Johannes (56) – Jezus weende

Joh. 11:28-35

Gelooft u dat? Jezus zegt tegen Martha dat Hij de Opstanding en het Leven is. Geloof je dat, Martha? En Martha zegt: “Ja, Heere.” Ze heeft al geloofd dat Hij “de Christus is, de Zoon van God, Die in de wereld komen zou.” Zij weet nog niets over de kruisiging en Zijn opstanding. Dat moest nog gebeuren. Martha is een voorbeeld van een gelovige onder het verbond van God met Israël. Wij zijn gelovigen van het nieuwe verbond, omdat wij leven na de opstanding. Maar eigenlijk zijn wij niet te beschouwen als twee verschillende soorten van gelovigen. Martha geloofde in de Zoon van God, evenals wij.

Geloof je het evangelie? Bij alles wat we gelezen hebben uit het evangelie naar Johannes is dat in zekere zin de kernvraag. Je leest het, je neemt er kennis van, maar geloof je het ook? Als je het niet gelooft, dan is het niet omdat er geen betrouwbare getuigenissen zijn geweest. Het is niet de dwingende reden om het evangelie te geloven, want geloof is geen verstandelijk inzicht maar het buigen van de wil voor God, maar het zijn wel die getuigenissen die je ertoe kunnen brengen. Als je eenmaal het wonder hebt meegemaakt dat je het gelooft, valt het wel op hoeveel getuigen het geloof onderbouwen. Er zijn ooggetuigen geweest van de opwekking van Lazarus, er zijn ooggetuigen geweest van het lege graf en de verschijningen van Jezus na Zijn opstanding, en op een enkel moment was er zelfs een verschijning van Jezus aan meer dan 500 mensen.

Vanuit de veilige afstand die wij nu hebben in de tijd, is dat makkelijk aan te vechten. De getuigen hebben gelogen, zijn misleid, zijn verzonnen door de schrijver van dit evangelie. Je kunt die vraag te stellen. Maar dat het mogelijk is om een getuige aan te vechten, maakt die getuigen niet onbetrouwbaar. Om een getuigenis te weerleggen, moet je er een ander getuigenis naast kunnen leggen dat het tegenspreekt. Een getuige dus die kan verklaren, dat de opwekking van Lazarus niet heeft plaatsgevonden, Jezus niet is verschenen, er een dringende reden was om te liegen. Maar dat is wat modern ongeloof nooit doet. Als in een rechtszaak vele getuigen komen uitleggen wat naar hun beleving de ware toedracht is, en nergens getuigen kunnen worden gevonden die het tegendeel beweren, wat zal normaal gesproken een rechter dan doen?

Wat het moderne ongeloof altijd doet, is niet wat het zou moeten doen, nl. een getuige produceren die geloofwaardig het tegendeel beweert, maar het doet sinds de 18e eeuw een beroep op algemeen erkende wetenschappelijke inzichten. Zo kun je leren van de medische wetenschap en de biologie, dat het lichaam van een gestorvene na vier dagen in het graf zozeer aan bederf onderhevig is geweest, dat het ondenkbaar is dat we met schijndood te maken hebben. Zo kun je leren van de medische wetenschap dat opstandingen uit de dood niet plaatsvinden omdat dat een wetenschappelijke onmogelijkheid is. Het bederf waaraan een lijk onderhevig is, kan niet worden teruggedraaid; dat is ook een algemene wet in het heelal. Er is geen proces denkbaar waarmee je een gebakken ei weer kunt omvormen tot een rauw ei. Maar de getuigen van de opwekking van Lazarus zijn ook niet ooggetuigen geweest van een natuurwet in actie. Ze hebben een daad van de schepper meegemaakt. Als je van tevoren uitsluit, op grond van een principieel ongeloof, dat er een God is die het onmogelijke kan laten gebeuren, die iets uit niets kan laten ontstaan, die spreekt en het is er, dan moet je de getuigen van het nieuwe testament principieel afwijzen.

