Johannes (20) – Waarachtige aanbidding

Johannes 4:21-24

21 Jezus zei tegen haar: Vrouw, geloof Mij, de tijd komt dat u niet op deze berg, en ook niet in Jeruzalem de Vader zult aanbidden. 22 U aanbidt wat u niet weet; wij aanbidden wat wij weten, want de zaligheid is uit de Joden. 23 Maar de tijd komt en is nu, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid, want de Vader zoekt wie Hem zo aanbidden. 24 God is Geest en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.

We hebben al even aangestipt, dat de Samaritaanse vrouw op het eerste gezicht een discussie over theologie begint. Misschien wel om de aandacht af te leiden van het gesprek over de zonde in haar leven, dat plaatsvindt in de verzen 16 – 18. Toch is dat het begin van een belangrijke levensvraag voor haar. Nu de zonde in haar leven tegenover deze Joodse profeet niet meer te ontkennen valt, komt de vraag op of welke plaats en op welke wijze verzoening kan worden gedaan voor haar zonden. Moet zij naar Jeruzalem of naar de tempel in Samaria? Is er een oplossing? Dat is voor de vrouw de persoonlijke inzet achter dit gesprek.

Het gaat over aanbidding. In vers 21 over de plaats van de aanbidding. En dat die aanbidding gericht is op de Vader. In vers 22 bevestigt Jezus dat deze aanbieding in de lijn ligt van heel het Oude Testament. Vers 23 maakt duidelijk dat met de komst van Jezus een nieuwe vorm van aanbidding gekomen is, aanbidding in geest en waarheid. En dat de Vader mensen zoekt om Hem op die wijze te aanbidden. En dat wordt als beginsel verbonden met het wezen van God zelf – God is Geest – in vers 24.

Waarom is aanbidding een belangrijk begrip? De kerkdienst van elke zondag noemen wij ook wel de eredienst. Wij verrichten gezamenlijk een dienst, en de inhoud van die dienst is een eerbetoon aan God. Het gaat dus heel in het algemeen om de uitgesproken en uitgezongen erkenning van de waarde en de heerlijkheid van God. Elke kerkdienst is in die zin een eredienst. Het is een dienst van aanbidding. Maar waarom is aanbidding dan zo belangrijk? Daar zijn vele redenen voor, en aanbidding komt dan ook in de hele bijbel voor. Het is b.v. het eerste gebod in Exodus 20. Daar vinden we eerst wie deze God is – de Here, de bevrijder uit Egypte. Deze God wil dat Israël voor Zijn aangezicht staat – en dan mogen er geen andere goden zijn. Deze God wil dat je alleen voor Hem neerbuigt en alleen Hem dient. Daarom het verbod om je voor andere goden neer te buigen of andere goden te dienen. (Exodus 20:5) In Mattheus 22:37 geeft Jezus dat weer als het grote gebod in de wet, namelijk “de Here uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand.” Dat is het gebod van de aanbidding. Want wie deze God kent en Hem eren wil, zal Hem ook liefhebben.

Uiteraard kende het Oude Testament een heel systeem van aanbidding in de vorm van de tempeldienst. Daar werden de psalmen gezongen ter ere van God, daar werden de offers gebracht – en met name het brandoffer was een offerande van aanbidding. In het Nieuwe Testament is dat wezenlijk niet anders. Zo vinden we bijvoorbeeld in Hebreeën 13:15 de oproep, om “door Hem” – onder leiding van onze Hogepriester in de hemel, Jezus Christus – “een lofoffer [te] brengen aan God, namelijk de vrucht van lippen die Zijn Naam belijden.” Op grond daarvan kunnen we de teksten van het Oude Testament over aanbidding in de vorm van lichamelijke en materiële handelingen en zaken, nu opnieuw gaan lezen als teksten over de grondbeginselen van aanbidding. Een onderwerp dat onze aandacht meer dan waard is maar nu te ver zou voeren.

In Romeinen 12:1, wordt gesproken over onze “redelijke godsdienst”, dat wil zeggen dat wij ons eigen leven (lichamen staat er letterlijk) aan God moeten wijden als een “levend offer, heilig en voor God wel behaaglijk.” Ook dat gaat dus over aanbidding. En net zoals in het Oude Testament alleen de priesters het recht hadden om offers te brengen, zo geldt dat ook voor onze tijd. Wij allen zijn een “geestelijk huis, een heilig priesterschap, om geestelijke offers te brengen, die God welgevallig zijn door Jezus Christus.” (1 Petrus 2:5b) Kort gezegd, alleen christenen, een “koninklijk priesterschap, een heilig volk, een volk dat God Zich tot Zijn eigendom maakte”, hebben het recht en het vermogen om dergelijke offers te brengen. “Wij hebben een altaar, waarvan zij die in de tabernakel dienen, niet bevoegd zijn te eten.” (Hebr. 13:10)

En wanneer de bijbel spreekt over het dienen van God, sluit dat doorgaans de aanbidding in. Zo bijvoorbeeld in Hebreeën 12:28. Daar horen we de oproep: “laten wij daarom… God dienen op een Hem welgevallige wijze, met ontzag en eerbied.” Het woord dat hier voor dienen wordt gebruikt, is hetzelfde Griekse woord als waar ons woord “liturgie” is afgeleid. Het is het priesterlijke dienen, een “litourgein,  waarmee we God eren. En dat is niet alleen maar een dienen met de lippen (13:15), maar uitdrukkelijk horen daar ook onze daden bij. In Hebreeën 13:16 horen we om die reden: “vergeet het weldoen en het onderlinge hulpbetoon niet, want aan zulke offers heeft God een welgevallen.” Ook dienstbetoon is dus een daad van aanbidding.

