

We komen nu bij het laatste grote teken dat Jezus heeft gedaan. Aan het eind van zijn evangelie vermeldt Johannes dat Jezus nog vele andere tekenen heeft gedaan, en dan zegt hij erbij: “in aanwezigheid van Zijn discipelen.” Dat laat ons zien vanuit welk perspectief Johannes in dit evangelie naar de tekenen van Jezus kijkt. Het gaat hem in de eerste plaats om tekenen die Jezus heeft gedaan om het geloof van Zijn discipelen op te wekken. Dat kan de reden zijn dat we in de andere evangeliën niet dezelfde gebeurtenissen kunnen terugvinden, met uitzondering van de wonderbare broodvermenigvuldiging – dat teken was zowel voor de menigte als voor de discipelen bestemd. Ook de opwekking van Lazarus, waar we in dit hoofdstuk naar zullen kijken, heeft tot doel dat de discipelen zouden geloven. Om die reden misschien hebben de andere evangeliën het niet opgenomen. Het doel is dus de versterking van het geloof van de discipelen. Vers 15: “En Ik ben blij voor u dat Ik daar niet was, opdat u gelooft.”

Het primaire doel van Johannes’ evangelie is het bewijs te leveren, door middel van getuigenissen, dat Jezus waarachtig de Zoon van God is. En daaraan verbonden is zijn secundaire doel, dat mensen door deze getuigenissen tot geloof zullen komen en daarmee “het leven [zullen] hebben in Zijn Naam.” (20:31) Die getuigenissen komen van mensen die Jezus hebben ontmoet, en van de werken die Jezus heeft gedaan die dat getuigenis eveneens afleggen. “Juist die werken die Ik doe, getuigen van Mij dat de Vader Mij gezonden heeft.” (5:36) Jezus Zelf noemt dat een getuigenis dat groter is dan dat van Johannes de Doper. Waarom? Omdat het die werken zijn die de Vader Hem gegeven heeft om die te volbrengen. Ze laten dus het karakter en de intentie van God de Vader zien. Jezus wilde niet Zijn godheid bewijzen door een overmachtige, verblindende en angstaanjagende vertoning van Zijn macht – die wel ontzag, maar geen geloof wekt – maar wilde een heerlijkheid laten zien “vol van genade en waarheid.” Gods almacht wordt bij Jezus zichtbaar in iets wat zeer menselijk is, en op het concrete en individuele niveau van het leven plaatsvindt. Voor iedereen die God zoekt in het buitengewone en verbijsterende is het makkelijk te miskennen. Het wonder van de tempelreiniging is daar een mooi voorbeeld van. We lezen dat Jezus alle mensen de tempel uitdreef, tienduizenden mensen verlaten op Zijn gezag het tempelplein. Maar de joodse leiders herkennen daarin niet het volstrekte gezag dat het Woord van God over mensen heeft, maar zeggen: “Welk teken laat U ons zien dat U het recht hebt deze dingen te doen?” Voor het wonder van de tempelreiniging vragen zij om een bewijs dat zelf weer een wonder is. En ongetwijfeld, wanneer Jezus dat wonder voor hun ogen verricht zou hebben, zou hun ongeloof hebben gevraagd om een nieuw wonder als bevestiging van dit tweede wonder enzovoorts.

De werken leggen getuigenis af, maar ze bewijzen de waarheid niet. Elk getuigenis kan worden weersproken. Het vergt een bereidwillig hart om er geloof aan te hechten. Het zijn dus ook juist deze werken, deze tekenen en wonderen, die verkeerd worden verstaan. De genezing van de blindgeborene bijvoorbeeld is een volstrekt unieke daad van de schepper. Het is de enige verklaring voor zijn genezing, dat Jezus waarachtig over Gods almacht beschikt. Maar het is tevens een getuigenis dat kan worden bestreden met woorden. De joodse leiders kunnen betwijfelen dat de man werkelijk blind geboren was, kunnen aannemen dat de ouders of de man zelf hebben gelogen. Ze kunnen volhouden, als een axioma, dat zij weten “dat deze Mens een zondaar is.” En dat zij weten dat alleen God, en dus niet Jezus, tot een dergelijke genezing in staat zou zijn. En langs die weg kunnen ze het wonder op een of andere wijze wel aan God toeschrijven, en tevens de Zoon van God veroordelen die dat wonder verrichtte. Omdat Hij het oneens is met de rabbijnen. Dus geen discipel van Mozes is zoals zij dat willen zijn, en de rabbijnse regels voor de sabbat overtreedt. Dat laatste hebben we gezien bij de genezing van de verlamde in Bethesda aan wie Jezus de opdracht gaf om zijn bed op te nemen en naar huis te lopen.

De werken die Jezus gedaan heeft, in de kleine besloten ruimte van het menselijke leven, waren alleen maar te verklaren met het inzicht dat Jezus inderdaad God Zelf was, en uit de hemel was gekomen. Jezus heeft gezegd wie Hij was, en ze hebben Hem niet geloofd. Dan moeten de werken maar het getuigenis afleggen van de waarheid van Zijn woorden. “Geloof dan de werken”, als je de woorden niet gelooft, “opdat u erkent en gelooft dat de Vader in Mij is en Ik in Hem.” (10:38) En hetzelfde vinden we in hoofdstuk 14:10. “De woorden die Ik tot u spreek, spreek Ik niet uit Mijzelf, maar de Vader, Die in Mij blijft, Die doet de werken.” Wanneer Johannes de Doper twijfels krijgt over Jezus omdat het niet goed gaat met de oprichting van het Koninkrijk van God, stuurt hij twee van zijn discipelen naar Jezus. We vinden dat in Lucas, hoofdstuk 7. “Bent U Degene Die komen zou, of verwachten wij een ander?” En het antwoord van Jezus is een verwijzing naar de tekenen: “bericht Johannes wat hij gezien en gehoord hebt, namelijk dat blinden ziende geworden, kreupelen kunnen lopen … en aan armen het Evangelie verkondigd wordt.” De profetie van Jesaja 29 en 35 en 61 wordt hier vervuld. Opnieuw zijn het de werken moeten overtuigen, of althans geloof moeten opwekken. Maar de werken, de wondertekenen, kunnen worden genegeerd omdat hun betekenis niet wordt aanvaard. De verlamde in Bethesda, die wist dat de joodse leiders Jezus zochten vanwege de overtreding van de sabbatswet, “berichtte de Joden dat het Jezus was Die hem gezond gemaakt had.” En het gevolg daarvan is, dat de joodse leiders Jezus vervolgen en proberen te doden. (5:15, 16)

