Het anders-zijn van de predikant

De verhouding tussen de predikant en de gemeente is een wezenlijk andere dan de verhouding van de predikant tot de kerkenraad van de gemeente. Tussen predikant en gemeente spelen drie elementen een rol in hun relatie, waarin ze elkaar in zekere zin spiegelen.

Voor de predikant geldt het volgende:

  1. De predikant wil zich en moet zich van de gemeente onderscheiden. Dat komt niet alleen vanwege de beroepsmatige gevraagde afstand – een zekere neutraliteit en vooral niet kopje onder gaan in de emoties van anderen. Deze wil om zich te onderscheiden heeft veel te maken met de beroepsopleiding die van de predikant een theologisch en pastoraal expert maakt. Vanuit die expertise ziet de gemeente er anders uit dan vanuit de gemeente zelf. Daarnaast heeft elke predikant in zekere mate een bewustzijn van een roeping, een roeping tot de prediking van het evangelie als een hogere waarde dan de relatie met de gemeente als zodanig. Beide elementen van beroepsopleiding en roepingsbewustzijn brengen hem ertoe in een of andere zin te streven naar een leidende positie in de gemeente. Organisatorisch ziet de predikant tendensen in het kerkelijk beleid die strijdig kunnen zijn met theologische uitgangspunten. In de prediking kan en moet de predikant ook in staat zijn zichzelf nadrukkelijk tegenover de opvattingen van de gemeente te plaatsen. Met name in zijn positie als leraar van de gemeente zou het dodelijk zijn voor zijn ambt wanneer hij zich liet leiden door de bestaande verwachtingen van gemeenteleden. Maar ook in zijn pastorale omgang met gemeenteleden kan het noodzakelijk zijn om tegenspraak te leveren tegenover schijnbaar vanzelfsprekende opvattingen die leven in de gemeente. In al deze opzichten is de wens om zich van de gemeente te onderscheiden zelfs een noodzakelijke voorwaarde van de uitoefening van het ambt in de gemeente.
  2. De predikant wil ook graag gezien worden als een lid van de gemeente. Hij wil als broeder ook kunnen “opgaan” in de gemeenschap. Daarachter zit primair een theologische notitie: ook de predikant is aangewezen op het Woord dat hem wordt gepredikt. Ook al zou hij dat Woord alleen maar kunnen horen in de voorbereiding van de preek en de al dan niet realiseerbare wens om ook hoorder van de eigen preek te zijn. Opgaan in een consensus en zichzelf kunnen zien als een exponent van de gemeente als geheel geeft ook een gevoel van geborgenheid en verworteling, en dat zijn gevoelens die voor elk mens van wezenlijk belang zijn.
  3. Het conflict tussen de wens om zich te onderscheiden en de behoefte om zich in de gemeente te kunnen terugvinden leidt tot een droom. Het innerlijk conflict tussen deze beide verlangens kan alleen maar worden opgelost als de gemeente meer op hem gaat lijken.

Hiertegenover staat een vergelijkbaar aantal elementen in de beleving van de gemeente.

  1. De gemeente wil zich graag van de predikant onderscheiden. Niet omdat men zich van hem wil distantiëren, maar ook en vooral omdat hij in zijn ambt inderdaad een leidende positie krijgt in de beleving van de gemeente. Men wil het graag van de predikant horen. Men aanvaardt de relatieve passiviteit die dat met zich meebrengt, in het vertrouwen dat de predikant bekwaam en zijn roeping authentiek is.
  2. Tegelijkertijd wil de gemeente de predikant echter kunnen terugvinden als een deel van haar zelf, dat wil zeggen als een broeder of zuster die in wezenlijke opzichten niet van haar is onderscheiden. “Hij is één van ons!” De predikant wordt geacht als mens herkenbaar en respectabel te zijn binnen de gemeente, en in zijn relaties binnen de gemeente authentiek zichzelf te zijn.
  3. Het conflict tussen deze beide verlangens is geen eenduidig innerlijk conflict. Het is eerder een beweeglijke reactie van de gemeente, vanuit haar verschillende geledingen en stromingen, waarin men het anders zijn van de predikant des te makkelijker kan accepteren waar deze zich nadrukkelijk laat terugvinden in haar midden. Sommigen in de gemeente zullen wel accepteren dat de predikant als een goede broeder zijn plaats in de gemeente heeft, en juist om die reden zullen ze maar weinig acceptatie opbrengen voor de onderscheiden rol die hij spelen moet in de prediking en het pastoraat. Anderen in de gemeente zullen die leidende rol in het leraarschap en pastoraat vooropstellen, en de betrokkenheid van de predikant in de gemeente dus niet als een voorwaarde, maar als een waardevolle toevoeging aan het ambt zien.

