Joh. 11:36-46
We komen nu bij het laatste grote teken dat Jezus heeft gedaan. Aan het eind van zijn evangelie vermeldt Johannes dat Jezus nog vele andere tekenen heeft gedaan, en dan zegt hij erbij: “in aanwezigheid van Zijn discipelen.” Dat laat ons zien vanuit welk perspectief Johannes in dit evangelie naar de tekenen van Jezus kijkt. Het gaat hem in de eerste plaats om tekenen die Jezus heeft gedaan om het geloof van Zijn discipelen op te wekken. Dat kan de reden zijn dat we in de andere evangeliën niet dezelfde gebeurtenissen kunnen terugvinden, met uitzondering van de wonderbare broodvermenigvuldiging – dat teken was zowel voor de menigte als voor de discipelen bestemd. Ook de opwekking van Lazarus, waar we in dit hoofdstuk naar zullen kijken, heeft tot doel dat de discipelen zouden geloven. Om die reden misschien hebben de andere evangeliën het niet opgenomen. Het doel is dus de versterking van het geloof van de discipelen. Vers 15: “En Ik ben blij voor u dat Ik daar niet was, opdat u gelooft.”
Het primaire doel van Johannes’ evangelie is het bewijs te leveren, door middel van getuigenissen, dat Jezus waarachtig de Zoon van God is. En daaraan verbonden is zijn secundaire doel, dat mensen door deze getuigenissen tot geloof zullen komen en daarmee “het leven [zullen] hebben in Zijn Naam.” (20:31) Die getuigenissen komen van mensen die Jezus hebben ontmoet, en van de werken die Jezus heeft gedaan die dat getuigenis eveneens afleggen. “Juist die werken die Ik doe, getuigen van Mij dat de Vader Mij gezonden heeft.” (5:36) Jezus Zelf noemt dat een getuigenis dat groter is dan dat van Johannes de Doper. Waarom? Omdat het die werken zijn die de Vader Hem gegeven heeft om die te volbrengen. Ze laten dus het karakter en de intentie van God de Vader zien. Jezus wilde niet Zijn godheid bewijzen door een overmachtige, verblindende en angstaanjagende vertoning van Zijn macht – die wel ontzag, maar geen geloof wekt – maar wilde een heerlijkheid laten zien “vol van genade en waarheid.” Gods almacht wordt bij Jezus zichtbaar in iets wat zeer menselijk is, en op het concrete en individuele niveau van het leven plaatsvindt. Voor iedereen die God zoekt in het buitengewone en verbijsterende is het makkelijk te miskennen. Het wonder van de tempelreiniging is daar een mooi voorbeeld van. We lezen dat Jezus alle mensen de tempel uitdreef, tienduizenden mensen verlaten op Zijn gezag het tempelplein. Maar de joodse leiders herkennen daarin niet het volstrekte gezag dat het Woord van God over mensen heeft, maar zeggen: “Welk teken laat U ons zien dat U het recht hebt deze dingen te doen?” Voor het wonder van de tempelreiniging vragen zij om een bewijs dat zelf weer een wonder is. En ongetwijfeld, wanneer Jezus dat wonder voor hun ogen verricht zou hebben, zou hun ongeloof hebben gevraagd om een nieuw wonder als bevestiging van dit tweede wonder enzovoorts.
De werken leggen getuigenis af, maar ze bewijzen de waarheid niet. Elk getuigenis kan worden weersproken. Het vergt een bereidwillig hart om er geloof aan te hechten. Het zijn dus ook juist deze werken, deze tekenen en wonderen, die verkeerd worden verstaan. De genezing van de blindgeborene bijvoorbeeld is een volstrekt unieke daad van de schepper. Het is de enige verklaring voor zijn genezing, dat Jezus waarachtig over Gods almacht beschikt. Maar het is tevens een getuigenis dat kan worden bestreden met woorden. De joodse leiders kunnen betwijfelen dat de man werkelijk blind geboren was, kunnen aannemen dat de ouders of de man zelf hebben gelogen. Ze kunnen volhouden, als een axioma, dat zij weten “dat deze Mens een zondaar is.” En dat zij weten dat alleen God, en dus niet Jezus, tot een dergelijke genezing in staat zou zijn. En langs die weg kunnen ze het wonder op een of andere wijze wel aan God toeschrijven, en tevens de Zoon van God veroordelen die dat wonder verrichtte. Omdat Hij het oneens is met de rabbijnen. Dus geen discipel van Mozes is zoals zij dat willen zijn, en de rabbijnse regels voor de sabbat overtreedt. Dat laatste hebben we gezien bij de genezing van de verlamde in Bethesda aan wie Jezus de opdracht gaf om zijn bed op te nemen en naar huis te lopen.