Het belangrijkste wonderteken is ongetwijfeld de opwekking van Lazarus geweest. Ook dit is een wonder dat speciaal bestemd is voor de discipelen. Het is een voorbereiding voor hun geloof in de opstanding. Opstanding en eeuwig leven zijn zozeer verbonden met Jezus, dat Hij kan zeggen: “Ik ben de Opstanding en het Leven.” Jezus geeft niet alleen eeuwig leven, en Hij doet niet alleen mensen opstaan uit de dood, Hij is dat alles in zichzelf. En nu, met de opwekking van Lazarus, zien we de volle openbaring van de goddelijke macht van Jezus. Goddelijke macht die nieuw leven geschapen heeft in een lijk, waar de organen van vergaan waren. Een nieuw lichaam, nieuw weefsel, nieuwe zenuwen, nieuw bloed. Een wonder van de herschepping van een hersenmassa die nu weer kan denken en voelen en willen en spreken. Vier dagen lang is Lazarus al in het graf. En wat Jezus hier doet – hoewel de getuigen beperkt zijn tot de familie en de rouwende gasten – is een overtuigend bewijs van Zijn almacht zelf voorbij de grens van de dood. En dat is ook waar de discipelen behoefte aan hadden. Zij hadden geloofd in de macht van Jezus tot aan de dood toe. In het geval van de dochter van Jaïrus konden ze nog denken dat het meisje niet echt en volledig gestorven was. Zij hadden Zijn woorden over eeuwig leven verstaan in het licht van hun eigen theologie. Zij dachten aan een wonderbaarlijke opstanding aan het eind van de geschiedenis, terwijl Jezus sprak over Zichzelf in het heden. Het eeuwige leven dat uit God is, begint niet pas aan het einde van de tijden, maar begint voor iedereen die tot geloof komt, precies op dat moment. Jezus bewijst hiermee de woorden die Hij al gesproken had in het vijfde hoofdstuk: “de tijd komt waarin allen die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen.” En zij zullen er uitgaan… Hier komt Lazarus uit het graf, op bevel van Jezus. Zo zal het gaan aan het eind van de tijden, zo zullen wij allen de stem van Jezus horen.

We komen nu eindelijk toe aan de beschrijving van de opwekking van Lazarus zelf. We hebben het vorige hoofdstuk geëindigd met de uitleg van de woorden van de evangelist in vers 35. “Jezus weende.” Wanneer gasten uit Judea dat zien, zijn er twee verschillende reacties, die allebei onwaar zijn. Sommigen denken dat Jezus weent vanwege de dood van Lazarus, die immers Zijn vriend was. “Zie, hoe lief Hij hem had!” Maar het verdriet van Jezus is niet beperkt tot deze ene vriend die gestorven is. De diepte van het verdriet van Jezus konden zij niet peilen. Dat verdriet had meer te maken met het ongeloof van de mensen om Hem heen, met de dood die Hem te wachten stond, en vloeide voort uit een diep medeleven met het verdriet van Maria en Martha.

De andere reactie is minder sympathiek. Martha heeft vermoedelijk haar verdriet uitgelegd aan de joodse gasten. En zij herhalen dan ook haar woorden. “Kon Hij Die de ogen van de blinde geopend heeft, ook niet maken dat deze niet gestorven was?” Jezus was immers niet meteen gekomen, Hij had twee dagen gewacht. Hij had vanaf die afstand met een woord kunnen genezen. Maar dat gebeurde niet. Wat betekent dan de liefde van Jezus voor Zijn vriend Lazarus nog? Dat is overigens ook voor ons een belangrijk punt. Als wij in het leven allerlei vormen van pijn en lijden meemaken, of onze geliefden moeten missen in de dood, wat betekent de liefde van Jezus voor ons dan nog? Dan vragen ook wij “waarom heeft Jezus hem of haar niet bewaard? Waarom is Hij niet gekomen? Hij kon de blindgeborene genezen, waarom dan niet die blinde zuster in de gemeente? Hij kon het dochtertje van Jaïrus uit de dood halen, een jong meisje nog, waarom dan niet… et cetera.” Dat is allemaal begrijpelijk vanuit ons menselijke gezichtspunt. Als Jezus bij ons in dienst was, als Zijn enige zorg was ons aardse leven te zegenen en te bewaren, dan zijn onze vragen en verwijten nog terecht ook. Maar Jezus doet niet zomaar wonderen, Hij doet de werken, die de Vader Hem te doen heeft gegeven. Het doel van deze wondertekenen is niet het verrichten van wonderen op zichzelf, maar het wekken van geloof. Het gaat om Gods wil en plan met het leven. Alles wat God doet, doet Hij “overeenkomstig Zijn welbehagen, dat Hij in Zichzelf voorgenomen had.” (Ef. 1:9) En God vertelt ons niet wat het plan is, maar wil dat wij ook zonder dat inzicht in ons leven op Hem blijven vertrouwen. En soms wordt het ons ook gegeven om het later wel te verstaan, zoals we lezen in Johannes 13:7, “Wat Ik doe, weet u niet, maar u zult het later inzien.”

Maar ons geloof wordt vaak bepaald door deze manier van denken. Als God het gewild had, dan… Het is niet gebeurd, dus heeft God het niet gewild? Maar hoe is het mogelijk dat God het goede niet wil? Vanuit Gods perspectief ziet het leven er heel anders uit. De moeder die wij verliezen, wordt door God in de heerlijkheid ontvangen. Al haar tranen zijn uitgewist, zij is tot rust gekomen van al haar werken, zij kan met nieuwe geestelijke ogen haar Verlosser en Heer zien. Dat is Gods perspectief. Zoals Zefanja zegt: “Hij zal Zich over u verheugen met blijdschap. Hij zal zwijgen in Zijn liefde. Hij zal Zich over u verblijden met gejuich.” (Zef. 3:17) Dat is de manier waarop God ons ontvangt in de heerlijkheid. Zo ook hier in ons hoofdstuk. Lazarus slaapt. Hij is in de heerlijkheid. Hij is niet onttrokken aan de macht van het Leven. Integendeel, hij is bij de bron van het Leven zelf.

