Het is een eindeloze taak om alle liederen uit het nieuwe liedboek tegen het licht te houden, maar ik wil het nu over een enkel lied hebben. Ik was echt niet op zoek naar iets negatiefs, maar ik ben bezig om vanaf lied 151 alle liederen die nieuw zijn stuk voor stuk te bekijken, en daarom kwam ik nu op deze. In het nieuwe liedboek vinden we lied 154 B. Het is een soort herdichting van psalm 136, maar de ondertitel maakt duidelijk dat gedacht wordt aan de drie mannen uit het boek Daniël. Het heeft ook dezelfde melodie als psalm 136 dat de titel draagt “loof de Heer, want Hij is goed.”
En nu ga ik even zeuren, theologisch beargumenteerd zeuren. Psalm 136 is een loflied op de grote daden van de Heer in de geschiedenis. De grondslag van die daden vinden we in het derde en vierde couplet. Dat mag even gaan over de schepping van hemel, zee en land, en in het vierde couplet over de zon, de maan en de sterren. Het bevestigt dat we spreken over de daden van de schepper in de geschiedenis. Het vijfde tot en met het achtste couplet gaan over de uittocht uit Egypte. Het negende tot en met het 11e couplet over de bewaring van Israël tegenover de vijandige koningen. En het laatste couplet, nummer 13, brengt die twee gedachten samen want de heerschappij is aan de God des hemels.
Het is wezenlijk voor ons geloof dat wij God erkennen in zijn grote daden. Natuurlijk omvat dat ook het werk van de schepping. Maar de schepping is de grondslag van het verbond. Maar het verbond tussen God en Israël en het nieuwe verbond in het bloed van Jezus Christus, is de grondslag van Gods daden in de geschiedenis. Over die daden van bevrijding moet het dus in onze lofzang eigenlijk gaan.
In Tussentijds was lied 154B al opgenomen onder nummer 56. Wat vinden we nu? Ik zet de beginregels van alle coupletten maar eens op een rijtje, dan zie je het zo:
Heel de schepping, prijs de Heer!
Zegen Hem, gij zon en maan
alle wind en alle weer
licht en donker, dag en nacht
de berg en heuvel, rots en dal
alles wat op aarde groeit,
vogels, vissen, wild en vee
en gij mensen, allen samen
En dan volgt in het negende couplet de enige indirecte aanwijzing dat we hier te maken hebben met een verwijzing naar Daniël 3:
Want in het dodelijke uur
gaat Hij voor ons door het vuur
en Hij zal ons op doen staan
om Hem achterna te gaan
Het spijt me, maar dat vind ik een kinderrijmpje.
En dan ten slotte de lekkere opgewekte toon van het 10e couplet:
al wat leeft, wees welgemoed,
looft de Heer, want Hij is goed (een vleugje psalm 136)
zegen Hem dan, hier en nu,
want zijn goedheid zegent u.
De kern natuurlijk van mijn bezwaar hier, is dat lied 154 ondanks de ondertitel, in feite alleen maar verwijst naar de natuur als een uitdrukking van Gods macht. De fraaie verbinding tussen Gods schepping en de daden die uit het verbond voortvloeien zoals psalm 136 die geeft, is geen optie die we kunnen kiezen, maar de essentie van het christelijk belijden. Dit lijkt eerder een liedje te zijn dat Sint Franciscus kon neuriën tijdens zijn wandeltochten, maar het is geen lied dat zinvol de aanbidding van de gemeente van Christus onder woorden weet te brengen.
Het spijt me heel erg, maar lied 154B kiezen boven psalm 136? Daar hebben we een theologische uitdrukking voor: Ammenooitniet!