Hij is de Opstanding en het Leven

Gedachtenisdienst 2015 in Ter Apel, 22 november.
Verkondiging over Johannes 11 – de opwekking van Lazarus.

Het gedicht van Bertus Aafjes waarmee de preek begon, zoals ik me dat althans herinner ging als volgt:

Er rest mij niets meer dan mijn lied te zingen
In eenzaamheid gelijk een blinde vink
Een lied over de laatste vreemde dingen
Waar met mijn ziel ik zingend in verzink

Een raden soms, en soms een bijna weten
Dat uit mijn diepste wezen opwaarts welt
Dat wij vergeten worden en vergeten
Al wat ons op deze wereld vergezelt

Sterven is zijn herinnering verliezen
En eindelijk niet meer weten wat te kiezen
En zich vervreemd voelen van tijd en orde

Lang duurt de dood
Zij duurt een leven lang
En wat wij doen wordt onze ondergang

Johannes (58) – Moordzuchtig ongeloof

Joh. 11:45-57

Wat waren de gevolgen van de opwekking van Lazarus? Sommigen geloofden in Hem, lezen we in vers 45. En dat betekende, dat zij met een gelovige houding de opwekking van Lazarus hebben waargenomen. Zonder die houding hebben mensen alleen gezien dat een man, gewikkeld in een lijkwaad, uit een graf is gekomen. Ze hebben wel gehoord dat hij al vier dagen dood was, want om die reden zijn ze naar het huis van Maria en Martha gekomen. Maar bij al die getuigenissen kun je vraagtekens zetten. Is het dan geen onomstotelijk bewijs van de goddelijke almacht van Jezus? Zonder een open benadering werkt dat niet zo. Jezus zegt daarom dat zij alleen als zij geloven – dat betekent niet al van tevoren geloven dat Lazarus is opgewekt natuurlijk, maar wel met een gelovige houding alles waarnemen – dat zij alleen als zij geloven de heerlijkheid van God zullen zien. (11:40) En al eerder hebben we gelezen dat iemand alleen kan erkennen dat het onderricht van Jezus uit God is, “als iemand de wil heeft om Zijn wil te doen.” (7:17) En al eerder hebben we gelezen dat de kern van het ongeloof de liefde voor de duisternis is geweest. Het is de onwil om in het geweten te worden geraakt door de heiligheid van Jezus: “de mensen hebben de duisternis liefgehad, meer dan het licht, want hun werken waren slecht.” (3:19) De heerlijkheid van Jezus wordt zichtbaar in de gebeurtenis van de opwekking. Maar toch is dat alleen zichtbaar voor degenen die niet al van tevoren beslist hebben dat zoiets onmogelijk is. En meer nog, alleen maar zichtbaar voor wie niet van tevoren heeft beslist, dat de heerlijkheid van God niet in Jezus en in Zijn werken openbaar kan worden.

Sommigen van de aanwezigen hebben deze ongelovige houding aangenomen; ze hebben hetzelfde gezien als Maria en Martha, maar hebben daarin niet de heerlijkheid van God waargenomen. En dat geeft ons de overgang naar het volgende gedeelte, namelijk vers 46: “Maar sommigen van hen gingen naar de Farizeeën en zeiden tegen hen wat Jezus gedaan had.” Het lijkt mij zeker dat deze mensen het wel gezien hebben, maar het toch niet hebben geloofd. Zij hebben de heerlijkheid van God niet doorzien in wat er gebeurde. Daarom gaan ze naar de Farizeeën. Ze hebben ongetwijfeld iets gezegd in deze trant: “deze man die jullie willen grijpen, die heeft een wonder verricht en alle mensen lopen Hem nu na, dus als je daar wat aan doen wilt moet je snel zijn.” Je kunt dat afleiden uit het feit dat er geen gesprek met deze mensen heeft plaatsgevonden. Als zij gemeld hadden dat zij de macht over het leven van de Zoon van God hadden gezien, en dat zij nu geloofden in Jezus, was er ongetwijfeld een discussie ontstaan, zoals bij de blindgeborene.

Het is dit laatste, grote wonder van Jezus, dat het besluit uitlokt waar we vanaf vers 47 tot en met 57 over lezen. Het is het wonder waarmee God aan het einde van de zending van Jezus nog een keer al het ongeloof wil tegenspreken. Tegelijkertijd is het dit wonder dat het hart van de discipelen op de opstanding van Jezus zelf voorbereidt. Wat een scherp contrast vinden we in dit hoofdstuk! Jezus demonstreert dat Hij de Opstanding en het Leven is. Hij kwam om dat Leven aan de Zijnen, aan het volk Israël, aan te bieden. Maar Israël lijkt op Lazarus. Israël is net als Lazarus al een tijd in het graf, in het graf van ballingschap en Romeinse overheersing. Zij hebben het leven van God niet meer in zichzelf. Maar wanneer Israël gelooft in haar Messias, zal het de heerlijkheid van God zien. Maar in plaats van geloof, vinden we moordzuchtig ongeloof. Althans bij een meerderheid van het volk vinden we ongeloof en onverschilligheid, en met name bij de leiders van het volk vinden we moordzuchtig ongeloof: bij de overpriesters en de Farizeeën.

Een wonder van deze aard blijft niet lang verborgen. Alle aanwezigen zullen er over gesproken hebben. Om te beginnen degene die terugkeerde naar Jeruzalem, naar hun familie en vrienden, en deze opwekking van hun vriend Lazarus hebben meegemaakt. Het verhaal van deze opwekking moet zijn doorgedrongen tot vrijwel heel de bevolking van Jeruzalem en omgeving. Interessant is ook dat niemand de gebeurtenis ontkent. Niemand zegt het aan, niemand geeft argumenten om te bewijzen dat het niet gebeurd kan zijn. Bij de genezing van de blindgeborene gebeurde dat wel, omdat het voor hen duidelijk was dat alleen God iemand kan genezen die vanaf zijn geboorte blind is. Bij de verlamde in Bethesda gebeurde het niet, daar kon men wel een of andere verklaring voor geven. Toen ging het alleen om het verwijt dat Jezus opdracht had gegeven om de sabbat te schenden. Hier horen we daar niets over. De feiten werden door iedereen aanvaard. Maar ongeloof, hoewel het kan schermen met feitelijke waarheden en natuurwetten, is helemaal niet bezig met feiten. Het vertrekt vanuit een theorie over de werkelijkheid, waar het geen uitzonderingen op wil toelaten. Paulus heeft daar ooit vol verbazing over gezegd: “Waarom wordt het bij u allen” – dat is koning Agrippa en zijn gevolg – “ongeloofwaardig geacht dat God de doden opwekt?” (Hand. 26:8) Ze hadden toch bovendien het getuigenis van de Schrift, bijvoorbeeld in 1 Kon. 17:21, waar de profeet Elia de zoon van de weduwe in Zarfath (Sarepta) uit de doden opwekt. En hetzelfde gebeurde bij Elisa in 2 Kon. 4. Toch hebben ze niet geloofd. Het ongeloof is er hier niet eens zo op uit om het wonder van de opwekking van Lazarus tegen te spreken, maar vooral om tegen te spreken dat Jezus de Christus is, de Zoon van God. Het verhaal van de opwekking van Lazarus is daarmee ook de laatste grote verkondiging van het evangelie geweest. Nu door middel van mensen die het aan elkaar hebben doorverteld. Maar het heeft niet mogen baten zoals Abraham al zei in de gelijkenis van de rijke man en de bedelaar in Lukas 16: “Als zij niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen zij zich ook niet laten overtuigen als iemand uit de doden zou opstaan.”

Dat blijkt nu. Er komt een bijeenkomst van de Hoge Raad, van het Sanhedrin. Hogepriesters, dat zijn voornamelijk sadduceeën geweest, en Farizeeën, velen van hen zijn wetgeleerdeN, komen daar bijeen om de situatie te bespreken. “Wat doen we? Want deze Mens doet vele tekenen.” Het is een wonderlijke groep. Aan de ene kant zijn er de “vrijzinnige” theologen van de sekte van de sadduceeën – zij geloofden niet in de opstanding – en dan de orthodoxe Farizeeën die de letter van de wet tot in het uiterste wilden volgen. Een soort politiek gemotiveerde vrijzinnigen en een soort supervrome fundamentalisten zijn het hier roerend met elkaar eens. Tenminste, over één enkel ding. Dat ze zich moeten ontdoen van Jezus. Je zou verwachten dat daar toch iemand bij heeft gezeten die het meest logische voorstel doet, namelijk: waarom geloven we niet in Hem? Is dat niet beter dan Hem te vermoorden? Maar ze zijn het eens over iets wat helemaal niet zo logisch klinkt: Hij doet zóveel wonderen, dat het beter is om Hem te vermoorden. Vers 48 vat het zeer nauwkeurig samen. “Als wij Hem zo laten begaan, zullen allen in Hem geloven.” In hun ogen is dat een ramp. Maar waarom eigenlijk? Dat lezen we in het tweede deel: “de Romeinen zullen komen en onze plaats en onze natie van ons wegnemen.” Dat is het motief. Het gaat om hun eigen positie. De redenatie is dus deze: “als Jezus door het volk wordt geloofd en dat volk Hem ertoe brengt om het politieke leiderschap van de natie over te nemen, zullen de Romeinen dat opvatten als een opstand. En wat gebeurt er dan met ons? Dan nemen de Romeinen onze positie – plaats – weg. Dan hebben wij geen gezag meer. En dan zal ook het volk niet langer onder ons staan, de natie zal van ons worden weggenomen.” Daaruit spreekt de angst voor Rome. Want dat is wat de Romeinen vaak deden. Wanneer een opstand uitbrak, werd hij door Rome met harde hand onderdrukt en de bevolking werd weggehaald en overal door het Romeinse Rijk heen verspreid. Maar de kern van het verzet tegen Jezus is niet alleen deze angst, maar vooral de zorg om hun eigen positie. Tijdens deze hele discussie wordt Lazarus trouwens niet genoemd. Of hij nu wel of niet door Jezus is opgewekt interesseert hen niet.

