Spreken in tongen – slot

Ik heb in een aantal blogs de Schriftplaatsen voorgelegd die handelen over het spreken in tongen.  Ik heb een aantal conclusies daaruit getrokken:

  1. Het spreken in vreemde talen – xenolalia – is een gave van de heilige Geest uit het begin van de geschiedenis van de gemeente. Glossolalia – het spreken in taalachtige klanken zonder betekenis -  is een extatische uiting van enthousiasme die niet is gebaseerd op Pinksteren. Het bouwt de gemeente niet op. 
  2. In de gemeente heeft Paulus de opdracht gegeven dat wie spreekt in een vreemde taal – in verkondiging of gebed – een uitlegger moet hebben – doel van alles is de opbouw van de gemeente. Een gebed dat ik niet versta, daar kan ik geen Amen op zeggen, een verkondiging die ik niet versta bouwt mij niet op.
  3. Dat het spreken in tongen niets te maken heeft met de “doop in de heilige Geest”, want die is eenmaal en voor altijd geschied met Pinksteren. In Caesarea en Efeze krijgen ook andere groepen – niet-joden en de gelovigen die alleen Johannes de Doper kenden – de gelegenheid zich daarbij aan te sluiten. De Geest “valt” op hen – geen “doop” met de heilige Geest. Het is on-Bijbels om te zeggen dat een gelovige – bekeerd, belijdenis gedaan, wedergeboren en gedoopt met water – nu zou moeten gaan bidden om de doop met de heilige Geest – wél om het vervuld worden met de heilige Geest.
  4. Dat gemeenten waarin tongentaal wordt gezien als het effect van de doop met de heilige Geest eigenlijk twee soorten christenen introduceren: de gewone gelovigen en degenen die met de heilige Geest gedoopt zijn – die dan allemaal in tongen moeten spreken als bewijs daarvan. Dat is een gevaarlijke ketterij die tot verdeeldheid in het Lichaam van Christus leidt.
  5. De Geest kán zich innerlijk te kennen geven met “onuitsprekelijke verzuchtingen” maar dat is een spreken tot God dat de ontvanger voor zichzelf moet houden – tenzij er een uitlegger zou zijn. Maar ik geloof niet dat dit voor de gemeente van nu bestemd is.

Ik moet dus op grond van de Schrift concluderen dat de praktijk van het spreken in tongen in Pinkstergemeenten en charismatische kringen moet worden afgewezen als onschriftuurlijk. Alle tongen zullen ophouden, wist Paulus al in 1 Kor. 13:8. net als de gave van het Manna ophield bij de intocht in het land.

Hoe kunnen gelovigen bidden om de doop met de heilige Geest, als die Geest al in hun harten woont (Gal. 4:6) en de liefde van God in onze harten brengt? (Rom. 5:5) Zeker, de Vader zal de Geest geven aan wie Hem daarom vragen (Luk. 11:13) maar dat is nu precies wat er gebeurde in Hand. 1:41; 2:1. Hoe kunnen we bidden om de aanwezigheid van de Geest als die Geest er al is?

Is mijn lezing van de Schrift verkeerd, dan hoor ik het graag.

Spreken in tongen in 1 Kor. 14

De gemeente van Korinthe was rijk aan gaven van de heilige Geest. Paulus maakt duidelijk dat de opbouw van de gemeente de maatstaf is van de “rangorde” van die gaven. De liefde moet worden nagestreefd, dat in de eerste plaats. En van de gaven moet vooral die van het profeteren worden nagestreefd. Gods Woord uitleggen voor de omstandigheden van het ogenblik, dat is de hoogste van alle gaven. ( 1 Kor. 14:1)

Paulus weet echter, dat in Korinthe vooral het spreken in talen wordt gewaardeerd. Het lijkt de krachtigste presentie van de heilige Geest te zijn, een wonderteken dat niet achter staat bij het Pinksterwonder zelf. Daarom legt Paulus uit, dat dit spreken in “een andere taal” niet een toespraak tot mensen is, maar tot God alleen. Niemand begrijpt het. Op zijn best is het een uitspreken van “geheimenissen”. Daarom is profeteren daar boven verheven: “wie echter profeteert, spreekt tot mensen woorden van opbouw en vermaning en troost.” (vers 3) Wie in een andere taal spreekt, doet dat voor zichzelf: “bouwt zichzelf op” en niet de gemeente.

