In de Bijbelkring gaan we vanaf nu de lijdensgeschiedenis lezen en dat doen we aan de hand van het Markusevangelie.Terwijl we in de zondagen van de 40-dagentijd juist het evangelie naar Johannes als leidraad nemen. Die beide series teksten vullen elkaar prachtig aan. We beginnen te lezen in Markus 10. Hieronder het verslag van de bijbelbespreking van donderdag j.l.
In Markus 9 reist Jezus nog door Galilea (9:30). Aan het begin van Markus 10 reist Jezus naar Juda, naar het zuiden dus. (10:1) De opgang naar Jeruzalem (“opgang” omdat Jeruzalem hoger ligt dan het laagland in het noorden) begint in Markus 10:32.
“En zij waren onderweg (in Juda) en zij gingen (op) naar Jeruzalem.” (10:32)
De discipelen zijn verbaasd over Jezus’ besluit om naar Jeruzalem te gaan. In het licht van de twistgesprekken met de Farizeeën en na twee lijdensaankondigingen begrijpen zij niet waarom hun Meester nu zoveel gevaar wil riskeren. De gedachte is dat zelfs als Jezus voorvoelt dat Hem iets vreselijks te wachten staat, de normale reactie zou moeten zijn om daaraan te ontkomen.
Bij de eerste aankondiging wilde Petrus Hem bestraffen (8:32), na de tweede lezen we dat zij het niet begrijpen, maar wel een woordenwisseling hadden over de vraag wie onder hen de belangrijkste was. (9:34) Terwijl Jezus ze dus voorhoudt dat Hij lijden moet, denken zij alvast vooruit naar de triomf die hen wacht. Dat het Koninkrijk komen zal in de gestalte van een verworpen en gekruisigde Koning is hen nog niet duidelijk.
Na de derde aankondiging lezen we over hun verbazing en hun angst omdat ze in de reis naar Jeruzalem alleen maar een vergissing van Jezus kunnen zien. (10:32) De reactie van Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, wordt daarom nu ruimschoots behandeld. Aan de orde is de vraag waarom de Messias lijden moet, en wat dat betekent voor het karakter van Zijn heerschappij.
Eerst de aankondiging zelf. Die is ongeveer gelijk aan de vorige twee. Dit is wat Jezus ze vertelt:
- Jezus moet naar Jeruzalem – stilzwijgend aangeduid met het ferme: wij gáán op naar Jeruzalem.
- Hij zal daar aan de overpriesters en schriftgeleerden (die partijen werken dus hier ineens samen!) worden overgeleverd. Hij zal in hun handen vallen door verraad.
- Zij zullen Hem ter dood veroordelen, niet op eigen gezag, maar door een politiek gemanoeuvreer. Want alleen de Romeinen konden Jezus ter dood brengen. Het “vonnis” bij Kajafas was niet rechtsgeldig.
- Jezus zal aan de heidenen worden overgeleverd (daar komt de uitdrukking ook vandaan). Het ergste wat je kon doen, was een volksgenoot aan de bezetter overleveren.
- Jezus zal worden bespot en gegeseld en bespuwd (door de Romeinse soldaten). Behandeld dus als een verachtelijke misdadiger.
- Jezus zal sterven.
- Jezus zal op de derde dag weer opstaan uit de doden.
Deze boodschap over het lijden wordt niet begrepen. Maar in het hoofd van de discipelen zit het idee, dat de reis naar Jeruzalem zal eindigen in een triomf. Hij, Jezus, is immers de Messiaanse koning!
Voor de discipelen Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, is nu alleen van belang dat Jezus in Jeruzalem Zijn heerlijkheid zal ingaan. D.w.z. als Messias openbaar zal worden. Die positie willen ze graag met Hem delen op een bevoorrechte plaats: aan linker en rechterhand. Ze bieden hun diensten aan Jezus aan! Dat is niet per se omdat ze zich groot wilden maken, en het is een verlangen in hun hart waar de Heer ze niet voor bestraft.
Dat lokt een gesprek uit, waarin het karakter van Jezus’ heerschappij aan de orde komt. Een koningschap dat door lijden heengaat is een koningschap van het dienen, niet van het regeren. Jezus leert de beide troonpretendenten dus, dat het delen van Jezus’ heerlijkheid eerder een deelname aan het lijden met zich meebrengt. Jezus zelf – hier getekend als de getrouwe knecht – kan geen privileges verlenen met betrekking tot de eindtijd. Dat is aan God alleen. Maar Zijn discipelen kunnen en zullen wel Zijn heerlijkheid delen in de zin dat ze Zijn werk en dus ook Zijn lijden zullen voortzetten na Zijn opstanding en Hemelvaart.
Snel wordt geschetst wat er mis is in de wereld van de politiek. Wie een leider is van volkeren, voert heerschappij en oefent gezag uit. Dat impliceert status en dwang en zelfzucht van de heersers. Macht hebben over het geweten zonder iemand van zijn vrije instemming te beroven, en (moreel) gezag hebben door voorbeeld en liefde is heel iets anders dan de dwang waarmee heersers anderen aan zich ondergeschikt maken en tot instrument van hun wil reduceren. Heel iets anders dan het systeem van straf en afschrikking waarmee huidige heersers de bevolking in toom willen houden. Zelfs in een democratie, waar de wil van een meerderheid de legitimatie kan geven aan “heersertjes” die in hun eigen domein net zo optreden.
Het verlangen om iets voor anderen te betekenen, belangrijk te zijn en de eerste te zijn is op zich niet verkeerd, als het gericht is op de dienstbaarheid aan anderen. Laat dat maar de wedijver zijn! Wie dient anderen het meeste!
Vind-ik-leuk Aan het laden...