In het 11e hoofdstuk van dit evangelie wordt duidelijk dat de getuigen van de opwekking van Lazarus in ieder geval geen misleide mensen waren, maar dat zij zelf helemaal niet van tevoren al geloofden in de mogelijkheid van een opwekking uit de doden. Martha gelooft dat haar broer weer zal leven op de laatste dag, maar zij gelooft niet dat Jezus bij machte is om het daar en toen ook al te laten plaatsvinden. Datzelfde geldt voor Maria. Hun “vooroordeel” was gebaseerd op vroegere ervaringen. Zij wisten dat Jezus iemand kon genezen, kon redden van de dood, en misschien zelfs uit de dood kon terughalen als iemand net gestorven was. Maar ook zij begrepen, dat het gebakken ei geen rauw ei kan worden, dat het verval van het lijk van Lazarus niet kon worden teruggedraaid. Of zij dat nu begrepen met wetenschappelijk inzicht of door hun normale verstand, maakt in zekere zin niets uit. Zij zijn getuige geweest van iets, wat tegen hun levenservaring en verstand en zelfs hun geloof inging. Zij wisten: Lazarus is gestorven, wij hebben hem begraven, hij is nu vier dagen in het graf, zijn lichaam is bezig uiteen te vallen. Einde verhaal.

Martha gelooft wat Jezus tegen haar gezegd heeft, omdat zij Jezus vertrouwde. Maar het is de vraag of zij het heeft begrepen, en het is de vraag of haar geloof al tot zekerheid gerijpt was. In vers 28 gaat Martha bij Jezus weg om Maria te roepen. Het lijkt erop dat Jezus haar die opdracht ook heeft gegeven want Martha zegt tegen haar zuster: “de Meester is er en Hij roept u.” Jezus blijft nog even buiten het dorp staan. We lezen in vers 29 dat Maria meteen naar Hem toe gaat. Maar Maria komt niet alleen. Vers 31: “toen dan de Joden, die met haar in het huis waren en haar troostten, zagen dat Maria snel opstond en naar buiten ging, volgden zij haar en zeiden: Ze gaat naar het graf om daar te huilen.” Zo is er straks een grote groep van getuigen.

Maria is ontroostbaar. Zelfs na vier dagen heeft het verdriet haar nog steeds volledig in de greep. En ook het verwijt is nog sterk in haar hart, dat waarschijnlijk door Martha bedacht is en aan Maria is doorgegeven. “Heere, als U hier geweest was, zou mijn broer niet gestorven zijn.” Maria huilt en de Joden die met haar meegekomen waren huilden ook. Het is een sterk woord in het Grieks. (klaioo) Het is snikken, en weeklagen, vanwege een verdriet dat zo sterk is, dat heel je lichaam ervan schokt. En dan horen we van de reactie van Jezus in vers 33: “Toen Jezus haar dan zag huilen, en ook de Joden die met haar meekwamen, zag huilen, werd Hij heftig in de geest bewogen en raakte innerlijk in beroering.” Wat betekent dat, “innerlijk in beroering” zijn? Het kan betekenen dat je diepe emoties voelt, het kan betekenen dat je heel erg boos bent of verontwaardigd. Het is een innerlijk kreunen, een pijn in je ingewanden en verwarring. Verdriet, gelatenheid, lijdzaamheid, woede – al die emoties grijpen Jezus aan in Zijn geest. Letterlijk staat er: “bracht Zichzelf in beroering.” Ik denk dat dat betekent dat Jezus hier toelaat om te voelen wat Maria en haar bezoekers gevoeld hebben. Is dat niet wat de brief aan de Hebreeën ons ook duidelijk maakt? Jezus moest deel krijgen aan vlees en bloed (Heb. 2:14) en in alles aan Zijn broeders gelijk worden (Heb. 2:17). Daarom mogen we weten dat Jezus waarachtig begrijpt wat het betekent om iemand te verliezen die je liefhebt – Lazarus heet ook een vriend van Jezus: “hij die U lief hebt, is ziek.” (Joh. 11:3) Maar Jezus voelt hier ook de pijn vanwege het ongeloof dat dit verdriet bij Martha en Maria heeft gevoed. Jezus begrijpt de pijn en het lijden van elk mens, ook van degene die zichzelf door hun ongeloof van God hebben vervreemd.

