God heeft het eerste woord – een Bijbellied van Jan Wit

KLIK OP ONDERSTAANDE LINK:

GEZANG 1 – LIEDBOEK VOOR DE KERKEN 1973

1 God heeft het eerste woord.
Hij heeft in den beginne
het licht doen overwinnen,
Hij spreekt nog altijd voort.

2 God heeft het eerste woord.
Voor wij ter wereld kwamen,
riep Hij ons reeds bij name,
zijn roep wordt nog gehoord.

[2a God heeft het laatste woord
Al moeten wij neerzijgen
in ’t somber rijk van ’t zwijgen
het wordt door Hem verstoord]

3 God heeft het laatste woord.
Wat Hij van oudsher zeide,
wordt aan het eind der tijden
in heel zijn rijk gehoord.

4 God staat aan het begin
en Hij komt aan het einde.
Zijn woord is van het zijnde
oorsprong en doel en zin.

Uit Wikipedia:

Jan Wit (Nijmegen, 7 juli 1914 – Groningen, 26 augustus 1980) was een Nederlands predikant, dichter en hymnoloog.
Jan Wit, die blind was, was van 1948 tot 1967 als predikant verbonden aan de Waalse gemeente van Nijmegen. Hij schreef een groot aantal teksten voor het Liedboek voor de Kerken.
In 1969 ontving hij een eredoctoraat aan de Rijksuniversiteit Groningen. Als theologiestudent behoorde hij tot de vriendenkring van Theo van Baaren en Gertrude Pape en droeg hij in de oorlogsjaren bij aan het baldadige en surrealistische maandblad met een oplage van één exemplaar De Schone Zakdoek.

Van Hert tot Hinde – Psalm 42

Psalm 42 lezen we als volgt in de Herziene Statenvertaling:

2 Zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen,
zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!
3 Mijn ziel dorst naar God,
naar de levende God.
Wanneer zal ik binnengaan
om voor Gods aangezicht te verschijnen?
4 Mijn tranen zijn mij tot voedsel,
dag en nacht,omdat zij de hele dag tegen mij zeggen:
Waar is uw God?

De gedachtengang is duidelijk: mijn ziel smacht naar God, wanneer zal ik weer in Zijn tempel staan. Vanwaar echter deze jammerklacht? Het is vanwege mensen die zeggen: waar is uw God? Wat de psalm dus tot uitdrukking brengt is het verlies van de Tempel, het verloren gaan van de plaats waar God te vinden is. Het is de herinnering aan het opgaan naar de Tempel in een stoet – de feestvierende menigte van vers 5 – die deze jammerklacht oproept. Wordt deze context van de bede ook meegenomen in de berijmde versie?

1566

Psalm 42 luidt in de versie van Datheen:

Als een hert schreeuwt naer de vlieten
Schreeuwt, ô God, mijn ziel tot u.
Als men my vraeght met verachten,
Waer is nu u Godt soo goedt?
Ick smelt als ick denck daer aen,
Hoe ick voormaels plagh te gaen
Met een hoop volcks hier te lande,
Om u, Heer, te doen offrande.

Het is duidelijk dat Datheen deze stemming van de Psalm [zie noot *] heel goed heeft aangevoeld. Regel 3 tot en met 8 verwoorden dat ook krachtig. Het maakt de psalm [zie noot *] geschikt om te zingen en dan te denken aan het verloren gaan van de “feestvierende menigte” en het brengt de eenzaamheid tot uitdrukking die je kan overvallen wanneer mensen de spot drijven met je geloof: “Waar is nu je God, die zo goed heet te zijn?” Maar waarom “offrande” als de Psalm alleen spreekt over “verschijnen” en “naderen”?
De reden kán zijn, dat Dathenus heel goed begrepen heeft dat “naderen” de kernbetekenis is van “qorban” dat meestal met offer wordt vertaald. Alleen: er staat in het Hebreeuws geen werkwoord dat van de stam QRB is afgeleid. Verschijnen is beter: jezelf laten zien, presenteren in Gods nabijheid. Datheen kan er ook aan gedacht hebben dat dit “laten zien” natuurlijk wel degelijk het brengen van een offer impliceert. Maar het is niet de kerngedachte.

1773

Dat verlangen is nog wel bewaard in de versie van 1773. Maar in de staatskerk van toen, is de verwijzing naar het verlies en de eenzaamheid niet langer van belang. Het is nu het “gewone” verlangen naar de kerk te gaan waar de gemeente aan kan denken, zou je kunnen zeggen, een gewoon verlangen dat in de plaats treedt van de bitterheid van het verlies. De ballingschap van de kerk is voorbij!

De versie van 1773:

’t Hijgend hert, der jacht ontkomen,
Schreeuwt niet sterker naar ’t genot
Van de frisse waterstromen,
Dan mijn ziel verlangt naar God.
Ja, mijn ziel dorst naar den HEER’;
God des levens, ach, wanneer
Zal ik naadren voor Uw ogen,
In Uw huis Uw Naam verhogen?

