Een goede prediking

In onze traditie wordt een predikant wel eens aangeduid als een “dienaar van het Woord.” Prediking is een vorm van dienstbaarheid en veronderstelt een Heer die daartoe een opdracht heeft gegeven. Een dienaar van het Woord staat er niet om zijn eigen gedachten en invallen op een speelse manier tot uitdrukking te brengen. Hij is ook geen dienaar van de gemeente. Het is niet zijn taak om aan het geloof van de leden van de gemeente uitdrukking te geven. Hun gevoelens, opvattingen, geloofsovertuigingen spelen een rol, maar ze zijn voor de predikant niet de opdracht en de gemeente is dus ook niet de opdrachtgever. Een dienaar van het woord krijgt wel een opdracht van de gemeente mee, maar dat is niet om haar mening te vertolken, haar geloof onder woorden te brengen, maar om het Woord te verkondigen, te proclameren.

De enige manier waarop wij God kunnen kennen, en Zijn wil kunnen ontdekken is door middel van het Woord. De Bijbel is de enige richtsnoer en maatstaf van ons geloof en ons handelen. De Bijbel is niet één van de bronnen waaruit wij moeten putten, maar de énige bron. De Bijbel is niet een voorafgaand getuigenis van mensen waarbij wij kunnen aansluiten of niet, maar het is wat God nú tegen ons zegt. Natuurlijk is er ook een verkeerd gebruik van de Bijbel, het selecteren van teksten die jou bevallen en het negeren van teksten die jou niet bevallen. Natuurlijk is het voorlezen van losse woorden en zinnen met een verhaaltje erbij nog niet een prediking. Het citeren van een bijbeltekst maakt een boodschap nog niet tot een waarachtige verkondiging. Daarom moet een predikant zich steeds herinneren dat hij een dienaar is van het Woord want dat wil zeggen door middel van de Bijbelse tekst is hij een dienaar van het vleesgeworden Woord, en dat is Christus. In de Bijbelse tekst moet de predikant op zoek gaan naar het vleesgeworden Woord. Hij moet Jezus Christus verkondigen precies zoals Deze in de Bijbelse tekst naar ons toekomt en tot ons spreekt.

Ik krijg nogal eens te horen dat mijn prediking een of andere richting zou vertegenwoordigen. En daar zit bijna altijd afkeuring in. Bijvoorbeeld wanneer sommige mensen zeggen dat de prediking te evangelisch zou zijn. Wat betekent dat? De prediking is conform het evangelie of niet. In het eerste geval voldoet de predikant aan zijn opdracht. In het tweede geval voldoet de predikant daar niet aan. Evangelische prediking is nu precies prediking waarin het vleesgeworden Woord wordt verkondigd zoals dat in de Bijbelse tekst, het geschreven Woord, naar ons toekomt. Het woord “evangelisch” kan dus alleen maar positieve betekenis hebben. Toch wordt het negatief en afkeurend gebruikt. Waarom? De enige reden kan zijn dat mensen die in de prediking met de inhoud van de Bijbelse tekst worden geconfronteerd, dat niet erg prettig vinden. Zij hebben liever een andere boodschap dan wat er in de Bijbel staat. Daarin wordt duidelijk dat ze een houding van ongeloof en verzet aannemen tegenover het geschreven Woord. Maar in plaats van te zeggen dat ze de Bijbelse boodschap afwijzen, zeggen ze liever dat ze de predikant afwijzen die de Bijbel op een verkeerde manier uitlegt.

In mijn prediking ga ik uit van het gezag van het Woord van God tegenover al onze menselijke meningen, al onze menselijke ervaringen, al onze menselijke vooroordelen en al onze menselijke verlangens. In de Bijbelse tekst horen wij – als we willen horen, als we met nederigheid dat woord benaderen, als we Gods stem ook zoeken – het Woord van God. De Bijbel is niet de echoput waaruit wij vele malen versterkt en herhaald kunnen horen wat we er zelf in geroepen hebben. Natuurlijk moet de Bijbelse tekst ook worden uitgelegd en toegepast. De woorden van toen moeten betekenis krijgen in de tijd van nu. Wat de hoorders en lezers van dat woord toen hebben gehoord, moet opnieuw tot klinken worden gebracht voor hoorders en lezers van nu. Dat is een enorme afstand in de tijd en die moet worden overbrugd. Maar het moet ook in onze tijd nog steeds herkenbaar dezelfde boodschap zijn. Het is volstrekt ontoelaatbaar en een diepe kerkelijke vergissing, wanneer wij die boodschap gaan aanpassen aan onze moderne inzichten. Hoe politiek correct die ook mogen lijken.

Dat moeten wij ook leren uit de geschiedenis. De Bijbelse tekst werd in de jaren 30 van de vorige eeuw aangepast aan de nieuwe Duitse realiteit. Een Germaans evangelie werd gepredikt. De haat tegenover joden en andere minderheden werd vanuit de Bijbelse tekst aangewakkerd. Wanneer de Bijbelse boodschap mag worden aangepast aan de inzichten en ervaringen van het heden, dan zouden wij daar eigenlijk geen bezwaar tegen kunnen hebben. Maar als het toen een verdraaiing van de Bijbelse boodschap is geweest, dan moeten wij daar evenzeer voor waken in het heden. Onze politieke correctheid, onze persoonlijke gekoesterde vooroordelen en gemeenschappelijke meningen doen er uiteindelijk niet toe. De boodschap van de apostelen en profeten van de Bijbel moet in de taal van nu opnieuw tot klinken worden gebracht. We moeten het opnieuw horen, opdat wij ook gehoorzaam kunnen zijn.

