Deel 11 in de serie “De Belijdeniscatechisatie”.
Afsluitende woorden over de laster tegen de Heilige Geest – vers 30. Tenslotte het optreden van de familie van Jezus die Hem komen halen omdat Hij “buiten zichzelf” zou zijn. Wie is de ware familie van Jezus in het licht van het Koninkrijk?
30 Want zij zeiden: Hij heeft een onreinen geest.
31 Zo kwamen dan Zijn broeders en Zijn moeder; en buiten staande, zonden zij tot Hem, en riepen Hem.
32 En de schare zat rondom Hem; en zij zeiden tot Hem: Zie, Uw moeder en Uw broeders daar buiten zoeken U.
33 En Hij antwoordde hun, zeggende: Wie is Mijn moeder, of Mijn broeders?
34 En rondom overzien hebbende, die om Hem zaten, zeide Hij: Ziet, Mijn moeder en Mijn broeders.
35 Want zo wie den wil van God doet, die is Mijn broeder, en Mijn zuster, en moeder.
De roeping van de discipelen als herauten van het Nieuwe Koninkrijk brengt de verkondiging in een nieuwe fase, maar tegelijkertijd neemt ook het verzet toe.
Het verzet tegen de Messias gaat nu zelfs zover dat de Farizeeën samenzweren om Jezus aan te klagen en de Schriftgeleerden Hem ervan beschuldigen in de naam van Beelzebul op te treden. In dat kader valt het woord “laster tegen de Heilige Geest.”
In de video zit een (mogelijke) fout, omdat ik mij herinner dat in de woorden Beelzebul en Beelzebub een woordspeling zat, terwijl de naslagwerken het eenvoudiger uitleggen: Beelzebul is de naam van de overste der demonen in het vroege jodendom en Beelzebub de naam van een afgod in Ekron. (2 Koningen 1)
7 En Jezus vertrok met Zijn discipelen naar de zee; en Hem volgde een grote menigte van Galiléa, en van Judéa,
8 En van Jeruzalem, en van Iduméa, en van over de Jordaan; en die van omtrent Tyrus en Sidon, een grote menigte, gehoord hebbende, hoe grote dingen Hij deed, kwamen tot Hem.
9 En Hij zeide tot Zijn discipelen, dat een scheepje steeds omtrent Hem blijven zou, om der schare wil, opdat zij Hem niet zouden verdringen.
10 Want Hij had er velen genezen, alzo dat Hem al degenen, die enige kwalen hadden, overvielen, opdat zij Hem mochten aanraken.
11 En de onreine geesten, als zij Hem zagen, vielen voor Hem neder en riepen, zeggende: Gij zijt de Zone Gods!
12 En Hij gebood hun scherpelijk dat zij Hem niet zouden openbaar maken.
13 En Hij klom op den berg, en riep tot Zich, die Hij wilde; en zij kwamen tot Hem.
14 En Hij stelde er twaalf, opdat zij met Hem zouden zijn, en opdat Hij dezelve zou uitzenden om te prediken;
15 En om macht te hebben, de ziekten te genezen, en de duivelen uit te werpen.
16 En Simon gaf Hij den toenaam Petrus;
17 En Jakobus, den zoon van Zebedéüs, en Johannes, den broeder van Jakobus; en gaf hun toenamen, Boanérges, hetwelk is, zonen des donders;
18 En Andréas, en Filippus, en Bartholoméüs, en Matthéüs, en Thomas, en Jakobus, den zoon van Alféüs, en Thaddéüs, en Simon Kananítes,
19 En Judas Iskáriot, die Hem ook verraden heeft.
Godslastering der schriftgeleerden
20 En zij kwamen in huis; en daar vergaderde wederom een schare, alzo dat zij ook zelfs niet konden brood eten.
21 En als degenen, die Hem bestonden, dit hoorden, gingen zij uit, om Hem vast te houden; want zij zeiden: Hij is buiten Zijn zinnen.
22 En de schriftgeleerden, die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: Hij heeft Beëlzebul, en door den overste der duivelen werpt Hij de duivelen uit.
23 En hen tot Zich geroepen hebbende, zeide Hij tot hen in gelijkenissen: Hoe kan de satan den satan uitwerpen?
24 En indien een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld is, zo kan dat koninkrijk niet bestaan.
25 En indien een huis tegen zichzelf verdeeld is, zo kan dat huis niet bestaan.
26 En indien de satan tegen zichzelven opstaat, en verdeeld is, zo kan hij niet bestaan, maar heeft een einde.
27 Er kan niemand in het huis eens sterken ingaan en zijn vaten ontroven, indien hij niet eerst den sterke bindt; en alsdan zal hij zijn huis beroven.