1973

Het “hijgend hert” is goed tot het geheugen doorgedrongen. Bijna iedereen kent het nog zó. Waarom het “aan de jacht ontkomen is”, is mij een raadsel. Het hert is vermoeid van het zoeken naar water! Okay. Maar het hijgende hart klonk toch mooi. Maar het moest een eeuw later wijken voor de veel lastiger uitdrukking “moede hinde”, wat me een stap terug in de tijd lijkt te zijn. De jacht verdween, en dat is weer winst. Frisse wateren werd “klare water” wat mij ook minder duidelijk lijkt en vreemd genoeg werd het “naderen” al meteen feestelijk ingevuld met “loven” en “juichend”.

Het Liedboek van 1973 maakt ervan:

Evenals een moede hinde
naar het klare water smacht,
schreeuwt mijn ziel om God te vinden,
die ik ademloos verwacht.
Ja, ik zoek zijn aangezicht,
God van leven, God van licht.
Wanneer zal ik Hem weer loven,
juichend staan in zijn voorhoven?

Het is nu een veel vrijere vertaling geworden en de stemming van de Psalm is verdwenen.

Maar natuurlijk is de stemming van de Psalm wel terug te vinden in het tweede couplet:

Tranen heb ik onder ’t klagen
tot mijn spijze dag en nacht
als mijn haters honend vragen;
“Waar is God dien gij verwacht?”
Ik gedenk hoe ik vooraan
in de reien op mocht gaan,
om mijn dank Hem op te dragen
in zijn Huis op hoogtijdagen.

Gerhardt – 1972
Alleen Datheen had de stemming van de Psalm als geheel nog in het eerste couplet bewaard. 1973 zet het in het tweede couplet, 1773 wijzigt het een beetje. Dan is het aardig om te zien wat Ida Gerhardt ervan gemaakt heeft:

Gelijk het hert dat reikt naar waar het water stroomt,
Zo in verlangen reikt mijn ziel naar u, o God.
Mijn ziel lijdt dorst naar God, naar God die leven is;
Wanneer mag ik opgaan, dat ik voor God verschijn?
Mijn tranen zijn mijn brood, bij dagen en bij nacht
Waar men van vroeg tot laat, mij zegt, Waar is uw God?

Oordeel maar weer zelf, welke psalmversie het beste de oorspronkelijke strekking en stemming van de Psalm heeft vastgehouden…

[*] Met een hoofdletter verwijzen we naar het boek in de Bijbel (Psalm 23:4) en met een kleine letter naar een psalm uit het liedboek. psalm 23:4 dus. Aan het begin van een regel wordt het onduidelijk of we de Psalm of de psalm bedoelen, maar dan kan ons helpen te spreken over de verzen van een Psalm en de coupletten van een psalm. Maar “lied 23” zoals het Nieuwe Liedboek mogelijk maakt, moeten we maar niet gebruiken.

Uw dagelijkse dood – Nieuw Liedboek 543

Het evangelie gaat over het lijden en sterven van de Heer Jezus als een gebeurtenis die de gebroken verhouding tussen God en mens herstelt door aan God genoegdoening te geven voor de zonde en de schuld van mensen weg te dragen in de dood. De dood van Christus is een plaatsvervangend offer dat concreet in de tijd heeft plaatsgevonden.

In onze Protestantse wereld raken ook allerlei andere – secundaire interpretaties van Zijn sterven in zwang. Jezus heeft door Zijn eigen lijden gedeeld in ons menselijk lot en kan daarom met ons meevoelen. Of: Jezus’ lijden is een voorbeeld van onschuldig en geduldig lijden dat tot het uiterste gaat en daarmee een aanwijzing hoe we het lijden van anderen in onze tijd moeten benaderen. Jezus’ liefde laat zich door het lijden en de dood niet tegenhouden. Ook op onze weg in de navolging is er mislukking en teleurstelling, maar net als Jezus moeten wij blijven volhouden.

Theologisch gezien zijn dit allemaal bijzaken. Het is waar, maar niet de kern.

Nu neem ik even een sprong: in de lofzang van de gemeente moet blijken dat we de kern van het evangelie hebben verstaan. Hoofdzaak moet hoofdzaak blijven. Als we in de Lijdenstijd niet kunnen spreken over het plaatsvervangend lijden en sterven van de Heer Jezus, dan spreken we alleen over de bijzaken. Dat is niet tot Gods eer!

Nu het lied.
Ik moest een aantal liederen vinden in het Nieuwe Liedboek om met de gemeente te gaan oefenen. We willen dat Liedboek leren kennen, en daarom die oefening. Bij voorkeur moet ik een nieuw lied laten zingen. “Want ze zijn toch zo mooi.” – zeggen sommigen.

Ik vond voor de Lijdenstijd Lied 543. Toen ik het eerste couplet las, dacht ik: dit is wel een passend lied voor de lijdenstijd. Dit is wat ik las:

Gij zijt in glans verschenen,
Verschenen voor altijd.
Hoe ook in dood verdwenen,
Ons straalt uw heerlijkheid,
Hoe bitter ook de pijnen,
Door ons U aangedaan,
Gij blijft in glans verschijnen,
Ziet ons in glorie aan.