Dan zegt Paulus heel duidelijk dat hij wel zou willen dat iedereen in andere talen zou spreken – hij is niet tégen deze gave, hoe zou dat ook kunnen als het een gave van de Geest is – maar dat hij bovenal wil dat allen de gave van profetie ontvangen waardoor de gemeente kan worden opgebouwd. Wie Gods Woord uitlegt (profeteert) “is méér dan wie in andere talen spreekt.” Er is geen voordeel in het spreken in talen, tenzij het ook wordt uitgelegd – .d.w.z. vertaald – zodat iedereen het begrijpen kan. Het moet een goed verstaanbaar woord zijn uiteindelijk, anders is de spreker in een vreemde taal “iemand die maar wat in de lucht spreekt.” (vers 9) Daarom moet de spreker in een vreemde taal dan ook bidden, dat er iemand is die de gave heeft van  vertolking van die vreemde taal – er zijn dus twee gaven die met elkaar in verband staan.

Paulus somt de nadelen op:

Wanneer ik bid of spreek in een vreemde taal:

  1. Bidt mijn geest, maar mijn verstand blijft zonder vrucht
  2. Een ander kan geen Amen zeggen, want hij begrijpt het niet
  3. Een ander wordt niet opgebouwd
  4. Een ander wordt niet onderwezen
  5. Ik lijk voor een ander alleen maar een buitenlander…

De andere talen zijn een teken, maar voor wie? Paulus noemt de tekst: “Door mensen die een andere taal spreken, en door andere lippen zal Ik spreken tot dit volk, en ook dan zullen zij niet naar mij luisteren, zegt de Heere.” De andere talen zijn dus bedoeld in beginsel voor de ongelovigen. D.w.z. voor het ongelovige Israel dat de profeten kende, en dus de profetie van Joel kende over de uitstorting van de heilige Geest. Israël kon het zoich aantrekken dat deze profetie over de eindtijd juist onder heidenen tot vervulling kwam, en niet alleen onder joden.

Maar de ongelovige Griek in Korinthe? Die zou alleen zeggen dat de Korinthische gelovigen “buiten zinnen” waren – net zoals de joden reageerden toen Petrus en de discipelen in tongen spraken. Als iedereen echter zou profeteren en begrijpelijke taal zou uitslaan, Gods Woord zou uitleggen, dan zou die ongelovige onder de indruk komen: van de Bijbelkennis, van Gods Woord dat tot het hart is gericht. Die ongelovige zou “door allen overtuigd” worden en zou begrijpen dat iedereen hem kende en begreep, “en door allen beoordeeld” zou worden.

Hoe dan ook. Alles moet gebeuren tot opbouw, tot “stichting.” Spreken in een vreemde taal – xenolalia, dus niet zomaar wat klanken uitstoten die lijken op een taal, d.i. glossolalia – die wordt begrepen door een ander en vertaald in begrijpelijke taal – is een Geestesgave die bedoeld was om met name Israël te overtuigen van de presentie van de heilige Geest. In Korinthe is die gave eigenlijk alleen maar werkzaam tot opbouw van degene die haar ontvangen heeft. En Paulus maakt het toch heel duidelijk: je moet er niet per se naar streven, en profetie gaat dat alles verre te boven.

En als iemand in een andere taal spreekt, laat het dan door twee of hoogstens drie mensen gedaan worden, ieder op zijn beurt, en laat één het uitleggen. (1 Kor. 14:27)

Dus: zonder uitlegging, geen spreken in een vreemde taal. En geen vreemde klanken, maar een vreemde taal. Wanneer de ontvanger van de gave een andere taal spreekt, en iemand luistert en beseft dat zijn taal wordt gesproken, dan is dat een wonderteken. Dat iemand bij machte is een taal te faken, die niemand verstaat en niemand kan uitleggen, die alleen hemzelf opbouwt en niet de gemeente, en voor de ongelovige alleen maar aanleiding is om te zeggen dat iedereen hier in de gemeente uitzinnig geworden is, is geen teken van de presentie van de heilige Geest, maar van de eigenzinnigheid van mensen.