Ze hebben trouwens wel gelijk, dat de opwekking van Lazarus tot geloof zou leiden – bij “velen” zegt vers 45. Wanneer Jezus later naar Jeruzalem gaat roepen ze langs de weg allemaal Hosanna. Ze hebben de geruchten gehoord. Ze halen Jezus binnen als een koning. En het gerucht over de opwekking van Lazarus zal daar ongetwijfeld toe hebben bijgedragen. Een grote menigte trok immers voorafgaande aan Palmpasen naar Bethanie om daar niet alleen Jezus, maar ook Lazarus te zien. Ze wilden het bewijs zien dat Lazarus inderdaad door Jezus uit de doden was opgewekt. En het is die menigte die met Jezus optrekt naar Jeruzalem, terwijl er tegelijkertijd een menigte uit Jeruzalem komt, Jezus tegemoet. En dan lezen we in vers 11 van het 12e hoofdstuk dat “omwille van hem” – dat is Lazarus – “velen van de joden wegliepen en in Jezus geloofden.” Dat leidt er zelfs toe dat de overpriesters overwegen om ook Lazarus te doden! Het Sanhedrin heeft dus gelijk in dat opzicht. Maar hun oordeel over Jezus is niet gebaseerd op waarheid, maar op de vraag wat de gevolgen zouden zijn voor hen. Als ze Jezus zouden aannemen als de Christus, had Hij gezag over hen. Als ze Jezus Zijn gang liet gaan, waren ze bang dat de Romeinen hun positie zouden aantasten. Alleen wanneer Jezus zou verdwijnen of vermoord worden, konden ze hun eigen positie handhaven en was het niet nodig angst te koesteren voor een Romeinse reactie. Maar dat is niet de logica van de waarheid, maar de logica van het nut, van het voordeel voor hen als groep.

Maar dan komt er tegenspraak uit een onverwachte hoek. In vers 49 neemt de hogepriester Kajafas het woord. “U weet niets,” zegt hij. “Er valt hier niks te overwegen,” bedoelt hij. “We hebben geen andere keuze dan Jezus te vermoorden. Als je Jezus Zijn gang laten gaan, ontstaat er een opstand, Rome zal die onderdrukken en wij zullen allemaal sterven. Dus of Jezus sterft of de natie sterft.” Maar waar is dan die dreiging van een opstand? De Romeinen hebben helemaal niet ingegrepen bij de triomfantelijke intocht van Jezus in Jeruzalem. Tot dusver interesseert het optreden van Jezus hen helemaal niet. Maar het is een bekende truc. Je geeft iemand twee alternatieven om uit te kiezen. Of Jezus, of het volk. Je laat niet toe dat iemand dat werkelijk overweegt. Het is ja of nee. In werkelijkheid zijn er meer mogelijkheden.

Kajafas zal dat later bij de ondervraging van Jezus ook beseffen. In Mattheus 26:63 vraagt Kajafas aan Jezus of Hij bereid is om te verklaren dat Hij de Christus is, de Zoon van God. Jezus geeft daarop antwoord: “U hebt het gezegd.” Dat betekent zoveel als Ja. Maar meteen daarna maakt Jezus duidelijk dat het Zijn doel niet is om een opstand te beginnen tegen Rome. In vers 64 van dat hoofdstuk zegt Hij: “Van nu aan zult u de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand van de kracht van God en zien komen op de wolken van de hemel.” Dat woord spreekt Jezus met het oog op Zijn Hemelvaart en Zijn wederkomst, niet als aankondiging van een opstand tegen Rome. Maar Kajafas bestempelt dat als godslastering en meteen daarna wordt het doodvonnis uitgesproken. Het is een staaltje enorme hypocrisie. Deze verklaring van Jezus werd door Kajafas uitgelokt om Hem te kunnen veroordelen. Alleen dan was hij in staat om Jezus te laten executeren. Maar Jezus zegt helemaal niet wat Kajafas wil horen. Hij zegt dat de Zoon des mensen komen zal – wat de Sadduceeën trouwens niet geloofd hebben. En Hij maakt daarmee duidelijk dat Hij geen opstand wil beginnen. Dat had voor Kajafas genoeg moeten zijn. Maar deze hypocriet scheurt nu zijn kleren, wat men alleen deed uit verdriet over lasterlijke taal tegen God. Terwijl hij zelf zat te hunkeren naar een uitspraak, waarmee hij Jezus kon veroordelen. Kajafas pretendeert hier de ware en vrome patriot zijn. Hij claimt het volk te bewaren voor een nieuwe oorlog met de Romeinen. Maar het is een hypocriet.

Kajafas zegt dus: “dat het nuttig voor ons is dat één mens sterft voor het volk, en niet heel het volk verloren gaat.” Nuttig – zodat de Romeinen onze plaats en onze natie niet van ons zullen wegnemen. Dat wil zeggen, dat is wat hij wílde zeggen. Maar toen Kajafas zijn mond opendeed om te spreken, nam God het over. Vers 51: “als hogepriester van dat jaar profeteerde hij dat Jezus sterven zou voor het volk, en niet alleen voor het volk, maar ook om de kinderen van God, overal verspreid, bijeen te brengen.” De mond van Kajafas die de veroordeling van Jezus wilde uitspreken, komt er nu toe om de waarheid te zeggen. En door de woorden die Kajafas zelf gesproken heeft, wordt niet Jezus veroordeeld maar Kajafas zelf. Want wat ze dan doen in vers 53, is volkomen in strijd met de waarheid die Kajafas zelf heeft uitgesproken. “Vanaf die dag dan waren zij vastbesloten om Hem te doden.” Dat is dan eigenlijk de hoogste vorm van ongeloof. Zij weten dat Jezus de Zoon van God is, zij weten dat omdat niemand een blindgeborene kan genezen behalve God, en niemand een dode kan opwekken behalve God. Zij weten dat omdat Jezus het hen gezegd heeft. Zij hebben daarin een godslastering gezien, maar nu wordt de kern van hun ongeloof blootgelegd. Het is eigenbelang. En vanuit dat eigenbelang, dit “nut”, vanwege hun plaats en positie, nemen zij zich voor om de Zoon van God te doden – en daardoor, op paradoxale wijze, maken zij de profetie waar die Kajafas heeft uitgesproken. Het is wel heel bijzonder om te bedenken hoe God zelfs gebruik maakt van ongeloof. “De koningen van de aarde stellen zich op in de vorsten spannen samen tegen de Heere en tegen Zijn Gezalfde.” Zo hebben Herodes en Pontius Pilatus, joodse leiders en Romeinse soldaten samengespannen. Ze hebben Jezus Christus vermoord. Maar wat is dan het gevolg geweest van dit zich opstellen en samenspannen? “Om alles te doen wat Uw hand en Uw raadsbesluit vantevoren bepaald had dat er gebeuren zou.” (Hand. 4:27, 28)

De beslissing is gevallen. Definitief onttrekt Jezus zich nu aan de Joden en “verkeerde niet meer openlijk” onder hen. “Hij ging vandaar naar het land bij de woestijn, naar een stad die Efraïm heette, en verbleef daar met Zijn discipelen.” (Vers 54; Efraïm is vermoedelijk de stad Efron die genoemd wordt in 2 Kr. 13:19.) Dit is het einde van de openbare verkondiging van Jezus. Het is nu klaar. We horen in vers 55 dat het Paasfeest dichterbij kwam, en dat vele mensen die in de buurt woonden van de stad Efraïm al wat eerder naar Jeruzalem gingen “om zich te reinigen.” Ongeveer een maand voor het Paasfeest was het de bedoeling dat je je voorbereidde met bijzondere offers en met boetedoening om geheel en al gereed te zijn voor het feest. Wat doen deze mensen tijdens deze periode van reiniging en voorbereiding? Dat lezen we dan in vers 56: “Zij dan zochten Jezus.” Omdat ze in Hem geloofden? Nee, omdat ze Hem wilden aangeven bij de overpriesters en de Farizeeën. Die hadden daartoe ook de opdracht gegeven. Daarmee is de situatie geschetst. Jeruzalem is er klaar voor om de Messias te grijpen en te vermoorden. Vele Joden die Hem kenden en Zijn wonderen gezien hadden, nemen nu deze houding van moordzuchtig ongeloof aan. Wat een voorbereiding op het feest van de bevrijding! Terwijl ze de voorgeschreven offers brengen, is er moordlust in hun hart. Zo hebben ze drie weken lang naar Jezus uitgekeken. Maar het is nog niet zover. Jezus zal pas een week voor Zijn kruisiging in Jeruzalem aankomen. Eerst komt Hij aan in Bethanie, en dan vanaf 12:12 lezen we over Zijn intocht in Jeruzalem zelf.

Johannes (57) – Lazarus herleeft

Joh. 11:36-46

We komen nu bij het laatste grote teken dat Jezus heeft gedaan. Aan het eind van zijn evangelie vermeldt Johannes dat Jezus nog vele andere tekenen heeft gedaan, en dan zegt hij erbij: “in aanwezigheid van Zijn discipelen.” Dat laat ons zien vanuit welk perspectief Johannes in dit evangelie naar de tekenen van Jezus kijkt. Het gaat hem in de eerste plaats om tekenen die Jezus heeft gedaan om het geloof van Zijn discipelen op te wekken. Dat kan de reden zijn dat we in de andere evangeliën niet dezelfde gebeurtenissen kunnen terugvinden, met uitzondering van de wonderbare broodvermenigvuldiging – dat teken was zowel voor de menigte als voor de discipelen bestemd. Ook de opwekking van Lazarus, waar we in dit hoofdstuk naar zullen kijken, heeft tot doel dat de discipelen zouden geloven. Om die reden misschien hebben de andere evangeliën het niet opgenomen. Het doel is dus de versterking van het geloof van de discipelen. Vers 15: “En Ik ben blij voor u dat Ik daar niet was, opdat u gelooft.”