Het is opvallend dat Martha en Maria en hun gasten naar Hem toe moeten komen. Waarom is dat? Waarom gaat Jezus niet het huis van de rouw binnen? Ik denk dat dit de reden is. Om te zien dat Hij de macht over de dood heeft, moeten ze het huis van rouw verlaten. Ik denk dat daar een prachtige betekenis in ligt. Ze verlaten het huis van de rouw, waar ze aan hun eigen gevoelens zijn overgelaten, om naar het graf toe te gaan. Dat betekent dat ze de dood en alle realiteit van het menselijke sterven onder ogen moeten zien. Niet opgesloten raken in je verdriet, maar de oorzaak ervan onder ogen zien, dat is het eerste. Ze gaan daarom naar het graf. Maar daardoor komen ze ook bij Jezus, die daar al is. Hij is aanwezig in en bij die realiteit van de dood. Hij heeft net uitgesproken dat Hij de Opstanding en het Leven is. Hij heeft de dood tegengesproken, althans duidelijk gemaakt dat de dood niet het laatste Woord heeft, maar dat Hij dit laatste Woord spreken zal. Die twee dingen gaan dus samen.

En misschien kun je als derde element de rouwklacht noemen, het werkelijk beleven en ervaren van het tragische van de dood. Die machtiger lijkt te zijn dan liefde. Jezus houdt hen niet tegen in hun verdriet, in hun huilen. Hij huilt ook en er staat zelfs dat Hij weende. Daarmee wordt tegen iedereen gezegd dat het verdriet van het afscheid menselijk en waarachtig is. De Stoïcijnen zouden het niet goedkeuren, en zouden zeggen dat je je wijsgerige onverstoorbaarheid zelfs niet moet verliezen tegenover de dood. De Pythagoreeërs zouden zeggen dat je niet hoeft te wenen bij een graf, omdat de onsterfelijke ziel toch wel weer in een ander lichaam zal terugkeren. Maar voor Jezus is dit huilen en weeklagen terecht, het is een uiting van liefde die iemand wil vasthouden, het is een uiting van dankbaarheid en waardering voor het menselijke leven dat zo kort is, maar toch zo’n prachtig geschenk van de Schepper. Daarom hoort dat erbij.

Deze drie dingen zijn dus de voorbereiding: het huis van de rouw verlaten om naar het graf gegaan, om naar Jezus te gaan, in het volle besef van de realiteit van de dood. Om dan te ontdekken dat Jezus niet is gekomen om mensen aan die pijn, aan die tragische ervaring van het definitieve verlies, aan de macht van de dood en de duivel over te laten. Hij is gekomen om hun geloof te wekken zodat ze daarvan verlost zouden worden. Daarom vraagt Hij waar ze Lazarus hebben gelegd. Niet dat Hij niet weet waar dat graf is, maar Hij vraagt het opdat allen met Hem mee zouden gaan.

En dan komen we bij vers 35, het kortste vers in de bijbel, slechts twee woorden. “Jezus weende.” Hier wordt een ander woord gebruikt dan wat we net tegenkwamen. (Niet klaioo, maar dakruoo.) Dit is niet het luide, expressieve “huilen” en weeklagen van Maria, maar dit woord betekent dat plotseling de tranen over je wangen biggelen, het is een stil janken, een uitbarsting van verdriet naar binnen toe, zonder geluid. Dit is de Man van smarten uit Jesaja 53. Dit is de Man van wie gezegd wordt dat Hij ons leed heeft gedragen, die de ziekte van anderen heeft gedragen evenals hun zonden. En zo, midden in het evangelie dat ons Jezus voorstelt als de waarachtige en volmaakte Zoon van God, is Hij volledig en volmaakt de Zoon des mensen. Jezus weende. Wanneer Hij ziet wat er omgaat in de harten van Maria en Martha, dan voelt Hij Zijn eigen verlies, en het verlies van de zusters, en hij voelt het ongeloof van de menigte, en de pijn van alle mensen in alle tijden. Dit is de barmhartige en getrouwe Hogepriester, die mee kan voelen met de gelovigen, en daarom namens ons kan pleiten bij God. Hij is een Hogepriester die “medelijden kan hebben met onze zwakheden, en die in alles op dezelfde wijze is verzocht, maar zonder zonde.” (Heb. 4:15)