Over de doop met de heilige Geest

Even een kwestie tussendoor. Sommigen zeggen dat de doop met de heilige Geest een individuele aangelegenheid is, dat gelovigen dus moeten bidden om die doop, zodat ze deel krijgen aan de gaven van de Geest. Onder die gaven wordt dan het spreken in tongen gerekend.

Wordt Pinksteren dan herhaald? De “doop met de heilige Geest” hoort bij de komst van de Trooster in de wereld, zoals we lezen in Johannes 14:16:

En Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijft tot in eeuwigheid, (17) namelijk de Geest van de waarheid

In Johannes 20 lezen we wel, dat de Heer Jezus Zijn Geest ademde op Zijn discipelen, maar dat was niet de vervulling van Zijn belofte uit Joh. 14. We lezen namelijk in Hand. 1:5

want Johannes doopte wel met water, maar u zult met de Heilige Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen.”

De vervulling dus van de belofte in Johannes 14 was Pinksteren! In Handelingen 11:15, 16 is de doop (hier zeer precies een “vallen op” genoemd) met de heilige Geest een gevolg van de aanvaarding van het evangelie, geen aparte individuele doop met de Geest, maar een gevolg van het ingelijfd worden in de gemeente. Petrus herinnert zich de belofte van Hand. 1 wanneer hij zegt:

En toen ik begon te spreken, viel de Heilige Geest op hen, evenals op ons in het begin. En ik herinnerde mij het woord van de Heere, hoe Hij zei: Johannes doopte wel met water, maar u zult met de Heilige Geest gedoopt worden.

Merk op dat de Geest niet valt op elk van hen, maar op hen gezamenlijk. Of beter: de heilige Geest valt op ieder van hen afzonderlijk, maar zij worden hier voorgesteld als representant van de niet-joden. Dat is heel bijzonder. Daarmee wil de tekst iets bijzonders zeggen. Vandaar de term “vallen op” i.p.v. “ontvangen”, wat toch duidelijk onderscheiden is van het gedoopt worden in de heilige Geest.  Want de term “dopen” wordt niet gebruikt om weer te geven wat er met deze gelovige niet-joden gebeurd is.

Het is de eerste keer dat niet-joden de Geest ontvangen, vandaar dat hier de verwijzing naar Pinksteren relevant wordt. Het woord “evenals” duidt aan dat hier niet om een nieuw Pinksterwonder gaat, maar om een gevolg ervan: iedereen die tot geloof komt, ontvangt de heilige Geest, omdat de bekering en wedergeboorte iemand inlijven in het Lichaam van Christus en dus nu ook voor de bekeerde geldt dat zij de heilige Geest “ontvangen”.

Omdat de gelovigen met Pinksteren gedoopt werden met en in de heilige Geest en zo tot één lichaam werden, ontvingen ook zij elk de heilige Geest. De individuele ontvangst van de heilige Geest is dus een vervolg op het collectief gedoopt worden in de heilige Geest. Die doop was eenmalig en bracht de gemeente tot stand, de ontvangst is telkens een individuele gebeurtenis vanwege het ingelijfd worden in de gemeente. Een herhaalde doop met de heilige Geest is dat dus niet. Verder in Handelingen komt de uitdrukking “doop met de heilige Geest” niet voor.

Dat komt overeen met wat Paulus leert in 1 Kor. 12:13

Ook wij allen immers zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt,

En dan geldt individueel dat wie de Heer aan de gemeente van Christus toevoegt, de zalving van heilige Geest ontvangt, als onderpand, kijk maar naar deze twee teksten:

Ef. 1:13 – in Hem bent u ook, toen u tot geloof kwam, verzegeld met de Heilige Geest van de belofte,

2 Kor. 1:21, 22 – En Hij Die ons met u bevestigt in Christus en ons gezalfd heeft, is God, Die ons ook verzegeld heeft en het onderpand van de Geest in onze harten gegeven heeft.

Zo lijkt het toch duidelijk te zijn, dat gelovigen niet mogen bidden om de “doop” met de heilige Geest, alsof dat een toevoeging is aan hun wedergeboorte die hen vervolgens de gaven van de heilige Geest schenkt. De doop met de heilige Geest is éénmalig. De ontvangst van de heilige Geest als zalving en onderpand geschiedt bij de bekering en wedergeboorte.

God mét ons, vóór ons en ín ons – Pinksteren 2015

Verkondiging over Pinksteren in de PG Ter Apel, 24 mei 2015.