Het primaire doel van Johannes’ evangelie is het bewijs te leveren, door middel van getuigenissen, dat Jezus waarachtig de Zoon van God is. En daaraan verbonden is zijn secundaire doel, dat mensen door deze getuigenissen tot geloof zullen komen en daarmee “het leven [zullen] hebben in Zijn Naam.” (20:31) Die getuigenissen komen van mensen die Jezus hebben ontmoet, en van de werken die Jezus heeft gedaan die dat getuigenis eveneens afleggen. “Juist die werken die Ik doe, getuigen van Mij dat de Vader Mij gezonden heeft.” (5:36) Jezus Zelf noemt dat een getuigenis dat groter is dan dat van Johannes de Doper. Waarom? Omdat het die werken zijn die de Vader Hem gegeven heeft om die te volbrengen. Ze laten dus het karakter en de intentie van God de Vader zien. Jezus wilde niet Zijn godheid bewijzen door een overmachtige, verblindende en angstaanjagende vertoning van Zijn macht – die wel ontzag, maar geen geloof wekt – maar wilde een heerlijkheid laten zien “vol van genade en waarheid.” Gods almacht wordt bij Jezus zichtbaar in iets wat zeer menselijk is, en op het concrete en individuele niveau van het leven plaatsvindt. Voor iedereen die God zoekt in het buitengewone en verbijsterende is het makkelijk te miskennen. Het wonder van de tempelreiniging is daar een mooi voorbeeld van. We lezen dat Jezus alle mensen de tempel uitdreef, tienduizenden mensen verlaten op Zijn gezag het tempelplein. Maar de joodse leiders herkennen daarin niet het volstrekte gezag dat het Woord van God over mensen heeft, maar zeggen: “Welk teken laat U ons zien dat U het recht hebt deze dingen te doen?” Voor het wonder van de tempelreiniging vragen zij om een bewijs dat zelf weer een wonder is. En ongetwijfeld, wanneer Jezus dat wonder voor hun ogen verricht zou hebben, zou hun ongeloof hebben gevraagd om een nieuw wonder als bevestiging van dit tweede wonder enzovoorts.

De werken leggen getuigenis af, maar ze bewijzen de waarheid niet. Elk getuigenis kan worden weersproken. Het vergt een bereidwillig hart om er geloof aan te hechten. Het zijn dus ook juist deze werken, deze tekenen en wonderen, die verkeerd worden verstaan. De genezing van de blindgeborene bijvoorbeeld is een volstrekt unieke daad van de schepper. Het is de enige verklaring voor zijn genezing, dat Jezus waarachtig over Gods almacht beschikt. Maar het is tevens een getuigenis dat kan worden bestreden met woorden. De joodse leiders kunnen betwijfelen dat de man werkelijk blind geboren was, kunnen aannemen dat de ouders of de man zelf hebben gelogen. Ze kunnen volhouden, als een axioma, dat zij weten “dat deze Mens een zondaar is.” En dat zij weten dat alleen God, en dus niet Jezus, tot een dergelijke genezing in staat zou zijn. En langs die weg kunnen ze het wonder op een of andere wijze wel aan God toeschrijven, en tevens de Zoon van God veroordelen die dat wonder verrichtte. Omdat Hij het oneens is met de rabbijnen. Dus geen discipel van Mozes is zoals zij dat willen zijn, en de rabbijnse regels voor de sabbat overtreedt. Dat laatste hebben we gezien bij de genezing van de verlamde in Bethesda aan wie Jezus de opdracht gaf om zijn bed op te nemen en naar huis te lopen.

De werken die Jezus gedaan heeft, in de kleine besloten ruimte van het menselijke leven, waren alleen maar te verklaren met het inzicht dat Jezus inderdaad God Zelf was, en uit de hemel was gekomen. Jezus heeft gezegd wie Hij was, en ze hebben Hem niet geloofd. Dan moeten de werken maar het getuigenis afleggen van de waarheid van Zijn woorden. “Geloof dan de werken”, als je de woorden niet gelooft, “opdat u erkent en gelooft dat de Vader in Mij is en Ik in Hem.” (10:38) En hetzelfde vinden we in hoofdstuk 14:10. “De woorden die Ik tot u spreek, spreek Ik niet uit Mijzelf, maar de Vader, Die in Mij blijft, Die doet de werken.” Wanneer Johannes de Doper twijfels krijgt over Jezus omdat het niet goed gaat met de oprichting van het Koninkrijk van God, stuurt hij twee van zijn discipelen naar Jezus. We vinden dat in Lucas, hoofdstuk 7. “Bent U Degene Die komen zou, of verwachten wij een ander?” En het antwoord van Jezus is een verwijzing naar de tekenen: “bericht Johannes wat hij gezien en gehoord hebt, namelijk dat blinden ziende geworden, kreupelen kunnen lopen … en aan armen het Evangelie verkondigd wordt.” De profetie van Jesaja 29 en 35 en 61 wordt hier vervuld. Opnieuw zijn het de werken moeten overtuigen, of althans geloof moeten opwekken. Maar de werken, de wondertekenen, kunnen worden genegeerd omdat hun betekenis niet wordt aanvaard. De verlamde in Bethesda, die wist dat de joodse leiders Jezus zochten vanwege de overtreding van de sabbatswet, “berichtte de Joden dat het Jezus was Die hem gezond gemaakt had.” En het gevolg daarvan is, dat de joodse leiders Jezus vervolgen en proberen te doden. (5:15, 16)

Het belangrijkste wonderteken is ongetwijfeld de opwekking van Lazarus geweest. Ook dit is een wonder dat speciaal bestemd is voor de discipelen. Het is een voorbereiding voor hun geloof in de opstanding. Opstanding en eeuwig leven zijn zozeer verbonden met Jezus, dat Hij kan zeggen: “Ik ben de Opstanding en het Leven.” Jezus geeft niet alleen eeuwig leven, en Hij doet niet alleen mensen opstaan uit de dood, Hij is dat alles in zichzelf. En nu, met de opwekking van Lazarus, zien we de volle openbaring van de goddelijke macht van Jezus. Goddelijke macht die nieuw leven geschapen heeft in een lijk, waar de organen van vergaan waren. Een nieuw lichaam, nieuw weefsel, nieuwe zenuwen, nieuw bloed. Een wonder van de herschepping van een hersenmassa die nu weer kan denken en voelen en willen en spreken. Vier dagen lang is Lazarus al in het graf. En wat Jezus hier doet – hoewel de getuigen beperkt zijn tot de familie en de rouwende gasten – is een overtuigend bewijs van Zijn almacht zelf voorbij de grens van de dood. En dat is ook waar de discipelen behoefte aan hadden. Zij hadden geloofd in de macht van Jezus tot aan de dood toe. In het geval van de dochter van Jaïrus konden ze nog denken dat het meisje niet echt en volledig gestorven was. Zij hadden Zijn woorden over eeuwig leven verstaan in het licht van hun eigen theologie. Zij dachten aan een wonderbaarlijke opstanding aan het eind van de geschiedenis, terwijl Jezus sprak over Zichzelf in het heden. Het eeuwige leven dat uit God is, begint niet pas aan het einde van de tijden, maar begint voor iedereen die tot geloof komt, precies op dat moment. Jezus bewijst hiermee de woorden die Hij al gesproken had in het vijfde hoofdstuk: “de tijd komt waarin allen die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen.” En zij zullen er uitgaan… Hier komt Lazarus uit het graf, op bevel van Jezus. Zo zal het gaan aan het eind van de tijden, zo zullen wij allen de stem van Jezus horen.

We komen nu eindelijk toe aan de beschrijving van de opwekking van Lazarus zelf. We hebben het vorige hoofdstuk geëindigd met de uitleg van de woorden van de evangelist in vers 35. “Jezus weende.” Wanneer gasten uit Judea dat zien, zijn er twee verschillende reacties, die allebei onwaar zijn. Sommigen denken dat Jezus weent vanwege de dood van Lazarus, die immers Zijn vriend was. “Zie, hoe lief Hij hem had!” Maar het verdriet van Jezus is niet beperkt tot deze ene vriend die gestorven is. De diepte van het verdriet van Jezus konden zij niet peilen. Dat verdriet had meer te maken met het ongeloof van de mensen om Hem heen, met de dood die Hem te wachten stond, en vloeide voort uit een diep medeleven met het verdriet van Maria en Martha.

De andere reactie is minder sympathiek. Martha heeft vermoedelijk haar verdriet uitgelegd aan de joodse gasten. En zij herhalen dan ook haar woorden. “Kon Hij Die de ogen van de blinde geopend heeft, ook niet maken dat deze niet gestorven was?” Jezus was immers niet meteen gekomen, Hij had twee dagen gewacht. Hij had vanaf die afstand met een woord kunnen genezen. Maar dat gebeurde niet. Wat betekent dan de liefde van Jezus voor Zijn vriend Lazarus nog? Dat is overigens ook voor ons een belangrijk punt. Als wij in het leven allerlei vormen van pijn en lijden meemaken, of onze geliefden moeten missen in de dood, wat betekent de liefde van Jezus voor ons dan nog? Dan vragen ook wij “waarom heeft Jezus hem of haar niet bewaard? Waarom is Hij niet gekomen? Hij kon de blindgeborene genezen, waarom dan niet die blinde zuster in de gemeente? Hij kon het dochtertje van Jaïrus uit de dood halen, een jong meisje nog, waarom dan niet… et cetera.” Dat is allemaal begrijpelijk vanuit ons menselijke gezichtspunt. Als Jezus bij ons in dienst was, als Zijn enige zorg was ons aardse leven te zegenen en te bewaren, dan zijn onze vragen en verwijten nog terecht ook. Maar Jezus doet niet zomaar wonderen, Hij doet de werken, die de Vader Hem te doen heeft gegeven. Het doel van deze wondertekenen is niet het verrichten van wonderen op zichzelf, maar het wekken van geloof. Het gaat om Gods wil en plan met het leven. Alles wat God doet, doet Hij “overeenkomstig Zijn welbehagen, dat Hij in Zichzelf voorgenomen had.” (Ef. 1:9) En God vertelt ons niet wat het plan is, maar wil dat wij ook zonder dat inzicht in ons leven op Hem blijven vertrouwen. En soms wordt het ons ook gegeven om het later wel te verstaan, zoals we lezen in Johannes 13:7, “Wat Ik doe, weet u niet, maar u zult het later inzien.”

