Joh. 11:28-35
Gelooft u dat? Jezus zegt tegen Martha dat Hij de Opstanding en het Leven is. Geloof je dat, Martha? En Martha zegt: “Ja, Heere.” Ze heeft al geloofd dat Hij “de Christus is, de Zoon van God, Die in de wereld komen zou.” Zij weet nog niets over de kruisiging en Zijn opstanding. Dat moest nog gebeuren. Martha is een voorbeeld van een gelovige onder het verbond van God met Israël. Wij zijn gelovigen van het nieuwe verbond, omdat wij leven na de opstanding. Maar eigenlijk zijn wij niet te beschouwen als twee verschillende soorten van gelovigen. Martha geloofde in de Zoon van God, evenals wij.
Geloof je het evangelie? Bij alles wat we gelezen hebben uit het evangelie naar Johannes is dat in zekere zin de kernvraag. Je leest het, je neemt er kennis van, maar geloof je het ook? Als je het niet gelooft, dan is het niet omdat er geen betrouwbare getuigenissen zijn geweest. Het is niet de dwingende reden om het evangelie te geloven, want geloof is geen verstandelijk inzicht maar het buigen van de wil voor God, maar het zijn wel die getuigenissen die je ertoe kunnen brengen. Als je eenmaal het wonder hebt meegemaakt dat je het gelooft, valt het wel op hoeveel getuigen het geloof onderbouwen. Er zijn ooggetuigen geweest van de opwekking van Lazarus, er zijn ooggetuigen geweest van het lege graf en de verschijningen van Jezus na Zijn opstanding, en op een enkel moment was er zelfs een verschijning van Jezus aan meer dan 500 mensen.
Vanuit de veilige afstand die wij nu hebben in de tijd, is dat makkelijk aan te vechten. De getuigen hebben gelogen, zijn misleid, zijn verzonnen door de schrijver van dit evangelie. Je kunt die vraag te stellen. Maar dat het mogelijk is om een getuige aan te vechten, maakt die getuigen niet onbetrouwbaar. Om een getuigenis te weerleggen, moet je er een ander getuigenis naast kunnen leggen dat het tegenspreekt. Een getuige dus die kan verklaren, dat de opwekking van Lazarus niet heeft plaatsgevonden, Jezus niet is verschenen, er een dringende reden was om te liegen. Maar dat is wat modern ongeloof nooit doet. Als in een rechtszaak vele getuigen komen uitleggen wat naar hun beleving de ware toedracht is, en nergens getuigen kunnen worden gevonden die het tegendeel beweren, wat zal normaal gesproken een rechter dan doen?
Wat het moderne ongeloof altijd doet, is niet wat het zou moeten doen, nl. een getuige produceren die geloofwaardig het tegendeel beweert, maar het doet sinds de 18e eeuw een beroep op algemeen erkende wetenschappelijke inzichten. Zo kun je leren van de medische wetenschap en de biologie, dat het lichaam van een gestorvene na vier dagen in het graf zozeer aan bederf onderhevig is geweest, dat het ondenkbaar is dat we met schijndood te maken hebben. Zo kun je leren van de medische wetenschap dat opstandingen uit de dood niet plaatsvinden omdat dat een wetenschappelijke onmogelijkheid is. Het bederf waaraan een lijk onderhevig is, kan niet worden teruggedraaid; dat is ook een algemene wet in het heelal. Er is geen proces denkbaar waarmee je een gebakken ei weer kunt omvormen tot een rauw ei. Maar de getuigen van de opwekking van Lazarus zijn ook niet ooggetuigen geweest van een natuurwet in actie. Ze hebben een daad van de schepper meegemaakt. Als je van tevoren uitsluit, op grond van een principieel ongeloof, dat er een God is die het onmogelijke kan laten gebeuren, die iets uit niets kan laten ontstaan, die spreekt en het is er, dan moet je de getuigen van het nieuwe testament principieel afwijzen.
