Johannes (59) – Liefde en haat in Bethanië

Joh. 12:1-11

Elf hoofdstukken lang hebben we nu de zending van Jezus Christus gevolgd. In deze hoofdstukken wordt een periode van drie jaar beschreven, vanuit het perspectief van Johannes. Vooral de gebeurtenissen in Judea, tijdens het Paasfeest (3x), het Loofhuttenfeest en het Inwijdingsfeest kregen de volle aandacht. Zes wondertekenen zijn beschreven, die getuigenis afleggen van de Godheid van Jezus Christus. Dat loopt vanaf de bruiloft in Kana tot en met de opwekking van Lazarus. Dat is de manier waarop Johannes het vertelt, en we hebben ook gezien dat hij daarbij vooral wil aanvullen op wat de andere evangeliën ons al verteld hebben.

Vanaf hoofdstuk 12 tot en met 20 beschrijft Johannes de gebeurtenissen van één enkele week. Zo is het evangelie ook begonnen, met de week die voorafging aan de zending, met de getuigenissen van Johannes de Doper en de eerste discipelen. Nu beschrijft Johannes opnieuw een week, na de openbare zending van Jezus, de week van de arrestatie, het lijden, de kruisiging en de opstanding. Vanaf nu wordt alles buitengewoon intens. Al eerder hebben we de extreme reacties op Jezus meegemaakt. Er is geloof en er is ongeloof. Voor Johannes ligt daartussen een scherp contrast, hoewel hij in dit evangelie ook belicht dat er mensen zijn die er als het ware nog tussenin zitten. Nicodemus bijvoorbeeld, of de mensen die vanwege de tekenen in Jezus geloven.

Weten we iets over de tussenliggende periode? Jezus is volgens vers 54 van het vorige hoofdstuk enige tijd in het “land bij de woestijn” geweest. Dat ligt in het zuiden, bij de plaats waar Jezus door Johannes de Doper werd gedoopt. De stad Efraïm wordt genoemd, die in het Oude Testament Efron heette. (Zie 2 Kron. 13:19) Maar het is denkbaar dat Hij daar niet de hele tijd is gebleven, en dat Hij na enkele dagen alweer doorgereisd is. Tussen vers 54 en vers 55 van hoofdstuk 11 is er vermoedelijk een periode van enkele weken geweest. Het is mogelijk dat de terugreis naar Jeruzalem is beschreven vanaf Lukas 17:11 tot en met 19:27. Jezus is dan niet in Efraïm gebleven, maar is doorgereisd naar Galilea en vandaar weer terug gegaan naar Jeruzalem. Een reis van enkele weken dus, tussen de opwekking van Lazarus en de aankomst van Jezus voor het Paasfeest.

We beginnen nu met hoofdstuk 12. Jezus komt weer aan in Bethanië en het is nu zes dagen voor het Paasfeest, dat wil zeggen het is sabbat. De extreme reacties van geloof en ongeloof zullen vanaf nu nog scherper tegenover elkaar staan. En in ons gedeelte zien we de extremen gepersonifieerd in twee personen: Maria staat voor het geloof en Judas staat voor het ongeloof. Jezus komt naar Bethanië om de laatste sabbat van Zijn leven door te brengen met Zijn vrienden. Hij wilde die dag bij Maria, Martha en Lazarus zijn. Martha maakt een maaltijd voor Hem die Hij ook gedeeld heeft met de vrienden en buren vermoedelijk. Het is een avondmaaltijd, een deipnon in het Grieks, en Martha bediende, zoals altijd. We weten uit Mattheus 26 dat deze maaltijd werd gehouden in het huis van een man met de bijnaam Simon de melaatse. Die woonde dus ook in Bethanië. Dat moet iemand zijn geweest die door de Heer Jezus is genezen, een wonderbaarlijke genezing en eigenlijk net zo’n groot wonder als de opwekking van Lazarus. De gastheer is dus een genezen melaatse en een van de belangrijkste gasten is een man die uit de dood is opgewekt. Dat moet een interessant tafelgesprek hebben opgeleverd.

Laten we eerst eens kijken naar Martha. Martha bediende. En met die dienstbaarheid heeft zij God ook gediend. De Zoon des mensen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen – zegt Jezus Zelf in Mattheus 20:28. En dat houdt Hij Zijn discipelen ook voor: “wie onder u groot wil worden, die moet uw dienaar zijn; en wie onder u de eerste wil zijn, die moet uw slaaf zijn.” (vers 26 en 27.) Zo zegt Paulus in Galaten 5:13, “maar dien elkaar door de liefde.” En we zijn ook geroepen tot dienstbaarheid aan onze Heer, zoals Paulus kon zeggen in Hand. 20:19, dat hij “de Heere gediend [had] met alle nederigheid en veel tranen, en onder verzoekingen.”