Maar ons geloof wordt vaak bepaald door deze manier van denken. Als God het gewild had, dan… Het is niet gebeurd, dus heeft God het niet gewild? Maar hoe is het mogelijk dat God het goede niet wil? Vanuit Gods perspectief ziet het leven er heel anders uit. De moeder die wij verliezen, wordt door God in de heerlijkheid ontvangen. Al haar tranen zijn uitgewist, zij is tot rust gekomen van al haar werken, zij kan met nieuwe geestelijke ogen haar Verlosser en Heer zien. Dat is Gods perspectief. Zoals Zefanja zegt: “Hij zal Zich over u verheugen met blijdschap. Hij zal zwijgen in Zijn liefde. Hij zal Zich over u verblijden met gejuich.” (Zef. 3:17) Dat is de manier waarop God ons ontvangt in de heerlijkheid. Zo ook hier in ons hoofdstuk. Lazarus slaapt. Hij is in de heerlijkheid. Hij is niet onttrokken aan de macht van het Leven. Integendeel, hij is bij de bron van het Leven zelf.

Het is belangrijk om te zien, dat het bij de opwekking van Lazarus dan ook helemaal niet om de gestorvene gaat. We lezen ook niet over een of andere reactie van Lazarus na zijn opwekking. Het gaat in dit hoofdstuk om de openbaring van de heerlijkheid van Jezus, en om het geloof van de discipelen. In vers 39 spreekt Martha over het lijk: “Heere, hij ruikt al, want hij ligt hier al voor de vierde dag.” Maar in vers 40 antwoordt Jezus haar: “Heb Ik u niet gezegd dat u, als u gelooft, de heerlijkheid van God zult zien?” Het geloof in Jezus die de Opstanding is, kan Martha wegvoeren uit het huis van de rouwenden, over haar gevoelens van rouw heen tillen, zodat ze niet langer het lijk ziet, maar de heerlijkheid van God die nu in deze opwekking openbaar wordt. En de gedachte achter het wonder is eigenlijk deze: als Jezus hier zichtbaar een gestorvene kan terugbrengen uit de dood, dan is Zijn woord ook waarachtig, dat iemand die geestelijk leven heeft ontvangen door het geloof in Jezus als de Zoon van God, nooit sterven zal, ook al sterft hij. Dat eeuwige leven dus nooit kan kwijtraken, ook al kan het aardse leven hier worden beëindigd. Lazarus was na zijn sterven in de heerlijkheid, in de schoot van Abraham zoals ze zeiden in die tijd. Hij is niet het slachtoffer dat moet worden gered. Martha en Maria zijn de rouwenden, die moeten leren dat het geloof en vertrouwen in Jezus ook tegenover de dood terecht is. In Jezus is het Leven. Nu, in geloof, moet dat Leven ook het Ligt zijn dat ieder mens verlicht. Kort gezegd: wij moeten het leven leren zien in het licht van de Zoon van God die het Leven is. We moeten Gods perspectief leren kennen.

Als je gelooft, zul je de heerlijkheid van God zien. Maar dan is eerst een volle confrontatie met de realiteit van de dood nodig. En dan lezen we in vers 38: “Jezus dan, opnieuw heftig bewogen in Zichzelf, kwam bij het graf.” Een heftige emotie grijpt Hem aan. Verontwaardiging over de dood en de zonden en de zorgen en de problemen van het menselijk leven. En deze confrontatie met de dood in zijn rauwe realiteit is nu ook nodig voor de omstanders. Vers 41: “Zij namen dan de steen weg waar de gestorvene lag.” Die steen was niet alleen nodig om mensen en dieren buiten het graf te houden, maar ook om de stank tegen te gaan. De Egyptenaren balsemden hun doden. De joden deden dat niet. Zij wilden helemaal niet in de buurt komen van een lijk. Wie een lijk aanraakte, was zeven dagen lang onrein. Ook daarom was er een steen over de ingang heen. En daarom was het graf ook een eind buiten het dorp. Daarom zegt Martha tegen Jezus: “hij ruikt al.” Zij wil niet dat de steen wordt weggerold. Zij verwacht helemaal niet dat ze de heerlijkheid van God zal zien, maar alleen het onsmakelijke bewijs van de tragische overwinning van de dood over het leven. Je kunt van alles en nog wat geloven, lijkt het, onder ons geloof zit een nog veel diepere overtuiging, en dat is de overtuiging dat de dood het laatste woord is.

Maar ze doen het toch. De steen wordt weggerold. Nu wordt de heerlijkheid van God zichtbaar. Op allerlei wijzen was die heerlijkheid in het Oude Testament al zichtbaar geweest. Als een pilaar van vuur, als wolk van licht in de woestijn. Als de rookwolk bij de inwijding van de tempel van Salomo. De discipelen hadden die heerlijkheid gezien als een verblindend licht op de berg – want die heerlijkheid was nu zichtbaar in een menselijk lichaam. En nu zien ze de heerlijkheid van God als de openbaring van het leven.

En dan komt het gebed van Jezus. Jezus spreekt uit dat de Vader Zijn gebed heeft verhoord. Dat hoeft Hij niet te bidden, maar dat alles is bestemd voor de oren van de toehoorders. Hij vraagt de Vader niet om iets te doen. De Vader hoeft Hem geen macht te verlenen, waarover de Zoon niet Zelf zou beschikken Jezus weet wat de Vader zal doen. En Hij weet dat het voor Zijn heerlijkheid bestemd is, die van de Zoon van God zelf. En de Vader en de Zoon zijn hierin één. En uiteraard spreekt Hij God aan als Zijn Vader. Er is maar één moment in Zijn leven dat Hij tot God heeft gesproken zonder de naam Vader te gebruiken en dat is aan het kruis. Toen Hij tot het Lam van God werd gemaakt dat de zonden droeg, heeft Hij gebeden met de woorden: “Mijn God, Mijn God et cetera.” En nu geeft de Zoon van God het leven aan Lazarus, opdat alle toehoorders en toeschouwers mogen weten dat Hij waarachtig en werkelijk God is. Niet dat Hij een gebed tot God moet richten dat de Vader zou verhoren. De omstanders horen het, “opdat zij geloven dat U Mij gezonden hebt.” Daar gaat het om.

En dan treedt de macht van Jezus op. Jezus roept hard en met een luide stem. Het staat er eigenlijk dubbel. Dit is een machtige stem vol van kracht. Iemand gaf eens het commentaar, dat die stem ook de meest welluidende moet zijn van alle stemmen in de wereld. En die stem, dat volle, krachtige en goddelijke spreken zegt nu een scheppingswoord: “Lazarus, kom naar buiten.” Hier is geen trucje, hier is geen bijzonder instrument, geen transplantaties, of cryogene technieken, hier is simpelweg het woord van de schepper die de dingen roept die niet zijn, zodat zij zijn. Hier is het rustige kalme spreken van Genesis 1, dat iets nieuws schept. En de opwekking van Lazarus is het onmiddellijke gevolg van Zijn woorden. Het zijn maar drie woorden: Lazarus, kom uit. (deute exoo) En het wonder gebeurt. Daar staan de mensen dan. Ze turen in het donker van de grot, hun neuzen dichtgeknepen voor de stank die ze verwachten. Er zijn geen bliksemflitsen, geen hemelse klanken, geen bovennatuurlijke verschijnselen maar er gebeurt iets heel simpels. “En de gestorvene kwam naar buiten.” Hoe kom je naar buiten, als je aan handen en voeten bent vastgebonden met linnen, je gelaat is omwikkeld met een doek? Maar de gestorvene heeft alle kracht gekregen die nodig is om naar buiten te komen, om aan het bevel van Jezus te kunnen gehoorzamen. Nul is het bewijs geleverd dat Jezus de overwinning heeft behaald over de zonde, de dood en de duivel. Hij is Degene die de sleutels heeft “van het rijk van de dood en van de dood zelf.” (Op. 1:18) En Hij heeft die sleutels gebruikt voor Lazarus, op dit bijzondere moment. En we kunnen het zeggen met Paulus: “Dood, waar is uw prikkel? Graf, waar is uw overwinning?” (1 Kor. 15:55) Christus behaalde de overwinning. En wij hebben die overwinning ontvangen: “Maar God zij dank, Die ons de overwinning” – dat is de overwinning over de dood – “geeft door onze Heere Jezus Christus.” (1 Kor. 15:57) Dat is een bijzonder gegeven, dat Jezus de overwinning over de dood niet alleen behaalde voor Zichzelf maar ook aan ons geschonken heeft. Zoals Hij Lazarus na de opwekking de kracht gaf om uit het graf te komen, en het rijk van de dood achter zich te laten.

Het vervolg is eenvoudig. Maak hem los, laat hem gaan. Er is geen verklaring nodig, er hoeft niets te worden uitgelegd over Lazarus, nu weten wij, toen wisten de discipelen wie Jezus werkelijk was. En het gevolg van dit alles? Vers 45: “Velen dan van de Joden die naar Maria toegekomen waren en gezien hadden wat Jezus gedaan had, geloofden in Hem.” Prachtig. Hoe was het ook mogelijk om niet te geloven wat ze met eigen ogen hadden gezien. En daar ging het natuurlijk om. Maar net als bij de verlamde in Bethesda, kun je het zien en geloven, en toch weigeren om Jezus te vertrouwen. Vers 46: “Maar sommigen van hen gingen naar de Farizeeën en zeiden tegen hem wat Jezus gedaan had.” Geloofden zij het wonder? Vermoedelijk wel. Geloofden zij in Jezus als de Zoon van God? Neen, zeker niet. Uiteindelijk is het wonderteken niet voldoende om te geloven. Sommige mensen zullen het nodig hebben, voor anderen is het niet nodig. Nooit is het wonder beslissend in het geloof. Als Thomas aan het eind van het evangelie Jezus heeft gezien, Zijn handen heeft bekeken en met zijn vinger het litteken van de spijkers heeft betast, komt Thomas tot geloof. En dan zegt Jezus iets wat in dit verband zeer belangrijk is: “zalig zijn zij die niet gezien zullen hebben” – die geen wonderteken hebben meegemaakt – “en toch zullen geloven.” Geloven dat is geloven op grond van het getuigenis, dat is geloven omdat het woord van God je ziel raakt, dat is geloven omdat de heilige Geest de Zoon van God aan je geest voorstelt, je geweten raakt, je verstand doet buigen, en jouw wil om de wil van God te doen tot de krachtbron maakt van je leven. Dan en alleen dan zul je werkelijk geloven in de Zoon van God.