De Heilige Geest woont in ons hart en in de gemeente, wil ons omvormen naar het Beeld van Christus, wil ons Gods Woord inprenten, wil ons leven begeleiden en leiden.
Kerst toont ons de Vader, God mét ons, naar wie de Zoon genoemd is. Pasen toont ons de Zoon, God die vóór ons is, het voor ons opneemt. En Pinksteren toont ons de Heilige Geest, die dat alles tot een innerlijke realiteit maakt, waar we dag aan dag mee mogen leven. Het is de voltooiing van de drie hoge feesten. Hier bereikt God voorlopig Zijn doel: te wonen bij de mensen.

En zij werden allen vervuld met de heilige Geest…

1 En toen de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eensgezind bijeen.
2 En plotseling kwam er uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag en dat vervulde heel het huis waar zij zaten.
3 En aan hen werden tongen als van vuur gezien, die zich verdeelden, en het zat op ieder van hen.
4 En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en begonnen te spreken in andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.

We willen ons door die woorden laten vermanen en troosten. Maar we kijken naar onszelf, naar onze gemeente en dan weer naar de woorden van Handelingen 2. Wat een verschil! Verdeelt de heilige Geest zich vandaag en zit Hij op ieder van ons? Vervult Hij dit huis, waar wij bijéénzijn? Spreken wij daarom over de grote daden van God? Niet eens in vele talen, maar in die éne taal die wij delen? Is het feest van Pinksteren niet het feest van de schuwe eerbied voor een tijd en een plaats, waar de Gemeente van God vol kracht en inspiratie in deze wereld was? Waar wij als slinkende, vergrijzende en armlatige gemeente zo scherp tegen afsteken? Zijn wij dan nog weleens zo “buiten onszelf” dat het enthousiasme voor de Heer Jezus en Zijn liefde voor ons, ons dronken maakt van vreugde?

11

Valt de Geest op ons? Het is de vraag. Die ons hart soms doorklieven kan. Maar wij liggen in de slaap van ons dagelijks leven, van onze gewoonten, van wat onze ervaring ons vertelt. Bij ons gaat de televisie aan, en Gods Woord dicht. Valt de Geest op ons, voorzichtige, nuchtere, terughoudende, diplomatieke, onverschillige, soms wat zwaarmoedige en aarzelende en ook wel ongelovige mensen uit Ter Apel? Waar onze kerk een naam draagt die je ook weleens op lagere scholen ziet? En waar geen kerktoren trots omhoog wijst, omdat we nauwelijks durven zeggen dat alle zegen en alle gezag en alle genade en alle heil van Boven komt?  Is Gods Geest dan werkelijk op ons neergedaald, op iedereen die hier zit? Is er bij ons niet steeds een of andere onvolkomenheid, een zonde, of een verdriet, of een twijfel waardoor wij zouden zeggen: “hoezo? Is Gods Geest in mijn hart en leven? Is Gods Geest in mijn gemeente? Ik merk er niets van. Ik zie het niet gebeuren. Ik voel de kracht er niet van. Ik wist niet eens dat dat mij overkomen kon. Ik wist niet eens dat ik ernaar zou kunnen verlangen. Dat is toch alleen maar iets voor de geestdrijvers, de fundamentalisten, de blije christenen, de fanatiekelingen onder de Christenen die met hun handjes in de lucht zwaaien?”

Laat  ik om te beginnen tegen u zeggen dat het wáár is, dat Gods Geest op ons is neergedaald. Het is wáár dat Gods Geest in de gemeente van Christus woont, dus ook hier in de Protestantse Gemeente Ter Apel. Het is wáár dat de Geest van God in iedere gelovige woont, dus ook in jou. Ook in jou met je twijfels, ook in jou met je verdriet, ook in jou, met de verse en scherpe rouw nog in je hart, ook in jou, die daar zit met zovele vragen over de tragedies in het leven. Ook in jou, die hier zit omdat het van je verwacht werd, of omdat je graag vrienden en bekenden wilt zien. Zelfs in jou, die de afgelopen week nauwelijks hebt gebeden en in wiens huis de bijbel niet is opengegaan. De Geest van God woont in jou. Juist misschien in jou die de zwaarte van het leven zo diep gevoeld heeft, als je iemand hebt verloren die jou nabij was, die je hebt liefgehad met alles wat in je is, juist in jou woont de Trooster, de heilige Geest.