Het is belangrijk om te zien, dat het bij de opwekking van Lazarus dan ook helemaal niet om de gestorvene gaat. We lezen ook niet over een of andere reactie van Lazarus na zijn opwekking. Het gaat in dit hoofdstuk om de openbaring van de heerlijkheid van Jezus, en om het geloof van de discipelen. In vers 39 spreekt Martha over het lijk: “Heere, hij ruikt al, want hij ligt hier al voor de vierde dag.” Maar in vers 40 antwoordt Jezus haar: “Heb Ik u niet gezegd dat u, als u gelooft, de heerlijkheid van God zult zien?” Het geloof in Jezus die de Opstanding is, kan Martha wegvoeren uit het huis van de rouwenden, over haar gevoelens van rouw heen tillen, zodat ze niet langer het lijk ziet, maar de heerlijkheid van God die nu in deze opwekking openbaar wordt. En de gedachte achter het wonder is eigenlijk deze: als Jezus hier zichtbaar een gestorvene kan terugbrengen uit de dood, dan is Zijn woord ook waarachtig, dat iemand die geestelijk leven heeft ontvangen door het geloof in Jezus als de Zoon van God, nooit sterven zal, ook al sterft hij. Dat eeuwige leven dus nooit kan kwijtraken, ook al kan het aardse leven hier worden beëindigd. Lazarus was na zijn sterven in de heerlijkheid, in de schoot van Abraham zoals ze zeiden in die tijd. Hij is niet het slachtoffer dat moet worden gered. Martha en Maria zijn de rouwenden, die moeten leren dat het geloof en vertrouwen in Jezus ook tegenover de dood terecht is. In Jezus is het Leven. Nu, in geloof, moet dat Leven ook het Ligt zijn dat ieder mens verlicht. Kort gezegd: wij moeten het leven leren zien in het licht van de Zoon van God die het Leven is. We moeten Gods perspectief leren kennen.

Als je gelooft, zul je de heerlijkheid van God zien. Maar dan is eerst een volle confrontatie met de realiteit van de dood nodig. En dan lezen we in vers 38: “Jezus dan, opnieuw heftig bewogen in Zichzelf, kwam bij het graf.” Een heftige emotie grijpt Hem aan. Verontwaardiging over de dood en de zonden en de zorgen en de problemen van het menselijk leven. En deze confrontatie met de dood in zijn rauwe realiteit is nu ook nodig voor de omstanders. Vers 41: “Zij namen dan de steen weg waar de gestorvene lag.” Die steen was niet alleen nodig om mensen en dieren buiten het graf te houden, maar ook om de stank tegen te gaan. De Egyptenaren balsemden hun doden. De joden deden dat niet. Zij wilden helemaal niet in de buurt komen van een lijk. Wie een lijk aanraakte, was zeven dagen lang onrein. Ook daarom was er een steen over de ingang heen. En daarom was het graf ook een eind buiten het dorp. Daarom zegt Martha tegen Jezus: “hij ruikt al.” Zij wil niet dat de steen wordt weggerold. Zij verwacht helemaal niet dat ze de heerlijkheid van God zal zien, maar alleen het onsmakelijke bewijs van de tragische overwinning van de dood over het leven. Je kunt van alles en nog wat geloven, lijkt het, onder ons geloof zit een nog veel diepere overtuiging, en dat is de overtuiging dat de dood het laatste woord is.

Maar ze doen het toch. De steen wordt weggerold. Nu wordt de heerlijkheid van God zichtbaar. Op allerlei wijzen was die heerlijkheid in het Oude Testament al zichtbaar geweest. Als een pilaar van vuur, als wolk van licht in de woestijn. Als de rookwolk bij de inwijding van de tempel van Salomo. De discipelen hadden die heerlijkheid gezien als een verblindend licht op de berg – want die heerlijkheid was nu zichtbaar in een menselijk lichaam. En nu zien ze de heerlijkheid van God als de openbaring van het leven.

En dan komt het gebed van Jezus. Jezus spreekt uit dat de Vader Zijn gebed heeft verhoord. Dat hoeft Hij niet te bidden, maar dat alles is bestemd voor de oren van de toehoorders. Hij vraagt de Vader niet om iets te doen. De Vader hoeft Hem geen macht te verlenen, waarover de Zoon niet Zelf zou beschikken Jezus weet wat de Vader zal doen. En Hij weet dat het voor Zijn heerlijkheid bestemd is, die van de Zoon van God zelf. En de Vader en de Zoon zijn hierin één. En uiteraard spreekt Hij God aan als Zijn Vader. Er is maar één moment in Zijn leven dat Hij tot God heeft gesproken zonder de naam Vader te gebruiken en dat is aan het kruis. Toen Hij tot het Lam van God werd gemaakt dat de zonden droeg, heeft Hij gebeden met de woorden: “Mijn God, Mijn God et cetera.” En nu geeft de Zoon van God het leven aan Lazarus, opdat alle toehoorders en toeschouwers mogen weten dat Hij waarachtig en werkelijk God is. Niet dat Hij een gebed tot God moet richten dat de Vader zou verhoren. De omstanders horen het, “opdat zij geloven dat U Mij gezonden hebt.” Daar gaat het om.