God moet dus aanbeden worden, erkend als wie Hij is, en dan moet beleden worden wie Hij is, en dan moet Hij geëerd worden om wie Hij is, en dat betekent in de kern dat wij in woorden en gedachten, in liederen en in daden moeten weerspiegelen wie Hij is. Aanbidding is volkomen, als een schepsel de echo is van Gods Woord, als het schepsel zichtbaar maakt wat God is: als de mens werkelijk laat zien dat hij in het beeld en naar de gelijkenis van God geschapen is. (Beeld: in zijn positie dus God representeert; gelijkenis: in zijn karakter dus de eigenschappen van God weerspiegelt.) Zo bezien, is de kern van alle aanbidding de vleeswording van het Woord in Jezus Christus. In Hem woonde immers de volheid van God lichamelijk, (Vgl. Kol. 1:19) Hij maakte zichtbaar en hoorbaar wie God was. Heel zijn leven in gehoorzaamheid aan God, is een aanbidding, een eerbetoon aan deze God.

Kan er aanbidding zijn zonder kennis van de ware God? Paulus meent van niet. Wanneer hij in Athene aankomt, spreekt hij de mensen aan over een klein altaar dat hij gezien had, gewijd aan aan “de onbekende God.” Paulus zegt daarmee dat ze wel de goede richting op gedacht hebben, maar deze onbekende God niet kennen. Deze onbekende God is de God en Vader van de Heer Jezus Christus is gestorven is voor onze zonden en opgestaan uit de doden op de derde dag. Dat is dan zijn getuigenis in Athene. Dus hij zegt daarmee feitelijk, dat hun poging om de goden te aanbidden op verkeerde informatie berust. Ze kennen de God niet die hemel en aarde geschapen heeft. Het is dus terecht dat ze dat kleine altaar neerzetten aan de “onbekende” God. Maar deze God is niet onbekend, maar heeft Zich geopenbaard!

Terug naar Johannes. Jezus zegt in vers 23, dat de ware aanbidders, de Vader zullen aanbidden in geest en in waarheid. Daarmee worden vier hele belangrijke dingen gezegd, waar ik nu snel doorheen zal lopen.

In de eerste plaats: met Christus is de tijd aangebroken dat er ware, waarachtige aanbidders zullen zijn. Wat zijn waarachtige aanbidders? Dat zijn mensen in wie de Geest van God Zelf woont. Mensen die Christus hebben aangenomen als Heer en Verlosser. Dat zijn de mensen over wie Johannes al een paar keer heeft gesproken, die eeuwig leven hebben ontvangen in de wedergeboorte, die hun vertrouwen stellen op de Zoon des mensen, die uit God geboren zijn. Alleen die mensen kunnen waarachtige aanbidders zijn.

En dan in de tweede plaats, wie zullen deze mensen aanbidden? Zij kennen God als de Vader van Jezus Christus. Er is geen aanbidding van God mogelijk zonder Jezus Christus, omdat God als de Vader moet worden aanbeden, en de Vader en de Zoon zijn één. Daar hebben we al eerder over gesproken. Om te weten wie God is, moet je weten wie de Vader, de Zoon en de heilige Geest is. Met de komst van de Zoon, gaat de aanbidding van mensen in de richting van God de Vader. Alleen Jezus, de Zoon van God,  heeft God als de Vader geopenbaard. Zo was Hij niet bekend onder het oude verbond.

In de derde plaats gaat het om de wijze van aanbidden. Die aanbidding moet zijn in geest en waarheid. Daarmee wordt een einde gemaakt aan al die vormen van aanbidding waarin ceremoniële gewaden, rituele handelingen, heilige voorwerpen en het offer van dieren een rol speelt. Dat alles is een schaduw geweest van de waarachtige aanbidding die nu wordt geopenbaard. Het zijn de hulpmiddelen geweest waarmee mensen onder het oude verbond God konden zoeken en vinden, zonder de bijstand van de heilige Geest en zonder de volledige openbaring van God in de Zoon.

Een groot deel van de eredienst in onze kerken, is een soort christelijke variant van het Jodendom, of een kerkelijke versie van het heidendom. Wanneer aanbidding wordt voorbehouden aan een priesterlijke elite zoals in de Rooms-katholieke kerk, dan is dat geen aanbidding in geest en waarheid. Het aansteken van kaarsen, liturgische formules van welke aard dan ook, het voorlezen van vooraf geschreven gebeden, het invullen van de zondagen aan de hand van een kerkelijke kalender, toga en stola, liturgische kleuren, het liturgische bloemschikken, het zijn allemaal restanten van een vorm van aanbidding waaraan Jezus juist een einde gemaakt heeft. Als Jezus zou terugkeren en bij ons in de kerk zou gaan zitten, zou Hij dan kunnen zien dat wij hebben begrepen wat Hij bedoelde, met deze aanbidding in geest en waarheid? Want dat is de kern; aanbidding in de geest betekent, dat wij God eer geven met heel onze ziel en verstand. Dat wij aan Hem de lofoffers van onze lippen opdragen, vanuit een oprecht hart dat vol is van de Geest. De bron van onze aanbidding moet geen dienstboek zijn, maar een hart dat overvloeit van dankbaarheid en verering.

