Johannes 4:21-24
21 Jezus zei tegen haar: Vrouw, geloof Mij, de tijd komt dat u niet op deze berg, en ook niet in Jeruzalem de Vader zult aanbidden. 22 U aanbidt wat u niet weet; wij aanbidden wat wij weten, want de zaligheid is uit de Joden. 23 Maar de tijd komt en is nu, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid, want de Vader zoekt wie Hem zo aanbidden. 24 God is Geest en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.
We hebben al even aangestipt, dat de Samaritaanse vrouw op het eerste gezicht een discussie over theologie begint. Misschien wel om de aandacht af te leiden van het gesprek over de zonde in haar leven, dat plaatsvindt in de verzen 16 – 18. Toch is dat het begin van een belangrijke levensvraag voor haar. Nu de zonde in haar leven tegenover deze Joodse profeet niet meer te ontkennen valt, komt de vraag op of welke plaats en op welke wijze verzoening kan worden gedaan voor haar zonden. Moet zij naar Jeruzalem of naar de tempel in Samaria? Is er een oplossing? Dat is voor de vrouw de persoonlijke inzet achter dit gesprek.
Het gaat over aanbidding. In vers 21 over de plaats van de aanbidding. En dat die aanbidding gericht is op de Vader. In vers 22 bevestigt Jezus dat deze aanbieding in de lijn ligt van heel het Oude Testament. Vers 23 maakt duidelijk dat met de komst van Jezus een nieuwe vorm van aanbidding gekomen is, aanbidding in geest en waarheid. En dat de Vader mensen zoekt om Hem op die wijze te aanbidden. En dat wordt als beginsel verbonden met het wezen van God zelf – God is Geest – in vers 24.
Waarom is aanbidding een belangrijk begrip? De kerkdienst van elke zondag noemen wij ook wel de eredienst. Wij verrichten gezamenlijk een dienst, en de inhoud van die dienst is een eerbetoon aan God. Het gaat dus heel in het algemeen om de uitgesproken en uitgezongen erkenning van de waarde en de heerlijkheid van God. Elke kerkdienst is in die zin een eredienst. Het is een dienst van aanbidding. Maar waarom is aanbidding dan zo belangrijk? Daar zijn vele redenen voor, en aanbidding komt dan ook in de hele bijbel voor. Het is b.v. het eerste gebod in Exodus 20. Daar vinden we eerst wie deze God is – de Here, de bevrijder uit Egypte. Deze God wil dat Israël voor Zijn aangezicht staat – en dan mogen er geen andere goden zijn. Deze God wil dat je alleen voor Hem neerbuigt en alleen Hem dient. Daarom het verbod om je voor andere goden neer te buigen of andere goden te dienen. (Exodus 20:5) In Mattheus 22:37 geeft Jezus dat weer als het grote gebod in de wet, namelijk “de Here uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand.” Dat is het gebod van de aanbidding. Want wie deze God kent en Hem eren wil, zal Hem ook liefhebben.
Uiteraard kende het Oude Testament een heel systeem van aanbidding in de vorm van de tempeldienst. Daar werden de psalmen gezongen ter ere van God, daar werden de offers gebracht – en met name het brandoffer was een offerande van aanbidding. In het Nieuwe Testament is dat wezenlijk niet anders. Zo vinden we bijvoorbeeld in Hebreeën 13:15 de oproep, om “door Hem” – onder leiding van onze Hogepriester in de hemel, Jezus Christus – “een lofoffer [te] brengen aan God, namelijk de vrucht van lippen die Zijn Naam belijden.” Op grond daarvan kunnen we de teksten van het Oude Testament over aanbidding in de vorm van lichamelijke en materiële handelingen en zaken, nu opnieuw gaan lezen als teksten over de grondbeginselen van aanbidding. Een onderwerp dat onze aandacht meer dan waard is maar nu te ver zou voeren.