Johannes (56) – Jezus weende

Joh. 11:28-35

Gelooft u dat? Jezus zegt tegen Martha dat Hij de Opstanding en het Leven is. Geloof je dat, Martha? En Martha zegt: “Ja, Heere.” Ze heeft al geloofd dat Hij “de Christus is, de Zoon van God, Die in de wereld komen zou.” Zij weet nog niets over de kruisiging en Zijn opstanding. Dat moest nog gebeuren. Martha is een voorbeeld van een gelovige onder het verbond van God met Israël. Wij zijn gelovigen van het nieuwe verbond, omdat wij leven na de opstanding. Maar eigenlijk zijn wij niet te beschouwen als twee verschillende soorten van gelovigen. Martha geloofde in de Zoon van God, evenals wij.

Geloof je het evangelie? Bij alles wat we gelezen hebben uit het evangelie naar Johannes is dat in zekere zin de kernvraag. Je leest het, je neemt er kennis van, maar geloof je het ook? Als je het niet gelooft, dan is het niet omdat er geen betrouwbare getuigenissen zijn geweest. Het is niet de dwingende reden om het evangelie te geloven, want geloof is geen verstandelijk inzicht maar het buigen van de wil voor God, maar het zijn wel die getuigenissen die je ertoe kunnen brengen. Als je eenmaal het wonder hebt meegemaakt dat je het gelooft, valt het wel op hoeveel getuigen het geloof onderbouwen. Er zijn ooggetuigen geweest van de opwekking van Lazarus, er zijn ooggetuigen geweest van het lege graf en de verschijningen van Jezus na Zijn opstanding, en op een enkel moment was er zelfs een verschijning van Jezus aan meer dan 500 mensen.

Vanuit de veilige afstand die wij nu hebben in de tijd, is dat makkelijk aan te vechten. De getuigen hebben gelogen, zijn misleid, zijn verzonnen door de schrijver van dit evangelie. Je kunt die vraag te stellen. Maar dat het mogelijk is om een getuige aan te vechten, maakt die getuigen niet onbetrouwbaar. Om een getuigenis te weerleggen, moet je er een ander getuigenis naast kunnen leggen dat het tegenspreekt. Een getuige dus die kan verklaren, dat de opwekking van Lazarus niet heeft plaatsgevonden, Jezus niet is verschenen, er een dringende reden was om te liegen. Maar dat is wat modern ongeloof nooit doet. Als in een rechtszaak vele getuigen komen uitleggen wat naar hun beleving de ware toedracht is, en nergens getuigen kunnen worden gevonden die het tegendeel beweren, wat zal normaal gesproken een rechter dan doen?

Wat het moderne ongeloof altijd doet, is niet wat het zou moeten doen, nl. een getuige produceren die geloofwaardig het tegendeel beweert, maar het doet sinds de 18e eeuw een beroep op algemeen erkende wetenschappelijke inzichten. Zo kun je leren van de medische wetenschap en de biologie, dat het lichaam van een gestorvene na vier dagen in het graf zozeer aan bederf onderhevig is geweest, dat het ondenkbaar is dat we met schijndood te maken hebben. Zo kun je leren van de medische wetenschap dat opstandingen uit de dood niet plaatsvinden omdat dat een wetenschappelijke onmogelijkheid is. Het bederf waaraan een lijk onderhevig is, kan niet worden teruggedraaid; dat is ook een algemene wet in het heelal. Er is geen proces denkbaar waarmee je een gebakken ei weer kunt omvormen tot een rauw ei. Maar de getuigen van de opwekking van Lazarus zijn ook niet ooggetuigen geweest van een natuurwet in actie. Ze hebben een daad van de schepper meegemaakt. Als je van tevoren uitsluit, op grond van een principieel ongeloof, dat er een God is die het onmogelijke kan laten gebeuren, die iets uit niets kan laten ontstaan, die spreekt en het is er, dan moet je de getuigen van het nieuwe testament principieel afwijzen.

In het 11e hoofdstuk van dit evangelie wordt duidelijk dat de getuigen van de opwekking van Lazarus in ieder geval geen misleide mensen waren, maar dat zij zelf helemaal niet van tevoren al geloofden in de mogelijkheid van een opwekking uit de doden. Martha gelooft dat haar broer weer zal leven op de laatste dag, maar zij gelooft niet dat Jezus bij machte is om het daar en toen ook al te laten plaatsvinden. Datzelfde geldt voor Maria. Hun “vooroordeel” was gebaseerd op vroegere ervaringen. Zij wisten dat Jezus iemand kon genezen, kon redden van de dood, en misschien zelfs uit de dood kon terughalen als iemand net gestorven was. Maar ook zij begrepen, dat het gebakken ei geen rauw ei kan worden, dat het verval van het lijk van Lazarus niet kon worden teruggedraaid. Of zij dat nu begrepen met wetenschappelijk inzicht of door hun normale verstand, maakt in zekere zin niets uit. Zij zijn getuige geweest van iets, wat tegen hun levenservaring en verstand en zelfs hun geloof inging. Zij wisten: Lazarus is gestorven, wij hebben hem begraven, hij is nu vier dagen in het graf, zijn lichaam is bezig uiteen te vallen. Einde verhaal.

Martha gelooft wat Jezus tegen haar gezegd heeft, omdat zij Jezus vertrouwde. Maar het is de vraag of zij het heeft begrepen, en het is de vraag of haar geloof al tot zekerheid gerijpt was. In vers 28 gaat Martha bij Jezus weg om Maria te roepen. Het lijkt erop dat Jezus haar die opdracht ook heeft gegeven want Martha zegt tegen haar zuster: “de Meester is er en Hij roept u.” Jezus blijft nog even buiten het dorp staan. We lezen in vers 29 dat Maria meteen naar Hem toe gaat. Maar Maria komt niet alleen. Vers 31: “toen dan de Joden, die met haar in het huis waren en haar troostten, zagen dat Maria snel opstond en naar buiten ging, volgden zij haar en zeiden: Ze gaat naar het graf om daar te huilen.” Zo is er straks een grote groep van getuigen.

Maria is ontroostbaar. Zelfs na vier dagen heeft het verdriet haar nog steeds volledig in de greep. En ook het verwijt is nog sterk in haar hart, dat waarschijnlijk door Martha bedacht is en aan Maria is doorgegeven. “Heere, als U hier geweest was, zou mijn broer niet gestorven zijn.” Maria huilt en de Joden die met haar meegekomen waren huilden ook. Het is een sterk woord in het Grieks. (klaioo) Het is snikken, en weeklagen, vanwege een verdriet dat zo sterk is, dat heel je lichaam ervan schokt. En dan horen we van de reactie van Jezus in vers 33: “Toen Jezus haar dan zag huilen, en ook de Joden die met haar meekwamen, zag huilen, werd Hij heftig in de geest bewogen en raakte innerlijk in beroering.” Wat betekent dat, “innerlijk in beroering” zijn? Het kan betekenen dat je diepe emoties voelt, het kan betekenen dat je heel erg boos bent of verontwaardigd. Het is een innerlijk kreunen, een pijn in je ingewanden en verwarring. Verdriet, gelatenheid, lijdzaamheid, woede – al die emoties grijpen Jezus aan in Zijn geest. Letterlijk staat er: “bracht Zichzelf in beroering.” Ik denk dat dat betekent dat Jezus hier toelaat om te voelen wat Maria en haar bezoekers gevoeld hebben. Is dat niet wat de brief aan de Hebreeën ons ook duidelijk maakt? Jezus moest deel krijgen aan vlees en bloed (Heb. 2:14) en in alles aan Zijn broeders gelijk worden (Heb. 2:17). Daarom mogen we weten dat Jezus waarachtig begrijpt wat het betekent om iemand te verliezen die je liefhebt – Lazarus heet ook een vriend van Jezus: “hij die U lief hebt, is ziek.” (Joh. 11:3) Maar Jezus voelt hier ook de pijn vanwege het ongeloof dat dit verdriet bij Martha en Maria heeft gevoed. Jezus begrijpt de pijn en het lijden van elk mens, ook van degene die zichzelf door hun ongeloof van God hebben vervreemd.

Het is opvallend dat Martha en Maria en hun gasten naar Hem toe moeten komen. Waarom is dat? Waarom gaat Jezus niet het huis van de rouw binnen? Ik denk dat dit de reden is. Om te zien dat Hij de macht over de dood heeft, moeten ze het huis van rouw verlaten. Ik denk dat daar een prachtige betekenis in ligt. Ze verlaten het huis van de rouw, waar ze aan hun eigen gevoelens zijn overgelaten, om naar het graf toe te gaan. Dat betekent dat ze de dood en alle realiteit van het menselijke sterven onder ogen moeten zien. Niet opgesloten raken in je verdriet, maar de oorzaak ervan onder ogen zien, dat is het eerste. Ze gaan daarom naar het graf. Maar daardoor komen ze ook bij Jezus, die daar al is. Hij is aanwezig in en bij die realiteit van de dood. Hij heeft net uitgesproken dat Hij de Opstanding en het Leven is. Hij heeft de dood tegengesproken, althans duidelijk gemaakt dat de dood niet het laatste Woord heeft, maar dat Hij dit laatste Woord spreken zal. Die twee dingen gaan dus samen.

En misschien kun je als derde element de rouwklacht noemen, het werkelijk beleven en ervaren van het tragische van de dood. Die machtiger lijkt te zijn dan liefde. Jezus houdt hen niet tegen in hun verdriet, in hun huilen. Hij huilt ook en er staat zelfs dat Hij weende. Daarmee wordt tegen iedereen gezegd dat het verdriet van het afscheid menselijk en waarachtig is. De Stoïcijnen zouden het niet goedkeuren, en zouden zeggen dat je je wijsgerige onverstoorbaarheid zelfs niet moet verliezen tegenover de dood. De Pythagoreeërs zouden zeggen dat je niet hoeft te wenen bij een graf, omdat de onsterfelijke ziel toch wel weer in een ander lichaam zal terugkeren. Maar voor Jezus is dit huilen en weeklagen terecht, het is een uiting van liefde die iemand wil vasthouden, het is een uiting van dankbaarheid en waardering voor het menselijke leven dat zo kort is, maar toch zo’n prachtig geschenk van de Schepper. Daarom hoort dat erbij.