Waarom moet de aanbidding van God in geest en waarheid zijn? In de eerste plaats omdat Hij zowel de plaats, als de tijd, als de manier van de aanbidding bepaalt. Die plaats is een gemeenschap, de gemeente van de levende God. Die tijd is elk moment in het leven, omdat wij deze God moeten aanbidden met onderling dienstbetoon, met het afleggen van getuigenis voor Zijn Naam in deze wereld, en omdat wij de onderlinge bijeenkomst – wanneer wij maar de gelegenheid hebben – niet mogen verzuimen. (Hebr. 10:25) En bovenal, de manier van die aanbidding, vergt de volle inzet van onze ziel en verstand. De Reformatie heeft terecht de bediening van het Woord centraal gesteld. Er is geen ruimte voor mystieke belevingen, voor onduidelijke gedachten en gevoelens, voor leeg enthousiasme, voor opzwepend handengeklap, als het Woord niet opengaat en ons zeggen mag wie God is. Het Wóórd moet gepredikt en uitgelegd worden voor ons hart en voor ons verstand, zodat wij de God leren kennen die van ons eredienst en dienstbetoon vraagt. Je kunt alleen God dienen en eren, wanneer je de waarheid over Hem dient en eert.

Mensen die God willen aanbidden in geest en waarheid, worden door de Vader ook gezocht. Dat is het laatste waar ik op wil wijzen. De Vader zoekt mensen die Hem op deze manier willen aanbidden. Wie zich verschuilen wil in ingewikkelde liturgieën, uitgebreide ceremoniën, en niet let op de ingevingen van de heilige Geest die de ware voorganger in de gemeente hoort te zijn, die wil deze God niet aanbidden in geest en waarheid. Die komt voor Zijn aangezicht met onduidelijke gevoelens en gedachten en dat wil uiteindelijk zeggen met beelden, van andere goden. Maar de bijbel is duidelijk. Wij kunnen alleen God “dienen op een Hem welgevallig wijze, met ontzag en eerbied” door Jezus Christus. We kunnen alleen een lofoffer brengen aan God, en Zijn Naam belijden, “door Hem”. Voor de gemeente van Christus is de Zoon van God het begin, het beginsel, en het doel van alles.

O kostbaar kruis, o wonder Gods

Galaten 6:14:

Maar ik zal mij volstrekt niet beroemen op iets anders dan op het kruis van onze Heere Jezus Christus, door Wie de wereld voor mij gekruisigd is, en ik voor de wereld.

isaac_watts

Isaac Watts (1674 – 1748) is de oorspronkelijke dichter van “O kostbaar kruis, o wonder Gods”, zoals Willem Barnard de Engelse titel vertaalde. “When I survey the wondrous cross” was een belangrijke en vooral vernieuwende hymne, omdat vóór dit lied de Engelse kerkliederen meestal zeer sterk werden beïnvloed door Bijbelse taal en de Psalmen belangrijker werden geacht dan moderne dichtwerken. Watts meende echter dat de Psalmen, hoe rijk ook, niet geschikt waren om zonder bewerking in de moderne tijd te zingen, omdat David en de andere Psalmdichters Christus nog niet kenden. De psalmen moesten dus worden herschreven alsof dat wel het geval was, zodat de christelijke gemeente er haar eigen geloof in tot uitdrukking kon brengen.

Gezang 192 (Lied 578, gelukkig is het bewaard in het NLB) wordt meestal met Pasen gezongen, maar het is geschikt voor alle zondagen. Het is een sterk Christocentrisch lied en om die reden ben ik er zeer op gesteld. Ook de melodie is prachtig: eenvoudig, maar ontroerend. Het heeft een meditatieve sfeer en is een lied vol aanbidding.

Het thema is ontleend aan Gal. 6:14. We verootmoedigen ons voor het kruis van Golgotha. Er is niets anders waarin we zouden kunnen roemen. (= Waaraan we belang kunnen hechten.) En het gevolg van deze aanbiddende bewondering voor het werk van Christus aan het kruis, is “voor ons de wereld dood”, ik ben gestorven – ook een belangrijk woord van Paulus uit Gal. 2:20 –  en daardoor voorgoed van deze dode wereld bevrijd. (5e couplet.)

Hieronder de prachtige versie van Kings College Cambridge, in een paasviering van 2011. Opmerkelijk is dat wel: Isaac Watts was een 17e eeuwse theoloog en componist die uitdrukkelijk buiten de officiële (Anglicaans) kerk stond. Een non-conformist en gericht op de oecumene van het hart. Maar het wordt hier door de Anglicaanse traditie opgenomen als hun lied.

 

 

Ootmoed en ontzag – het verloren gezang 95

Veel gezangen gingen verloren in het Nieuwe Liedboek en ze zijn verloren voor de gemeente, tenzij we op ingewikkelde wijze die liederen weer via de beamer of op een papieren liturgie opnemen. Wie alleen het Nieuwe Liedboek wil gebruiken, zal deze liederen wellicht nooit meer zingen. Gezang 95 is een mooi voorbeeld van een Bijbels lied, dat in het NLB is verdwenen – en wie weet waarom?