In het 11e hoofdstuk van dit evangelie wordt duidelijk dat de getuigen van de opwekking van Lazarus in ieder geval geen misleide mensen waren, maar dat zij zelf helemaal niet van tevoren al geloofden in de mogelijkheid van een opwekking uit de doden. Martha gelooft dat haar broer weer zal leven op de laatste dag, maar zij gelooft niet dat Jezus bij machte is om het daar en toen ook al te laten plaatsvinden. Datzelfde geldt voor Maria. Hun “vooroordeel” was gebaseerd op vroegere ervaringen. Zij wisten dat Jezus iemand kon genezen, kon redden van de dood, en misschien zelfs uit de dood kon terughalen als iemand net gestorven was. Maar ook zij begrepen, dat het gebakken ei geen rauw ei kan worden, dat het verval van het lijk van Lazarus niet kon worden teruggedraaid. Of zij dat nu begrepen met wetenschappelijk inzicht of door hun normale verstand, maakt in zekere zin niets uit. Zij zijn getuige geweest van iets, wat tegen hun levenservaring en verstand en zelfs hun geloof inging. Zij wisten: Lazarus is gestorven, wij hebben hem begraven, hij is nu vier dagen in het graf, zijn lichaam is bezig uiteen te vallen. Einde verhaal.
Martha gelooft wat Jezus tegen haar gezegd heeft, omdat zij Jezus vertrouwde. Maar het is de vraag of zij het heeft begrepen, en het is de vraag of haar geloof al tot zekerheid gerijpt was. In vers 28 gaat Martha bij Jezus weg om Maria te roepen. Het lijkt erop dat Jezus haar die opdracht ook heeft gegeven want Martha zegt tegen haar zuster: “de Meester is er en Hij roept u.” Jezus blijft nog even buiten het dorp staan. We lezen in vers 29 dat Maria meteen naar Hem toe gaat. Maar Maria komt niet alleen. Vers 31: “toen dan de Joden, die met haar in het huis waren en haar troostten, zagen dat Maria snel opstond en naar buiten ging, volgden zij haar en zeiden: Ze gaat naar het graf om daar te huilen.” Zo is er straks een grote groep van getuigen.
Maria is ontroostbaar. Zelfs na vier dagen heeft het verdriet haar nog steeds volledig in de greep. En ook het verwijt is nog sterk in haar hart, dat waarschijnlijk door Martha bedacht is en aan Maria is doorgegeven. “Heere, als U hier geweest was, zou mijn broer niet gestorven zijn.” Maria huilt en de Joden die met haar meegekomen waren huilden ook. Het is een sterk woord in het Grieks. (klaioo) Het is snikken, en weeklagen, vanwege een verdriet dat zo sterk is, dat heel je lichaam ervan schokt. En dan horen we van de reactie van Jezus in vers 33: “Toen Jezus haar dan zag huilen, en ook de Joden die met haar meekwamen, zag huilen, werd Hij heftig in de geest bewogen en raakte innerlijk in beroering.” Wat betekent dat, “innerlijk in beroering” zijn? Het kan betekenen dat je diepe emoties voelt, het kan betekenen dat je heel erg boos bent of verontwaardigd. Het is een innerlijk kreunen, een pijn in je ingewanden en verwarring. Verdriet, gelatenheid, lijdzaamheid, woede – al die emoties grijpen Jezus aan in Zijn geest. Letterlijk staat er: “bracht Zichzelf in beroering.” Ik denk dat dat betekent dat Jezus hier toelaat om te voelen wat Maria en haar bezoekers gevoeld hebben. Is dat niet wat de brief aan de Hebreeën ons ook duidelijk maakt? Jezus moest deel krijgen aan vlees en bloed (Heb. 2:14) en in alles aan Zijn broeders gelijk worden (Heb. 2:17). Daarom mogen we weten dat Jezus waarachtig begrijpt wat het betekent om iemand te verliezen die je liefhebt – Lazarus heet ook een vriend van Jezus: “hij die U lief hebt, is ziek.” (Joh. 11:3) Maar Jezus voelt hier ook de pijn vanwege het ongeloof dat dit verdriet bij Martha en Maria heeft gevoed. Jezus begrijpt de pijn en het lijden van elk mens, ook van degene die zichzelf door hun ongeloof van God hebben vervreemd.