Deze drie dingen zijn dus de voorbereiding: het huis van de rouw verlaten om naar het graf gegaan, om naar Jezus te gaan, in het volle besef van de realiteit van de dood. Om dan te ontdekken dat Jezus niet is gekomen om mensen aan die pijn, aan die tragische ervaring van het definitieve verlies, aan de macht van de dood en de duivel over te laten. Hij is gekomen om hun geloof te wekken zodat ze daarvan verlost zouden worden. Daarom vraagt Hij waar ze Lazarus hebben gelegd. Niet dat Hij niet weet waar dat graf is, maar Hij vraagt het opdat allen met Hem mee zouden gaan.

En dan komen we bij vers 35, het kortste vers in de bijbel, slechts twee woorden. “Jezus weende.” Hier wordt een ander woord gebruikt dan wat we net tegenkwamen. (Niet klaioo, maar dakruoo.) Dit is niet het luide, expressieve “huilen” en weeklagen van Maria, maar dit woord betekent dat plotseling de tranen over je wangen biggelen, het is een stil janken, een uitbarsting van verdriet naar binnen toe, zonder geluid. Dit is de Man van smarten uit Jesaja 53. Dit is de Man van wie gezegd wordt dat Hij ons leed heeft gedragen, die de ziekte van anderen heeft gedragen evenals hun zonden. En zo, midden in het evangelie dat ons Jezus voorstelt als de waarachtige en volmaakte Zoon van God, is Hij volledig en volmaakt de Zoon des mensen. Jezus weende. Wanneer Hij ziet wat er omgaat in de harten van Maria en Martha, dan voelt Hij Zijn eigen verlies, en het verlies van de zusters, en hij voelt het ongeloof van de menigte, en de pijn van alle mensen in alle tijden. Dit is de barmhartige en getrouwe Hogepriester, die mee kan voelen met de gelovigen, en daarom namens ons kan pleiten bij God. Hij is een Hogepriester die “medelijden kan hebben met onze zwakheden, en die in alles op dezelfde wijze is verzocht, maar zonder zonde.” (Heb. 4:15)

Johannes (55) – De Opstanding en het Leven

Joh. 11:16 – 27

We hebben de vorige keer gesproken over de reactie van de discipelen. Zij kenden Lazarus vermoedelijk heel goed. Dat zal de reden zijn dat Jezus naar hem verwijst met de woorden “onze vriend.” Maar misschien ook wel de reden dat Hij naar het sterven van Lazarus verwijst met het beeld van de slaap. “Ik ga naar hem toe om hem uit de slaap op te wekken.” Zij begrijpen die uitdrukking niet meteen, en denken dat het beter is om Lazarus te laten slapen, dat zal zijn genezing bevorderen. (Wonderlijk eigenlijk, want op vele plaatsen in het OT wordt de dood aangeduid met de term slaap, zo bij voorbeeld in Daniël 12:2.) Wanneer Jezus dan ronduit tegen de discipelen zegt dat Lazarus gestorven is – een bewijs van Zijn alwetendheid – zegt Hij erbij, dat Hij blij is over wat nu gaat gebeuren, want het is “opdat u gelooft.” Dat was het doel: het geloof van de discipelen te versterken. Wat moest er dan versterkt worden?

In het vorige hoofdstuk heb ik al op een paar mogelijkheden gewezen. Bijvoorbeeld dat de discipelen tot dusver alleen genezingen hebben meegemaakt om zo te zeggen aan deze kant van de dood. De opwekking van de dochter van Jaïrus vond meteen na het sterven plaats. In het wereldbeeld van de mensen in die tijd, werd er gezegd dat de ziel van een mens nog enige tijd na het sterven in de buurt van het lichaam bleef, boven het lichaam bleef zweven, zodat die ziel af en toe kon terugkeren. Men had ongetwijfeld gevallen van schijndood meegemaakt. Daarom blijft de macht van Jezus over de dood voor het geloof nog een moeilijke zaak. De opwekking van Lazarus zou aan dat halfslachtige geloof of zelfs ongeloof een einde moeten maken.

Bij Thomas is er nog een andere reden zichtbaar. Daarover lezen we in vers 16. We lezen niet dat de discipelen iets tegen Jezus hebben gezegd. Thomas spreekt ook niet Jezus aan, maar de andere discipelen. En wat hij zegt is dit: “Laten ook wij gaan om met Hem te sterven.” Jezus gaat immers terug naar Judea waar de joodse leiders hebben geprobeerd Hem te stenigen. Aan de ene kant zie je dus bij Thomas het ongeloof. Hij vertrouwt er niet op dat Jezus weet wat Hij doet. Maar aan de andere kant zie je de gelovige aanhankelijkheid. Dit is zelfs een man met een sterk geloof. Hij heeft de boodschap van Jezus begrepen zoals we die lezen in Lukas 9:23, “Als iemand achter Mij wil komen, moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis dagelijks opnemen en Mij volgen.” Liever sterven met Jezus in Jeruzalem, dan je veilig terugtrekken en Hem Zijn eigen weg maar alleen laten gaan. Thomas wil samen met Jezus optrekken. Desnoods tot de dood aan toe als het blijkbaar niet anders kan. Maar toch is het ongeloof! Die dubbelzinnige houding zullen we bij Thomas later in dit evangelie nog eens aantreffen.

Wanneer ze aankomen in Bethanië heeft Lazarus al vier dagen in het graf gelegen. De eerste dag was de dag dat de boodschapper Jezus kwam roepen. Dan de twee dagen waarover we lezen dat Jezus in dat andere Bethanië, aan de andere kant van de Jordaan verbleef. En dan nog een dagreis om in het dorpje van Maria en Martha aan te komen. Vier dagen in het graf. In de opvatting van die tijd was het dan absoluut zeker dat iemand was overleden en bovendien was de begrafenis al op de eerste dag geweest. De dood heeft weer een slachtoffer gemaakt. We kunnen dan rouwen en huilen maar het verlies is onherroepelijk. De zekerheid van de dood en de macht van de dood zijn zo sterk, dat het net lijkt alsof het geloof in Jezus Christus er halt voor moet maken. Alsof de dood een grens is waartegen alle woorden en verzekeringen van Jezus niet zijn opgewassen. Niemand heeft geloofd en verwacht dat Jezus bij machte was om de dood te overwinnen.

En het is ook een belangrijke les die we moeten leren. Wat zegt onze menselijke ervaring ons over de dood? Prediker 8:8 houdt het ons ook voor: “Er is geen mens die macht heeft over de geest, om de geest in te houden. Hij heeft geen zeggenschap over de dag van de dood, er is geen vrijstelling in deze strijd.” We weten niet wanneer we zullen sterven. In het boek Job beschrijft Bildad de verschrikking van de doodsangst. “Over de dag van zijn ondergang zullen zij die na hem komen ontzet zijn, en de ouderen zullen met schrik bevangen worden; zijn vertrouwen zal uit zijn tent gerukt worden; dat doet hem voortschrijden naar de koning van de verschrikkingen (dat is de dood); de gedachtenis aan hem zal van de aarde vergaan, en hij zal geen naam hebben op de straten.” Zoals de Psalm het zegt: zijn plaats kent hem niet meer. Wég zijn we, verdwenen. De wereld gaat door, maar wij doen niet meer mee. Onverdraaglijke gedachte eigenlijk. En Job zelf zegt het in hoofdstuk 14: “Maar een man sterft en is krachteloos; als een mens de geest geeft, waar is hij dan? Het water loopt weg uit een meer, en een rivier verzandt en valt droog. Zo gaat een mens liggen, en hij staat niet meer op. Totdat de hemel er niet meer is, zullen zij niet ontwaken of opgewekt worden uit hun slaap.” (Job 14:10-12) Hieruit hadden de discipelen trouwens al kunnen weten dat “slaapt” kan betekenen: “is gestorven.” En deze onvermijdelijke dood werpt ook zijn schaduw vooruit, zoals Paulus ons herinnert in 1 Timotheus 6:7, “Want wij hebben niets de wereld ingedragen, het is duidelijk dat zij ook niets daaruit kunnen wegdragen.” Dat is in positieve zin, opdat wij niet te zeer zouden vasthouden aan ons bezit. En in het 16e vers zegt hij ook nog, dat God “als enige onsterfelijkheid bezit en een ontoegankelijk licht bewoont.” Dat is ons menselijke perspectief. Alleen God is onsterfelijk, doodsangst is terecht, de dood komt onverwacht en is onherroepelijk het einde van ons bestaan.

Het menselijke woord dat voor ons vanzelfsprekend is, luidt heel eenvoudig: alle mensen zijn sterfelijk. Ik ben een mens. Dus ook ik ben sterfelijk. Maar hoe luidt het goddelijke woord? Dat klinkt anders: Elk mens zal eeuwig leven. Dat is het woord van de Schepper Zelf. Je zult uit de doden worden opgewekt, elk mens. “Er komt een tijd”, zegt Jezus in Johannes 5:28, dat “allen die in de graven zijn, Zijn  – d.i. van de Zoon van God – stem zullen horen, en zij zullen er uitgaan.” Dat is de macht van de Zoon van God, die Hem door de Vader is gegeven. De dood is voor niemand het einde. De vraag is alleen wat de kwaliteit is van dat eeuwige leven dat met volle kracht aanbreekt op het moment van de dood. Dat eeuwige leven kan het leven zijn zonder God, gevuld met schaamte en schuldbesef, omdat je God hebt afgewezen, de Zoon van God niet hebt erkend. Of het is een leven met God, in de kracht van de verzoening, vol van de heerlijkheid die de Zoon van God met je delen wil. En er is maar één Weg naar die eeuwigheid, en dat is de deur van de schaapskooi, dat is het volgen van de stem van de goede Herder, dat is door het geloof in Jezus Christus die Zichzelf voor mij heeft overgegeven in de dood opdat ik voor eeuwig bij Hem zou zijn.Ik weet niet wat God uiteindelijk doen zal met degenen die Hem hebben afgewezen. Maar het evangelie is helder: wie niet gelooft dat Jezus de Zoon van God is, zullen een opstanding tot verdoemenis doormaken. (Joh. 5:29)

De discipelen zijn op dit moment nog niet in staat om ook te geloven dat Jezus daadwerkelijk de macht over leven en dood heeft. Zoals ze ook later niet bereid zijn om te geloven in de opstanding van Jezus. Dat zal nu al blijken. Wanneer Jezus het dorpje nadert, gaat Martha Hem tegemoet en Maria blijft thuis. Misschien heeft de boodschapper die met Hem was teruggekeerd, haar al eerder gewaarschuwd dat Jezus onderweg is. Daarom weet Martha dat Hij op komst is. Maria heeft die boodschap blijkbaar niet ontvangen, en zit vol verdriet nog steeds thuis. Er komt geen verwijtend woord over de lippen van Martha. In vers 21 zegt ze tegen Jezus: “Heere, als U hier geweest was, zou mijn broer niet gestorven zijn.” Het is alsof ze zegt, “maar nu hij eenmaal gestorven is, is er niets meer aan te doen. U had Lazarus kunnen genezen als die nog in leven was geweest.” Misschien hebben Maria en Martha daar samen over gesproken. Waarom is Jezus niet gekomen? Waarom heeft Hij niet met een woord van gezag, zelfs van grote afstand, Lazarus zijn vriend genezen? Maar er is een klein beetje hoop in Martha. Vers 22: “maar ook nu” – ondanks het feit dat Lazarus gestorven is – “weet ik dat God U alles wat U van God vraagt, geven zal.”