Hier mijn korte analyse:

Het is gebaseerd op deze Bijbelse tekst:

14 Om deze reden buig ik mijn knieën voor de Vader van onze Heere Jezus Christus,
15 naar Wie elk geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt,
16 opdat Hij u geeft, naar de rijkdom van Zijn heerlijkheid, met kracht gesterkt te worden door Zijn Geest in de innerlijke mens,
17 opdat Christus door het geloof in uw harten woont en u in de liefde geworteld en gefundeerd bent,
18 opdat u ten volle zou kunnen begrijpen, met alle heiligen, wat de breedte en lengte en diepte en hoogte is,
19 en u de liefde van Christus zou kennen, die de kennis te boven gaat, opdat u vervuld zou worden tot heel de volheid van God.
20  Hem nu Die bij machte is te doen ver boven alles wat wij bidden of denken, overeenkomstig de kracht die in ons werkzaam is,
21 Hem zij de heerlijkheid in de gemeente, door Christus Jezus, in alle geslachten, tot in alle eeuwigheid. Amen.
 
En dit is de tekst die Jan Wit ervan maakte:
 
1 Nu bidden wij met ootmoed en ontzag
  de Vader aan, wiens naam aan elk geslacht
  in hemel en op aarde aanzijn gaf,
  dat, naar zijn heerlijk wezen,
  Hij ons de kracht des Heil’gen Geestes geve
  en de Messias bij ons intrek neme.
  Zijn liefde is de grondslag van ons leven,
  de oorsprong van ons hart.
2 Dan zullen wij met alle heil’gen saam
  in ’t morgenlicht op hoge tinnen staan
  en hoogte en diepte, lengte en breedte van
  Gods heil doormeten mogen.
  Dan kennen wij de liefde uit den hoge,
  al gaat zij verre het verstand te boven.
  Wij zullen tot de volle wasdom komen
  in Gods verheven naam.
3 Hem nu die in ons werkt en ons geleidt,
  die verder gaat dan al ons bidden reikt
  en meer is dan ons diepste denken peilt,
  zij heerlijkheid en glorie
  in de gemeente die Hij heeft verkoren,
  in elk geslacht dat van zijn naam zal horen,
  door Jezus Christus, nu gelijk tevoren
  en tot in eeuwigheid.
   
   
   

Liedboek voor de Kerken 1973

https://www.youtube.com/watch?v=Z0a6x_EwDG8=

 

 

Een eenvoudige en sobere liturgie

 

Je kunt je een hele eenvoudige liturgie voorstellen. Kijk maar eens naar de volgende opbouw van de eredienst:

1. orgelspel of samenzang
2. Welkom en mededelingen betreffende de liturgie
3. Gemeentezang (introïtuspsalm)
4. Stil gebed, votum en groet
5. Gemeentezang als antwoord op de groet
6. Verkondiging (samenstel van bijbelteksten)
7. Gemeentezang: loflied
8. Bijbellezing(en)
9. Gebed
10. Gemeentezang
11. Tekst en preek
12. Dankgebed
13. Orgelspel en stilte
14. Gebed
15. Gemeentezang
16. Uitzending en zegen
17. Orgelspel

Er zitten in deze liturgie een aantal bijzonderheden. Bijvoorbeeld onder punt 6. Onder “verkondiging” versta ik dan een gelezen geheel van Bijbelse teksten, die passen bij de tijd van het jaar, en eventueel het thema van de dienst omvatten. Dit vervangt de gebruikelijke wet lezing. Zo kan er een bijzondere verkondiging zijn voor de lijdenstijd, voor Pasen en voor advent en kerst.

Bijzonder is misschien ook punt 8. Één of meerdere lezingen uit de Bijbel gaan vooraf aan het eerste gebed. God spreekt hier tot ons vóór dat wij Hem antwoord geven.

Misschien wordt het ook als bijzonder ervaren dat er (punt 12) een dankgebed wordt uitgesproken na de prediking. Toch lijkt dit terecht. Het geheel van de verkondiging wordt in de vorm van het gebed aan God voorgelegd, zodat duidelijk kan worden welke opdrachten we meenemen en welke lofprijzing in die verkondiging besloten ligt.

Onder punt 16 kan gedacht worden aan de gebruikelijke formules voor uitzending en zegen, maar hier zou het misschien ook passend zijn om een opdracht uit te spreken. Bijvoorbeeld de tekst: “Weest standvastig, onwankelbaar, te allen tijden overvloedig in het werk des Heeren, en de God der liefde en des vredes zal met u zijn. Amen.”

Dit is een eenvoudige en doorzichtige liturgie.

Eventueel kan men hier tussen punt 14 en 15 nog een zogenaamde “vrije ruimte” invoegen, waarin het woord wordt gegeven aan anderen dan de predikant. Hier valt te denken aan de diverse commissies zoals de diaconie en de kindernevendienst. In principe zou hier ook een gesprek met de gemeente kunnen worden gevoerd over de inhoud van de prediking. Op die wijze komt – ordelijk – de gemeente zelf tijdens de eredienst ook aan het woord.

Nog een laatste punt. In de voorbeden is het niet noodzakelijk om het Onze Vader hardop te bidden. Maar het lijkt mij wel van belang dat de gemeente in alle gevallen op het Amen van de voorganger ook zelf met Amen antwoord geeft om op die wijze de instemming met het gebed hoorbaar te maken.