En dan treedt de macht van Jezus op. Jezus roept hard en met een luide stem. Het staat er eigenlijk dubbel. Dit is een machtige stem vol van kracht. Iemand gaf eens het commentaar, dat die stem ook de meest welluidende moet zijn van alle stemmen in de wereld. En die stem, dat volle, krachtige en goddelijke spreken zegt nu een scheppingswoord: “Lazarus, kom naar buiten.” Hier is geen trucje, hier is geen bijzonder instrument, geen transplantaties, of cryogene technieken, hier is simpelweg het woord van de schepper die de dingen roept die niet zijn, zodat zij zijn. Hier is het rustige kalme spreken van Genesis 1, dat iets nieuws schept. En de opwekking van Lazarus is het onmiddellijke gevolg van Zijn woorden. Het zijn maar drie woorden: Lazarus, kom uit. (deute exoo) En het wonder gebeurt. Daar staan de mensen dan. Ze turen in het donker van de grot, hun neuzen dichtgeknepen voor de stank die ze verwachten. Er zijn geen bliksemflitsen, geen hemelse klanken, geen bovennatuurlijke verschijnselen maar er gebeurt iets heel simpels. “En de gestorvene kwam naar buiten.” Hoe kom je naar buiten, als je aan handen en voeten bent vastgebonden met linnen, je gelaat is omwikkeld met een doek? Maar de gestorvene heeft alle kracht gekregen die nodig is om naar buiten te komen, om aan het bevel van Jezus te kunnen gehoorzamen. Nul is het bewijs geleverd dat Jezus de overwinning heeft behaald over de zonde, de dood en de duivel. Hij is Degene die de sleutels heeft “van het rijk van de dood en van de dood zelf.” (Op. 1:18) En Hij heeft die sleutels gebruikt voor Lazarus, op dit bijzondere moment. En we kunnen het zeggen met Paulus: “Dood, waar is uw prikkel? Graf, waar is uw overwinning?” (1 Kor. 15:55) Christus behaalde de overwinning. En wij hebben die overwinning ontvangen: “Maar God zij dank, Die ons de overwinning” – dat is de overwinning over de dood – “geeft door onze Heere Jezus Christus.” (1 Kor. 15:57) Dat is een bijzonder gegeven, dat Jezus de overwinning over de dood niet alleen behaalde voor Zichzelf maar ook aan ons geschonken heeft. Zoals Hij Lazarus na de opwekking de kracht gaf om uit het graf te komen, en het rijk van de dood achter zich te laten.

Het vervolg is eenvoudig. Maak hem los, laat hem gaan. Er is geen verklaring nodig, er hoeft niets te worden uitgelegd over Lazarus, nu weten wij, toen wisten de discipelen wie Jezus werkelijk was. En het gevolg van dit alles? Vers 45: “Velen dan van de Joden die naar Maria toegekomen waren en gezien hadden wat Jezus gedaan had, geloofden in Hem.” Prachtig. Hoe was het ook mogelijk om niet te geloven wat ze met eigen ogen hadden gezien. En daar ging het natuurlijk om. Maar net als bij de verlamde in Bethesda, kun je het zien en geloven, en toch weigeren om Jezus te vertrouwen. Vers 46: “Maar sommigen van hen gingen naar de Farizeeën en zeiden tegen hem wat Jezus gedaan had.” Geloofden zij het wonder? Vermoedelijk wel. Geloofden zij in Jezus als de Zoon van God? Neen, zeker niet. Uiteindelijk is het wonderteken niet voldoende om te geloven. Sommige mensen zullen het nodig hebben, voor anderen is het niet nodig. Nooit is het wonder beslissend in het geloof. Als Thomas aan het eind van het evangelie Jezus heeft gezien, Zijn handen heeft bekeken en met zijn vinger het litteken van de spijkers heeft betast, komt Thomas tot geloof. En dan zegt Jezus iets wat in dit verband zeer belangrijk is: “zalig zijn zij die niet gezien zullen hebben” – die geen wonderteken hebben meegemaakt – “en toch zullen geloven.” Geloven dat is geloven op grond van het getuigenis, dat is geloven omdat het woord van God je ziel raakt, dat is geloven omdat de heilige Geest de Zoon van God aan je geest voorstelt, je geweten raakt, je verstand doet buigen, en jouw wil om de wil van God te doen tot de krachtbron maakt van je leven. Dan en alleen dan zul je werkelijk geloven in de Zoon van God.

Johannes (53) – Godslastering

Joh. 10:31-42

We komen aan het einde van het openbare optreden van Jezus. Nog één keer heeft Hij tegenover de joodse leiders duidelijk gezegd wie Hij is. Tijdens het feest van de inwijding van de tempel zegt Jezus nog eens, dat Hij God is, want “Ik en de Vader zijn één.” De werken die Hij gedaan heeft “in de Naam van Mijn Vader”, de genezingen, de broodvermenigvuldiging, dat alles getuigt van Hem. Trouwens, niet zuiver en alleen omdat het wonderen, bovennatuurlijke gebeurtenissen waren, maar vooral omdat het karakter van God daar in openbaar werd. Zijn liefde voor de wereld en voor de mensen. Waarom geloven zij niet? Hier zegt Jezus dat ze daartoe niet zijn uitverkoren. “U bent niet van Mijn schapen.” Het is de Vader, “die hen aan Mij gegeven heeft.” Het was hun verantwoordelijkheid om te geloven in Jezus op grond van Zijn getuigenis en vanwege de werken die Hij deed. Maar tegelijkertijd is het Gods soevereine wil die alleen aan sommigen het geloof heeft geschonken. Menselijke verantwoordelijkheid en Gods soevereine uitverkiezing – voor ons onmogelijk om met elkaar te rijmen. Maar samen is het de waarheid die we moeten erkennen. Daarover hebben we al eerder gesproken.