Het zou goed zijn voor de predikant om het anders zijn van de gemeente volledig te accepteren, dat wil zeggen dat hij de droom moet opgeven dat het innerlijk conflict waar hij zich altijd in bevinden zal, kan worden opgelost door de gemeente meer op hem te laten lijken.

Het zou omgekeerd goed zijn voor de gemeente, als deze het anders zijn van de predikant volledig zou accepteren. De gemeente moet geen poging doen om de predikant te reduceren tot een broeder in de gemeente, die door sociale controle onder de duim kan worden gehouden. Dat de predikant ook maar gewoon een lid van de gemeente is betekent niet dat zijn ambt kan worden gereduceerd tot een uitvloeisel van de verlangens en wensen van de sociale gemeenschap die een kerk ook altijd is.

Het is dan juist de kerkenraad die het anders zijn van de predikant in zijn ambt moet beschermen tegen het verlangen van de gemeente om hem in de gemeenschap te laten opgaan.

De menora van de gemeente – in steen wel, op de tafel niet

De engel die met mij sprak, kwam terug en wekte mij zoals men iemand uit de slaap wekt. Hij zeide tot mij: Wat ziet gij? Daarop antwoordde ik: Ik zie daar een kandelaar, geheel van goud, met een oliehouder aan zijn top; hij heeft zeven lampen, en telkens zeven toevoerbuizen voor de lampen erbovenop; en twee olijfbomen steken boven hem uit, de ene rechts en de andere links van de oliehouder. Ik hernam en vroeg de engel die met mij sprak: Wat betekent dit, mijn heer? Toen gaf de engel die met mij sprak, mij ten antwoord: Weet gij niet, wat dit betekent? Ik zeide: Neen, mijn heer. Hij antwoordde mij: Dit is het woord des HEREN tot Zerubbabel: niet door kracht noch geweld, maar door mijn Geest! zegt de HERE der heerscharen. 

Aan de linkermuur van de kerk, wanneer je binnenkomt, zit een grote witte steen in de muur gemetseld. Je ziet een kandelaar met zeven lampen, en twee olijfbomen aan weerskanten. De architect Wim Mulder heeft die afbeelding door de voormalige koster van de Gereformeerde Kerk, broeder Sok, in de muur laten metselen. De kerk als geheel was toen nog niet klaar. In de krant werd vermeld, dat broeder Sok dat “met veel plezier” gedaan heeft.

Het motto van de kerk werd daarmee in een beeld vastgelegd, want de betekenis van dit beeld is afkomstig uit de tekst die ik hierboven citeerde. Wat staat dus aan de basis van onze kerk, althans ons kerkgebouw? Deze gedachte achter het symbool van de menora:

Niet door kracht noch geweld, maar door mijn Geest!

Mooie gedachte voor een gemeente, en al helemaal voor een gefuseerde gemeente. Die moet het helemaal hebben van de kracht van de Geest die eendracht brengt waar ooit verdeeldheid heerste.

Maar dan:  de kandelaar die nu op de tafel staat, links in onze kerk, is geen menora. De “lampen” staan niet op dezelfde hoogte en het zijn er geen zeven. De kerkenraad heeft daarom besloten dat de kandelaar maar beter uit de kerk kan worden verwijderd. Zo zetten we hele kleine stapjes vooruit.