Dat woordje “horen” is niet onbelangrijk. Het lezen van een tekst wekt de indruk dat je er boven staat. Jij bepaalt wat je overslaat, jij bepaalt wat je lezen wilt, jij bepaalt of je en wanneer je ermee ophoudt te lezen. Jij bepaalt of je ergens bij stil staat en het woord tot je laat doordringen. Lezen geeft macht. Maar horen betekent dat je “onder” het gehoor staat, dat je je laat gezeggen, dat je je laat toespreken. Het Woord van God komt letterlijk van bóven. We willen het Woord horen, omdat we eraan gehoorzaam willen zijn, omdat het een woord is dat met gezag tot ons komt. Gods woord!

Mensen in onze tijd verwerpen heel vaak het gezag van de Bijbel. Iedere ketter heeft zijn letter, zeggen ze. Dat betekent dat je met de Bijbelse tekst kunt doen wat je wilt om je eigen boodschap erin terug te kunnen vinden. Als dat waar is, dan is alleen onze persoonlijke mening nog een houvast. Maar iedereen weet hoe verdeeld we zijn in die meningen, hoe verschillend onze ervaringen zijn. Dan draait het inderdaad alleen nog maar om onze persoonlijke geloof en onze eigen inzichten. Ik denk dat we dan zo snel mogelijk de kerk zullen moeten sluiten. Wat een bedrog zit daarin! Maar de woorden van de Bijbel verdragen ook geen eigenmachtige, door persoonlijke voorkeur bepaalde uitleg. Zo zegt Petrus dat: “Dit moet u allereerst weten, dat geen enkele profetie van de Schrift een eigenmachtige uitleg toelaat.” (2 Pe. 1:20) In de opleiding tot predikant leer je zorgvuldig omgaan met de Bijbelse tekst. Die lees je in de oorspronkelijke talen, Hebreeuws en Grieks. Je leest de commentaren van deskundigen. En heel zorgvuldig bouw je een preek op, die recht doet aan de tekst, aan de schrijver, aan het vleesgeworden Woord dat door apostelen en profeten heen gesproken heeft.

Hoe weet je als predikant dat je recht hebt gedaan aan de tekst? Als de uitleg van die tekst jou pijn doet. Als je onder het oordeel van God komt te staan. Als je een troost hebt ontdekt die je niet aan jezelf kunt geven. Als de prediking vanuit het Woord inderdaad loodrecht van boven lijkt te komen, dan heb je een indicatie dat je het Woord goed heb uitgelegd. Dat het Woord zelf tot spreken is gebracht. De schrijver van de brief aan de Hebreeën zegt dat op deze manier: “Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard, en het dringt door tot op de scheiding van ziel en geest, van gewrichten en merg, en het oordeelt de overleggingen en gedachten van het hart.”

Dat levende woord moet niet tot een dode letter worden gemaakt, tot losse spreuken waarmee wij – lui als wij zijn – ons hele geloof willen samenvatten. God is liefde! Je moet je naaste liefhebben! Zorg voor elkander! Dan maak je van de Bijbel een scheurkalender. Dan zijn het dode letters die je vult met je eigen persoonlijke meningen et cetera. De kracht van de Bijbelse tekst ervaar je alleen maar als je van Genesis tot en met Openbaring het geheel van het Woord tot je laat doordringen. Als je teksten met elkaar vergelijkt om op die manier in de diepte van het Woord door te dringen. Als je nauwkeurig de gedachtegang volgt in elke passage die je leest. En als je je steeds afvraagt wat God met dit woord vandaag, terwijl je het hoort, tot je zeggen wilt.

Sommige mensen zijn ook aarzelend tegenover de Bijbel, omdat ze menen dat de moderne wetenschap ermee heeft afgerekend. Welnu, het is waar dat de Bijbelse openbaring geen alternatief is voor wetenschap. Wie wil weten hoe de wereld is ontstaan, hoe het leven zich heeft ontwikkeld, hoe elektronen en atomen werken, kan niet de Bijbel raadplegen. Maar dat wil nog niet zeggen dat de Bijbel in strijd is met die wetenschap. We weten dat alles wat bestaat in vijf categorieën kan worden ingedeeld. Dit zijn ze: tijd, kracht, actie, ruimte en materie. Natuurlijk wordt dat niet door de Bijbel onderwezen, want het is geen boek met als doel om ons natuurwetenschap te leren. Maar dat betekent niet dat het ermee in strijd moet zijn. Kijk maar naar Genesis 1:1. Het eerste hoofdstuk van Genesis zegt ons niets over het ontstaan van de wereld los van de mens en Gods bedoelingen met de mensheid. Daarom gaat het ook niet over elektronen, maar wel over zaadzaaiende gewassen. Maar is het in strijd met de wetenschap? Genesis 1:1 vertelt ons: “in den beginne” – dat is tijd – “schiep” – dat is actie – “God” – dat is kracht – “de hemel” – dat is ruimte – “en de aarde” – en dat is materie. Ik wil daarmee niet zeggen dat de Bijbel ons natuurkunde leert. Maar wel dat de natuurkunde niet in strijd is met de Bijbelse tekst. Die is geschreven in een ander genre, vertelt over de wereld in een andere vorm, en bovenal: de tekst van Genesis is bedoeld om in alle tijden eenvoudig te kunnen worden verstaan.

Het Woord van God is levend en krachtig. En dat moet dan ook blijken aan de prediking. Je moet als predikant met het woord omgaan alsof het nu en hier tot je spreekt en zo moet je het ook doorgeven. Je moet de kracht van het Woord laten zien. Niet een tekst citeren om die vervolgens te begraven onder je eigen gebabbel. Maar het Woord van God is ook nog eens scherp. Het is scherper dan welk zwaard dan ook, in welke richting het ook beweegt – daarom heet het “scherper dan enig tweesnijdend zwaard”. Dat tweesnijdend zwaard is een machaira, en dat is eigenlijk een grote dolk, waarmee je aanvalt met de punt naar voren.