De werken die Jezus gedaan heeft, in de kleine besloten ruimte van het menselijke leven, waren alleen maar te verklaren met het inzicht dat Jezus inderdaad God Zelf was, en uit de hemel was gekomen. Jezus heeft gezegd wie Hij was, en ze hebben Hem niet geloofd. Dan moeten de werken maar het getuigenis afleggen van de waarheid van Zijn woorden. “Geloof dan de werken”, als je de woorden niet gelooft, “opdat u erkent en gelooft dat de Vader in Mij is en Ik in Hem.” (10:38) En hetzelfde vinden we in hoofdstuk 14:10. “De woorden die Ik tot u spreek, spreek Ik niet uit Mijzelf, maar de Vader, Die in Mij blijft, Die doet de werken.” Wanneer Johannes de Doper twijfels krijgt over Jezus omdat het niet goed gaat met de oprichting van het Koninkrijk van God, stuurt hij twee van zijn discipelen naar Jezus. We vinden dat in Lucas, hoofdstuk 7. “Bent U Degene Die komen zou, of verwachten wij een ander?” En het antwoord van Jezus is een verwijzing naar de tekenen: “bericht Johannes wat hij gezien en gehoord hebt, namelijk dat blinden ziende geworden, kreupelen kunnen lopen … en aan armen het Evangelie verkondigd wordt.” De profetie van Jesaja 29 en 35 en 61 wordt hier vervuld. Opnieuw zijn het de werken moeten overtuigen, of althans geloof moeten opwekken. Maar de werken, de wondertekenen, kunnen worden genegeerd omdat hun betekenis niet wordt aanvaard. De verlamde in Bethesda, die wist dat de joodse leiders Jezus zochten vanwege de overtreding van de sabbatswet, “berichtte de Joden dat het Jezus was Die hem gezond gemaakt had.” En het gevolg daarvan is, dat de joodse leiders Jezus vervolgen en proberen te doden. (5:15, 16)
Het belangrijkste wonderteken is ongetwijfeld de opwekking van Lazarus geweest. Ook dit is een wonder dat speciaal bestemd is voor de discipelen. Het is een voorbereiding voor hun geloof in de opstanding. Opstanding en eeuwig leven zijn zozeer verbonden met Jezus, dat Hij kan zeggen: “Ik ben de Opstanding en het Leven.” Jezus geeft niet alleen eeuwig leven, en Hij doet niet alleen mensen opstaan uit de dood, Hij is dat alles in zichzelf. En nu, met de opwekking van Lazarus, zien we de volle openbaring van de goddelijke macht van Jezus. Goddelijke macht die nieuw leven geschapen heeft in een lijk, waar de organen van vergaan waren. Een nieuw lichaam, nieuw weefsel, nieuwe zenuwen, nieuw bloed. Een wonder van de herschepping van een hersenmassa die nu weer kan denken en voelen en willen en spreken. Vier dagen lang is Lazarus al in het graf. En wat Jezus hier doet – hoewel de getuigen beperkt zijn tot de familie en de rouwende gasten – is een overtuigend bewijs van Zijn almacht zelf voorbij de grens van de dood. En dat is ook waar de discipelen behoefte aan hadden. Zij hadden geloofd in de macht van Jezus tot aan de dood toe. In het geval van de dochter van Jaïrus konden ze nog denken dat het meisje niet echt en volledig gestorven was. Zij hadden Zijn woorden over eeuwig leven verstaan in het licht van hun eigen theologie. Zij dachten aan een wonderbaarlijke opstanding aan het eind van de geschiedenis, terwijl Jezus sprak over Zichzelf in het heden. Het eeuwige leven dat uit God is, begint niet pas aan het einde van de tijden, maar begint voor iedereen die tot geloof komt, precies op dat moment. Jezus bewijst hiermee de woorden die Hij al gesproken had in het vijfde hoofdstuk: “de tijd komt waarin allen die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen.” En zij zullen er uitgaan… Hier komt Lazarus uit het graf, op bevel van Jezus. Zo zal het gaan aan het eind van de tijden, zo zullen wij allen de stem van Jezus horen.