Maar dan is er ook Maria. Vers 3: “Maria dan nam een pond zuivere narduszalf van zeer grote waarde, zalfde de voeten van Jezus en droogde Zijn voeten met haar haren af; en het huis werd vervuld met de geur van de zalf.” De beschrijving van wat Maria deed, heeft geen enkele theologische betekenis. Het is alleen maar symbolisch voor de liefde die zij had voor de Heer Jezus. Het is volledige, grenzeloze liefde geweest die tot elk offer bereid was. Ik denk niet dat ze er van tevoren over had nagedacht. Het is een opwelling van het hart geweest. Narduszalf komt van een zeer zeldzaam kruid, dat groeit in China en India. Daarom was het ook zo duur, omdat het vervoer zo kostbaar was. De olie werd gebruikt als parfum. Judas wist precies hoe duur het was: 300 denarii, 300 penningen. Dat is ongeveer een jaarloon. Buitengewoon kostbaar dus. Dergelijke olie werd gebruikt bij een begrafenis, of door vrouwen om het huis te laten geuren bij een feestelijke gebeurtenis. Omdat een lijk niet werd gebalsemd, werd de olie gebruikt op de lijkwade om de geur van bederf een beetje te dempen. Hetzelfde heeft later Nicodemus gedaan bij de begrafenis van Jezus.

We weten uit Marcus 14:3 dat Maria deze kostbare olie over het hoofd van Jezus heeft uitgegoten, nadat zij de albasten fles gebroken had waarin het werd bewaard. Dat is nog de oorspronkelijke verpakking geweest want in dergelijke uit steen vervaardigde containers werd deze olie vervoerd. Uit Johannes 12 leren we dat de olie doordruppelde tot aan de voeten van Jezus. (In Mat. 26:12 zegt Jezus dan ook dat Maria Zijn héle lichaam gezalfd had.) Dan maakt ze haar haren los, wat tegen de etiquette van die tijd inging – dat doet een vrouw niet in het openbaar. En dan gebruikt ze haar haren om de voeten van Jezus mee schoon te vegen. Ze doet dus hetzelfde, wat een onbekende prostituee voor hem deed in het huis van een Farizeeër in Galilea, zoals we lezen in Lukas 7. En daar wordt ook beschreven hoe schokkend die gebeurtenis was in de ogen van de Farizeeën. Dit in het openbaar? (Aangeraakt worden door een vrouw? En dergelijke intieme gebeurtenis in het openbaar? Als Jezus een profeet was geweest, had Hij moeten weten dat deze vrouw een zondares was.) Want er zijn vele getuigen hier: Maria, Martha, Lazarus, de 12 discipelen, Jezus Zelf, vermoedelijk nog andere familieleden en buren, en Simon de melaatse. Er moet een bedremmelde stilte gevallen zijn.

Terwijl ze nog nadenken over het gebaar van Maria, worden ze onderbroken door een opmerking van Judas. En meteen wordt ook aangegeven uit welke houding deze reactie komt, nl. in vers 4, en daarna zelfs een uitvoerige uitleg over het motief achter zijn opmerking, in vers 6. Wat zegt Judas? Vers vijf: “Waarom is deze zalf niet voor 300 penningen verkocht en aan de armen gegeven?” Wie is deze Judas? Dat wordt eerst vermeld in vers 4: Judas Iskariot is zijn naam, de zoon van Simon, die Hem verraden zou. En dan de directe reden voor hem om dit te zeggen in vers 6: “En dit zei hij niet omdat hij zich bekommerde om de armen, maar omdat hij een dief was, en de beurs beheerde en droeg wat gegeven werd.”

Daar heb je dus het contrast. Aan de ene kant een diep doorleefde uiting van liefde en toewijding van Maria. En dan de heftige aanval op Maria van de man die in staat was om Jezus te verraden. Judas moet gedacht hebben dat het volgen van Jezus hem uiteindelijk macht en rijkdom zou brengen. Maar de zending van Jezus loopt niet in de richting die Judas wilde. Terwijl alle anderen groeien in hun liefde voor Jezus, groeit in Judas alleen maar de haat. Maar nu hij er voor gekozen heeft om te blijven doen alsof hij werkelijk tot de discipelen van Jezus behoort, moet hij dat volhouden. Hij probeert dus nu tegenover Maria iets te zeggen wat juist heel vroom en gelovig moet klinken. “Kijk eens, Meester, heb ik de verkondiging van het koninkrijk niet heel goed begrepen? Het koninkrijk is toch voor de armen?” Het is op het eerste gezicht zo vroom dat sommige van de discipelen daarin helemaal meegaan. In Markus 14 lezen we immers: “en er waren er sommigen die verontwaardigd waren bij zichzelf en zeiden: Waartoe diende deze verkwisting van de zalf?… En zij vielen scherp tegen haar uit.” (Mk. 14:4, 5) En ook in Mattheus 26 lezen we dat de “discipelen [die] dat zagen, verontwaardigd waren en zeiden: Waartoe deze verkwisting?” Maar Johannes weet wat er in werkelijkheid achter de kritiek van Judas verborgen zat. Toen deze in de gaten kreeg dat de weg van Jezus zou leiden naar de ondergang, begon hij voor zichzelf een deel van het geld weg te nemen. Hij had graag ook zijn handen gelegd op de 300 penningen. Daarom was hij er ook klaar voor om Jezus uiteindelijk voor geld te verraden. Voor slechts 30 penningen trouwens.