Het Woord van God is scherp. Het oordeelt de overleggingen en gedachten van het hart. Ons innerlijke leven ligt naakt voor de ogen van God aan Wie wij rekenschap moeten afleggen. We kunnen elkaar bedriegen. We zien er altijd wel mooier uit dan we zijn. En we weten wel dat God ons kent, zoals wij onszelf niet kennen. In de prediking van het Woord zullen we dus regelmatig een oordeel tegenkomen over onze innerlijke overleggingen en gedachten. Zeker zal dat ons een onaangenaam gevoel geven. Maar wanneer is dat het geval? In het tweede vers van hoofdstuk 4 van Hebreeën, lezen we het volgende: “Maar het gepredikte woord bracht hen geen voordeel, omdat het niet met geloof gepaard ging bij hen die het hoorden.” De sleutel is of we het Woord met geloof aannemen, of met een onwillige weerstand tegenover het Woord. Wat is het nut om in de prediking het Woord te horen, wanneer dat woord een oordeel over onze gedachten en overleggingen inhoudt? Is het niet dit, dat Gods Woord ons met dat oordeel niet wil veroordelen, maar wil reinigen? Het wil ons niet vast laten zitten in onze eigen duisternis. Daarom zegt Petrus dat wij het profetische woord hebben dat vast en zeker is, en dat we er goed aan doen daarop acht te slaan als op een lamp die schijnt in een duistere plaats. Dat is ons leven: duisternis. (1 Pe. 1:19) En dan is er het woord van God, het licht dat schijnt in die duisternis.

Uiteindelijk lijkt heel ons leven op gras. Alles waar wij ons in beroemen en trots op zijn, de “heerlijkheid van de mens”, is als een bloem in het gras. Uiteindelijk zal voor ons allemaal gelden, dat “het gras is verdord en zijn bloem is afgevallen.” Maar voor ons als gelovigen gelden dan twee dingen. In de eerste plaats dat wij “opnieuw geboren” zijn. Het levende en eeuwig blijvende Woord van God is de bron van ons nieuwe leven. Zo zegt Petrus dat: “U, die opnieuw geboren bent, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God.” Maar in de tweede plaats dat wij het Woord hebben, de Bijbel, en daarvan zegt Petrus: “Maar het Woord van de Heere blijft tot in eeuwigheid.” En waar is dat Woord dan? Op welke manier lezen en horen wij dat Woord dan? Dan komt de rol van de predikant nog eens scherp naar voren. Want zo eindigt Petrus het 25e vers van het eerste hoofdstuk van zijn eerste brief: “En dit is het Woord dat onder u verkondigd is.”

De predikant is een dienaar van het Woord. Wanneer hij het verkondigt zoals hij het ook in de Bijbelse tekst aantreft, strooit hij zaad uit, waardoor mensen opnieuw geboren worden. Laat hij het levende en krachtige en scherpe Woord van God zelf tot spreken komen. En dan zal er ook een oordeel zijn van de overleggingen en gedachten van het hart. Want het Woord heeft gezag boven onze meningen en ervaringen. De predikant, ten slotte, moet daarover ook rekenschap afleggen. Om die reden zegt de brief aan de Hebreeën: “Denk aan uw voorgangers, die het Woord van God tot u gesproken hebben. Let op de uitkomst” – het doel, niet hun gedrag – “van hun levenswandel, en volg hun geloof na.” ( Hebr. 13:7) Wat het geloof betreft gaat het nog verder: “gehoorzaam uw voorgangers en wees hun onderdanig, want zij waken over uw zielen” – en waarom doen ze dat dan? Waarom bemoeien ze zich met het geloof van de leden van de gemeente? Niet omdat zij zichzelf zo hoog achten, maar omdat – “zij rekenschap moeten afleggen.” Het is de primaire taak die hen als “herder” is toevertrouwd. Een taak die voortvloeit uit hun opdracht het Woord te verkondigen – gelegen of ongelegen zoals Paulus tregen Timotheus zegt. “Predik het Woord!” (2 Tim.  4:2)

Nog een laatste gedachte. Het doel van deze “gehoorzaamheid”, wat trouwens niet onderworpenheid betekent, maar de houding van eerbiedig luisteren inhoudt, het doel daarvan is dat de predikanten dit “waken over de zielen”, mogen doen met vreugde en niet zuchtend. Een predikant die met vreugde en vrijelijk het evangelie mag verkondigen, die leiding mag geven bij de opdracht van de gemeente om een lerende gemeente te zijn, die mensen mag aanspreken op hun geloof, dat is de gemeente van nut. Maar een predikant die “al zuchtend” zijn werk moet doen, vanwege een voortdurende tegenspraak tegen de verkondiging, kritiek op alles wat hij doet en zegt, daarvan zegt de schrijver: “Dat heeft immers voor u geen nut.”

Laten we hopen dat het voor onze gemeenten geldt dat de mensen hun gehoor niet van de waarheid hebben afgekeerd en zich gekeerd hebben tot verzinsels. (2 Tim. 4:4)

Praat mét je predikant – niet óver hem.

Frustratie of woede in welke vorm dan ook en in welke gradatie dan ook, over welke zaak dan ook, is nooit een goede reden om je predikant de rug toe te keren. Je kunt kwaad zijn op de man, maar laat de zon dan niet ondergaan tijdens je woede.

Het evangelie leert ons dat we elkaar moeten vergeven voor al onze overtredingen, zelfs wanneer deze steeds weer opnieuw gedaan worden. Hoe kunnen wij anders verwachten dat God ons vergeven zal. En nu komt het merkwaardige. Predikanten, ouderlingen, diakenen, de leiding van de kindernevendienst worden allemaal inbegrepen in deze opdracht om te vergeven. Ook zij hebben vergeving nodig. Misschien wel in het bijzonder de predikant.

