Lied 217? maar dan met mate…

Sommige liederen uit het Nieuwe Liedboek zijn prima te zingen, hebben een uitstekende tekst en een bijpassende melodie. Niks mis mee. Zo bijvoorbeeld het lied 217.

Het eerste vers loopt als volgt:

De dag gaat open voor het woord des Heeren,
zon die wij zoeken, kracht die wij ontberen,
bron die wij horen als wij tot Hem keren,
vroeg in de morgen.

Het is duidelijk een morgenlied waarmee we de ochtenddienst kunnen vervolgen na de introïtuspsalm en het Klein Gloria.

De andere coupletten hebben een duidelijke boodschap:

vers 2. God kent ons al gezamenlijk voor wij ter wereld kwamen
vers 3. We zijn geschapen om te leven voor Gods aangezicht
vers 4. Wij bidden tot God of hij ons leven wil zuiveren en dragen
vers 5. Wij zingen het loflied aan de Vader, de Zoon, en de Geest.

Vanuit de theologie van de schepping (door U geschapen om uit U te leven – vers 3) komen we al snel naar een gebed voor de zuivering van ons doen en laten. (Ons doen en laten zuiveren en dragen – vers 4)

Het enige bezwaar dat hier toch bij me opkomt, is de overmacht van dit soort liederen.. Ik bedoel daarmee dat ook het oude liedboek al volstond met verzen waarin de schepping en de natuur de voornaamste vormen waren van Gods openbaring. In gezang 375 verschijnt elke morgen opnieuw de trouw en goedheid van de Heer, en in het vierde vers worden we opgeroepen om het werk van de Heer te herkennen in het opgaan van de zon. Dat gezang was ook alweer een voorbeeld van wat je de “natuurlijke theologie” moet noemen. Natuurlijke theologie zoekt de openbaring van God in het universele, in de natuur als geheel, en gebruikt beelden die aan natuurlijke gebeurtenissen zoals het opgaan van de zon zijn ontleend, of aan de wisseling van de seizoenen. In het oude liedboek domineerde dat naar mijn gevoel niet zo, maar in het nieuwe liedboek is het schering en inslag.

Waarom is dat een bezwaar? Omdat de daden van de Heer in de geschiedenis staan en verbondsdaden zijn die de heilsgeschiedenis tot stand brengen. (Een andere geschiedenis is er niet.) Het gaat niet om de gedachte dat achter alle natuurlijke dingen een dragende bron van leven staat – dat is heidendom. God openbaart zich in de concrete geschiedenis van het menselijke leven van Jezus Christus, de Gekruisigde en Opgestane Heer – niet in de zonsopgang en de vruchtbaarheid van het land. De schepping van mens en natuur is daarvan wel de grondslag – schepping is grondslag van het verbond – maar zeker niet het voornaamste als je dat uit de verbondsgeschiedenis weghaalt en apart zet. We blijven anders steken  in het eerste artikel van onze geloofsbelijdenis, terwijl we toch graag naar het centrum, de kern zoeken, en dat is het tweede artikel. (En in Zijn eniggeboren Zoon, Jezus Christus etc.)

Maar dat alles neemt niet weg dat we lied 217 prima in de kerk kunnen zingen met name in de voorbereiding op de dienst van het Woord. Maar ik hoop dat het geloof van de gemeente in dit lied 217 niet uitputtend is beschreven, want dan komen we toch wel heel veel te kort.