Van Hert tot Hinde – Psalm 42

Psalm 42 lezen we als volgt in de Herziene Statenvertaling:

2 Zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen,
zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!
3 Mijn ziel dorst naar God,
naar de levende God.
Wanneer zal ik binnengaan
om voor Gods aangezicht te verschijnen?
4 Mijn tranen zijn mij tot voedsel,
dag en nacht,omdat zij de hele dag tegen mij zeggen:
Waar is uw God?

De gedachtengang is duidelijk: mijn ziel smacht naar God, wanneer zal ik weer in Zijn tempel staan. Vanwaar echter deze jammerklacht? Het is vanwege mensen die zeggen: waar is uw God? Wat de psalm dus tot uitdrukking brengt is het verlies van de Tempel, het verloren gaan van de plaats waar God te vinden is. Het is de herinnering aan het opgaan naar de Tempel in een stoet – de feestvierende menigte van vers 5 – die deze jammerklacht oproept. Wordt deze context van de bede ook meegenomen in de berijmde versie?

1566

Psalm 42 luidt in de versie van Datheen:

Als een hert schreeuwt naer de vlieten
Schreeuwt, ô God, mijn ziel tot u.
Als men my vraeght met verachten,
Waer is nu u Godt soo goedt?
Ick smelt als ick denck daer aen,
Hoe ick voormaels plagh te gaen
Met een hoop volcks hier te lande,
Om u, Heer, te doen offrande.

Het is duidelijk dat Datheen deze stemming van de Psalm [zie noot *] heel goed heeft aangevoeld. Regel 3 tot en met 8 verwoorden dat ook krachtig. Het maakt de psalm [zie noot *] geschikt om te zingen en dan te denken aan het verloren gaan van de “feestvierende menigte” en het brengt de eenzaamheid tot uitdrukking die je kan overvallen wanneer mensen de spot drijven met je geloof: “Waar is nu je God, die zo goed heet te zijn?” Maar waarom “offrande” als de Psalm alleen spreekt over “verschijnen” en “naderen”?
De reden kán zijn, dat Dathenus heel goed begrepen heeft dat “naderen” de kernbetekenis is van “qorban” dat meestal met offer wordt vertaald. Alleen: er staat in het Hebreeuws geen werkwoord dat van de stam QRB is afgeleid. Verschijnen is beter: jezelf laten zien, presenteren in Gods nabijheid. Datheen kan er ook aan gedacht hebben dat dit “laten zien” natuurlijk wel degelijk het brengen van een offer impliceert. Maar het is niet de kerngedachte.

1773

Dat verlangen is nog wel bewaard in de versie van 1773. Maar in de staatskerk van toen, is de verwijzing naar het verlies en de eenzaamheid niet langer van belang. Het is nu het “gewone” verlangen naar de kerk te gaan waar de gemeente aan kan denken, zou je kunnen zeggen, een gewoon verlangen dat in de plaats treedt van de bitterheid van het verlies. De ballingschap van de kerk is voorbij!

De versie van 1773:

’t Hijgend hert, der jacht ontkomen,
Schreeuwt niet sterker naar ’t genot
Van de frisse waterstromen,
Dan mijn ziel verlangt naar God.
Ja, mijn ziel dorst naar den HEER’;
God des levens, ach, wanneer
Zal ik naadren voor Uw ogen,
In Uw huis Uw Naam verhogen?

1973

Het “hijgend hert” is goed tot het geheugen doorgedrongen. Bijna iedereen kent het nog zó. Waarom het “aan de jacht ontkomen is”, is mij een raadsel. Het hert is vermoeid van het zoeken naar water! Okay. Maar het hijgende hart klonk toch mooi. Maar het moest een eeuw later wijken voor de veel lastiger uitdrukking “moede hinde”, wat me een stap terug in de tijd lijkt te zijn. De jacht verdween, en dat is weer winst. Frisse wateren werd “klare water” wat mij ook minder duidelijk lijkt en vreemd genoeg werd het “naderen” al meteen feestelijk ingevuld met “loven” en “juichend”.

Het Liedboek van 1973 maakt ervan:

Evenals een moede hinde
naar het klare water smacht,
schreeuwt mijn ziel om God te vinden,
die ik ademloos verwacht.
Ja, ik zoek zijn aangezicht,
God van leven, God van licht.
Wanneer zal ik Hem weer loven,
juichend staan in zijn voorhoven?

Het is nu een veel vrijere vertaling geworden en de stemming van de Psalm is verdwenen.

Maar natuurlijk is de stemming van de Psalm wel terug te vinden in het tweede couplet:

Tranen heb ik onder ’t klagen
tot mijn spijze dag en nacht
als mijn haters honend vragen;
“Waar is God dien gij verwacht?”
Ik gedenk hoe ik vooraan
in de reien op mocht gaan,
om mijn dank Hem op te dragen
in zijn Huis op hoogtijdagen.

Gerhardt – 1972
Alleen Datheen had de stemming van de Psalm als geheel nog in het eerste couplet bewaard. 1973 zet het in het tweede couplet, 1773 wijzigt het een beetje. Dan is het aardig om te zien wat Ida Gerhardt ervan gemaakt heeft:

Gelijk het hert dat reikt naar waar het water stroomt,
Zo in verlangen reikt mijn ziel naar u, o God.
Mijn ziel lijdt dorst naar God, naar God die leven is;
Wanneer mag ik opgaan, dat ik voor God verschijn?
Mijn tranen zijn mijn brood, bij dagen en bij nacht
Waar men van vroeg tot laat, mij zegt, Waar is uw God?

Oordeel maar weer zelf, welke psalmversie het beste de oorspronkelijke strekking en stemming van de Psalm heeft vastgehouden…

[*] Met een hoofdletter verwijzen we naar het boek in de Bijbel (Psalm 23:4) en met een kleine letter naar een psalm uit het liedboek. psalm 23:4 dus. Aan het begin van een regel wordt het onduidelijk of we de Psalm of de psalm bedoelen, maar dan kan ons helpen te spreken over de verzen van een Psalm en de coupletten van een psalm. Maar “lied 23” zoals het Nieuwe Liedboek mogelijk maakt, moeten we maar niet gebruiken.