Er bestaat bij veel christenen het vooroordeel of de aanname, dat er verschil moet worden gemaakt tussen gerechtvaardigd en ongerechtvaardigd geweld, of tussen geweld en macht. En men ziet dat verschil juist optreden bij de overheid, de Staat. (Het onderscheid tussen overheid en staat laat ik hier dan buiten beschouwing.) Dit is het vooroordeel:
De staat heeft het monopolie op geweld, maar dat geweld is gerechtvaardigd.
Als daarnaast ook wordt aangenomen dat de staat een ordinantie van God is – op grond van Romeinen 12 – dan volgt daaruit dat God het geweld van de staat legitimeert. Deze oorspronkelijk Rooms–Katholieke positie wordt nu ook wereldwijd door Protestanten gevolgd. Het leidt tot een bekende casuïstiek. De discussie gaat dan over de vraag onder welke condities de staat rechtvaardig handelt en onder welke condities de staat onrechtvaardig handelt wanneer zij geweld uitoefent.
De discussie over de condities gaat uiteindelijk over de instellingen van de overheid. Simpel gezegd komt het hierop neer. Een rechter kan iemand wettig ter dood veroordelen – in oorlogstijd bijvoorbeeld voor landverraad – terwijl een enkel mens nooit iemand wettig kan doden. De rechtsorde schept een context waarin moord wordt toegestaan en dan ook niet meer zo heet. We spreken dan niet meer over moord maar over de uitvoering van de doodstraf. Het zijn dan uiteindelijk de wetten die de rechtmatigheid van het geweld bepalen.
Het is goed om hier even bij stil te staan. Hieruit volgt wel dat de staat op onrechtvaardige wijze geweld zou kunnen uitoefenen, dat toch gelegitimeerd is door de wetten van de staat op het moment zelf. De beoordeling immers of het geweld gerechtvaardigd was, is een juridische beoordeling die altijd achteraf moet worden uitgevoerd. Het kan dus voorkomen dat in naam van de staat geweld wordt uitgeoefend dat achteraf als onrechtmatig wordt beoordeeld en dus een vorm van ongerechtvaardigd geweld is. De conclusie is dan in ieder geval gewettigd, dat de staat zowel gerechtvaardigd als ongerechtvaardigd geweld uitoefent.
Al vroeg in de kerkgeschiedenis is de gedachte opgekomen dat men de staat niet het recht mag ontzeggen zich met geweld te verdedigen in het geval van een oorlog. Wanneer zij zich niet kan verdedigen veroordeelt men haar immers tot verdwijnen. Zo is immers de realiteit van de relaties tussen staten, in ieder geval lange tijd geweest. Dat recht op zelfverdediging kan bovendien niet beperkt worden tot tijden van oorlog. Ook wanneer de instituties van de staat in gevaar zijn, is de staat gewettigd om geweld uit te oefenen tegen vijanden van binnen uit.
Maar deze opvatting over de legitimiteit van het geweld van de staat om zichzelf te handhaven, berust op een aantal veronderstellingen.
- Mensen zijn in staat om geweld onder controle te houden. Het gerechtvaardigd geweld wordt gezien als een nauwkeurig antwoord op een geweldsdaad of –dreiging dat leidt tot een herstel van de vrede. Er is geen eindeloze voortzetting van het geweld zoals in het geval van de weerwraak.
- Geweld kan wel degelijk in dienst staan van de sociale orde en de handhaving van het recht en het najagen van de vrede. Geweld is dus een legitiem middel om een goed doel te bereiken.
- De beoordeling van geweld hangt uiteindelijk alleen maar af van de proportie tussen de gekozen middelen en het te bereiken doel.
In de kerkgeschiedenis is het daarom gekomen tot een leer van de gerechtvaardigde oorlog. "Gerechtvaardigd" heeft hier geen Bijbelse betekenis, maar een filosofische. De rechtvaardiging van een oorlog berust dan op argumenten waarin het voeren van de strijd zwaarder moet wegen – vanwege het beoogde doel – dan het nalaten van de strijd. Dat levert zeven condities op van een gerechtvaardigde oorlog, met een groot aantal moeilijk te definiëren elementen.
1. De zaak waarvoor men strijdt moet gerechtvaardigd zijn.
Maar wat betekent dat? In het algemeen betekent dat alleen maar dat het overleven van de staat wordt gediend, alsof zoiets als de staat een permanent bestaan zou moeten hebben en moreel moet worden uitgesloten dat zij aan haar einde komt. Hier wordt doorgaans het onderscheid tussen staat en volk vergeten. Natuurlijk heeft het volk recht op overleven, maar de wijze waarop zij haar politieke macht heeft georganiseerd, en dat is de staat, heeft op grond daarvan niet hetzelfde recht.
2. De strijdende partijen moeten uitsluitend het tot stand brengen van deze rechtvaardige zaak als oogmerk hebben.
Maar over het algemeen is het doel van de strijd de totale onderwerping of vernietiging van de vijandelijke staat. Het scheppen van een rechtvaardige situatie is voorbehouden aan de afwikkeling van de strijd, zoals in het Irak na de oorlog. Daar werd het "rechtvaardige doel" gezien als de invoering van de democratie.
3. De gewapende strijd kan alleen gerechtvaardigd zijn als alle andere middelen van diplomatie en onderhandelingen zijn uitgeput.
Maar wanneer is dat het geval?
4. Ook de middelen die worden ingezet voor de oorlog moeten rechtvaardig zijn, dat wil zeggen proportioneel voor het bereiken van het beoogde doel.
5. De voordelen van het gebruik van geweld moeten de nadelen daarvan te boven gaan.
Het heeft geen zin om een land zodanig te vernielen dat er geen rechtvaardige zaak meer gediend kan worden.
6. De overwinning moet ook een zekerheid zijn.
Een lange oorlog met een onzekere afloop kan alleen maar problemen geven.
7. De uiteindelijke vrede moet niet alleen rechtvaardig zijn maar ook een nieuwe oorlog uitsluiten.
We mogen niet in een spiraal van gewapende conflicten belanden.
Het is duidelijk dat we deze zeven criteria niet kunnen toepassen op moderne oorlogen.
De zeven criteria hebben geen praktische waarde meer. Het enige principe dat tegenwoordig wordt gehanteerd is deze, zoals het al in de vierde eeuw bedacht was, dat je van de staat niet kan verwachten dat zij zichzelf laat opheffen, zodat een recht op zelfverdediging haar moet worden toegestaan.
In het algemeen hebben christenen gemeend dat het soms onvermijdelijk is om in een oorlog betrokken te raken. Het enige verschil zou zijn dat christenen dat doen als een noodzakelijk laatste redmiddel voor de staat, zonder haat voor de vijand. Maar meestal wordt de gedachte nog verder doorgedreven, en komt men tot de constatering dat elke rebellie tegen de staat, elk verzet tegen de overheid in feite rebellie tegen God is. Verzet tegen de overheid is zelf al een vorm van geweld, dat door de overheid gerechtvaardigd met geweld zal worden bestreden.
Daartegenover staat het eenvoudige woord van Maximilianus.
"Ik kan geen soldaat zijn, ik kan geen kwaad doen, want ik ben een christen."