22

Waarom woont de heilige Geest in ons? Het is waar omdat de Heer Jezus Christus op aarde kwam, geboren werd als een nederig mens, lag in een kribbe, werd gedoopt in de Jordaan, rondging om te genezen en Gods heil te verkondigen, maar werd geminacht en bespot, omdat Hij werd gekruisigd en begraven maar op de derde dag weer opstond uit de doden, omdat Hij terugging naar de Hemel en daar nu zit aan de rechterhand van Gods majesteit in de hoge. En vanuit die hoogte, waar Hij is, komt dan deze heilige Geest. Diezelfde heilige Geest die Maria overschaduwde en Die in Christus was, die Hem de woestijn van de verleiding in dreef, die Hem nabij was in de Hof van Gethsemané, toen Hij in de diepte van Zijn doodsangst ervoor koos om God trouw te blijven en Zijn levenseinde uit de hand van de Vader te ontvangen. Dat is de Geest door Wiens kracht onze Heer zichzelf kon opofferen als het volmaakte offer voor onze zonden en schuld. Die Geest van Christus, die de Heer Jezus verheerlijken wil, die ons bekend wil maken met wie Christus is, die ons aan Hem gelijkvormig wil maken, die Geest, dat is de Geest die van boven kwam en allereerst op de twaalf apostelen neerdaalde.

33

Petrus wist het: die belofte van Gods Geest was niet alleen voor hen. Voor hen was de belofte, maar ook voor allen die toen nog ver waren, “zovelen als de Heere onze God er roepen zal.” Die verren, die nog geroepen zouden worden, dat zijn wij. Geroepen om erbij te zijn. Getuigen van Christus te zijn. Om in ons zelf, en in onze gemeente de Kracht van boven te kunnen ontvangen.

44Er is veel dat waar is van ons leven, zoals we dat in Christus hebben ontvangen, dat voor onze ogen verborgen blijft. Zondag na zondag hebben we er de laatste tijd bij stilgestaan. Hemelingen zijn wij in Gods ogen, geroepen heiligen, geroepen om deelgenoot van Christus te zijn, en nu met Pinksteren: wij zijn de ontvangers van Gods eigen Geest en van Zijn kracht. En toch zien we het wonder van Pinksteren en van onze hemelse roeping niet. Gods Geest ligt in ons te wachten, totdat we Hem opmerken, ons naar Hem toekeren, om kracht en onderwijs te ontvangen. Met een luide stem zal vandaag die roepstem nog eens moeten klinken om ons wakker te schudden. Om het wonder te mogen meemaken: Gods Geest is in ons neergedaald. Hij vervult het Huis waar wij vandaag mogen zitten met Zijn aanwezigheid, zodat het Gods Huis mag zijn. Hij vervult ons leven met Zijn tegenwoordigheid, zodat wij Gods kinderen mogen zijn. Als wij daarvan zeggen: maar hoe kan dat toch? Ik zie daar niets van? Ik merk dat niet in mijn leven? Laten we de fout dan in de eerste plaats bij onszelf zoeken en niet bij Christus die de Trooster heeft gezonden opdat Hijzelf in ons midden aanwezig zou zijn.

Hem zij de heerlijkheid en de kracht en de eer tot in alle eeuwigheid.

AMEN

De drie grote feestdagen van het Christendom…

Drie grote feestdagen kent het christendom. En op die drie grote feestdagen leren wij God kennen als de Vader, de Zoon en de heilige Geest.

God de Vader – Kerstmis

Eerst leren wij dat de God van Israël waarachtig God met ons wil zijn. Hij komt in de Zoon onze mensheid nabij, Hij treedt in de wereld, en toont daar wie Hij is: het licht van de wereld, het leven van de wereld. God toont zich als de Immanuël, God die onze kant kiest, die onze zonde en schuld op zich wil nemen en uit de wereld wil wegdragen in Zijn Zoon. Hij deelt ons leven, zodat Hij in Christus ons van binnenuit kent. Hij representeert de mensheid als geheel, en laat Adam, de oude mens, sterven aan het kruis. Dat alles toont ons God als de Vader, die Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben. Dat alles mogen wij met volle anticipatie ervaren in de kerstnacht, het wonder van de geboorte van Gods Zoon.