Elke predikant zal soms iets doen waar je overstuur van raakt, of boos of geïrriteerd en dat zal zeker gelden voor de predikant die nu in je gemeente staat. En als de predikant jou toevallig niet irriteert kun je er ook nog op rekenen dat hij fouten maakt tegenover God. En zeker als een predikant het woord van God verkondigt, kun je er zeker van zijn dat sommige mensen in de gemeente daar overstuur van raken. Dus, wat moet je dan doen als je predikant jou ergert of teleurstelt? Het is heel simpel. Dan moet je hem vergeven. Zonder voorwaarden, zonder bijgedachten. Dat is simpelweg de opdracht.

En als je hem dan waarachtig hebt vergeven en toch denk dat hij op een bepaalde manier zijn fouten blijft herhalen, dan moet je voor hem bidden. Predikanten hebben meer gebed nodig dan gemiddelde christenen, omdat ze ook vaker worden aangevallen en een grotere verantwoordelijkheid hebben dan de gemiddelde christen. En als wij niet de tijd nemen om te bidden voor onze predikanten, dan is het onze eigen schuld als zij in fouten vervallen.

Je hebt je predikant vergeven en je bidt voor hem. Is het dan klaar? Als je denkt dat het nodig is om hem te confronteren met jouw kritiek, dan moet je dat doen. Predikanten weten dat ze niet volmaakt zijn. Praat dan met hem. Mét hem! Niet over hem met iemand anders, maar met hém. Zodra je met iemand anders over hem praat is het per definitie geroddel. En als je het nog niet wist, dat is door God verboden. Niet doen! Praat met je predikant, in een geest van broederlijke liefde. Zo bouw je de gemeente op, zo toon je je een waarachtige broeder of zuster, of je nu gewoon lid bent van de gemeente of een ouderling. Hoewel vooral ouderlingen de opdracht hebben om op deze wijze met hun predikanten om te gaan. Anders maak je het voor de predikant onmogelijk om zijn gave in de gemeente uit te oefenen. Als het dan misgaat heb je het uiteindelijk aan jezelf te wijten.

De enige waarachtige opdracht van een predikant

In onze kerk heet een predikant een “dienaar des Woords.” Zijn belangrijkste taak is de herderlijke omgang met “de kudde die hun  – predikant en ouderlingen – wordt toevertrouwd.” Maar meteen daarna wordt duidelijk dat deze herderlijke taak in de allereerste plaats met het Woord van God te maken heeft. Hoe moeten de predikanten dan herderlijk omgaan met de kudde? Zo staat het in mijn opdracht: “Zij zullen Gods Woord verkondigen, de vergeving der zonden aanzeggen, en zorg dragen voor de verbreiding van het evangelie.” De troost voor de zieken en het bijstaan van de stervenden, kortom de liefdevolle begeleiding van de gemeente, dat is een taak die de predikanten sámen met de ouderlingen vervullen, en het is eigenlijk een opdracht aan de hele gemeente. Alleen de prediking van het woord – en als consequentie daarvan de bediening van de doop en het geven van geloofsonderricht en het voorgaan bij de viering van het Avondmaal – is uitsluitend aan hen toevertrouwd.

Waarom is de opdracht van de verkondiging van Gods Woord zo belangrijk? Velen in onze tijd zijn van mening, dat iedereen wel in staat is om een preek te houden, te dopen, of om enige vorm van religieus onderwijs te geven. Velen zijn van mening dat in het leven van de gemeente de pastorale zorg eigenlijk het enige belangrijke is. Zeker in gemeenten waar de kerkverlating van jongeren en de vergrijzing hard heeft toegeslagen. De orde voor de bevestiging van een dienaar des Woords ziet dat duidelijk anders. Daaruit heb ik hierboven geciteerd. Maar ook de Bijbel ziet dat heel anders. Daarom wil ik vandaag spreken over een aantal relevante teksten uit de tweede brief van Paulus aan Timotheüs.

De kern van alles, de opdracht van Paulus aan Timotheüs als predikant, staat in het vierde hoofdstuk, het tweede vers: “predik het Woord.” Dat betekent in de allereerste plaats dat het in de prediking zal moeten gaan om Jezus Christus, die het vleesgeworden Woord is. Zo schrijft Paulus in 2 Korinthe 4:5, “Want wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus als Heere.” De prediking moet dus niet over God in het algemeen gaan. De prediking is geconcentreerd op dat ene, fundamentele gegeven. Dat Jezus van Nazareth de door God gegeven koning is, de Christus, en dat Hij God Zelf is, onze Heere. En dat sluit alles in wie Christus is: de eniggeboren Zoon van de Vader, het Lam van God, dat de zonden van de wereld draagt. En het sluit alles in wat Christus gedaan heeft: Hij is geboren uit de maagd Maria, Hij heeft geleden onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, neergedaald in de hel, en op de derde dag opgestaan uit de doden. Zo heeft Hij onze zonden weg gedragen. En door die opstanding is Hij verklaard Gods Zoon te zijn in kracht, is het duidelijk bewezen, dat Hij de Zoon van God is.

Maar in de tweede plaats, is het Woord van God ook hetzelfde als de geschriften van apostelen en profeten. “Heel de Schrift is door God ingegeven” zegt Paulus in 2 Tim. 3:16. “Predik het Woord” betekent dus dat de predikant het geschreven Woord van God moet uitleggen, op zo’n manier dat het vleesgeworden Woord in heel Zijn heerlijkheid, in heel Zijn waarheid duidelijk naar voren komt. Dat is zijn allereerste taak. Maar de uitvoering van die taak wordt bemoeilijkt door de omstandigheden waarin de toehoorders verkeren. Dat was zo in de tijd van Timotheüs, en het is zo in onze tijd. Juist vanwege de moeilijke omstandigheden van de tijd, geeft Paulus in deze brief een aantal aanwijzingen en adviezen die ook voor een predikant in onze tijd van groot gewicht zijn. Het is zeker waar dat een predikant moet begrijpen en welke omstandigheden de gemeente leeft, hoe zij denkt, hoe zij in de wereld staat. Niet met het doel om de prediking van het evangelie daaraan aan te passen, maar juist om de waarheid van het evangelie helder te laten schijnen over de misverstanden, leugens en onwaarheden van de cultuur waarin wij leven.

