Tekst van een lezing uit 2003
Menno Simons leerde in 1539:
“De wedergeborenen gaan niet de oorlog in en raken niet betrokken in conflicten. Speren en zwaarden laten we over aan diegenen, die, helaas, het bloed van mensen en van varkens van bijna dezelfde waarde achten .”
Het pacifisme van de Menisten naar het model van Menno Simons kun je aanduiden als het “pacifisme van de deugdzame minderheid”. Het uitgangspunt is dat Christelijke waarden niet voor iedereen gelden. De kerk is geroepen om een hogere vorm van gerechtigheid te laten zien, en tot die gerechtigheid hoort de opdracht van Jezus om de vijand lief te hebben (Bergrede) en het zwaard niet te hanteren.
Net als bij de Wesleyanen (kerk van de Nazarenen) heeft Menno Simons een ideaal van Christelijke perfectie, niet ongelijk aan de idealen van laat-Middeleeuwse kloosterorden. Men kan – waar men leeft in volkomen afzondering van de wereld – worden geacht een grotere morele perfectie te bereiken dan wanneer men volop aan de wereld deelneemt. Het onderscheid van kerk en wereld, van gemeenschap van wedergeboren Christenen en de “buitenwereld”, de “heidenen” is zeer groot.
Vrije kerken en morele perfectie
Het Protestantisme als geheel kent een dergelijke nadruk op morele perfectie in het geheel niet. Maar de zg. vrije kerken, waartoe de Dopers behoren, hebben dit kenmerk over het algemeen wel. De volkskerk verondersteld het ongeloof, ook dat van degenen die tot de kerk behoren, die immers als kind gedoopt zijn en geen morele, bewuste beslissing hebben genomen om zich bij de kerk te voegen en zich aan haar moraal te onderwerpen.
De “vrije kerk”, met haar traditie van volwassendoop verwacht dit over het algemeen juist wel. Hier wordt de ethiek bepaald niet door wat je van iedereen verwachten kan, maar gaat het om de navolging van Christus, het discipelschap, waarvoor men in de 16e eeuw vaak een hoge prijs moest betalen, soms zelfs vervolging moest doorstaan en het leven kon verliezen.
De “gelovigen-kerk”, of “vrije kerk”, verwacht van haar leden een volledige inzet voor de waarden van het evangelie in de navolging van Christus, maar het verwacht een dergelijke inzet niet van de buitenstaanders, van diegenen die zich niet verplicht hebben tot de navolging en die niet “wedergeboren” zijn door de Heilige Geest. Niet-christenen leven immers niet vanuit het evangelie, kennen de God van de Bijbel niet, hebben geen ervaring met Christus vanuit de geestelijke ontmoeting met hen. Men kan van niet-christenen niet zoveel verwachten, maar van Christenen des te meer.
Degenen die in de navolging leven kunnen geen voorstanders van de oorlog zijn, kunnen daaraan niet participeren. Dat wist men in de Middeleeuwen al: de pastor of bisschop kan niet zelf actief aan de oorlog bijdragen. Dat geldt voor alle gelovigen, zegt Menno dan. Overigens, uit deze traditie van de vrijstelling van “kerkelijke werkers” van de verplichting om in een oorlog bij te dragen valt te verklaren dat we in het westen in veel staten de mogelijkheid hebben van dienstweigering op gronden van het geweten. Dat kun je als een uitbreiding van deze regel zien, hoewel het inhoudelijk natuurlijk niet om kerkelijke positie, maar om werkelijke gewetensbezwaren gaat.
Wat is hier voor Menno het uitgangspunt?
Mensen moeten in alle vrijheid antwoord geven op de roep van het evangelie om in een verbond met God te gaan staan.
In deze relatie van het verbond worden mensen vrijgesteld van de verplichting om door prestaties aan hun eigen heil of aan de verlossing van de wereld bij te dragen. Het gaat juist niet om de resultaten.
Het goede is niet wat de wereld in de goede richting laat opschuiven: wij maken de wereld niet, zij is buiten onze controle. Het Koninkrijk Gods wordt niet door ons gebouwd, het is er al, in de persoon van Christus. Maar als Christus de wereld niet regeert, dan ook wij niet.
Het goede ligt elders: nl. in de volstrekte gehoorzaamheid aan God boven alle andere aanspraken van mensen en machten uit. Daardoor heeft de gelovige al deel aan het goede waarheen de wereld onderweg is, we anticiperen op het Koninkrijk dat nog komt, omdat we leven in het Koninkrijk dat er al is.