De woede en de haat van de joodse leiders bereikt nu een hoogtepunt. “De Joden dan pakten opnieuw stenen op om Hem te stenigen.” De eerste keer was in hoofdstuk 8:59, en dan nu opnieuw. Tegenover deze dreiging blijft Jezus volkomen kalm. Hij antwoordt op de dreiging met een eenvoudige vraag. “Ik heb vele goede” – in het Grieks: kalos, d.w.z. prachtig, uitmuntend – “werken van Mijn Vader laten zien.” Hij zwakt Zijn claim in het geheel niet af. Opnieuw spreekt Hij over God als over Zijn Vader. Welnu, “vanwege welk van die werken stenigt u Mij?” Het zijn die werken die ervan hebben getuigd dat Hij werkelijk de Zoon van God is. Ook de blindgeborene wist dat: “Als Deze niet van God was, zou Hij niets kunnen doen.” (9:33) Maar ongeloof is bij machte om de goede vraag te stellen, het goede antwoord te krijgen en dan toch niet te geloven. De werken van Jezus leggen geen gewicht in de schaal. Ze hadden het gezien, ze hadden het gehoord, maar ze waren volkomen gefixeerd op de pretentie God gelijk te zijn die Hij uitsprak. Ze keken niet naar wat Hij deed, maar uitsluitend naar dat ene, dat Hij Zichzelf aan God gelijk maakte.Waarom was dat zo bedreigend? Omdat het absolute gezag van Jezus daarmee in het geding was. Omdat daarmee Jezus werd aangewezen als Degene die het oordeel kan vellen over deze mensen. Niet zij beoordelen Hem, maar Hij oordeelt over hen.

In het evangelie naar Johannes wordt met een aanklacht van godslastering vooral bedoeld, dat Jezus Zichzelf als de gelijke van God voorstelt. Maar dat is ongetwijfeld verbonden met de reden dat Hij in het evangelie naar Mattheus als een godslasteraar wordt betiteld. Wanneer Jezus in Matteüs 9 tegen de verlamde zegt: “Zoon, heb goede moed, uw zonden zijn u vergeven” denken sommigen van de schriftgeleerden onmiddellijk bij zichzelf: “Deze lastert God.” Jezus toont de macht van God in de werken die Hij doet, en spreekt uit dat Hij als God over die macht beschikt. Maar als de joodse leiders die conclusie zouden aanvaarden, dan volgt daar ook uit, dat alleen bij Jezus de vergeving van de zonden kan worden gevonden. En zo komt het ook naar voren in de geschiedenis van de genezing van een verlamde in Mattheus 9. Waarom wordt deze genezen? “Opdat u zult weten dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde zonden te vergeven.” (Mat. 9:6) Daarom zijn ze volledig geobsedeerd door de aanspraak van Jezus God op deze volmaakte wijze te representeren, volkomen één met Hem te zijn in intentie, in wil, in eer en in macht. Omdat de aanvaarding van Jezus als God inhoudt, dat ze Hem ook moeten aanvaarden als Degene bij Wie vergeving voor de zonden te vinden is. En dat betekent dat ze zullen moeten erkennen tegenover God schuldig te staan, en dat ze een verlosser nodig hebben. Daarover gaat heel de zending van Jezus: “Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen” – degenen die in hun eigen ogen rechtvaardig zijn of zichzelf rechtvaardigen – “tot bekering te roepen, maar zondaars.” (Mat. 9:13) Nicodemus kan zichzelf rechtvaardigen en komt dus niet tot het geloof, de Samaritaanse vrouw erkent haar zonden, en komt tot geloof, de verlamde in Bethesda ervaart de genezing maar verwerpt de Genezer, en de blindgeborene aanvaardt dat Jezus “van God was”, en komt tot aanbidding.

Daarom zijn ze er van overtuigd dat Jezus niet Gods Zoon kan zijn. Die conclusie staat voor hen al vast. Dus kunnen de wonderen niet gebeurd zijn, of ze moeten zijn gebeurd door de macht van de duivel. Ze kijken niet onbevangen naar de werken die Jezus gedaan had – ingrepen in de natuur, zoals alleen de schepper dat kan – maar ze weten van tevoren al dat Jezus moet liegen. Zoals zoveel mensen ook in het heden zeggen. Jezus kan niet God zijn, Jezus kan niet de Zoon van God zijn in de volle betekenis van dat woord. Dat weten ze gewoon. Is Jezus de Zoon van God? – Dat hebben mensen in het verleden beweerd die niet beter wisten, dat hoorde bij de religie in die tijd, dat hebben ze lang na de dood van Jezus bedacht etc. Hoe weet je dat dan? – Dat weet ik gewoon. Jezus kan niet uit de doden zijn opgestaan. Hoe weet je dat dan? – Dat weet ik gewoon. Jezus kan niet over het water gelopen hebben. Hoe weet je dat dan? – Dat weet ik gewoon. Als je die mensen zou vragen hoe lang ze dan de bijbel bestudeerd hebben om dat met zekerheid te kunnen zeggen, komt meestal het antwoord dat ze de bijbel helemaal niet hebben gelezen. Of ze hebben de bijbel hier en daar gelezen nádat ze de conclusie al hadden getrokken dat het allemaal niet waar kan zijn. Of ze hebben de boeken gelezen van mensen die met prachtige historische reconstructies overtuigend wilden bewijzen, dat Jezus niet God is, of zelfs niet eens bestaan heeft. De argumenten van die boeken kunnen ze meestal zelf niet beoordelen, daar is hun kennis te gering voor. Maar de conclusie nemen ze graag over, omdat ze die conclusie immers ook zelf al getrokken hadden. Vóórdat ze die boeken gingen lezen. Ongeloof zal altijd een basis vinden om blind en doof te blijven.

In vers 33 geven de joodse leiders een antwoord. Ze zeggen dat ze Jezus niet willen stenigen vanwege die goede werken. De hele aanklacht tegen Jezus ligt besloten in de godslastering. Jezus “maakte” Zichzelf tot God. Claimt die positie, terwijl Hij toch een Mens is. Ze hanteren een eenvoudige beginsel, of je bent God maar dan geen mens, of je bent een mens maar dan kun je niet God zijn. Op het spel staat dus het idee van de vleeswording. Het Woord is vlees geworden, heeft de menselijke natuur aangenomen, de Zoon van God is aan de mensen gelijk geworden en is “uiterlijk” een mens bevonden – zoals Paulus het zegt. Jezus is daarom volledig mens, en niet alleen maar een verschijning in de gedaante van een mens. Maar als dat beginsel waar is, waar maken de joodse leiders zich dan zo druk om? Dan zijn de woorden van Jezus een vorm van waanzin.