In Romeinen 12:1, wordt gesproken over onze “redelijke godsdienst”, dat wil zeggen dat wij ons eigen leven (lichamen staat er letterlijk) aan God moeten wijden als een “levend offer, heilig en voor God wel behaaglijk.” Ook dat gaat dus over aanbidding. En net zoals in het Oude Testament alleen de priesters het recht hadden om offers te brengen, zo geldt dat ook voor onze tijd. Wij allen zijn een “geestelijk huis, een heilig priesterschap, om geestelijke offers te brengen, die God welgevallig zijn door Jezus Christus.” (1 Petrus 2:5b) Kort gezegd, alleen christenen, een “koninklijk priesterschap, een heilig volk, een volk dat God Zich tot Zijn eigendom maakte”, hebben het recht en het vermogen om dergelijke offers te brengen. “Wij hebben een altaar, waarvan zij die in de tabernakel dienen, niet bevoegd zijn te eten.” (Hebr. 13:10)
En wanneer de bijbel spreekt over het dienen van God, sluit dat doorgaans de aanbidding in. Zo bijvoorbeeld in Hebreeën 12:28. Daar horen we de oproep: “laten wij daarom… God dienen op een Hem welgevallige wijze, met ontzag en eerbied.” Het woord dat hier voor dienen wordt gebruikt, is hetzelfde Griekse woord als waar ons woord “liturgie” is afgeleid. Het is het priesterlijke dienen, een “litourgein, waarmee we God eren. En dat is niet alleen maar een dienen met de lippen (13:15), maar uitdrukkelijk horen daar ook onze daden bij. In Hebreeën 13:16 horen we om die reden: “vergeet het weldoen en het onderlinge hulpbetoon niet, want aan zulke offers heeft God een welgevallen.” Ook dienstbetoon is dus een daad van aanbidding.
God moet dus aanbeden worden, erkend als wie Hij is, en dan moet beleden worden wie Hij is, en dan moet Hij geëerd worden om wie Hij is, en dat betekent in de kern dat wij in woorden en gedachten, in liederen en in daden moeten weerspiegelen wie Hij is. Aanbidding is volkomen, als een schepsel de echo is van Gods Woord, als het schepsel zichtbaar maakt wat God is: als de mens werkelijk laat zien dat hij in het beeld en naar de gelijkenis van God geschapen is. (Beeld: in zijn positie dus God representeert; gelijkenis: in zijn karakter dus de eigenschappen van God weerspiegelt.) Zo bezien, is de kern van alle aanbidding de vleeswording van het Woord in Jezus Christus. In Hem woonde immers de volheid van God lichamelijk, (Vgl. Kol. 1:19) Hij maakte zichtbaar en hoorbaar wie God was. Heel zijn leven in gehoorzaamheid aan God, is een aanbidding, een eerbetoon aan deze God.
Kan er aanbidding zijn zonder kennis van de ware God? Paulus meent van niet. Wanneer hij in Athene aankomt, spreekt hij de mensen aan over een klein altaar dat hij gezien had, gewijd aan aan “de onbekende God.” Paulus zegt daarmee dat ze wel de goede richting op gedacht hebben, maar deze onbekende God niet kennen. Deze onbekende God is de God en Vader van de Heer Jezus Christus is gestorven is voor onze zonden en opgestaan uit de doden op de derde dag. Dat is dan zijn getuigenis in Athene. Dus hij zegt daarmee feitelijk, dat hun poging om de goden te aanbidden op verkeerde informatie berust. Ze kennen de God niet die hemel en aarde geschapen heeft. Het is dus terecht dat ze dat kleine altaar neerzetten aan de “onbekende” God. Maar deze God is niet onbekend, maar heeft Zich geopenbaard!
Terug naar Johannes. Jezus zegt in vers 23, dat de ware aanbidders, de Vader zullen aanbidden in geest en in waarheid. Daarmee worden vier hele belangrijke dingen gezegd, waar ik nu snel doorheen zal lopen.
In de eerste plaats: met Christus is de tijd aangebroken dat er ware, waarachtige aanbidders zullen zijn. Wat zijn waarachtige aanbidders? Dat zijn mensen in wie de Geest van God Zelf woont. Mensen die Christus hebben aangenomen als Heer en Verlosser. Dat zijn de mensen over wie Johannes al een paar keer heeft gesproken, die eeuwig leven hebben ontvangen in de wedergeboorte, die hun vertrouwen stellen op de Zoon des mensen, die uit God geboren zijn. Alleen die mensen kunnen waarachtige aanbidders zijn.
En dan in de tweede plaats, wie zullen deze mensen aanbidden? Zij kennen God als de Vader van Jezus Christus. Er is geen aanbidding van God mogelijk zonder Jezus Christus, omdat God als de Vader moet worden aanbeden, en de Vader en de Zoon zijn één. Daar hebben we al eerder over gesproken. Om te weten wie God is, moet je weten wie de Vader, de Zoon en de heilige Geest is. Met de komst van de Zoon, gaat de aanbidding van mensen in de richting van God de Vader. Alleen Jezus, de Zoon van God, heeft God als de Vader geopenbaard. Zo was Hij niet bekend onder het oude verbond.