Dat is voor een predikant soms moeizaam. Paulus zegt dan ook tegen Timotheüs, dat hij in de prediking van het Woord moet volharden. Ondanks de tegenstand die er zijn kan, ondanks de tegenspraak tegen de prediking, ondanks het gebrek aan succes moet hij daarin volharden. Wanneer moet er gepredikt worden? Het antwoord van Paulus is: “gelegen of ongelegen.” Dat is, wanneer de tijd er gunstig voor is of wanneer de tijd er ongunstig voor is. In goede tijden en slechte tijden moet er worden gepredikt, moet de predikant volharden. Maar er is geen andere tijd dan een goede of slechte tijd. In feite zegt de apostel tegen Timotheüs, dat hij altijd moet volharden in de prediking van het woord. En hoe die prediking zal worden ervaren – en daar moet je dan als predikant niet voor terugschrikken – staat er ook meteen achter. De prediking van het Woord is ook een weerlegging. Het is het tegenspreken van de onwaarheid die onze cultuur doortrekt, maar ook gekoesterd kan zijn in de gemeente. Weerleggen! Niet in de vorm van een twistgesprek, hoewel een strijd met argumenten er soms ook bij hoort, maar vooral door wat Paulus noemde het “openbaarmaken van de waarheid.” (2 Kor. 4:2). Maar dat gaat niet altijd zonder strijd. In hoofdstuk 10 van de tweede brief aan Korinthe gebruikt Paulus dan ook de taal van de strijd. Het vijfde vers: “wij breken valse redeneringen af”, “wij nemen elke gedachte gevangen”, en vers zes: “we staan gereed om elke ongehoorzaamheid te bestraffen.” Afbreken – zoals je doet met een vijandelijk bolwerk, gevangen nemen – zoals je doet met een verslagen vijand, en bestraffen – zoals je doet met een soldaat in je eigen leger die ongehoorzaam is.

De prediking van het woord is dus een weerlegging van de valsheid in onze cultuur, en als het gaat om de ongehoorzaamheid van christenen tegenover Gods Woord, is het ook een bestraffing. Bestraffende woorden moeten soms worden gesproken, niet omdat de predikant zijn eigen autoriteit inzet, om anderen te beleren hoe zij moeten leven, niet omdat hij zichzelf tot inhoud van de prediking maakt, want “wij prediken niet onszelf.” (2 Kor. 4:5) Maar wel omdat het zijn taak is om het licht van Gods woord te laten schijnen over iedereen – ook over zichzelf – zodat wij gezamenlijk zouden volharden in de gehoorzaamheid aan Christus. Weerlegging en bestraffing zijn dus de negatieve kant van de prediking van het Woord. Maar dan zegt Paulus dat Timotheüs ook moet vermanen, en dat wil zeggen de gemeente moet herinneren aan de waarheid. En dat moet gepaard gaan met alle geduld en onderricht. Met alle geduld – omdat mensen die willen leren daar tijd voor nodig hebben. En onderricht – de vermaning aan de waarheid van het evangelie is een vorm van onderwijs, waarin mensen de gelegenheid moeten krijgen om te groeien in kennis en inzicht.

Dat is dus de kerntaak van de predikant, eigenlijk zijn enige taak. Maar sinds de jaren 80 van de vorige eeuw, is het ambt van de predikant op een andere wijze gedefinieerd. Dat kwam niet uit een dieper inzicht in de bijbel voort, maar het was een buiging voor een verandering in de cultuur. De tijd waarin wij leven is een tijd van het relativisme. Jij hebt jouw waarheid, en ik heb mijn waarheid, en laten we maar niet spreken over wat ons scheidt. Het gebod van de tijd is dat iedereen zijn eigen mening moet en kan hebben, omdat de waarheid toch niet kan worden gekend. Het is ook de tijd van het pragmatisme, waarin we vooral iets willen dóen in plaats van de waarheid ook te kennen. Zolang we bezig zijn met elkaar, hoeven we niet de moeilijke opdracht op ons te nemen om de waarheid ook te begrijpen. En het is de tijd van het subjectivisme. De tijd waarin vooral de psychologie dicteert hoe we naar onszelf en onze medemensen kijken. Het gaat over de gevoelens van welzijn, het gevoel erkend te zijn, het gevoel dat het leven zinvol is. En vanwege het relativisme mocht de predikant niet langer de waarheid van de bijbel rechtstreeks prediken, maar moest het vager, moest hij rekening gaan houden met andere opvattingen, werd de duidelijke waarheid van de bijbel afgewezen als een persoonlijke aanval op mensen met afwijkende meningen. Niet de bijbel, maar de predikant werd daarvoor verantwoordelijk gesteld. En vanwege het pragmatisme moest de predikant vooral meedoen met het team, een van de managers van de gemeente worden, organisator van vrolijke bijeenkomsten. En vanwege het subjectivisme werd de predikant een amateurtherapeut, die mensen moest laten praten over hun gevoelens in de vorm van een gesprek waarin de bijbel de buikspreekpop van de therapeut werd. Komt er zo nog iets terecht van de opdracht van de predikant, een dienaar des Woords te zijn? Of werd hij een dienaar van de gemeente en een buikspreekpop van de heersende cultuur met al haar vooroordelen, modes en veranderende inzichten die ons met alle winden laten meegaan?