Er is een tekst bekend uit het Jodendom, die wordt toegeschreven aan Rabbi Abbahu die aan het begin van de vierde eeuw leefde. “R. Abbahu heeft gezegd: Als een mens tegen je zegt: “Ik ben God”, dan liegt hij; (als hij tegen je zegt:) “ik ben de Zoon des mensen”, dan zal hij daar uiteindelijk spijt van krijgen; (als hij tegen je zegt) “Ik vaar op naar de hemel”, dan heeft hij het wel gezegd, maar zal het niet kunnen waarmaken.” Liegen – zegt Abbahu. Dus zo iemand wéét dat het niet waar is? Of het kán niet waar zijn, zelfs als iemand het gelooft? Maar Abbahu zegt niet dat iemand dan lastert. Een andere tekst die aan hem wordt toegeschreven luidt: “Ik ben de Heere uw God” (Ex. 20:2), wat betekent dat? Rabbi Abbahu heeft gezegd: net als een koning van vlees en bloed, die als koning kan heersen, terwijl hij toch tegelijkertijd een vader of een broer of een zoon heeft. Maar God zegt daarentegen: bij Mij is dat niet het geval. “Ik ben de eerste” (Jes. 44:6), dus Ik heb geen vader – “en Ik ben de laatste” – dus Ik heb geen broer – “en buiten Mij is er geen God” – dus Ik heb geen zoon. Dat is een stevige reactie van joodse zijde op het christendom van de vierde eeuw. Maar wat in die teksten ontbreekt, is de verontwaardiging en de haat die de joodse leiders in ons gedeelte vertonen.

In vers 34 geeft Jezus een prachtige antwoord. Het is alsof hij zegt: jullie zijn helemaal overstuur omdat Ik Mijzelf de Zoon van God noem, en over God spreek als over Mijn Vader. Maar waarom maken jullie dan zo druk? “Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd: U bent goden?” Dat is Psalm 82:1, 2 en 6. “God staat in de vergadering van God (de goden), Hij oordeelt temidden van de goden: Hoelang zult u onrechtvaardig oordelen en de goddelozen bevoordelen?” De rechters werden ‘goden’ genoemd, in het Hebreeuws: elohiem. Waarom die naam? Omdat zij hun ambt hadden ontvangen met een goddelijke aanstelling, werden zij “goden” genoemd, omdat zij recht spraken in godsnaam. Als de rechters van het Oude Testament “elohiem” mogen worden genoemd, zonder dat daar een geval van godslastering van gemaakt kan worden, waarom kan Jezus dan niet Zichzelf de Zoon van God noemen? Op grond van de Bijbelse tekst kan dat helemaal geen godslastering heten. Hieruit volgt overigens in het geheel niet, dat Jezus aan de term “elohiem” de betekenis geeft van een veelheid van goddelijke wezens. Hij bedoelt hiermee niet te zeggen, dat Hij net als die rechters, Zijn goddelijke status door benoeming verworven heeft. Jezus is niet “een” goddelijk wezen, maar werkelijk de Zoon van God, de Ik ben van het Oude Testament. Wat Jezus hier doet is zeer nauwkeurig de beschuldiging van godslastering weerleggen met een verwijzing naar het Oude Testament.

En dan komt vers 37. Jezus nodigt de joodse leiders hier uit om op een andere wijze te gaan kijken. Als zij aan de werken die Hij gedaan heeft, niet kunnen zien dat Hij waarachtig God is, goed, geloof Hem dan niet. Zeg dan net als Rabbi Abbahu dat iemand die zegt dat hij God is, een leugenaar is. Maar zeg dan niet dat hij godslastering heeft gepleegd. Zo mag je de wet niet toepassen. Hier spreekt Jezus als de werkelijke Leraar van Israël. Maar stel nu eens dat Jezus wel degelijk de werken van de Vader doet, en stel nu eens dat zij desondanks niet in Hem geloven. Wat dan? Dan is het de moeite waard voor deze Joodse leiders om nog eens nauwkeurig naar die werken te gaan kijken. Stel dat Jezus Gods werken doet die van Hem getuigen dat Hij Gods Zoon is, is dan hun ongeloof niet een vreselijke miskenning van de waarheid? Jezus vraagt dan de joodse leiders om objectief te kijken naar wat er in Galilea en Jeruzalem de laatste tijd gebeurd is. Hoor dan het getuigenis van de vele mensen die de wonderen hebben meegemaakt. “Geloof dan de werken”, zegt Hij dan. Het zijn die werken waarmee God de Vader Zelf getuigenis heeft gegeven over Zijn Zoon. Geloof je de woorden van Jezus niet? Geloof dan de daden van Jezus.

Dat alles berust op getuigenissen. Het getuigenis van Johannes de evangelist over de getuigenissen van Andreas en Jacobus en Petrus en de blindgeborene en de verlamde in Bethesda et cetera. Geloof wordt gewekt door het gehoor, dat wil zeggen door het horen van de getuigenissen van mensen over Jezus. Natuurlijk wordt het ook gewekt door de woorden van Jezus – en ook die horen we niet rechtstreeks, maar via het getuigenis van de evangelisten –, maar voor wie niet gevoelig is voor wat Hij allemaal gezegd heeft, is er nog een toegang tot het geloof via de daden van Jezus. En dat alles kan ertoe leiden dat iemand “erkent en gelooft dat de Vader in Mij is en Ik in Hem.” (10:38)

Zo verloopt deze ontmoeting tijdens Chanoeka: eerst de confrontatie, dan de hernieuwde claim van Jezus, dan de aanklacht van godslastering, dan de aansporing om naar de werken te kijken en tenslotte de poging tot moord. In vers 24 confronteren de joodse leiders Jezus met de vraag “Als U de Christus bent, zeg het ons vrijuit.” En dat vragen ze om Hem uit de tent te lokken en te kunnen aanklagen. Jezus antwoordt met een majestueuze herhaling van Zijn claim: “Ik en de Vader zijn één.” Hij is God Zelf, het vleesgeworden Woord. En dan komt de aanklacht in vers 33: godslastering. Jezus antwoordt met een verwijzing naar Psalm 82. Daarmee weerlegt Hij als een jurist de aanklacht. Er kan geen sprake zijn van godslastering. En daarna nodigt Jezus hem uit om dan maar niet te kijken naar Zijn woorden, maar naar Zijn daden, de werken. Maar dan in vers 39 blijkt dat ze daartoe niet bereid zijn. “Zij probeerden dan opnieuw Hem te grijpen, maar Hij ontkwam aan hun handen.”