10 stellingen over liturgie

1. Aan het gesprek over de liturgie moet het geloofsgesprek in de kerkenraad en de gemeente voorafgaan. De liturgie volgt Schrift en belijdenis.

2. De liederen die wij zingen in de gemeente moeten doordrenkt zijn van de Schriften.

3. Als de gemeentezang uitsluitend gebaseerd zou zijn op het Nieuwe Liedboek verschuift in de gemeente het accent van het Woord van God naar het Geloof van de mens.

4. De gevoelscultuur van onze tijd verlangt allerlei handelingen in de liturgie die in strijd zijn met de eenvoud en de nuchterheid van een geloof dat uitsluitend op het Woord van God is gebaseerd. (Het belangrijkste voorbeeld daarvan is het gebruik van gedichten die ons gevoel tot uitdrukking moeten brengen.)

5. Liturgie is een ordening van de samenkomst van de gemeente, waarin het Woord van God de eerste plaats inneemt en de gemeente de gelegenheid krijgt op dat Woord te reageren in belijdenis, aanbidding, lofprijzing, avondmaalsviering, de gemeenschap, het gebed, het dienstbetoon in en buiten de samenkomst, in een levende verbondenheid met de traditie van de – algemene, apostolische – kerk.

6. De zorg om de juiste prediking – kerkrechtelijk opgedragen aan de ouderlingen en de predikant – moet een vervolg krijgen in de zorg om de juiste leer (bijbelbespreking en bijbelstudie) en de juiste liturgie.

7. In principe hebben we aan de 150 psalmen genoeg voor de orde van de eredienst. Alle overige liederen en gezangen zijn een toevoeging aan deze fundamentele schat aan liederen. Het al dan niet invoeren van een liedboek is daarbij van secundair belang. Wanneer dat liedboek geheel of gedeeltelijk in strijd is met de belijdenis van de gemeente van Christus, dan is dat liedboek een storing van de eredienst.

8. De verantwoordelijkheid voor de prediking en de verantwoordelijkheid voor de liturgie kunnen niet van elkaar worden losgemaakt. Liturgen of liturgiecommissies kunnen dan ook niet zomaar doen wat ze maar willen.

9. Het leesrooster volgens het kerkelijk jaar is alleen maar een aanwijzing voor de keuze van de te lezen Bijbelgedeelten. Bijbels gezien is elke zondag een paaszondag.

10. Het is niet de identiteit van de gemeente die bepaalt wat haar liturgie is, maar het is de prediking, de belijdenis en de liturgie samen die een bijzondere identiteit aan de gemeente van Christus geven.

Hieronder nog een korte toelichting op de stellingen:

De predikant en de liturgie – tweede herziening

De liturgie in een gemeente is in wezen een ritueel. Er is een vaste volgorde van spreken en zingen en bidden. Men weet van tevoren wat er komt. We zijn gewend dat ritueel op te delen in de vaste bestanddelen of het ordinarium, die al dan niet volgens een rooster worden ingevuld: bemoediging, het Onze Vader, de prediking, de Schriftlezing, de zegen. Daarnaast speelt elke kerkdienst zich af in een bepaalde tijd die wordt bepaald door de data van de grote feestdagen: Pasen, Pinksteren, Kerstmis al dan niet aangevuld door slotzondag en startzondag. Dat leidt tot een aanvulling op het ordinarium die proprium – tijdeigen – heet. 

De gevolgde liturgie in een gemeente op de zondag is het product van een groot aantal keuzes, en niet uitsluitend een bedenksel van de predikant als individu. Bij de voorbereiding van de eredienst moet hij rekening houden met de orde(n) van dienst die is/zijn vastgelegd door de landelijke kerk, met de speciale liturgische vormen die in de gemeente als traditie zijn doorgegeven, en daarnaast ook nog met de voorkeuren en wensen van gemeenteleden. Kerkenraad en liturgiecommissies spreken daarin een woordje mee, zoals soms ook de organist, de kindernevendienstleiding, de diaconie, de zendingscommissie en de ouderling van dienst. Elk van hen brengt een bepaalde opvatting of benadering van de liturgie met zich mee, of schrijft specifieke elementen van de eredienst voor. Onze kerkorde schrijft ook voor dat de kerkenraad “de” (dus de enige) liturgie van de gemeente vaststelt “met inachtneming van de bijzondere verantwoordelijkheid van de predikant.” Dat wordt door velen minimalistisch opgevat: als de predikant maar mag zeggen wat hij wil in de preek, kan de rest door anderen worden bepaald en uitgevoerd. Men maakt daarmee een functionele scheiding tussen de voorganger en de liturg. De vrijheid van de predikant blijft beperkt tot de inhoud van de prediking, hoewel ook die aan voorwaarden is gebonden: de preek mag niet te lang zijn, moet verkondigend zijn, mag niet te moeilijk zijn, moet passen bij het gelezen bijbelgedeelte, moet rekening houden met het kerkelijk jaar, moet ook jongeren boven de 12 jaar aanspreken.