In onze tijd zijn er mensen die, net als toen, tégen de waarheid ingaan. Zij loochenen de belijdenis van de kerk, wijzen de Bijbel af als enige richtsnoer van geloof en leven. Er zijn mensen die de Bijbel niet rechtstreeks afwijzen, maar wel negeren omdat ze eigenlijk meer zichzelf dan God liefhebben. Het zijn kwaadsprekers die de lessen van vorige generaties negeren en alleen maar een schijn hebben van godsvrucht. Ze willen gewoon hun eigen gang gaan. Wat de Bijbel leert over naastenliefde, vergeving, eredienst, het is voor hen onbelangrijk. Ze zijn niet te “bestraffen” omdat zij geen enkele vermaning aanvaarden. Paulus zegt dan tegen Timotheüs: “Keer u ook van hen af.” In onze tijd zijn er mensen die de “gezonde leer” niet langer verdragen. Niet dat ze het er niet mee eens zijn, maar het idee dat het evangelie ook kan worden uitgedrukt in een “leer”, in een waarheid die je kunt formuleren, zoals in de Heidelberger Catechismus gebeurt, is hen vreemd. Ze wijzen alle “theologie” af, en noemen alles wat uit de Bijbel geleerd kan worden “theologie.” En ze kunnen zich in onze tijd altijd wel beroepen op iemand die het óók zo gezegd heeft, die óók zo denkt zoals zij. Krijg je het idee dat Christus nooit geleefd heeft? Er is een dominee die het ook zegt. Wil je niet langer aanvaarden dat Christus voor jouw zonden is gestorven? Er is een leraar uit Kampen die net een boek heeft gepubliceerd over verzoening en het niet meer gelooft. Je kunt tegenwoordig “voor jezelf leraars verzamelen overeenkomstig je eigen begeerten.” Je kunt je eigen theologie bij elkaar googelen. Niet omdat je van hen de waarheid hebt gehoord, niet omdat je kritisch hebt nagedacht en tot een conclusie bent gekomen, niet omdat zij de Bijbel beter uitleggen maar omdat het zó in je hoofd opkwam en iemand anders het óók al zei.

De kern van deze strijd is de strijd om de waarheid van de Schrift zelf. Timotheüs – en ik denk dus dat dit woord ook gericht is aan elke predikant, zelfs tot elke gelovige – krijgt van Paulus een duidelijke opdracht. Predik het Woord! Blijf bij wat je geleerd hebt! Het gaat er niet om steeds “modern” te zijn, om je aan te passen aan de tijd, om steeds nieuwe en nieuwere inzichten over te nemen en te verdedigen. “Blijft u echter bij wat u geleerd hebt en waarvan u verzekerd bent, omdat u weet van wie u het geleerd hebt.” Van wie heb ik waarachtig onderwijs in de Schrift gekregen? Ik heb vele docenten gehad. De kritische studie van het Nieuwe Testament en het Grieks waarin dat is geschreven waren nuttig voor me. Het Bijbels Hebreeuws was een studie die zeer de moeite waard was. Maar dat zijn hulpwetenschappen. Van wie heb ik nu de eerbied voor Gods Woord geleerd? Was dat niet van een man in een Bijbelkiosk in Amsterdam, vanwege de eerbied die hij had voor Gods Woord? Voor het vanzelfsprekende gezag dat het Woord voor hem had? Is dat bij mij niet eerder gevormd door de Vergadering, door de volstrekte gehoorzaamheid aan Gods Woord die hen allen kenmerkte? Zo heb ik “van jongs af” de heilige Schriften leren kennen “die mij wijs konden maken tot zaligheid.” Zonder het geloof in Christus blijft de Bijbel een dood boek. Die “broeders” in de Vergadering wilde ik – net zoals Paulus dat aan Timotheüs vraagt – navolgen. In hun onderwijs, levenswandel, levensopvatting, geloof, geduld, liefde en volharding.” (2 Tim. 3:10) Ik wist van wie ik het leerde. De rationele benadering van de Schrift hielp, als toevoeging aan wat ik al wist en ervaren had. Maar de kern was dat de Schrift niet het dode boek was, dat op de snijtafel van de theologie moest worden gelegd, maar de levende stem van God, die onderwijst, weerlegt, verbetert en opvoedt in rechtvaardigheid. (2 Tim. 3:16) Gods Woord moet worden gepredikt om Gods levende stem te kunnen horen en verstaan. Dat is het voorrecht van de predikant: Gods stem hoorbaar te maken, omdat hij die stem eerst gehoord heeft door zich te buigen voor het gezag van Gods Woord.

Er is geen andere taak dan deze. Ook het pastoraat is in de eerste plaats de vertolking van Gods Woord in de bijzondere omstandigheden waarin een gelovige verkeert. Maar mensen in onze tijd, vol van hun eigen gevoelens, vol van hun eigen tragiek soms, vol van het pragmatisme waarin ze alleen nog maar willen handelen en niet leren, vol van het relativisme waarin ze geen enkele waarheid meer kunnen erkennen, “keren hun gehoor af van de waarheid en keren zich tot verzinsels.” (2 Tim. 4:4) En de predikant? Hij moet een dienaar des Woords blijven. Want dit is zijn opdracht:

Predik het Woord, volhard daarin, gelegen of ongelegen. Weerleg, bestraf, vermaan en dat met alle geduld en onderricht. Wees nuchter in alles. (4:2) Lijd verdrukkingen. Doe het werk van een evangelist ten volle. Vervul uw dienstwerk ten volle. (4:5) En weet, dat in de laatste dagen, zware tijden zullen aanbreken. (3:1)

De contextuele preek (Over preken… deel 5)

Het idee achter dit type preek is, dat we niet alleen bezig zijn met de context van de tekst. Dat was wel een van de voorwaarden van een goede exegese. Elke predikant leest natuurlijk ook de teksten met zijn eigen bril. Eigen ervaringen en verwachtingen en verlangens spelen een rol bij het interpreteren van teksten. Maar het verhaal van toen wordt hier en nu verteld. Het milieu en de sociale en culturele omstandigheden van de toehoorders, zijn de context waarin dat verhaal tot spreken wordt gebracht. Het maakt verschil of je een preek hoort in onze moderne en vrije welvaartsstaat, of in een vervolgde, ondergrondse gemeente in China.