We komen nu eindelijk toe aan de beschrijving van de opwekking van Lazarus zelf. We hebben het vorige hoofdstuk geëindigd met de uitleg van de woorden van de evangelist in vers 35. “Jezus weende.” Wanneer gasten uit Judea dat zien, zijn er twee verschillende reacties, die allebei onwaar zijn. Sommigen denken dat Jezus weent vanwege de dood van Lazarus, die immers Zijn vriend was. “Zie, hoe lief Hij hem had!” Maar het verdriet van Jezus is niet beperkt tot deze ene vriend die gestorven is. De diepte van het verdriet van Jezus konden zij niet peilen. Dat verdriet had meer te maken met het ongeloof van de mensen om Hem heen, met de dood die Hem te wachten stond, en vloeide voort uit een diep medeleven met het verdriet van Maria en Martha.
De andere reactie is minder sympathiek. Martha heeft vermoedelijk haar verdriet uitgelegd aan de joodse gasten. En zij herhalen dan ook haar woorden. “Kon Hij Die de ogen van de blinde geopend heeft, ook niet maken dat deze niet gestorven was?” Jezus was immers niet meteen gekomen, Hij had twee dagen gewacht. Hij had vanaf die afstand met een woord kunnen genezen. Maar dat gebeurde niet. Wat betekent dan de liefde van Jezus voor Zijn vriend Lazarus nog? Dat is overigens ook voor ons een belangrijk punt. Als wij in het leven allerlei vormen van pijn en lijden meemaken, of onze geliefden moeten missen in de dood, wat betekent de liefde van Jezus voor ons dan nog? Dan vragen ook wij “waarom heeft Jezus hem of haar niet bewaard? Waarom is Hij niet gekomen? Hij kon de blindgeborene genezen, waarom dan niet die blinde zuster in de gemeente? Hij kon het dochtertje van Jaïrus uit de dood halen, een jong meisje nog, waarom dan niet… et cetera.” Dat is allemaal begrijpelijk vanuit ons menselijke gezichtspunt. Als Jezus bij ons in dienst was, als Zijn enige zorg was ons aardse leven te zegenen en te bewaren, dan zijn onze vragen en verwijten nog terecht ook. Maar Jezus doet niet zomaar wonderen, Hij doet de werken, die de Vader Hem te doen heeft gegeven. Het doel van deze wondertekenen is niet het verrichten van wonderen op zichzelf, maar het wekken van geloof. Het gaat om Gods wil en plan met het leven. Alles wat God doet, doet Hij “overeenkomstig Zijn welbehagen, dat Hij in Zichzelf voorgenomen had.” (Ef. 1:9) En God vertelt ons niet wat het plan is, maar wil dat wij ook zonder dat inzicht in ons leven op Hem blijven vertrouwen. En soms wordt het ons ook gegeven om het later wel te verstaan, zoals we lezen in Johannes 13:7, “Wat Ik doe, weet u niet, maar u zult het later inzien.”
Maar ons geloof wordt vaak bepaald door deze manier van denken. Als God het gewild had, dan… Het is niet gebeurd, dus heeft God het niet gewild? Maar hoe is het mogelijk dat God het goede niet wil? Vanuit Gods perspectief ziet het leven er heel anders uit. De moeder die wij verliezen, wordt door God in de heerlijkheid ontvangen. Al haar tranen zijn uitgewist, zij is tot rust gekomen van al haar werken, zij kan met nieuwe geestelijke ogen haar Verlosser en Heer zien. Dat is Gods perspectief. Zoals Zefanja zegt: “Hij zal Zich over u verheugen met blijdschap. Hij zal zwijgen in Zijn liefde. Hij zal Zich over u verblijden met gejuich.” (Zef. 3:17) Dat is de manier waarop God ons ontvangt in de heerlijkheid. Zo ook hier in ons hoofdstuk. Lazarus slaapt. Hij is in de heerlijkheid. Hij is niet onttrokken aan de macht van het Leven. Integendeel, hij is bij de bron van het Leven zelf.