De geur van de narduszalf vervult het huis: toewijding en liefde. Het gif van de woorden van Judas verpest de atmosfeer: verontwaardiging over Maria, verdeeldheid onderling. De liefde van Maria en de haat van Judas; geloof tegenover ongeloof en de discipelen, althans sommigen van hen, staan hier tussen die beide extremen. Maar dan. In vers 7 komt het antwoord van Jezus. “Laat haar begaan.” Dat is het eerste. Een duidelijke keuze voor Maria en tegen de woorden van Judas. En dan het tweede: “zij heeft dit bewaard met het oog op de dag van Mijn begrafenis.” In Markus 14: “zij heeft van tevoren Mijn lichaam gezalfd voor de begrafenis.” In Mattheus 26 “want toen zij deze zalf op Mijn lichaam goot, deed zij dat als voorbereiding op Mijn begrafenis.” Heeft Maria dat zelf zo bedoeld? Dat weten we niet, want wij horen niet dat zij nog iets gezegd heeft. Maar het is duidelijk dat Jezus het zo heeft opgevat. In ieder geval neemt Hij het resoluut voor haar op. Wat misschien alleen bedoeld was als een extreme uiting van liefde en toewijding, is in de ogen van Jezus een symbool van Zijn dood en begrafenis. En dan het derde: “Want de armen hebt u altijd bij u, maar Mij hebt u niet altijd.” Ik vind dat een ontroerende zin. Sommige van de discipelen, en ogenschijnlijk ook Judas, hebben hun zorg voor de armen geuit. En dat is zeker een belangrijk element van de verkondiging van het koninkrijk: Gods liefdevolle zorg richt zich tot armen, weduwen, vreemdelingen en wezen. Maar hier staat in hun midden een arme bij uitstek. Hoe kunnen zij de weg die Jezus gaat naar het kruis, Zijn liefdevolle opoffering waarin Hij alles heeft prijsgegeven – Zijn godheid heeft neergelegd, Zich vernederde tot een menselijk bestaan, tot de dood aan het kruis aan toe – over het hoofd zien? Als zij niet bij machte zijn om de armoede van Jezus onder ogen te zien, die Zichzelf geeft voor zondaars, hoe kunnen ze dan werkelijk de armoede van de armen zien? De armoede van Jezus, daar gaat het om. Zoals Paulus zegt in 2 Kor. 8:9, “Want u kent de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij omwille van u arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat u door Zijn armoede rijk zou worden.”

Ons gedeelte eindigt met een korte vermelding van twee andere reacties. Eerst in vers 9 de “grote menigte” die naar Bethanië gaan om Jezus en Lazarus te zien. Die menigte zal op zondag jubelen wanneer Jezus op een ezeltje de stad binnentrekt. “Hosanna! Gezegend is Hij Die komt in de Naam van de Heere, de Koning van Israël!” En diezelfde menigte zal op vrijdag uitroepen: kruisig Hem! En omdat velen van hen op dat moment in Jezus geloofden – zegt vers 11 – krijgen we een wonderlijke inkijk in de gedachten van de overpriesters. Vers 10: “En de overpriesters beraadslaagden om ook Lazarus te doden.” Dat was in hun ogen de meest effectieve manier om het wonder van de opwekking van Lazarus te bestrijden. Stuur Lazarus terug naar het graf waaruit hij gekomen is! Dan heeft niemand het er meer over!

Vijf reacties op Jezus. De dienstbaarheid van Martha, de liefde van Maria, de haat van Judas, de verwarring bij de discipelen en de onverschilligheid van de menigte die begint met Hosanna en eindigt met Kruisigt Hem. Het koninkrijk van God is waar mensen Jezus liefhebben en Hem dienen. Er zijn mensen die openlijk zich tegen het evangelie gekeerd hebben. Er zijn mensen die in hun hart Jezus hebben afgewezen, terwijl ze zich toch nog als christenen voordoen. Er zijn mensen die Jezus verwelkomen als rebel, als kampioen van verdraagzaamheid en naastenliefde, maar Hem niet willen accepteren als de Zoon van God, en al helemaal niet als het Lam van God dat de zonden van de wereld draagt. Zo was het toen, zo is het nu. Maar er zal altijd een minderheid zijn die in Jezus gelooft en Hem dient en liefheeft.