Dat houdt in dat we naar twee kanten toe kritisch moeten zijn. De eigen maatschappelijke vooroordelen mogen niet zomaar als uitgangspunt worden genomen bij het lezen van de tekst. De boodschap van de Bijbel mag niet worden aangepast aan het culturele milieu van de toehoorder.

Wat wel moet gebeuren is het aantonen van de relevantie van het Bijbelse verhaal, als kritische boodschap tegenover onze vanzelfsprekendheden. Een Bijbelse prediking geeft een boodschap van bevrijding en verlossing die voor iedereen, ongeacht de eigen context, relevant is.

Naar mijn gevoel moeten we vooral de kritische element – de Bijbelse boodschap staat boven ons – benadrukken. Wij hebben belang bij het kritisch doorlichten van onze eigen vanzelfsprekende omstandigheden. De Bijbel is het woord van de Ander bij uitstek. Hier mag men niet – en dat deed mijn gewaardeerde docent destijds wel – te makkelijk spreken over de menswording van God. Omdat God in Jezus ons bestaan gedeeld heeft, heeft hij ook onze verschillende culturen geheiligd. Zodat naast de Griekse en Romeinse en joodse cultuur ook de Germaanse en andere culturen, dat wil zeggen hun talen, gewoonten, en religieuze symbolen en kunstvormen, nu allemaal geëigend zijn om het evangelie tot uitdrukking te brengen. Voor mij is dat onaanvaardbaar.

Onze cultuur wordt opgeroepen tot bekering – iets wat mijn docent natuurlijk ook wel zag – en bovendien wordt zij radicaal onder het oordeel geplaatst – en dat zag hij niet zo helder. De contekstuele preek is dus een middel om de eigen vanzelfsprekend geworden cultuur onder kritiek te plaatsen. Onze vanzelfsprekende "Nederlandse" ervaringen, overtuigingen, zeden en gewoonten, ook al zijn die nog zozeer door de jongste kerkgeschiedenis mede bepaald, toch zijn die niet geheiligd. Integendeel! Onder veel van onze opvattingen en vanzelfsprekendheden zitten inhumane en anti-Messiaanse motieven.

Het hoort dus bij de contextuele preek om datgene ook aan het licht te brengen, wat voor ons allen verborgen is, juist omdat we het zo vanzelfsprekend vinden. Er is een geest van de tijd werkzaam, die we met de Heilige Geest moeten uitdrijven.

Verschillende typen preken (Over preken… deel 4)

Onze moderne tijd is een beeldcultuur. Je zou daaruit de conclusie moeten trekken, dat je daar ook in de preek er rekening mee moet houden.

Hoe hebben wij over het algemeen met taal te maken? Ga maar na. Het is altijd een snelle en compacte communicatie. Het gaat om krantenkoppen, headlines en soundbites. Alles moet gezegd worden in korte, pakkende, heldere beeldtaal. De boodschap lijkt minder belangrijk dan de verpakking. Het gaat dus steeds minder om de inhoud van de preek maar steeds meer om de presentatie. Mag dat?

Sommigen, zoals mijn gewaardeerde docent homiletiek destijds, zullen zeggen dat het zelfs moet. De prediker moet nu eenmaal rekening houden met de kenmerken en het karakter van zijn publiek. Maar hoe kan het dan, dat preken in de Christelijk Gereformeerde traditie nog steeds drie kwartier duren? Hoe kan het dan, dat zelfs in moderne gemeenten van de Baptisten, een preek meestal 50 minuten duurt? Is het dan alleen maar het publiek, de toehoorder in ons type kerk, dat last heeft van dit concentratieverlies?

Hier zou je een beschouwing kunnen inlassen over het verschil tussen de toehoorders in het ene type kerk en het andere type kerk. Dat zal ik niet wagen. Vandaar dat ik nog alleen maar wil zeggen, dat het idee dat wij ons niet langer dan 15 à 20 minuten kunnen concentreren, mij eerder een vooroordeel lijkt te zijn.

Maar nu eerst even iets anders. Laten we dan maar eens kijken naar de presentatie. Dan moeten we – zo werd mij geleerd – eerst eens gaan kijken naar de bedoeling van de preek, de intentie. Wat beoog je met de preek?

Er zijn verschillende mogelijkheden, en die hangen af van de omstandigheden en van het karakter van de toehoorders. Een preek kan willen informeren, onderwijzen, tot bekering oproepen, vermanen, bemoedigen, troosten, of hoop en vertrouwen geven. De predikant treedt daardoor op in steeds andere rollen. Hij is leraar, mede-leerling, pastor, priester, profeet, pleitbezorger, therapeut, entertainer. Geen enkele predikant kan dat allemaal zijn en zeker niet met dezelfde deskundigheid. Achter al deze mogelijkheden zit intussen wel één enkele motivatie. In ieder geval moet de prediker tot doel hebben de oorspronkelijke betekenis en de relevantie van de Bijbelse tekst aan het licht te brengen. Dat is de achtergrond van de keuze tussen de verschillende mogelijkheden van presentatie.

Ik leerde dat er vier fundamentele typen preken zijn die dan ook op vier verschillende vormen van presentatie gebaseerd zijn. Zelf heb ik altijd gedacht dat er nog een vijfde en zesde te onderscheiden zijn. Ik zal ze nu noemen, en in een volgende blog zal ik proberen de waarde en de grenzen van elk van deze vormen van de preek aan de orde te stellen.

Dit zijn ze:

  1. De contekstuele preek
  2. De profetische preek
  3. De politieke preek
  4. De narratieve preek
  5. De pastorale preek
  6. De ethische preek

Over deze typen van preken later nog meer.