In een gefuseerde gemeente, komen Gereformeerde en Hervormde tradities door elkaar heen te lopen. Een deel van de gemeente wil het rituele karakter van de dienst zo min mogelijk benadrukt zien. Dit deel van de gemeente zal bijvoorbeeld het gebruik van responsies – de voorganger spreekt en de gemeente antwoordt op voorgeschreven wijze, door “Amen” te zeggen of “Heer ontferm u over ons” – ervaren als niet passend bij de eigen identiteit. Met andere woorden, de weerzin tegen dergelijke rituele elementen is zo sterk, dat het gevoel ontstaat “dat het mijn kerk niet meer is.” Een ander deel van de gemeente stelt het juist zeer prijs op dat de betrokkenheid van de gemeente bij het voltrekken van de eredienst zo sterk mogelijk wordt zichtbaar gemaakt en daarbij past dat de rol van de verkondiging wordt geminimaliseerd. (Dat is een opvallend gegeven: dezelfde mensen die klagen over de lengte van de preek zijn de mensen die hoge prijs stellen op het – juiste – ritueel; dezelfde mensen die vooral de preek waarderen en op de lengte niet letten, zijn de mensen die overmatig ritueel als hinderlijk ervaren.)

In een gefuseerde gemeente kun je dus te maken krijgen met twee strijdige tradities. Het Gereformeerde ritueel – sinds de laatste twintig jaar bijna overal sterk door oecumenische en katholieke elementen bepaald, dus niet door de oude Gereformeerde traditie – kan door een deel van de Hervormden als “Roomse” storing worden ervaren. Een deel van de Gereformeerden heeft op zijn beurt een sterke afkeer van de Hervormde nadruk op de Wetslezing en het al te vaak zingen of uitspreken van de Geloofsbelijdenis, elementen die juist de identiteit van de Hervormden hebben bepaald. Beide partijen hebben historisch trouwens ongelijk. De “hoge” liturgie in onze Protestantse gemeenten is niet “Rooms”, maar Luthers – een hervorming dus van het oude Romeinse ritueel. En de wetslezing e.d. zijn net zo goed oude gereformeerde als hervormde tradities. Maar kennis van de liturgiek en van de kerkgeschiedenis ontbreekt over het algemeen bij gemeenteleden, die zich alleen herinneren “hoe het vroeger was.”

In vele gemeenten staat er dus nog al wat druk op de zondagse liturgie. Daar komt voor mij persoonlijk nog bij, dat ik ben opgegroeid in een gemeente die geen enkele vastgestelde liturgie hanteerde (de Vergadering van Gelovigen), dat ik mijn predikantschap ben begonnen bij de Doopsgezinden die een zeer sobere liturgie hanteerden, dat ik na mijn overgang naar de PKN in een Lutherse gemeente met een hoge liturgie heb geleefd en die nu nog hanteer als gastpredikant in gemeenten van Lutherse snit zoals de ELK in Oude Pekela. Ik heb geen enkel bezwaar tegen een sobere liturgie in de trant van de Vergadering of de Baptisten, en geen enkel bezwaar tegen de hoge liturgie van de Lutheranen.

Er zijn voor mij wel een aantal zaken in de liturgie die ik persoonlijk als storend ervaar: het volgen van een leesrooster bijvoorbeeld, waardoor de vrijheid van de prediking wordt belemmerd. En het lijkt mij ook niet bevorderlijk voor de rust en de ordelijkheid van de liturgie, dat teveel mensen een plekje in de eredienst voor zichzelf opeisen – want dat gaat maar zelden gepaard met overwegingen omtrent het belang van de gemeente als geheel. Er is geen ruimte voor hobbyisme van groepen; het moet altijd gaan om de gemeente als geheel. Te vaak wordt dat hobbyisme gemaskeerd met een loos beroep op de noodzaak de liturgie aan te passen voor de jeugd – die is er niet – of met de moderne ontwikkeling in de kerk mee te gaan – zoals met de al te absolute invoering van het theologisch gezien nogal tendentieuze Nieuwe Liedboek hier en daar is gebeurd.

Het is onmogelijk om in een gefuseerde gemeente de oude en specifieke tradities van de fuserende kerkgenootschappen te handhaven. Nog duidelijker: het heeft geen zin om nu eens de ene partij en dan weer de andere partij haar zin te geven.

Het ritueel van de eredienst moet uitdrukking geven aan de identiteit van de gemeente, maar die identiteit is vooral in een gefuseerde gemeente confuus en onduidelijk. Wie wij zijn als gemeente kan immers niet worden vastgesteld op grond van de jaarrekening of de balans. De identiteit van de gemeente moet een variant zijn van de gezamenlijke Protestantse belijdenis. Wat willen wij in de eredienst vooral gezamenlijk tot stand brengen? We willen in de eerste plaats luisteren naar het Woord van God. We willen in de tweede plaats als gemeente de Heer onze God loven voor zijn daden in de geschiedenis, met andere woorden het gaat dan ook nog eens om de lofzang of de aanbidding. We willen in de derde plaats bemoediging vinden bij elkaar als gemeente. Maar dat alles kan zowel met een hoge als met een “sobere” liturgie.

Wanneer echter de vorm van de eredienst een deel van de gemeente, hoe klein ook, om welke reden dan ook, verhindert om het Woord van God helder te kunnen verstaan, of verhindert dat men zich bemoedigd voelt door het contact met anderen, of zoveel ergernis geeft dat er geen ruimte meer is voor de aanbidding, dan moet de liturgie van de eredienst grondig worden herzien.