Dat is het einde van het openbare optreden van Jezus in Jeruzalem. De volgende keer dat Hij in Jeruzalem is, is Hij er om te sterven. Aan het einde van het hoofdstuk echter krijgen we heel even een adempauze. Na al deze twistgesprekken en ruzies en conflicten en verdeeldheid, is er even rust. Vers 40 vertelt ons dat Jezus naar de overkant van de Jordaan gaat, naar de plaats waar Johannes de Doper in het begin gedoopt heeft. Vlakbij de woestijn, net ten zuidoosten van Jeruzalem, dichtbij de plaats waar Jezus Zelf gedoopt werd en met Zijn zending begon. En dan is het zo ontroerend om te lezen in vers 41 dat velen naar Hem toe kwamen. Hoe wisten ze dat Hij daar was? Maar ze komen naar Hem toe, en misschien zijn het wel volgelingen van Johannes de Doper geweest. Maar dan zeggen ze: “alles wat Johannes over deze man zei, was waar.” Johannes de Doper was tot het getuigenis gekomen vanaf het moment dat hij Jezus had gedoopt. Hij had Jezus erkend als de Messias, als het Lam van God, als de Zoon van God. En nu zeggen vele mensen dat dit getuigenis van Johannes waar is. Zo eindigt het hoofdstuk toch met een positieve klank. Vers 42: “En velen geloofden daar in Hem.” Het getuigenis van Johannes de Doper was niet tevergeefs geweest. En ondanks de heftige verwerping door de joodse leiders in Jeruzalem, is er hoop. Jezus kwam tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Dat hebben we net meegemaakt. De joodse leiders in Jeruzalem, de Zijnen, hebben Hem inderdaad niet aangenomen en willen Hem zelfs stenigen. Maar we lezen meteen daarna: “Maar allen die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven kinderen van God te worden.” En hier, in het zuiden van de Jordaanvlakte, wordt dat waar. “Velen geloofden daar in Hem.”

Zo gaat het ook nog in onze tijd. De grote massa is helemaal voorgeprogrammeerd door onze sceptische, oppervlakkige, materialistische, ongevoelige en egocentrische cultuur om niet in Jezus te geloven. Zelfs in onze kerken hebben velen moeite met het geloof in Jezus Christus als de Zoon van God. Maar hier en daar, en af en toe komt iemand tot waarachtig geloof. Gaat instemmen met de belijdenis van de discipelen, “wij hebben geloofd en erkend dat Hij de Christus is, de Zoon van de levende God.” En allen die geloven, zijn door de Vader aan de Zoon geschonken. Zij zijn de schapen van de goede Herder. En zij mogen weten, dat “niemand (…) hen uit de hand van Mijn Vader (kan) rukken.”

De zalving in Betanië – Johannes 12:1-8

Derde zondag van de 40-dagentijd.

Maria van Betanie breekt een fles met kostbare nardusolie en zalft de voeten van Jezus. “Zij heeft dit gedaan met het oog op mijn begrafenis”- zegt Jezus. De discipelen zijn echter niet met Hem bezig, maar met hun plannen en ideeën over het Koninkrijk. Zij kijken te ver weg, want de arme in hun midden zien zij over het hoofd. Maria echter ziet en voelt en gelooft – haar daad van aanbidding is belangrijker dan de stoere arbeid van de discipelen. En zo is het ook bij ons. Eerst het hart – gericht op Jezus – en de handen zullen volgen.

Preek over dezelfde tekst, maar nu in Vlagtwedde:

Verkondiging tweede advent: Jesaja 11

Verkondiging over Jesaja 11:1-10 in de Protestantse Gemeente “De Regenboog” in Ter Apel.

11:1 Want er zal een Twijgje opgroeien uit de afgehouwen stronk van Isaï,
en een Loot uit zijn wortels zal vrucht voortbrengen.
2 Op Hem zal de Geest van de HEERE rusten:
de Geest van wijsheid en inzicht,
de Geest van raad en sterkte,
de Geest van de kennis en de vreze des HEEREN.
3 Zijn ruiken zal zijn in de vreze des HEEREN.
Hij zal niet oordelen naar wat Zijn ogen zien
en Hij zal niet vonnissen naar wat Zijn oren horen.
4 Hij zal de armen recht doen in gerechtigheid
en de zachtmoedigen van het land zal Hij met rechtvaardigheid vonnissen.
Maar Hij zal de aarde slaan met de roede van Zijn mond
en met de adem van Zijn lippen zal Hij de goddeloze doden.
5 Want gerechtigheid zal de gordel om Zijn heupen zijn,
en de waarheid de gordel om Zijn middel.
6 Een wolf zal bij een lam verblijven,
een luipaard bij een geitenbok neerliggen,
een kalf, een jonge leeuw en gemest vee zullen bij elkaar zijn,
een kleine jongen zal ze drijven.
7 Koe en berin zullen samen weiden,
hun jongen zullen bij elkaar neerliggen.
Een leeuw zal stro eten als het rund.
8 Een zuigeling zal zich vermaken bij het hol van een adder,
en in het nest van een gifslang
zal een peuter zijn hand steken.
9 Men zal nergens kwaad doen of verderf aanrichten
op heel Mijn heilige berg,
want de aarde zal vol zijn van de kennis van de HEERE,
zoals het water de bodem van de zee bedekt.
10 Want op die dag zal de Wortel van Isaï er zijn,
Die zal staan als banier voor de volken.
Naar Hém zullen de heidenvolken vragen.
Zijn rustplaats zal heerlijk zijn.

De hand van de Heere is op óns… verkondiging tijdens de gedachtenisdienst van 22 november 2014.