Johannes (55) – De Opstanding en het Leven

Joh. 11:16 – 27

We hebben de vorige keer gesproken over de reactie van de discipelen. Zij kenden Lazarus vermoedelijk heel goed. Dat zal de reden zijn dat Jezus naar hem verwijst met de woorden “onze vriend.” Maar misschien ook wel de reden dat Hij naar het sterven van Lazarus verwijst met het beeld van de slaap. “Ik ga naar hem toe om hem uit de slaap op te wekken.” Zij begrijpen die uitdrukking niet meteen, en denken dat het beter is om Lazarus te laten slapen, dat zal zijn genezing bevorderen. (Wonderlijk eigenlijk, want op vele plaatsen in het OT wordt de dood aangeduid met de term slaap, zo bij voorbeeld in Daniël 12:2.) Wanneer Jezus dan ronduit tegen de discipelen zegt dat Lazarus gestorven is – een bewijs van Zijn alwetendheid – zegt Hij erbij, dat Hij blij is over wat nu gaat gebeuren, want het is “opdat u gelooft.” Dat was het doel: het geloof van de discipelen te versterken. Wat moest er dan versterkt worden?

In het vorige hoofdstuk heb ik al op een paar mogelijkheden gewezen. Bijvoorbeeld dat de discipelen tot dusver alleen genezingen hebben meegemaakt om zo te zeggen aan deze kant van de dood. De opwekking van de dochter van Jaïrus vond meteen na het sterven plaats. In het wereldbeeld van de mensen in die tijd, werd er gezegd dat de ziel van een mens nog enige tijd na het sterven in de buurt van het lichaam bleef, boven het lichaam bleef zweven, zodat die ziel af en toe kon terugkeren. Men had ongetwijfeld gevallen van schijndood meegemaakt. Daarom blijft de macht van Jezus over de dood voor het geloof nog een moeilijke zaak. De opwekking van Lazarus zou aan dat halfslachtige geloof of zelfs ongeloof een einde moeten maken.

Bij Thomas is er nog een andere reden zichtbaar. Daarover lezen we in vers 16. We lezen niet dat de discipelen iets tegen Jezus hebben gezegd. Thomas spreekt ook niet Jezus aan, maar de andere discipelen. En wat hij zegt is dit: “Laten ook wij gaan om met Hem te sterven.” Jezus gaat immers terug naar Judea waar de joodse leiders hebben geprobeerd Hem te stenigen. Aan de ene kant zie je dus bij Thomas het ongeloof. Hij vertrouwt er niet op dat Jezus weet wat Hij doet. Maar aan de andere kant zie je de gelovige aanhankelijkheid. Dit is zelfs een man met een sterk geloof. Hij heeft de boodschap van Jezus begrepen zoals we die lezen in Lukas 9:23, “Als iemand achter Mij wil komen, moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis dagelijks opnemen en Mij volgen.” Liever sterven met Jezus in Jeruzalem, dan je veilig terugtrekken en Hem Zijn eigen weg maar alleen laten gaan. Thomas wil samen met Jezus optrekken. Desnoods tot de dood aan toe als het blijkbaar niet anders kan. Maar toch is het ongeloof! Die dubbelzinnige houding zullen we bij Thomas later in dit evangelie nog eens aantreffen.

Wanneer ze aankomen in Bethanië heeft Lazarus al vier dagen in het graf gelegen. De eerste dag was de dag dat de boodschapper Jezus kwam roepen. Dan de twee dagen waarover we lezen dat Jezus in dat andere Bethanië, aan de andere kant van de Jordaan verbleef. En dan nog een dagreis om in het dorpje van Maria en Martha aan te komen. Vier dagen in het graf. In de opvatting van die tijd was het dan absoluut zeker dat iemand was overleden en bovendien was de begrafenis al op de eerste dag geweest. De dood heeft weer een slachtoffer gemaakt. We kunnen dan rouwen en huilen maar het verlies is onherroepelijk. De zekerheid van de dood en de macht van de dood zijn zo sterk, dat het net lijkt alsof het geloof in Jezus Christus er halt voor moet maken. Alsof de dood een grens is waartegen alle woorden en verzekeringen van Jezus niet zijn opgewassen. Niemand heeft geloofd en verwacht dat Jezus bij machte was om de dood te overwinnen.