28 Voorwaar, Ik zeg u, dat al de zonden den kinderen der mensen zullen vergeven worden, en allerlei lasteringen, waarmede zij zullen gelasterd hebben;
29 Maar zo wie gelasterd zal hebben tegen den Heiligen Geest, die heeft geen vergeving in der eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwigen oordeels.
In een nieuwe episode in Kapernaum bereikt de tegenstand van de meegereisde Farizeeën een dieptepunt. Zij beraadslagen nu met de Herodianen om Hem te doden. Bespreking van Marcus 3:-1-6.
1 En Hij ging wederom in de synagoge; en aldaar was een mens, hebbende een verdorde hand.
2 En zij namen Hem waar, of Hij op den sabbat hem genezen zou, opdat zij Hem beschuldigen mochten.
3 En Hij zeide tot den mens, die de verdorde hand had: Sta op in het midden.
4 En Hij zeide tot hen: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te doden? En zij zwegen stil.
5 En als Hij hen met toorn rondom aangezien had, meteen bedroefd zijnde over de verharding van hun hart, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij strekte ze uit; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.
6 En de farizeeën, uitgegaan zijnde, hebben terstond met de Herodianen te zamen raad gehouden tegen Hem, hoe zij Hem zouden doden.
De serie “De Belijdeniscatechisatie” is een lange-termijn project, bedoeld als ondersteuning voor de reguliere belijdeniscatechisatie zoals die in verschillende kerken aan jongeren vanaf 16 jaar gegeven wordt.
Ik geef hieronder een korte verantwoording van het project.
In mijn benadering omvat een dergelijke catechisatie de volgende onderdelen:
Globale kennis van de inhoud van de Bijbel
Inzicht in het evangelie, aan de hand van het evangelie naar Marcus.
Kennis van en inzicht in de Apostolische Geloofsbelijdenis
Kennis van de betekenis van doop en avondmaal
Inzicht in de grondbeginselen van het praktische Christelijke leven aan de hand van de Bergrede en het Onze Vader.
Inzicht in opbouw en betekenis van de Christelijke eredienst in het algemeen.
De serie videolessen begint met de uitleg van het evangelie naar Marcus en intussen zijn de eerst twee hoofdstukken besproken. Elke vijfde video zal een excurs bevatten over een verwant onderwerp. Deel 1 getiteld “De verzoening” gaat over 2 Kor. 5, de ‘bediening van de verzoening.’ Deel 5 behandelt heel kort de vraag of God bestaat en de mogelijkheid van een godsbewijs.
Ik heb gekozen, temidden van een verbijsterende hoeveelheid moderne vertalingen, voor de aloude Statenvertaling met de Kanttekeningen. Ik volg weliswaar uiteindelijk de modernere commentaren of vertalingen als die inderdaad overtuigender zijn, maar het is goed om een uitgangspunt te kiezen in de Reformatie van de 16e eeuw en daarvan alleen af te wijken als we daarvoor goede redenen hebben. Zo eren we de traditie zonder onszelf met haar te identificeren.
De taal van de Statenvertaling is met enige uitleg ook goed te volgen, zelfs voor moderne mensen, en het is mijn ervaring dat het respect voor de Bijbelse tekst niet groter – integendeel! – wordt als we de Schriften in een moderne versie lezen. Uiteraard blijft het belangrijkste argument dat de Statenvertaling zowel brontaalgericht als brontaalgetrouw vertaalt, wat naar mijn oordeel essentieel is voor elke Bijbelvertaling. (Evenals bij voorbeeld de Naardense Bijbel dat doet.) Zo komen we in de vertaling zo dicht mogelijk bij wat apostelen en profeten in hun taal getuigd hebben.
Het niveau van de lessen ligt hoog, te hoog om als 16-jarige of als beginner zonder begeleiding mee geconfronteerd te worden. Die begeleiding is dan ook essentieel maar kan door – nog te ontwikkelen – begeleidend materiaal of door de levende stem van de predikant worden gegeven.
Ik leg de lat hoog voor catechisanten, omdat ik het evangelie van Jezus Christus ernstig neem. Wie de indruk wekt dat toetreden tot de kerk een simpele zaak is, die met de geringste mate van kennis en belangstelling al kan worden verleend, wekt de indruk dat het Christelijk geloof eigenlijk maar inhoudsloos is en maakt het irrelevant voor moderne mensen. In tegendeel! Ik acht de voortdurende overdreven nadruk op het geloof als een zaak van het hart – van de persoonlijke ervaring of opinie – schadelijk voor de kerk. Het wekt de indruk dat het evangelie een zaak is van individuele beleving en niet van een verkondiging van een waarheid. De postmoderne depressie, die elke vraag naar waarheid als melaatsheid behandelt doet dan de rest. Onze kerk gaat daar massaal in mee, en neemt in deze tijd de houding van de postmoderne mens over. Door die houding, denk ik, hebben wij intellectueel de laatste veertig jaar het pleit verloren en zijn we definitief buiten het openbare debat komen te staan.