Onze ervaring: een dal vol dorre beenderen. De herinnering is vervlogen. Zullen mensen verdwijnen, spoorloos, in de duistere kou van de dood? Of spreekt Gods woord in onze bedremmelde stilte en spreekt Zijn Woord van nieuw leven?

 

 

1 De hand van de HEERE was op mij, en de HEERE bracht mij in de geest naar buiten en zette mij neer, midden in een vallei. Die lag vol beenderen.

2 Hij deed mij er aan alle kanten omheen gaan.  En zie, er lagen er zeer veel op de grond van de vallei, en zie, ze waren zeer dor.

3 Hij zei tegen mij: Mensenkind, zullen deze beenderen tot leven komen? En ik zei: Heere HEERE, Ú weet het!

4 Toen zei Hij tegen mij: Profeteer tegen deze beenderen en zeg tegen hen: Dorre beenderen, hoor het woord van de HEERE.

5 Zo zegt de Heere HEERE tegen deze beenderen: Zie, Ik ga geest in u brengen en u zult tot leven komen.

6 Ik zal pezen op u leggen, vlees op u doen komen, een huid over u heen trekken, en geest in u geven, zodat u tot leven komt. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.

7 Toen profeteerde ik zoals mij geboden was, en er ontstond een geluid zodra ik profeteerde, en zie, een gedruis! De beenderen kwamen bij elkaar, elk been bij het bijbehorende been.

8 En ik zag, en zie, er kwamen pezen op, er kwam vlees op en Hij trok er een huid overheen, maar er was geen geest in hen.

9 Hij zei tegen mij: Profeteer tegen de geest, profeteer, mensenkind! Zeg tegen de geest: Zo zegt de Heere HEERE: Geest, kom uit de vier windstreken en blaas in deze gedoden, zodat zij tot leven komen.

10 Ik profeteerde zoals Hij mij geboden had. Toen kwam de geest in hen en zij kwamen tot leven. Zij gingen op hun voeten staan, een zeer, zeer groot leger.

Lees je Bijbel, bid elke dag! – Bijbelzondag 2014 – verkondiging in Ter Apel

Onze organist op 26 oktober 2014 was Mark Wubs. Hij verraste ons allemaal met zijn begeleiding van JdH lied 98. (Opwekking 164)
Drie verschillende muzikale versies gaf hij daarvan.


Het lied zelf gaat als volgt:

Samen in de naam van Jezus
Heffen wij een loflied aan
Want de geest spreekt alle talen
En doet ons elkaar verstaan
Samen bidden, samen zoeken
Naar het plan van onze heer
Samen zingen en getuigen
Samen leven tot zijn eer

Heel de wereld moet het weten
Dat God niet veranderd is
En zijn liefde als een lichtstraal
Doordringt in de duisternis
De weg van god is niet te keren
Omdat hij er over waakt
En de geest verbreekt de grenzen
Die door mensen zijn gemaakt

Prijs de Heer
De weg is open
Naar de Vader naar elkaar
Jezus Christus, triomfator, mijn verlosser, middelaar
Vader met geheven handen
Breng ik u mijn dank en eer
Het is uw Geest die mij doet zeggen
Jezus Christus is de Heer

Source:
http://www.spreaker.com/user/robbert_veen/johan-de-heer-lied-98

De preek vindt je hieronder:

 

Verkondiging naar aanleiding van 1 Samuel 3.

1. God richt zich ook met Zijn openbaring op de enkeling. Alleen het “openbare” visioen was schaars.
2. Hij roept ons allen “bij name”- je kunt de Bijbel lezen, biddend, alsof elke zin wordt voorafgegaan door jouw naam. Je wordt aangesproken!
3. Soms laten anderen ons zien dat de HEERE tot ons gesproken heeft. Eli vertelt dat aan Samuel, als hij drie keer heeft gehoord, maar niet heeft geantwoord.
4. Mét de aanspraak van de HEERE is er het besef van Zijn tegenwoordigheid.
5. Ons antwoord zou moeten zijn: HEERE spreek, uw dienaar luistert. Werkelijk horen is ook doen!

 

LEES JE BIJBEL BID ELKE DAG!

Schep vreugde in de Heer – overdenking over Psalm 37:4

Er zijn twee soorten beloften in de bijbel: er zijn beloften zonder enige voorwaarde, zoals de belofte die Jezus geeft aan zijn discipelen, dat “niemand ze rukken zal uit mijn hand.” Voor eeuwig geborgen in de liefde van onze Heer!
Maar er zijn ook beloften met een voorwaarde. “Als wij onze zonden belijden, dan is Hij getrouw en rechtvaardig om onze zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.”
In psalm 37:4 vinden we ook een belofte met een voorwaarde. Hij zal “ons geven wat ons hart verlangt.” Maar dat kan alleen als wij in gemeenschap met deze God leven, en Zijn hart kennen. Zodat ons gebed in overeenstemming is met Zijn wil. Immers, bidden is, je eigen wil onderwerpen aan Gods wil, niet Gods wil buigen naar jouw wil. Maar dan moeten we in het gebed Zijn hart leren kennen.
Wat is dan Zijn hart? We kennen het door het Woord van God maar ook als het goed is in ons dagelijks leven in het gebed. We weten veel van onze God. Bijvoorbeeld dat Hij onrecht haat. Of dat Hij ons zo liefheeft, dat hij in elk onderdeel van ons leven betrokken wil zijn. Het is een God die aandacht vraagt, maar ons ook alle aandacht geeft. Niets is voor Hem te klein.
Maar niets is ook voor Hem te groot. Stel nu eens dat ze op al die plaatsen waar nu oorlogsgeweld heerst, samen zouden bidden, in synagogen, moskeeën en kerken, om te zoeken naar de wil van God? Om vreugde te scheppen in de Here? Wat zou dan het antwoord zijn dat de Here God hun geeft? Zou dat niet zijn dat ze alle vijandschap moeten laten varen? En dat ze de weduwe en de wees en de arme en de vreemdeling niet mogen verdrukken? En dat ze het leven van een ieder moeten respecteren, omdat ieder mens naar het beeld van God geschapen is?

De verdorde vijgeboom – beeld van een verziekte eredienst

Verkondiging van Palmpasen in Ter Apel.