En het is ook een belangrijke les die we moeten leren. Wat zegt onze menselijke ervaring ons over de dood? Prediker 8:8 houdt het ons ook voor: “Er is geen mens die macht heeft over de geest, om de geest in te houden. Hij heeft geen zeggenschap over de dag van de dood, er is geen vrijstelling in deze strijd.” We weten niet wanneer we zullen sterven. In het boek Job beschrijft Bildad de verschrikking van de doodsangst. “Over de dag van zijn ondergang zullen zij die na hem komen ontzet zijn, en de ouderen zullen met schrik bevangen worden; zijn vertrouwen zal uit zijn tent gerukt worden; dat doet hem voortschrijden naar de koning van de verschrikkingen (dat is de dood); de gedachtenis aan hem zal van de aarde vergaan, en hij zal geen naam hebben op de straten.” Zoals de Psalm het zegt: zijn plaats kent hem niet meer. Wég zijn we, verdwenen. De wereld gaat door, maar wij doen niet meer mee. Onverdraaglijke gedachte eigenlijk. En Job zelf zegt het in hoofdstuk 14: “Maar een man sterft en is krachteloos; als een mens de geest geeft, waar is hij dan? Het water loopt weg uit een meer, en een rivier verzandt en valt droog. Zo gaat een mens liggen, en hij staat niet meer op. Totdat de hemel er niet meer is, zullen zij niet ontwaken of opgewekt worden uit hun slaap.” (Job 14:10-12) Hieruit hadden de discipelen trouwens al kunnen weten dat “slaapt” kan betekenen: “is gestorven.” En deze onvermijdelijke dood werpt ook zijn schaduw vooruit, zoals Paulus ons herinnert in 1 Timotheus 6:7, “Want wij hebben niets de wereld ingedragen, het is duidelijk dat zij ook niets daaruit kunnen wegdragen.” Dat is in positieve zin, opdat wij niet te zeer zouden vasthouden aan ons bezit. En in het 16e vers zegt hij ook nog, dat God “als enige onsterfelijkheid bezit en een ontoegankelijk licht bewoont.” Dat is ons menselijke perspectief. Alleen God is onsterfelijk, doodsangst is terecht, de dood komt onverwacht en is onherroepelijk het einde van ons bestaan.

Het menselijke woord dat voor ons vanzelfsprekend is, luidt heel eenvoudig: alle mensen zijn sterfelijk. Ik ben een mens. Dus ook ik ben sterfelijk. Maar hoe luidt het goddelijke woord? Dat klinkt anders: Elk mens zal eeuwig leven. Dat is het woord van de Schepper Zelf. Je zult uit de doden worden opgewekt, elk mens. “Er komt een tijd”, zegt Jezus in Johannes 5:28, dat “allen die in de graven zijn, Zijn  – d.i. van de Zoon van God – stem zullen horen, en zij zullen er uitgaan.” Dat is de macht van de Zoon van God, die Hem door de Vader is gegeven. De dood is voor niemand het einde. De vraag is alleen wat de kwaliteit is van dat eeuwige leven dat met volle kracht aanbreekt op het moment van de dood. Dat eeuwige leven kan het leven zijn zonder God, gevuld met schaamte en schuldbesef, omdat je God hebt afgewezen, de Zoon van God niet hebt erkend. Of het is een leven met God, in de kracht van de verzoening, vol van de heerlijkheid die de Zoon van God met je delen wil. En er is maar één Weg naar die eeuwigheid, en dat is de deur van de schaapskooi, dat is het volgen van de stem van de goede Herder, dat is door het geloof in Jezus Christus die Zichzelf voor mij heeft overgegeven in de dood opdat ik voor eeuwig bij Hem zou zijn.Ik weet niet wat God uiteindelijk doen zal met degenen die Hem hebben afgewezen. Maar het evangelie is helder: wie niet gelooft dat Jezus de Zoon van God is, zullen een opstanding tot verdoemenis doormaken. (Joh. 5:29)