Martha heeft een goed beeld van Jezus. Zij noemt hem “Heere”, zij gelooft in Hem als de Christus, de Zoon van God, de beloofde Messias die uit de hemel is gekomen – zoals zal blijken in vers 27. En in vers 22 blijkt duidelijk dat zij beseft wat de relatie is tussen de Vader en de Zoon. Alles wat de Zoon zal vragen, zal de Vader Hem geven. God de Vader en God de Zoon zijn in perfecte harmonie met elkaar. Dat alles begrijpt ze en gelooft ze. En daarom spreek ze de woorden van vers 22. “Ook nu weet ik et cetera”.

Dan komt het antwoord van Jezus. Het is kort en krachtig. Vers 23: “Jezus zei tegen haar: Uw broer zal weer opstaan.” Dan blijkt dat Martha zelfs nog meer gelooft. Zij weet dat er een toekomstige opstanding is. Dat wist ze ook vanuit het Oude Testament. Zo had Job het al gezegd (Job 19:25-27): “Ik weet echter: mijn Verlosser leeft, en Hij zal ten laatste over het stof (mij doen) opstaan. En als zij na mijn huid dit (ook) doorknaagd hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen. Ikzelf zal Hem aanschouwen, en mijn ogen zullen Hem zien, niet een vreemde; mijn nieren bezwijken van verlangen in mijn binnenste.” Ze kende ook de profetie van Daniel 12:2, “En velen van hen die slapen in het stof van de aarde, zullen ontwaken, sommigen tot eeuwig leven, anderen tot smaad, tot eeuwig afgrijzen.” En ze wist ongetwijfeld wat Jezus zelf gezegd had in het 6e hoofdstuk van Johannes, in vers 40: “ieder die de Zoon ziet en in Hem gelooft, [heeft] eeuwig leven […], en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.”

Dat is prachtige theologie, maar de goddelijke realiteit gaat daar nog bovenuit. De theologie van Martha zegt: “Ik weet dat hij zal opstaan bij de opstanding op de laatste dag.” Dat is catechese. Dat is theologie. Dat gaat over de toekomst. Maar dan komt het antwoord van Jezus in vers 25: “Ik ben de Opstanding en het Leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al was hij gestorven.” Dat is de 5e keer dat Jezus de naam van God gebruikt, Ik Ben. Hij zegt niet dat Hij in staat is om doden op te wekken, of dat Hij het aan God de Vader vragen kan. Hij bedoelt niet de opstanding op de laatste dag. Het gaat om Zijn Persoon hier en nu. Hij zegt dat Hij Zelf de Opstanding is. “Geloof je, Martha, dat Ik de Opstanding en het Leven ben, in eigen persoon, Ik Zelf?” Net als in het 14e hoofdstuk: “Ik ben de Weg, de Waarheid, en het Leven.” Dat is niet iets van de toekomst, het is geen vrome wens of theologische constructie. Hij is dit alles Zelf, op een goddelijke manier, op een volstrekte en absolute manier. En nu komt het erop aan. Het einde van vers 26: “gelooft u dat?” Deze Jezus heeft alles geschapen wat leeft, deze Jezus is Zelf uit de doden opgestaan, deze Jezus leeft Zijn goddelijke en eeuwige leven en schenkt het aan ons. Geloof je dat? Dat is het doel van al deze getuigenissen die Johannes hier verzameld heeft in zijn evangelie. Niet alleen dat je overtuigd raakt van de waarheid ervan of onder de indruk van de vroomheid die erin ligt. Maar dat je het op een heel persoonlijke wijze aanneemt, erkent, vertrouwt, je leven ernaar inricht, dat dit het uitgangspunt en het doel wordt van al je handelingen en gedachten. Hij is de Opstanding en het Leven – voor mij, in mij, tot mijn heil. Ik kan hier niet voldoende benadrukken hoe belangrijk het is dat je een dergelijke waarheid persoonlijk aanneemt en erkent.

Heeft Martha dit alles begrepen? Zij geeft haar antwoord in vers 27. Ze zegt niet, “ja Heere, ik geloof dat U de Opstanding en het Leven bent.” Maar Jezus was nog niet opgestaan uit de doden, en Hij had Zijn leven nog niet gegeven op het kruis. Ze kon op dat moment niet meer bevestigen dan waarvan ze al overtuigd was geraakt. Toch is dat geloof niet afgesloten maar staat open voor de realiteit die Jezus hier heeft aangekondigd. En die Hij in de opwekking van Lazarus heel even al zichtbaar maakte. Zij herhaalt voor het moment de inhoud van haar geloof: “Ja, Heere, ik geloof dat U de Christus bent, de Zoon van God, Die in de wereld komen zou.” Dat is de basis. Martha is een voorbeeld van een gelovige uit Israël, toen de heilige Geest er nog niet was, en de kruisiging en de opstanding nog niet hadden plaatsgevonden. En ondanks het feit dat al die dingen nog niet gebeurd zijn, gelooft zij volledig in de persoon van Christus, erkent zij Hem als de Zoon van God – de titel waarin al het andere besloten ligt. Daarmee is zij voorbereid op het geloof in de gekruisigde en opgestane Heer Jezus Christus.

Wie dat niet gelooft, is al veroordeeld – zegt Johannes. Wie dat niet gelooft, weigert om de vele getuigenissen te aanvaarden die over Jezus zijn gegeven. De getuigenissen van de Bijbelse tekst in de eerste plaats, en de getuigenissen van andere christenen in het heden in de tweede plaats. Ongeloof is vooral een weigering om te erkennen wat je door een ander verteld wordt, waarvan een getuigenis wordt afgelegd. Het is het sluiten van de deur, maar zelf leidt het nergens toe. Ongeloof is negatief en een weigering. Martha daarentegen erkent Jezus op grond van Zijn eigen woorden, Zijn eigen optreden en Zijn daden, en de getuigenissen van de andere discipelen. Zij ziet Hem en zij gelooft in Hem. Het is niet zo dat mensen niet in Jezus geloven, omdat ze zo vol zijn van rechtvaardigheid en heiligheid, en God ook liefhebben zonder Hem. Het is niet waar dat diegenen die niet in Jezus geloven, rechtvaardige mensen zijn met een scherp gevoel voor de waarheid. Wij zijn allen zondaars. Het is een deel van het geloof, om dat tegenover God te aanvaarden en bij die God om verlossing en verzoening te smeken. En wie dat doet, doet het niet tevergeefs. Ieder die in Hem gelooft, zal voor eeuwig de heerlijkheid van de Zoon van God mogen delen.

Johannes (54) – Ziekte tot heerlijkheid

Joh. 11:1-15

We komen nu bij het zevende teken dat in dit evangelie vermeld wordt. Het is de opwekking van Lazarus uit de dood. En we kennen dit verhaal waarschijnlijk heel goed, maar het hoofdstuk zit vol met belangrijke details die we in vier hoofdstukken zullen bespreken. We hebben in de afgelopen hoofdstukken van Johannes gezien hoe het ongeloof van de joodse leiders steeds sterker en heftiger wordt. Aan het eind van het vorige hoofdstuk vertrekt Jezus uit Judea en keert terug naar de plaats waar Johannes de Doper gedoopt heeft. Hij is nu in Bethanië aan de overzijde van de Jordaan. Voor de duidelijkheid: dat is niet het Bethanië dat vlakbij Jeruzalem ligt. Er waren vele plaatsen die Bethanië heetten. De naam betekent “huis van de armen” en dat mogen we letterlijk nemen. De familie van Lazarus – de vader is vermoedelijk gestorven en Lazarus zorgt voor zijn zusters – is arm. Wel interessant dat bij de begrafenis van Lazarus zovelen uit Judea zijn gekomen en hij dus vermoedelijk bekend stond als een vroom man en respect genoot in de kringen van de farizeeën. Maar goed, Jezus is nu volgens hoofdstuk 10 in Bethanië aan de overzijde van de Jordaan, en in hoofdstuk 11 gaat het over Lazarus van het Bethanië bij Jeruzalem.