Dat is een goed Bijbels beginsel. Kijk maar eens naar deze tekst:

Daarom, indien wat ik eet, mijn broeder aanstoot geeft, wil ik in eeuwigheid geen vlees meer eten, om mijn broeder geen aanstoot te geven. (1 Kor. 8:13)

Wat is dan (voorlopig) het antwoord op dit probleem? We moeten terug naar onze wortels. We moeten terug naar de belijdenis. We moeten terug naar een identiteit van onze gemeente die in alle eenvoud berust op het Evangelie. Alle andere afwegingen vanuit het gevoel, of de wens om modern te zijn, of het verlangen om mede te bepalen wat er gaande is, zullen moeten wijken voor het belang van de gemeente als geheel en haar eenheid. Dat betekent voor mij  – zonder enige twijfel van mijn kant – dat we terug moeten naar een eenvoudige en sobere en heldere liturgie, die vanuit de Protestantse traditie in ruime zin is opgebouwd. Wanneer we die basis eenmaal gevonden hebben, kunnen we gaan onderhandelen  – voorzichtig, met de gemeente als geheel in het ideale geval – over andere mogelijkheden.

NAWOORD

Er is mij gebleken dat velen van de hervormde kant tegen de hoge liturgie geen enkel bezwaar hadden. Ook hebben velen mij gezegd dat ze graag een modernere, losse, minder saaie dienst zouden willen hebben. Dan moeten we misschien ook nog eens de “sobere” liturgie herzien. Misschien moeten we met zijn allen wel leren van Baptisten en Evangelicalen?

Hieronder de link naar de opmerkingen die ik maakte over de eredienst naar aanleiding van de reacties op de hoge liturgie van 9 en 16 maart en Johannes 4 – de eredienst is aanbidding van de Vader in Geest en in waarheid.

http://raveen1956.podbean.com/2014/03/24/johannes-4-en-de-liturgie/

Uw dagelijkse dood – Nieuw Liedboek 543

Het evangelie gaat over het lijden en sterven van de Heer Jezus als een gebeurtenis die de gebroken verhouding tussen God en mens herstelt door aan God genoegdoening te geven voor de zonde en de schuld van mensen weg te dragen in de dood. De dood van Christus is een plaatsvervangend offer dat concreet in de tijd heeft plaatsgevonden.

In onze Protestantse wereld raken ook allerlei andere – secundaire interpretaties van Zijn sterven in zwang. Jezus heeft door Zijn eigen lijden gedeeld in ons menselijk lot en kan daarom met ons meevoelen. Of: Jezus’ lijden is een voorbeeld van onschuldig en geduldig lijden dat tot het uiterste gaat en daarmee een aanwijzing hoe we het lijden van anderen in onze tijd moeten benaderen. Jezus’ liefde laat zich door het lijden en de dood niet tegenhouden. Ook op onze weg in de navolging is er mislukking en teleurstelling, maar net als Jezus moeten wij blijven volhouden.

Theologisch gezien zijn dit allemaal bijzaken. Het is waar, maar niet de kern.

Nu neem ik even een sprong: in de lofzang van de gemeente moet blijken dat we de kern van het evangelie hebben verstaan. Hoofdzaak moet hoofdzaak blijven. Als we in de Lijdenstijd niet kunnen spreken over het plaatsvervangend lijden en sterven van de Heer Jezus, dan spreken we alleen over de bijzaken. Dat is niet tot Gods eer!

Nu het lied.
Ik moest een aantal liederen vinden in het Nieuwe Liedboek om met de gemeente te gaan oefenen. We willen dat Liedboek leren kennen, en daarom die oefening. Bij voorkeur moet ik een nieuw lied laten zingen. “Want ze zijn toch zo mooi.” – zeggen sommigen.

Ik vond voor de Lijdenstijd Lied 543. Toen ik het eerste couplet las, dacht ik: dit is wel een passend lied voor de lijdenstijd. Dit is wat ik las:

Gij zijt in glans verschenen,
Verschenen voor altijd.
Hoe ook in dood verdwenen,
Ons straalt uw heerlijkheid,
Hoe bitter ook de pijnen,
Door ons U aangedaan,
Gij blijft in glans verschijnen,
Ziet ons in glorie aan.

Ik herinner me dat de regel “door ons U aangedaan” even bleef hangen. Het riep de herinnering op aan het gedicht van Revius, met als pointe dat niet joden of Romeinen Jezus hebben gekruisigd, maar dat mijn zonden Zijn smadelijke dood noodzakelijk maakten. Die doen we erbij, dacht ik toen.
Een mooi lied voor de aanloop naar Pasen.

Ik heb er nu grote spijt van, dat ik het lied niet nauwkeuriger heb gelezen.

Het blijkt, dat de theologie achter het lied het idee is, dat Christus sterft in allen die sterven, het bevat de (katholieke) notie, dat Christus nog elke dag sterft en geofferd wordt. Een opvatting die is ontleend aan een visie op de eucharistie. Het bevat de notie dat de beschouwing van Christus’ dood in de context van ons lijden op zich al troost geeft. Dus lezen we tekst als het volgende:

Kruisgang door de tijden…
Uw lijden in aller wereldnood…
Het glanst uit alle pijn…
Uw kruis ons lenen…
Glans die alles heelt etc, etc.

Dit is niet het evangelie van de unieke kruisdood die verzoening brengt voor wie gelooft, dit is het valse evangelie dat spreekt over Christus’ lijden als een voorbeeld van het lijden van anderen en als een aanmoediging om vol te houden.