De discipelen zijn op dit moment nog niet in staat om ook te geloven dat Jezus daadwerkelijk de macht over leven en dood heeft. Zoals ze ook later niet bereid zijn om te geloven in de opstanding van Jezus. Dat zal nu al blijken. Wanneer Jezus het dorpje nadert, gaat Martha Hem tegemoet en Maria blijft thuis. Misschien heeft de boodschapper die met Hem was teruggekeerd, haar al eerder gewaarschuwd dat Jezus onderweg is. Daarom weet Martha dat Hij op komst is. Maria heeft die boodschap blijkbaar niet ontvangen, en zit vol verdriet nog steeds thuis. Er komt geen verwijtend woord over de lippen van Martha. In vers 21 zegt ze tegen Jezus: “Heere, als U hier geweest was, zou mijn broer niet gestorven zijn.” Het is alsof ze zegt, “maar nu hij eenmaal gestorven is, is er niets meer aan te doen. U had Lazarus kunnen genezen als die nog in leven was geweest.” Misschien hebben Maria en Martha daar samen over gesproken. Waarom is Jezus niet gekomen? Waarom heeft Hij niet met een woord van gezag, zelfs van grote afstand, Lazarus zijn vriend genezen? Maar er is een klein beetje hoop in Martha. Vers 22: “maar ook nu” – ondanks het feit dat Lazarus gestorven is – “weet ik dat God U alles wat U van God vraagt, geven zal.”

Martha heeft een goed beeld van Jezus. Zij noemt hem “Heere”, zij gelooft in Hem als de Christus, de Zoon van God, de beloofde Messias die uit de hemel is gekomen – zoals zal blijken in vers 27. En in vers 22 blijkt duidelijk dat zij beseft wat de relatie is tussen de Vader en de Zoon. Alles wat de Zoon zal vragen, zal de Vader Hem geven. God de Vader en God de Zoon zijn in perfecte harmonie met elkaar. Dat alles begrijpt ze en gelooft ze. En daarom spreek ze de woorden van vers 22. “Ook nu weet ik et cetera”.

Dan komt het antwoord van Jezus. Het is kort en krachtig. Vers 23: “Jezus zei tegen haar: Uw broer zal weer opstaan.” Dan blijkt dat Martha zelfs nog meer gelooft. Zij weet dat er een toekomstige opstanding is. Dat wist ze ook vanuit het Oude Testament. Zo had Job het al gezegd (Job 19:25-27): “Ik weet echter: mijn Verlosser leeft, en Hij zal ten laatste over het stof (mij doen) opstaan. En als zij na mijn huid dit (ook) doorknaagd hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen. Ikzelf zal Hem aanschouwen, en mijn ogen zullen Hem zien, niet een vreemde; mijn nieren bezwijken van verlangen in mijn binnenste.” Ze kende ook de profetie van Daniel 12:2, “En velen van hen die slapen in het stof van de aarde, zullen ontwaken, sommigen tot eeuwig leven, anderen tot smaad, tot eeuwig afgrijzen.” En ze wist ongetwijfeld wat Jezus zelf gezegd had in het 6e hoofdstuk van Johannes, in vers 40: “ieder die de Zoon ziet en in Hem gelooft, [heeft] eeuwig leven […], en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.”