In de derde plaats gaat het om de wijze van aanbidden. Die aanbidding moet zijn in geest en waarheid. Daarmee wordt een einde gemaakt aan al die vormen van aanbidding waarin ceremoniële gewaden, rituele handelingen, heilige voorwerpen en het offer van dieren een rol speelt. Dat alles is een schaduw geweest van de waarachtige aanbidding die nu wordt geopenbaard. Het zijn de hulpmiddelen geweest waarmee mensen onder het oude verbond God konden zoeken en vinden, zonder de bijstand van de heilige Geest en zonder de volledige openbaring van God in de Zoon.
Een groot deel van de eredienst in onze kerken, is een soort christelijke variant van het Jodendom, of een kerkelijke versie van het heidendom. Wanneer aanbidding wordt voorbehouden aan een priesterlijke elite zoals in de Rooms-katholieke kerk, dan is dat geen aanbidding in geest en waarheid. Het aansteken van kaarsen, liturgische formules van welke aard dan ook, het voorlezen van vooraf geschreven gebeden, het invullen van de zondagen aan de hand van een kerkelijke kalender, toga en stola, liturgische kleuren, het liturgische bloemschikken, het zijn allemaal restanten van een vorm van aanbidding waaraan Jezus juist een einde gemaakt heeft. Als Jezus zou terugkeren en bij ons in de kerk zou gaan zitten, zou Hij dan kunnen zien dat wij hebben begrepen wat Hij bedoelde, met deze aanbidding in geest en waarheid? Want dat is de kern; aanbidding in de geest betekent, dat wij God eer geven met heel onze ziel en verstand. Dat wij aan Hem de lofoffers van onze lippen opdragen, vanuit een oprecht hart dat vol is van de Geest. De bron van onze aanbidding moet geen dienstboek zijn, maar een hart dat overvloeit van dankbaarheid en verering.
Waarom moet de aanbidding van God in geest en waarheid zijn? In de eerste plaats omdat Hij zowel de plaats, als de tijd, als de manier van de aanbidding bepaalt. Die plaats is een gemeenschap, de gemeente van de levende God. Die tijd is elk moment in het leven, omdat wij deze God moeten aanbidden met onderling dienstbetoon, met het afleggen van getuigenis voor Zijn Naam in deze wereld, en omdat wij de onderlinge bijeenkomst – wanneer wij maar de gelegenheid hebben – niet mogen verzuimen. (Hebr. 10:25) En bovenal, de manier van die aanbidding, vergt de volle inzet van onze ziel en verstand. De Reformatie heeft terecht de bediening van het Woord centraal gesteld. Er is geen ruimte voor mystieke belevingen, voor onduidelijke gedachten en gevoelens, voor leeg enthousiasme, voor opzwepend handengeklap, als het Woord niet opengaat en ons zeggen mag wie God is. Het Wóórd moet gepredikt en uitgelegd worden voor ons hart en voor ons verstand, zodat wij de God leren kennen die van ons eredienst en dienstbetoon vraagt. Je kunt alleen God dienen en eren, wanneer je de waarheid over Hem dient en eert.
Mensen die God willen aanbidden in geest en waarheid, worden door de Vader ook gezocht. Dat is het laatste waar ik op wil wijzen. De Vader zoekt mensen die Hem op deze manier willen aanbidden. Wie zich verschuilen wil in ingewikkelde liturgieën, uitgebreide ceremoniën, en niet let op de ingevingen van de heilige Geest die de ware voorganger in de gemeente hoort te zijn, die wil deze God niet aanbidden in geest en waarheid. Die komt voor Zijn aangezicht met onduidelijke gevoelens en gedachten en dat wil uiteindelijk zeggen met beelden, van andere goden. Maar de bijbel is duidelijk. Wij kunnen alleen God “dienen op een Hem welgevallig wijze, met ontzag en eerbied” door Jezus Christus. We kunnen alleen een lofoffer brengen aan God, en Zijn Naam belijden, “door Hem”. Voor de gemeente van Christus is de Zoon van God het begin, het beginsel, en het doel van alles.