En beide betekent hetzelfde: leven in de navolging van Christus, doen zoals Hij deed. (Niet kopiëren of imiteren, want wij zijn niet geroepen om het Koninkrijk te vestigen, maar om in het Koninkrijk Christus te dienen.)
Omdat niet alle mensen dit antwoord geven, ontstaat er een minderheid van gelovigen, die ondanks wat de meerderheid doet en wil vasthoudt aan de normen en waarden van het evangelie. Het kloosterideaal en de morele lezing van de Bijbel geven de concrete antwoorden op de vraag: wat hebben wij te doen.
En wat hebben wij dan te doen:
- We moeten leren leven in volstrekte geweldloosheid: zowel tegenover onze naaste als tegenover de vijand. Geweld niet met geweld beantwoorden, geen voorbereiding op geweld is mogelijk, en dat is ook een aanvaarding van de noodzakelijkheid (soms) van martelaarschap.
Wat kan nog wel en wat kan niet meer
Wat niet meer kan:
Menno leefde in een tijd waarin gemeenschappen, ook kerken, een relatief geïsoleerd bestaan konden voeren. Het was niet de tijd van onze massa-communicatie, waardoor we ons allemaal op allen betrokken voelen. Onze tijd is de tijd van de globalisatie, waarin de instorting van de economie van Thailand een reeks van gevolgen voor de economieën over de hele wereld teweeg kan brengen.
- Wij kunnen ons niet langer permitteren om te doen wat Menno deed: onszelf als minderheid terugtrekken van de meerderheid.
Met deze terugtrekking op onszelf verminderen we ook het effect van ons handelen als getuigenis. Dit bijna kloosterlijke ideaal betekent dat onze roeping niet zien als een vorm van dienstbaarheid aan de wereld, maar alleen als een ideaal van zelfperfectionering in oppositie tot de wereld.
- Wij mogen niet langer denken dat het om onze eigen heiligheid en perfectie gaat: het gaat om de wereld en haar redding.
De terugtrekking op onszelf heeft nog een ander effect, behalve dat het “schijnheiligheid” kan bevorderen. Het maakt dat we ons eigenlijk neerleggen bij de imperfecties van de wereld, want die zijn te verwachten. Vanuit het veilige bolwerk van de kerk kijken we op het morele gestumper van de wereld neer, en daardoor raakt buiten het gezichtsveld hoezeer ook wij in de kerk uit ongeloof en ontrouw leven.
- We moeten leren zien, dat ook de “heiligen” deel hebben aan de zwakten en zonden van de wereld en niet moreel boven de rest van de wereld uitstijgen.
Wat nog wel kan:
Dat neemt niet weg dat Menno bepaalde ideeën heeft ontwikkeld die ook voor onze tijd nog van belang zijn. De kerk, zegt Menno, is geroepen om te getuigen door woorden en daden van het evangelie van de geweldloze Christus. Christus is gekomen om vrede te brengen, vrede tussen de mens en God en tussen de mensen onderling en tussen de mens en zichzelf. Vrede als de toestand van verzoening van vijandschap, van liefde en samenwerking, van elkaar zegenen en een dorre wereld weer vruchtbaar maken. Een drievoudige “sjaloom” wat de relaties betreft, en met zijn uitwerking op de hele schepping die onder ons beheer en onder onze zorg gesteld is. Menno heeft een oningeperkte visie op de taak van de gemeente tegenover de vrede, en zijn begrip van de vrede is Bijbels, d.w.z. zonder reserves en beperkingen.
- We kunnen van Menno leren hoe we de vrede in volle zin, in alle relaties die voor ons wezenlijk zijn, moete
n waarderen als onze hoogste waarde en opdracht.
Als de vrede het doel is van ons getuigenis, zo is de vrede ook de weg. Het getuigenis van de kerk voor de vrede moet zelf “vredig” zijn, wil het effect hebben. Dwang en geweld in de verkondiging van het evangelie van de vrede is een tegenspraak. Vredesgetuigenis is te vergelijken met een uitnodiging tot een feest dat al is begonnen, zodat anderen kunnen zien dat de feestgangers het al goed hebben. Dat feest moet dus door ons gevierd worden, ondanks onze zwakheden en morele tekorten, omdat het een feest is waartoe Christus ons heeft uitgenodigd. Door wat we zijn en door wat we vieren richten we onze uitnodiging tot de wereld.
- We kunnen van Menno leren dat de gemeente de feestelijke boodschap van de bevrijding is, d.w.z. dat wij die belichamen, en zo een uitnodiging moeten zijn voor anderen om daaraan te gaan deelnemen.