We hadden dit nooit moeten zingen. Wat een ellende is toch dit Nieuwe Liedboek.

Het lied van Habakuk – NLB 156

Het volgende nieuwe lied is nummer 156. De titel is: “ik heb verstaan, Heer, wat Gij hebt gezegd.”

De tekst sluit prachtig aan bij de Bijbelse tekst van Habakuk 3:2, 17-18.

3:2
HEERE, toen ik Uw tijding hoorde,
heb ik gevreesd. HEERE, Uw werk,
behoud het in het leven in het midden van de jaren,
maak het bekend in het midden van de jaren;
denk in Uw toorn aan ontferming!

17 Al zal de vijgenboom niet in bloei staan
en er geen vrucht aan de wijnstok zijn,
al zal de opbrengst van de olijfboom tegenvallen
en zullen de velden geen voedsel voortbrengen,
al zal het kleinvee uit de kooi verdwenen zijn
en er geen rund in de stallen over zijn –

18 ik zal dan toch in de HEERE van vreugde opspringen,
mij verheugen in de God van mijn heil.

Er zitten in het lied een paar sterke regels. En vooral het vierde vers raakt mijn hart.

ik blijf daarom, tegen beter weten in
mij richten naar het woord van het begin,
dat Gij ons, God der eeuwen, hebt gezegd:
het verbond van trouw, van onverbreekbaar recht,
gij, Heer, Gij zijt mijn kracht, mijn zekerheid;
ik juich om u in tijd en eeuwigheid

Alle lof voor Koenraad Ouwens, de tekstdichter, een mooi lied. En de melodie past ook nog eens prachtig bij de sfeer van de psalmen en de Bijbelse teksten.

Hier ben ik nou blij mee.

Ammenooitniet – over Lied 154B NLB

Het is een eindeloze taak om alle liederen uit het nieuwe liedboek tegen het licht te houden, maar ik wil het nu over een enkel lied hebben. Ik was echt niet op zoek naar iets negatiefs, maar ik ben bezig om vanaf lied 151 alle liederen die nieuw zijn stuk voor stuk te bekijken, en daarom kwam ik nu op deze. In het nieuwe liedboek vinden we lied 154 B. Het is een soort herdichting van psalm 136, maar de ondertitel maakt duidelijk dat gedacht wordt aan de drie mannen uit het boek Daniël. Het heeft ook dezelfde melodie als psalm 136 dat de titel draagt “loof de Heer, want Hij is goed.”

En nu ga ik even zeuren, theologisch beargumenteerd zeuren. Psalm 136 is een loflied op de grote daden van de Heer in de geschiedenis. De grondslag van die daden vinden we in het derde en vierde couplet. Dat mag even gaan over de schepping van hemel, zee en land, en in het vierde couplet over de zon, de maan en de sterren. Het bevestigt dat we spreken over de daden van de schepper in de geschiedenis. Het vijfde tot en met het achtste couplet gaan over de uittocht uit Egypte. Het negende tot en met het 11e couplet over de bewaring van Israël tegenover de vijandige koningen. En het laatste couplet, nummer 13, brengt die twee gedachten samen want de heerschappij is aan de God des hemels.

Het is wezenlijk voor ons geloof dat wij God erkennen in zijn grote daden. Natuurlijk omvat dat ook het werk van de schepping. Maar de schepping is de grondslag van het verbond. Maar het verbond tussen God en Israël en het nieuwe verbond in het bloed van Jezus Christus, is de grondslag van Gods daden in de geschiedenis. Over die daden van bevrijding moet het dus in onze lofzang eigenlijk gaan.

In Tussentijds was lied 154B al opgenomen onder nummer 56. Wat vinden we nu? Ik zet de beginregels van alle coupletten maar eens op een rijtje, dan zie je het zo:

Heel de schepping, prijs de Heer!
Zegen Hem, gij zon en maan
alle wind en alle weer
licht en donker, dag en nacht
de berg en heuvel, rots en dal
alles wat op aarde groeit,
vogels, vissen, wild en vee
en gij mensen, allen samen

En dan volgt in het negende couplet de enige indirecte aanwijzing dat we hier te maken hebben met een verwijzing naar Daniël 3:

Want in het dodelijke uur
gaat Hij voor ons door het vuur
en Hij zal ons op doen staan
om Hem achterna te gaan

Het spijt me, maar dat vind ik een kinderrijmpje.

En dan ten slotte de lekkere opgewekte toon van het 10e couplet:

al wat leeft, wees welgemoed,
looft de Heer, want Hij is goed (een vleugje psalm 136)
zegen Hem dan, hier en nu,
want zijn goedheid zegent u.

De kern natuurlijk van mijn bezwaar hier, is dat lied 154 ondanks de ondertitel, in feite alleen maar verwijst naar de natuur als een uitdrukking van Gods macht. De fraaie verbinding tussen Gods schepping en de daden die uit het verbond voortvloeien zoals psalm 136 die geeft, is geen optie die we kunnen kiezen, maar de essentie van het christelijk belijden. Dit lijkt eerder een liedje te zijn dat Sint Franciscus kon neuriën tijdens zijn wandeltochten, maar het is geen lied dat zinvol de aanbidding van de gemeente van Christus onder woorden weet te brengen.

Het spijt me heel erg, maar lied 154B kiezen boven psalm 136? Daar hebben we een theologische uitdrukking voor: Ammenooitniet!