Dat is prachtige theologie, maar de goddelijke realiteit gaat daar nog bovenuit. De theologie van Martha zegt: “Ik weet dat hij zal opstaan bij de opstanding op de laatste dag.” Dat is catechese. Dat is theologie. Dat gaat over de toekomst. Maar dan komt het antwoord van Jezus in vers 25: “Ik ben de Opstanding en het Leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al was hij gestorven.” Dat is de 5e keer dat Jezus de naam van God gebruikt, Ik Ben. Hij zegt niet dat Hij in staat is om doden op te wekken, of dat Hij het aan God de Vader vragen kan. Hij bedoelt niet de opstanding op de laatste dag. Het gaat om Zijn Persoon hier en nu. Hij zegt dat Hij Zelf de Opstanding is. “Geloof je, Martha, dat Ik de Opstanding en het Leven ben, in eigen persoon, Ik Zelf?” Net als in het 14e hoofdstuk: “Ik ben de Weg, de Waarheid, en het Leven.” Dat is niet iets van de toekomst, het is geen vrome wens of theologische constructie. Hij is dit alles Zelf, op een goddelijke manier, op een volstrekte en absolute manier. En nu komt het erop aan. Het einde van vers 26: “gelooft u dat?” Deze Jezus heeft alles geschapen wat leeft, deze Jezus is Zelf uit de doden opgestaan, deze Jezus leeft Zijn goddelijke en eeuwige leven en schenkt het aan ons. Geloof je dat? Dat is het doel van al deze getuigenissen die Johannes hier verzameld heeft in zijn evangelie. Niet alleen dat je overtuigd raakt van de waarheid ervan of onder de indruk van de vroomheid die erin ligt. Maar dat je het op een heel persoonlijke wijze aanneemt, erkent, vertrouwt, je leven ernaar inricht, dat dit het uitgangspunt en het doel wordt van al je handelingen en gedachten. Hij is de Opstanding en het Leven – voor mij, in mij, tot mijn heil. Ik kan hier niet voldoende benadrukken hoe belangrijk het is dat je een dergelijke waarheid persoonlijk aanneemt en erkent.

Heeft Martha dit alles begrepen? Zij geeft haar antwoord in vers 27. Ze zegt niet, “ja Heere, ik geloof dat U de Opstanding en het Leven bent.” Maar Jezus was nog niet opgestaan uit de doden, en Hij had Zijn leven nog niet gegeven op het kruis. Ze kon op dat moment niet meer bevestigen dan waarvan ze al overtuigd was geraakt. Toch is dat geloof niet afgesloten maar staat open voor de realiteit die Jezus hier heeft aangekondigd. En die Hij in de opwekking van Lazarus heel even al zichtbaar maakte. Zij herhaalt voor het moment de inhoud van haar geloof: “Ja, Heere, ik geloof dat U de Christus bent, de Zoon van God, Die in de wereld komen zou.” Dat is de basis. Martha is een voorbeeld van een gelovige uit Israël, toen de heilige Geest er nog niet was, en de kruisiging en de opstanding nog niet hadden plaatsgevonden. En ondanks het feit dat al die dingen nog niet gebeurd zijn, gelooft zij volledig in de persoon van Christus, erkent zij Hem als de Zoon van God – de titel waarin al het andere besloten ligt. Daarmee is zij voorbereid op het geloof in de gekruisigde en opgestane Heer Jezus Christus.

Wie dat niet gelooft, is al veroordeeld – zegt Johannes. Wie dat niet gelooft, weigert om de vele getuigenissen te aanvaarden die over Jezus zijn gegeven. De getuigenissen van de Bijbelse tekst in de eerste plaats, en de getuigenissen van andere christenen in het heden in de tweede plaats. Ongeloof is vooral een weigering om te erkennen wat je door een ander verteld wordt, waarvan een getuigenis wordt afgelegd. Het is het sluiten van de deur, maar zelf leidt het nergens toe. Ongeloof is negatief en een weigering. Martha daarentegen erkent Jezus op grond van Zijn eigen woorden, Zijn eigen optreden en Zijn daden, en de getuigenissen van de andere discipelen. Zij ziet Hem en zij gelooft in Hem. Het is niet zo dat mensen niet in Jezus geloven, omdat ze zo vol zijn van rechtvaardigheid en heiligheid, en God ook liefhebben zonder Hem. Het is niet waar dat diegenen die niet in Jezus geloven, rechtvaardige mensen zijn met een scherp gevoel voor de waarheid. Wij zijn allen zondaars. Het is een deel van het geloof, om dat tegenover God te aanvaarden en bij die God om verlossing en verzoening te smeken. En wie dat doet, doet het niet tevergeefs. Ieder die in Hem gelooft, zal voor eeuwig de heerlijkheid van de Zoon van God mogen delen.