God de Zoon – Pasen

Dan komt het feest van Pasen. De Zoon van God wordt in deze wereld verworpen, door Zijn eigen volk net zozeer als door de heidenen. Hij kwam tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. De duisternis heeft het licht niet kunnen ontvangen, en een wereld die in de dood lag heeft het leven niet willen ontvangen. De vernedering, de bespotting, de verwerping leiden tot een moord op de Zoon. Het is Goede Vrijdag. Maar de schijnbare nederlaag van de Zoon in deze wereld, is in werkelijkheid de dag van de bevrijding. Er is een nieuw verbond in het bloed van Jezus Christus, de gehoorzame Knecht, die Zijn leven geeft voor de Zijnen. Zijn overgave aan de dood is de uiterste consequentie van Zijn gehoorzame leven waarin alleen Gods wil de maatstaf was. Hij geeft zijn leven uit liefde voor mensen die aan de dood waren onderworpen en in doodsangst gebonden. Maar Hij opent de gevangenis, brengt het evangelie aan allen die in de dood lagen, en “nedergedaald ter helle” brengt Hij ook nog het evangelie aan hen die reeds in de macht van de dood lagen. In de opstanding rechtvaardigt God de Vader Zijn Zoon en laat heel de wereld zien dat Hij, de onschuldige, de gehoorzame Zoon des Mensen, de dood niet heeft verdiend. God beëindigt het rechtsgeding van Sanhedrin en Pilatus met de rechtvaardiging van de Zoon. Hij Zelf spreekt Hem vrij! En dat is de opstanding van Paasmorgen. Als God de Zoon die het leven in zich draagt, staat Hij op uit de doden; als de gehoorzame Zoon des Mensen wordt hij door de Vader opgewekt. Twee kanten van dezelfde medaille. In heel dit gebeuren van Pasen, zien we zo de weg van God de Zoon in deze wereld. God neemt het voor ons op: God is vóór ons. Hij neemt onze plaats in op het kruis van Golgotha, neemt ons rechtsgeding – waarin wij voor eeuwig de schuld zouden moeten dragen – op zich, en laat Jezus sterven in onze plaats. Zo blijkt in de Zoon van God, in Zijn vernedering én in Zijn verhoging dat God het voor ons opneemt. God is vóór ons.

God de heilige Geest – Pinksteren

En tenslotte hebben we het feest van Pinksteren. Met als opmaat de Hemelvaart. De Zoon des Mensen in Zijn verhoging, krijgt alle macht in de hemel en op aarde. En dan is het Zijn belofte dat Hij de Zijnen altijd nabij zal zijn. In Zijn plaats stuurt Hij de Trooster. Die woont in de gemeente die door Hem wordt gevormd. De Geest brengt mensen bijeen in de nieuwe familie van God. Gods Geest heeft nu een woonplaats, een plek waar God in deze wereld kan rusten. Niet omdat mensen die in de gemeente zijn samengebracht Gods presentie mogelijk maken. Maar omdat God wonen wil te midden van diegenen die hun vertrouwen hebben gesteld in Gods Zoon. Die Hem willen eren en gehoorzamen. Dáár en daar alléén kan God wonen. Maar het is niet de verdienste van die mensen dat God er woont, maar het is in de kracht van de heilige Geest die nu, onzichtbaar voor de wereld, op aarde het verlengstuk is van de zending van de Zoon. Het is een buitengewone genade dat we mogen weten, dat diezelfde heilige Geest ook in elk van ons woont. Hij verheerlijkt Christus in ons, hij verandert ons van dag tot dag om aan het beeld van de Zoon gelijkvormig te worden. Zo leren we tenslotte ontdekken wie de heilige Geest is: God in ons. En het is die Geest die in ons bidt naar behoren, met onuitsprekelijke verzuchtingen, en die ons het Woord van Vader en Zoon indachtig maakt. Zonder de heilige Geest verstaan wij de Bijbel niet als Gods Woord, krijgt het geen plaats in ons hart, is er geen gehoorzaamheid in het dagelijks leven.

God is met ons met Kerstmis, God is voor ons met Pasen, en God is in ons met Pinksteren. Vader, Zoon en heilige Geest. De Drie-enige God zij de eer en de heerlijkheid en de kracht tot in eeuwigheid.