Het evangelie en dus ons geloof is ook een zaak van kennis en van het verstand. Het is de verkondiging van de waarheid die is belichaamd in het leven en sterven en de opstanding van een persoon – de Heer Jezus Christus. Voor die waarheid zouden we ook met ons verstand moeten instaan, zodat ons getuigenis helder en krachtig kan zijn.
Het is de missie van KOINONIA om het evangelie voor het verstand toegankelijk te maken en zo de gemeente op te bouwen “tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot de maat van de volwassenheid van Christus.” (Efeze 3:13)
Hieronder de links naar de video’s die tot dusver zijn gepubliceerd op Youtube.
Deel 5 in de serie videolessen onder de titel “De Belijdeniscatechisatie”.
Een veronderstelling van de serie (en van de belijdenis zelf) is natuurlijk het geloof in het bestaan van God. Daarover toch maar een paar opmerkingen hoewel de focus van de serie ligt bij mensen die deze God al geloven en kennen, maar nu willen groeien in de kennis van de fundamenten van het Christelijk geloof.
Het bewijs van Gods bestaan kan strikt genomen niet worden gegeven. Maar vanuit het geloof kan in zekere mate worden nagedacht over de mogelijkheid van Zijn niet-bestaan. Zijn er aanwijzingen – die geloof veronderstellen – dat God bestaat in de zichtbare werkelijkheid?
Deel 8 van “De Belijdeniscatechisatie.” Een serie video’s ter voorbereiding op het afleggen van belijdenis.
Jezus is Heer van de Sabbat, zoals Hij ook Heer is van de vergeving, de genezing en het vasten.
23 En het geschiedde, dat Hij op een sabbatdag door het gezaaide ging, en Zijn discipelen begonnen, al gaande, aren te plukken.
24 En de farizeeën zeiden tot Hem: Zie, waarom doen zij op den sabbatdag, wat niet geoorloofd is?
25 En Hij zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen, wat David gedaan heeft, als hij nood had, en hem hongerde, en dengenen, die met hem waren?
26 Hoe hij ingegaan is in het huis Gods, ten tijde van Abjathar, den hogepriester, en de toonbroden gegeten heeft, die niemand zijn geoorloofd te eten, dan den priesteren, en ook gegeven heeft dengenen, die met hem waren?
27 En Hij zeide tot hen: De sabbat is gemaakt om den mens, niet de mens om den sabbat.
28 Zo is dan de Zoon des mensen een Heere ook van den sabbat.
Deel 7 van “De Belijdeniscatechisatie”, een serie video’s ter voorbereiding op het afleggen van belijdenis.
Jezus roept degenen die de vergeving nodig hebben. Dat brengt de vraag met zich mee in welke volmacht Hij deze dingen doet. Sluit Hij wel aan bij het bestaande religieuze systeem, waarin vasten (boete en rouw) een grote rol speelt?
Jezus getuigt van zichzelf dat Hij de “Bruidegom” is en dat er nu een Feestmaal begint, waarin zondaars en tollenaars – allen die vergeving nodig hebben – van harte zijn uitgenodigd.
Marcus2:13-22
13 En Hij ging wederom uit naar de zee; en de gehele schare kwam tot Hem, en Hij leerde hen.
14 En voorbijgaande zag Hij Levi, den zoon van Alféüs, zitten in het tolhuis, en zeide tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem.
15 En het geschiedde, als Hij aanzat in deszelfs huis, dat ook vele tollenaren en zondaren aanzaten met Jezus en Zijn discipelen; want zij waren velen, en waren Hem gevolgd.
16 En de schriftgeleerden en de farizeeën, ziende Hem eten met de tollenaren en zondaren, zeiden tot Zijn discipelen: Wat is het, dat Hij met de tollenaren en zondaren eet en drinkt?
17 En Jezus, dat horende, zeide tot hen: Die gezond zijn, hebben den medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn. Ik ben niet gekomen, om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering.
18 En de discipelen van Johannes en der farizeeën vastten; en zij kwamen en zeiden tot Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes en der farizeeën, en Uw discipelen vasten niet!
19 En Jezus zeide tot hen: Kunnen ook de bruiloftskinderen vasten, terwijl de Bruidegom bij hen is? Zo langen tijd zij den Bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten.
20 Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en alsdan zullen zij vasten in dezelve dagen.
21 En niemand naait een lap ongevold (ongewassen) laken op een oud kleed; anders scheurt deszelfs nieuwe aangenaaide lap iets af van het oude kleed, en er wordt een ergere scheur.
22 En niemand doet nieuwen wijn in oude lederzakken; anders doet de nieuwe wijn de lederzakken bersten en de wijn wordt uitgestort, en de lederzakken verderven; maar nieuwen wijn moet men in nieuwe lederzakken doen.