Het is opvallend dat Martha en Maria en hun gasten naar Hem toe moeten komen. Waarom is dat? Waarom gaat Jezus niet het huis van de rouw binnen? Ik denk dat dit de reden is. Om te zien dat Hij de macht over de dood heeft, moeten ze het huis van rouw verlaten. Ik denk dat daar een prachtige betekenis in ligt. Ze verlaten het huis van de rouw, waar ze aan hun eigen gevoelens zijn overgelaten, om naar het graf toe te gaan. Dat betekent dat ze de dood en alle realiteit van het menselijke sterven onder ogen moeten zien. Niet opgesloten raken in je verdriet, maar de oorzaak ervan onder ogen zien, dat is het eerste. Ze gaan daarom naar het graf. Maar daardoor komen ze ook bij Jezus, die daar al is. Hij is aanwezig in en bij die realiteit van de dood. Hij heeft net uitgesproken dat Hij de Opstanding en het Leven is. Hij heeft de dood tegengesproken, althans duidelijk gemaakt dat de dood niet het laatste Woord heeft, maar dat Hij dit laatste Woord spreken zal. Die twee dingen gaan dus samen.
En misschien kun je als derde element de rouwklacht noemen, het werkelijk beleven en ervaren van het tragische van de dood. Die machtiger lijkt te zijn dan liefde. Jezus houdt hen niet tegen in hun verdriet, in hun huilen. Hij huilt ook en er staat zelfs dat Hij weende. Daarmee wordt tegen iedereen gezegd dat het verdriet van het afscheid menselijk en waarachtig is. De Stoïcijnen zouden het niet goedkeuren, en zouden zeggen dat je je wijsgerige onverstoorbaarheid zelfs niet moet verliezen tegenover de dood. De Pythagoreeërs zouden zeggen dat je niet hoeft te wenen bij een graf, omdat de onsterfelijke ziel toch wel weer in een ander lichaam zal terugkeren. Maar voor Jezus is dit huilen en weeklagen terecht, het is een uiting van liefde die iemand wil vasthouden, het is een uiting van dankbaarheid en waardering voor het menselijke leven dat zo kort is, maar toch zo’n prachtig geschenk van de Schepper. Daarom hoort dat erbij.
Deze drie dingen zijn dus de voorbereiding: het huis van de rouw verlaten om naar het graf gegaan, om naar Jezus te gaan, in het volle besef van de realiteit van de dood. Om dan te ontdekken dat Jezus niet is gekomen om mensen aan die pijn, aan die tragische ervaring van het definitieve verlies, aan de macht van de dood en de duivel over te laten. Hij is gekomen om hun geloof te wekken zodat ze daarvan verlost zouden worden. Daarom vraagt Hij waar ze Lazarus hebben gelegd. Niet dat Hij niet weet waar dat graf is, maar Hij vraagt het opdat allen met Hem mee zouden gaan.
En dan komen we bij vers 35, het kortste vers in de bijbel, slechts twee woorden. “Jezus weende.” Hier wordt een ander woord gebruikt dan wat we net tegenkwamen. (Niet klaioo, maar dakruoo.) Dit is niet het luide, expressieve “huilen” en weeklagen van Maria, maar dit woord betekent dat plotseling de tranen over je wangen biggelen, het is een stil janken, een uitbarsting van verdriet naar binnen toe, zonder geluid. Dit is de Man van smarten uit Jesaja 53. Dit is de Man van wie gezegd wordt dat Hij ons leed heeft gedragen, die de ziekte van anderen heeft gedragen evenals hun zonden. En zo, midden in het evangelie dat ons Jezus voorstelt als de waarachtige en volmaakte Zoon van God, is Hij volledig en volmaakt de Zoon des mensen. Jezus weende. Wanneer Hij ziet wat er omgaat in de harten van Maria en Martha, dan voelt Hij Zijn eigen verlies, en het verlies van de zusters, en hij voelt het ongeloof van de menigte, en de pijn van alle mensen in alle tijden. Dit is de barmhartige en getrouwe Hogepriester, die mee kan voelen met de gelovigen, en daarom namens ons kan pleiten bij God. Hij is een Hogepriester die “medelijden kan hebben met onze zwakheden, en die in alles op dezelfde wijze is verzocht, maar zonder zonde.” (Heb. 4:15)