Het is belangrijk om te zien, dat het bij de opwekking van Lazarus dan ook helemaal niet om de gestorvene gaat. We lezen ook niet over een of andere reactie van Lazarus na zijn opwekking. Het gaat in dit hoofdstuk om de openbaring van de heerlijkheid van Jezus, en om het geloof van de discipelen. In vers 39 spreekt Martha over het lijk: “Heere, hij ruikt al, want hij ligt hier al voor de vierde dag.” Maar in vers 40 antwoordt Jezus haar: “Heb Ik u niet gezegd dat u, als u gelooft, de heerlijkheid van God zult zien?” Het geloof in Jezus die de Opstanding is, kan Martha wegvoeren uit het huis van de rouwenden, over haar gevoelens van rouw heen tillen, zodat ze niet langer het lijk ziet, maar de heerlijkheid van God die nu in deze opwekking openbaar wordt. En de gedachte achter het wonder is eigenlijk deze: als Jezus hier zichtbaar een gestorvene kan terugbrengen uit de dood, dan is Zijn woord ook waarachtig, dat iemand die geestelijk leven heeft ontvangen door het geloof in Jezus als de Zoon van God, nooit sterven zal, ook al sterft hij. Dat eeuwige leven dus nooit kan kwijtraken, ook al kan het aardse leven hier worden beëindigd. Lazarus was na zijn sterven in de heerlijkheid, in de schoot van Abraham zoals ze zeiden in die tijd. Hij is niet het slachtoffer dat moet worden gered. Martha en Maria zijn de rouwenden, die moeten leren dat het geloof en vertrouwen in Jezus ook tegenover de dood terecht is. In Jezus is het Leven. Nu, in geloof, moet dat Leven ook het Ligt zijn dat ieder mens verlicht. Kort gezegd: wij moeten het leven leren zien in het licht van de Zoon van God die het Leven is. We moeten Gods perspectief leren kennen.
Als je gelooft, zul je de heerlijkheid van God zien. Maar dan is eerst een volle confrontatie met de realiteit van de dood nodig. En dan lezen we in vers 38: “Jezus dan, opnieuw heftig bewogen in Zichzelf, kwam bij het graf.” Een heftige emotie grijpt Hem aan. Verontwaardiging over de dood en de zonden en de zorgen en de problemen van het menselijk leven. En deze confrontatie met de dood in zijn rauwe realiteit is nu ook nodig voor de omstanders. Vers 41: “Zij namen dan de steen weg waar de gestorvene lag.” Die steen was niet alleen nodig om mensen en dieren buiten het graf te houden, maar ook om de stank tegen te gaan. De Egyptenaren balsemden hun doden. De joden deden dat niet. Zij wilden helemaal niet in de buurt komen van een lijk. Wie een lijk aanraakte, was zeven dagen lang onrein. Ook daarom was er een steen over de ingang heen. En daarom was het graf ook een eind buiten het dorp. Daarom zegt Martha tegen Jezus: “hij ruikt al.” Zij wil niet dat de steen wordt weggerold. Zij verwacht helemaal niet dat ze de heerlijkheid van God zal zien, maar alleen het onsmakelijke bewijs van de tragische overwinning van de dood over het leven. Je kunt van alles en nog wat geloven, lijkt het, onder ons geloof zit een nog veel diepere overtuiging, en dat is de overtuiging dat de dood het laatste woord is.
Maar ze doen het toch. De steen wordt weggerold. Nu wordt de heerlijkheid van God zichtbaar. Op allerlei wijzen was die heerlijkheid in het Oude Testament al zichtbaar geweest. Als een pilaar van vuur, als wolk van licht in de woestijn. Als de rookwolk bij de inwijding van de tempel van Salomo. De discipelen hadden die heerlijkheid gezien als een verblindend licht op de berg – want die heerlijkheid was nu zichtbaar in een menselijk lichaam. En nu zien ze de heerlijkheid van God als de openbaring van het leven.
En dan komt het gebed van Jezus. Jezus spreekt uit dat de Vader Zijn gebed heeft verhoord. Dat hoeft Hij niet te bidden, maar dat alles is bestemd voor de oren van de toehoorders. Hij vraagt de Vader niet om iets te doen. De Vader hoeft Hem geen macht te verlenen, waarover de Zoon niet Zelf zou beschikken Jezus weet wat de Vader zal doen. En Hij weet dat het voor Zijn heerlijkheid bestemd is, die van de Zoon van God zelf. En de Vader en de Zoon zijn hierin één. En uiteraard spreekt Hij God aan als Zijn Vader. Er is maar één moment in Zijn leven dat Hij tot God heeft gesproken zonder de naam Vader te gebruiken en dat is aan het kruis. Toen Hij tot het Lam van God werd gemaakt dat de zonden droeg, heeft Hij gebeden met de woorden: “Mijn God, Mijn God et cetera.” En nu geeft de Zoon van God het leven aan Lazarus, opdat alle toehoorders en toeschouwers mogen weten dat Hij waarachtig en werkelijk God is. Niet dat Hij een gebed tot God moet richten dat de Vader zou verhoren. De omstanders horen het, “opdat zij geloven dat U Mij gezonden hebt.” Daar gaat het om.