Ik herinner me dat de regel “door ons U aangedaan” even bleef hangen. Het riep de herinnering op aan het gedicht van Revius, met als pointe dat niet joden of Romeinen Jezus hebben gekruisigd, maar dat mijn zonden Zijn smadelijke dood noodzakelijk maakten. Die doen we erbij, dacht ik toen.
Een mooi lied voor de aanloop naar Pasen.

Ik heb er nu grote spijt van, dat ik het lied niet nauwkeuriger heb gelezen.

Het blijkt, dat de theologie achter het lied het idee is, dat Christus sterft in allen die sterven, het bevat de (katholieke) notie, dat Christus nog elke dag sterft en geofferd wordt. Een opvatting die is ontleend aan een visie op de eucharistie. Het bevat de notie dat de beschouwing van Christus’ dood in de context van ons lijden op zich al troost geeft. Dus lezen we tekst als het volgende:

Kruisgang door de tijden…
Uw lijden in aller wereldnood…
Het glanst uit alle pijn…
Uw kruis ons lenen…
Glans die alles heelt etc, etc.

Dit is niet het evangelie van de unieke kruisdood die verzoening brengt voor wie gelooft, dit is het valse evangelie dat spreekt over Christus’ lijden als een voorbeeld van het lijden van anderen en als een aanmoediging om vol te houden.

We hadden dit nooit moeten zingen. Wat een ellende is toch dit Nieuwe Liedboek.

Lied 217? maar dan met mate…

Sommige liederen uit het Nieuwe Liedboek zijn prima te zingen, hebben een uitstekende tekst en een bijpassende melodie. Niks mis mee. Zo bijvoorbeeld het lied 217.

Het eerste vers loopt als volgt:

De dag gaat open voor het woord des Heeren,
zon die wij zoeken, kracht die wij ontberen,
bron die wij horen als wij tot Hem keren,
vroeg in de morgen.

Het is duidelijk een morgenlied waarmee we de ochtenddienst kunnen vervolgen na de introïtuspsalm en het Klein Gloria.

De andere coupletten hebben een duidelijke boodschap:

vers 2. God kent ons al gezamenlijk voor wij ter wereld kwamen
vers 3. We zijn geschapen om te leven voor Gods aangezicht
vers 4. Wij bidden tot God of hij ons leven wil zuiveren en dragen
vers 5. Wij zingen het loflied aan de Vader, de Zoon, en de Geest.

Vanuit de theologie van de schepping (door U geschapen om uit U te leven – vers 3) komen we al snel naar een gebed voor de zuivering van ons doen en laten. (Ons doen en laten zuiveren en dragen – vers 4)

Het enige bezwaar dat hier toch bij me opkomt, is de overmacht van dit soort liederen.. Ik bedoel daarmee dat ook het oude liedboek al volstond met verzen waarin de schepping en de natuur de voornaamste vormen waren van Gods openbaring. In gezang 375 verschijnt elke morgen opnieuw de trouw en goedheid van de Heer, en in het vierde vers worden we opgeroepen om het werk van de Heer te herkennen in het opgaan van de zon. Dat gezang was ook alweer een voorbeeld van wat je de “natuurlijke theologie” moet noemen. Natuurlijke theologie zoekt de openbaring van God in het universele, in de natuur als geheel, en gebruikt beelden die aan natuurlijke gebeurtenissen zoals het opgaan van de zon zijn ontleend, of aan de wisseling van de seizoenen. In het oude liedboek domineerde dat naar mijn gevoel niet zo, maar in het nieuwe liedboek is het schering en inslag.

Waarom is dat een bezwaar? Omdat de daden van de Heer in de geschiedenis staan en verbondsdaden zijn die de heilsgeschiedenis tot stand brengen. (Een andere geschiedenis is er niet.) Het gaat niet om de gedachte dat achter alle natuurlijke dingen een dragende bron van leven staat – dat is heidendom. God openbaart zich in de concrete geschiedenis van het menselijke leven van Jezus Christus, de Gekruisigde en Opgestane Heer – niet in de zonsopgang en de vruchtbaarheid van het land. De schepping van mens en natuur is daarvan wel de grondslag – schepping is grondslag van het verbond – maar zeker niet het voornaamste als je dat uit de verbondsgeschiedenis weghaalt en apart zet. We blijven anders steken  in het eerste artikel van onze geloofsbelijdenis, terwijl we toch graag naar het centrum, de kern zoeken, en dat is het tweede artikel. (En in Zijn eniggeboren Zoon, Jezus Christus etc.)

Maar dat alles neemt niet weg dat we lied 217 prima in de kerk kunnen zingen met name in de voorbereiding op de dienst van het Woord. Maar ik hoop dat het geloof van de gemeente in dit lied 217 niet uitputtend is beschreven, want dan komen we toch wel heel veel te kort.