We horen dat deze Lazarus ziek was. Er wordt niet bij verteld wat zijn ziekte geweest is. We krijgen een korte omschrijving van Lazarus, door een verwijzing naar zijn beide zusters: Maria en Martha. Dit is een gezin waar Jezus zeer op gesteld geweest is. Zo lezen we ook in vers 5: “Jezus nu had Martha en haar zuster en Lazarus lief.” En daar was veel reden voor. Vers 2 vertelt ons heel kort, dat deze Maria het was, die Jezus heeft gezalfd met mirre; een gebeurtenis waar hoofdstuk 12 ons over vertelt. En vers 3 maakt duidelijk dat Jezus een bijzondere band had met Lazarus. Wanneer de zusters aan Jezus berichten dat hun broer ziek is, zeggen ze: “hij die U lief hebt, is ziek.” Het Griekse werkwoord filein wordt hier gebruikt voor liefhebben. Jezus had hem lief als een vriend, filos in het Grieks. Als de Zoon van God heeft Hij de Zijnen liefgehad tot het einde, dat lezen we in hoofdstuk 13. En in vers 5 horen we dat ook. Daar lezen we: “Jezus nu had Martha en haar zuster en Lazarus lief.” Daar wordt de goddelijke liefde mee bedoeld. Die liefde wordt aangeduid met het Griekse woord agapè. Dat is de goddelijke liefde die zichzelf weet op te offeren. Maar hier in vers 3 is het filia, vriendschap. En eigenlijk is dat heel ontroerend. Meestal als we zeggen dat Jezus waarachtig mens is geweest, dan denken we aan het lijden dat ook Hij heeft doorgemaakt als mens op aarde. Hij heeft honger gevoeld, dorst gehad, heeft ook zelf bepaalde ziektes doorgemaakt en reageerde emotioneel op de woorden van mensen. Maar Zijn menselijkheid bleek toch vooral uit de manier waarop Hij verbonden was met mensen, bleek uit de relaties waarin Hij stond. Hij heeft Zijn moeder liefgehad, en voor zijn broers en zusters gezorgd na het overlijden van Jozef, en vond een vriend in Lazarus. Prachtig eigenlijk, dat de Zoon van God blijkbaar ook een aardse vriend nodig had, die probeerde voor Hem te zorgen.

“Hij die U liefhebt, is ziek.” Die boodschap krijgt Jezus nu te horen. Maar Zijn reactie is heel anders dan je zou verwachten. Hij heeft de blindgeborene genezen, de verlamde weer laten lopen, Hij heeft een menigte van zieken genezen. Zou Hij dan niet bereid zijn geweest een klein wonder te verrichten voor een vriend van Hem? Het wonder in Kana was immers ook in familiekring, en geen openbaar teken van Zijn macht. Hij had maar een woord hoeven spreken, zoals bij de zoon van de hoveling, en Lazarus zou genezen zijn. Maar we vinden dat niet. De ziekte van Lazarus, zegt Jezus, “is niet tot de dood, maar is er met het oog op de heerlijkheid van God.” Die ziekte is niet uitgelokt door de gevallen natuur waarin we leven, waar ziektekiemen zijn en ongelukken gebeuren. Wat Jezus zegt is, dat God Zelf hier achter zit. Deze ziekte heeft een doel. Dat mag je je steeds afvragen, bij elke ziekte. Is dit een gevolg van een verdorven natuur die nog niet verlost is – een gevolg van het toeval of de pech die je in dit leven kunt hebben –, of is dit een gevolg van Gods ingrijpen “met het oog op Zijn heerlijkheid”?

De uitdrukking “tot de dood” kan niet betekenen, dat dit een ziekte is waaraan Lazarus niet zou sterven. Want dat gebeurde duidelijk wel. Maar het is net als met de uitdrukking “doop tot vergeving van zonden”, of dopen “tot de Naam van Jezus”. Het woordje “tot” betekent dan zoiets als: in relatie tot of in het machtsgebied van. Wie tot de Naam van Jezus gedoopt is, komt daardoor in het machtsgebied van die Naam. En wie tot vergeving van zonden gedoopt is, heeft berouw getoond en boete gedaan en is daardoor in de werkingssfeer van de vergeving der zonden gekomen. Zo wordt het woord hier ook gebruikt. Deze ziekte, zegt Jezus, behoort niet tot het machtsgebied van de dood, is geen pech of een natuurlijk ongeval. Deze ziekte behoort tot het machtsgebied van Gods heerlijkheid.

Het doel van dit wonder is dan ook om de macht en de soevereiniteit van de Heer Jezus Christus te laten zien. Maar aan wie dan? In het verhaal dat Jezus vertelt over de rijke man en Lazarus, in Lukas 16, zegt Abraham dat iemand die niet naar Mozes en de profeten luistert, “zich ook niet zal laten overtuigen, als iemand uit de doden zou opstaan.” De opwekking van Lazarus is niet bedoeld om de joodse leiders te overtuigen. Net als het wonder in Kana lijkt het de bedoeling te zijn, om het geloof van de discipelen te versterken. Daarom zegt Jezus in vers 15: “Ik ben blij voor u dat Ik daar niet was, opdat u gelooft.” Al heeft het ook het gevolg, zoals we lezen in vers 45, dat vele Joden die het wonder hebben meegemaakt ook in Jezus gaan geloven. Dat is de positieve kant.

Maar het heeft ook het gevolg, het tegendeel daarvan, dat sommigen deze gebeurtenis berichten aan de farizeeën en dat de overpriesters en farizeeën op grond daarvan uiteindelijk het besluit nemen om Jezus dat jaar nog te vermoorden. Dat vinden we vanaf vers 46. Ook dat is een bedoeld gevolg van de opwekking van Lazarus. Dat maakt deze gebeurtenis zo belangrijk. Want er is dit drievoudige doel: de heerlijkheid van God demonstreren zoals bij elke wonderteken, vervolgens het geloof van de discipelen versterken, maar tenslotte wilde God hiermee ook het verzet van de joodse leiders naar het hoogtepunt brengen, zodat zij nu de executie van Jezus gaan beramen. Prachtig om te zien hoe God de gebeurtenissen leidt, zodat Jezus inderdaad het Lam van God zou worden. Ook van het ongeloof van de joodse leiders kan God gebruikmaken in Zijn voorzienigheid. Dat neemt hun verantwoordelijkheid niet weg, en ze staan schuldig voor wat ze gedaan hebben maar het laat zien hoe onmachtig uiteindelijk het ongeloof is.

Vanaf vers 6 tot en met 11 gaat het nu over deze versterking van het geloof van de discipelen. Hoewel Jezus weet dat Lazarus ziek is blijft Hij nog twee dagen aan de overkant van de Jordaan. Blijkbaar hebben de discipelen Hem niet durven vragen waarom Hij Lazarus niet genezen heeft. Misschien hebben ze helemaal niet beseft hoe ernstig ziek Lazarus is geweest. In ieder geval overvalt Jezus blijkbaar de discipelen in vers 7 met de woorden “Laten wij weer naar Judea gaan.” Dat is in hun ogen een opmerkelijk en gevaarlijk plan. Daarom reageren ze met verbazing en zorg. Tijdens Zijn laatste verblijf tijdens het Inwijdingsfeest in Jeruzalem, hebben de joodse leiders Hem geprobeerd te stenigen. Datzelfde gebeurde tijdens het Loofhuttenfeest drie maanden daarvoor, in hoofdstuk 8. Vandaar de tegenwerping van de discipelen, die door elkaar heen gesproken moeten hebben vol angstige zorg: “Rabbi, de Joden hebben U onlangs nog geprobeerd te stenigen, en gaat U daar weer heen?”

Jezus antwoordt met een spreuk. Een dag heeft 12 uren. Niemand kan de dag langer maken of korter maken. Maar tijdens de dag, wanneer het licht is, moet je lopen. Moet je het werk doen dat je is opgedragen. Zo zegt Hij: “Als iemand overdag loopt, stoot hij zich niet, omdat hij het licht van deze wereld ziet.” In de tijd die God aan Zijn Zoon heeft gegeven, zal Deze niet struikelen. Niemand is bij machte geweest om Jezus iets aan te doen, buiten de wil van God om. Het leven van deze Zoon van God op aarde, is precies verlopen zoals God het bedoeld had. Het uur van Zijn dood was dichterbij gekomen, maar het was nog niet aangebroken. Zo hebben ook wij een dag gekregen om in te wandelen, en niets overkomt ons buiten de wil van God om. Het heeft helemaal geen zin om je terug te trekken uit het leven uit voorzorg, om maar niets naars te hoeven meemaken.

Maar daarna zegt Jezus tegen de discipelen wat er gaande is. “Lazarus, onze vriend, slaapt, maar Ik ga naar hem toe om hem uit de slaap op te wekken.” En dan komt het misschien wel zo bedoelde misverstand. “Heere, als hij slaapt, zal hij gezond worden.” Laat hem dan maar slapen. Ze begrijpen niet dat Hij daarmee de dood van Lazarus heeft aangeduid. Maar dan zegt Jezus in vers 14 heel openlijk dat Lazarus is gestorven. Omdat Hij eerst het woord “slapen” heeft gebruikt komt de boodschap uiteindelijk des te harder aan. Nu wordt ook duidelijk wat de bedoeling is van deze wachtperiode van twee dagen en Jezus demonstreert hiermee dat Hij precies weet wat zich in Bethanië afspeelt. De opwekking van Lazarus zal zijn “opdat u gelooft”, opdat het geloof van de discipelen versterkt zou worden.

Hadden zij versterking van hun geloof nodig? Natuurlijk hebben de discipelen in Jezus geloofd, daarom hebben zij Hem ook gevolgd. Maar geloof heeft niet altijd dezelfde kracht. Er kan een klein geloof zijn of een groot geloof. Er kan een onbepaald geloof zijn – in Iets, in een goddelijke macht, of zelfs in het belang van Jezus – of een geloof dat sterk is geworden door kennis. Een volwassen geloof dat de waarheid kent en liefheeft, dat de leer van Jezus – de waarheid van het evangelie – kent en doorleefd heeft. Dat is uiteindelijk het geloof dat telt. Tot dusver hadden de discipelen allerlei prachtige wonderen en tekenen meegemaakt. Ze geloven in Jezus als de Messias, de Zoon van God. Maar alle wonderen die Jezus heeft verricht liggen aan déze zijde van de dood. Het dochtertje van Jaïrus was nog maar net gestorven wanneer Jezus haar opwekt uit de dood. De zoon van de hoveling lag op sterven, maar was bij zijn genezing nog niet gestorven. In deze genezingen op de rand van de dood was nog niet zichtbaar geworden, dat Jezus absolute macht over de dood heeft. En dat Hij dus werkelijk en in volmaakte zin de bron van het Leven is. Zo wordt deze opwekking van Lazarus een nieuwe en heel belangrijke les voor de discipelen. Ons leert het evangelie op deze manier wat tot de kern van ons geloof behoort; wanneer wij belijden dat wij geloven in “de opstanding des vlezes” gaat het niet in de eerste plaats om een toekomstige gebeurtenis – waarin ook Martha geloofde – maar om de Persoon die Zelf de Opstanding en het Leven is. Dat onderwijs ontvangen de discipelen nu met de opwekking van Lazarus, en daarover spreken we in de volgende hoofdstukken.