En dan treedt de macht van Jezus op. Jezus roept hard en met een luide stem. Het staat er eigenlijk dubbel. Dit is een machtige stem vol van kracht. Iemand gaf eens het commentaar, dat die stem ook de meest welluidende moet zijn van alle stemmen in de wereld. En die stem, dat volle, krachtige en goddelijke spreken zegt nu een scheppingswoord: “Lazarus, kom naar buiten.” Hier is geen trucje, hier is geen bijzonder instrument, geen transplantaties, of cryogene technieken, hier is simpelweg het woord van de schepper die de dingen roept die niet zijn, zodat zij zijn. Hier is het rustige kalme spreken van Genesis 1, dat iets nieuws schept. En de opwekking van Lazarus is het onmiddellijke gevolg van Zijn woorden. Het zijn maar drie woorden: Lazarus, kom uit. (deute exoo) En het wonder gebeurt. Daar staan de mensen dan. Ze turen in het donker van de grot, hun neuzen dichtgeknepen voor de stank die ze verwachten. Er zijn geen bliksemflitsen, geen hemelse klanken, geen bovennatuurlijke verschijnselen maar er gebeurt iets heel simpels. “En de gestorvene kwam naar buiten.” Hoe kom je naar buiten, als je aan handen en voeten bent vastgebonden met linnen, je gelaat is omwikkeld met een doek? Maar de gestorvene heeft alle kracht gekregen die nodig is om naar buiten te komen, om aan het bevel van Jezus te kunnen gehoorzamen. Nul is het bewijs geleverd dat Jezus de overwinning heeft behaald over de zonde, de dood en de duivel. Hij is Degene die de sleutels heeft “van het rijk van de dood en van de dood zelf.” (Op. 1:18) En Hij heeft die sleutels gebruikt voor Lazarus, op dit bijzondere moment. En we kunnen het zeggen met Paulus: “Dood, waar is uw prikkel? Graf, waar is uw overwinning?” (1 Kor. 15:55) Christus behaalde de overwinning. En wij hebben die overwinning ontvangen: “Maar God zij dank, Die ons de overwinning” – dat is de overwinning over de dood – “geeft door onze Heere Jezus Christus.” (1 Kor. 15:57) Dat is een bijzonder gegeven, dat Jezus de overwinning over de dood niet alleen behaalde voor Zichzelf maar ook aan ons geschonken heeft. Zoals Hij Lazarus na de opwekking de kracht gaf om uit het graf te komen, en het rijk van de dood achter zich te laten.
Het vervolg is eenvoudig. Maak hem los, laat hem gaan. Er is geen verklaring nodig, er hoeft niets te worden uitgelegd over Lazarus, nu weten wij, toen wisten de discipelen wie Jezus werkelijk was. En het gevolg van dit alles? Vers 45: “Velen dan van de Joden die naar Maria toegekomen waren en gezien hadden wat Jezus gedaan had, geloofden in Hem.” Prachtig. Hoe was het ook mogelijk om niet te geloven wat ze met eigen ogen hadden gezien. En daar ging het natuurlijk om. Maar net als bij de verlamde in Bethesda, kun je het zien en geloven, en toch weigeren om Jezus te vertrouwen. Vers 46: “Maar sommigen van hen gingen naar de Farizeeën en zeiden tegen hem wat Jezus gedaan had.” Geloofden zij het wonder? Vermoedelijk wel. Geloofden zij in Jezus als de Zoon van God? Neen, zeker niet. Uiteindelijk is het wonderteken niet voldoende om te geloven. Sommige mensen zullen het nodig hebben, voor anderen is het niet nodig. Nooit is het wonder beslissend in het geloof. Als Thomas aan het eind van het evangelie Jezus heeft gezien, Zijn handen heeft bekeken en met zijn vinger het litteken van de spijkers heeft betast, komt Thomas tot geloof. En dan zegt Jezus iets wat in dit verband zeer belangrijk is: “zalig zijn zij die niet gezien zullen hebben” – die geen wonderteken hebben meegemaakt – “en toch zullen geloven.” Geloven dat is geloven op grond van het getuigenis, dat is geloven omdat het woord van God je ziel raakt, dat is geloven omdat de heilige Geest de Zoon van God aan je geest voorstelt, je geweten raakt, je verstand doet buigen, en jouw wil om de wil van God te doen tot de krachtbron maakt van je leven. Dan en alleen dan zul je werkelijk geloven in de Zoon van God.
Vind-ik-leuk Aan het laden...