 

De lengte van een preek… (Over preken… deel 3)

Een van de grootste moeilijkheden bij het preken is de lengte van de preek. Wij leven in een cultuur waarin het kijken en het beeld dominant zijn geworden. Het woord is minder belangrijk geworden. Je zou je kunnen afvragen of in een beeldcultuur de preek nog machten is om haar doel te bereiken. En het doel van de preek is toch onderwijs en bemoediging. Onderwijs en bemoediging zijn toch eigenlijk alleen maar over te dragen met behulp van taal.

Het is een algemeen aanvaard oordeel in onze tijd, dat vele mensen zich niet langer dan 15 à 20 minuten op een preek kunnen concentreren. Hoe was dat dan vroeger, toen preken wel een uur lang konden duren?

Ik vraag me af of het niet al te gemakzuchtig is om mee te gaan met dit algemene vooroordeel. Het is waar dat je tijdens een toespraak wel eens kunt worden afgeleid. Het is ook waar dat een vervelende toespraak die een half uur duurt een kwelling kan zijn. Maar dat ligt niet per se aan het fundamentele en universele onvermogen van de toehoorder om lang naar iets te luisteren. Diezelfde toehoorder vindt het geen enkel probleem om naar een film te kijken die 2 uur duurt. Is die toehoorder dan geconcentreerd aan het kijken? Maar een film van die lengte wordt op televisie vertoond met reclameblokken die de kijker de gelegenheid geven even te ontspannen. En tijdens het kijken naar de film zijn er vanzelfsprekend ook momenten dat de aandacht even is afgeleid.

Mijn stelling zou zijn dat die momenten van wegdromen en niet kunnen volgen van de preek helemaal niet erg zijn. Je kunt de draad altijd wel weer oppakken. En er zal in menige preek toch altijd wel iets zijn wat jou aanspreekt, terwijl andere delen ervan misschien wel voor anderen in de gemeente bedoeld zijn.

Ik denk dat het niet gaat om het onvermogen om je te concentreren, maar om het feit dat moderne mensen minder tolerantie hebben voor momenten van verveling en zich ergeren aan het feit dat ze zelfs even zijn afgeleid.

En daar komt dan nog bij dat we eraan gewend zijn om dat gebrek aan concentratie dan niet aan onszelf toe te schrijven, maar de vertoning of de toespraak de schuld ervan te geven.

Wellicht is het uiteindelijk allemaal een kwestie van gewenning en van jezelf aanleren om geconcentreerd te blijven luisteren. Mij helpt het altijd om op papier of in gedachten aantekeningen te maken van wat ik hoor. Dat helpt bovendien mijn geheugen achteraf om te kunnen navertellen wat ik gehoord heb. Een stukje papier en een pen, je eigen bijbel meenemen naar de kerk zodat je kunt meelezen of kunt herlezen waar de preek over gaat: het zijn allemaal simpele middelen om de concentratie te verlengen.

Ik wil daarmee niet zeggen dat de schuld uitsluitend bij de toehoorder ligt. Maar daarover een andere keer. Want dat is de vraag hoe de predikant in de moderne tijd bij machte is om zijn gehoor werkelijk te boeien. Wat is dan nodig?

 

Over preken… deel 2

Een preek is een uitleg van de Bijbelse tekst. De tekst heeft zelf iets te zeggen. Je mag de tekst niet laten buikspreken, dat wil zeggen er zelf iets inleggen of uithalen. Daarom is er een grondig onderzoek van de tekst nodig, de exegese. Dat is vooral het terrein waarop de deskundigheid van de predikant aan het werk gaat.

De volgende vier stappen zijn daarbij noodzakelijk:

  1. De oorspronkelijke tekst moet niet alleen worden gelezen en bestudeerd in een of andere vertaling, maar in de oorspronkelijke Bijbeltaal. Dat betekent dat elke predikant een goede kennis moet hebben van de talen van de Bijbel: het Grieks voor het Nieuwe Testament en het Hebreeuws voor het Oude Testament. Als je in de vertaling het woord “zonde” tegenkomt, moet je daar niet zelf allerlei fantasieën op loslaten, maar goed beseffen wat het woord in de oorspronkelijke taal betekent.
  2. Elke tekst heeft ook een geschiedenis. Die geschiedenis moet goed begrepen worden. Zo is het van belang om te weten wat het verschil is tussen de Openbaring van Johannes en het boek van de Psalmen. Die twee boeken uit de Bijbel zijn in verschillende tijden, in verschillende talen, met een verschillend publiek en met een ander doel geschreven. Daar hangt hun betekenis van af.
  3. Elke tekst heeft ook een context. Bijbelse teksten zijn bouwstenen in een groter geheel. Dat grotere geheel moet je ook kennen. Elk woord staat in een zin, elke zin staat in een verhaal of een ander type tekst, en die staan weer in een ruimer verband. Zo horen de vijf boeken van Mozes bij elkaar en vormen de 150 psalmen een geheel. Je mag teksten en worden niet uit hun verband rukken en misbruiken.
  4. In zijn omgang met de tekst heeft de predikant een dubbele loyaliteit. Hij is in de eerste plaats solidair met de oorspronkelijke schrijvers. Die schrijvers zijn Gods gezanten. Daarom moet hij zo zorgvuldig mogelijk doorgeven wat zij over de zaak van God hebben bericht. Aan de andere kant moet hij het allemaal zo overbrengen, dat de toehoorders het kunnen verstaan. Dat is ook in hun belang. De zaak van de toehoorders mag ook niet worden verraden.

Elke preek blijft daarom een waagstuk. Aan de ene kant is dat het waagstuk van de predikant die zich in de tekst verdiept – begrijpt hij het wel? Aan de andere kant is dat het waagstuk van de overdracht – is de preek ook interessant en relevant? Elke predikant zal met deze beide zaken te maken krijgen. Het is denkbaar dat hij de Bijbelse tekst goed uitlegt, zonder dat de toehoorder wordt geraakt. Dat is niet alleen maar de schuld van de prediker. Maar hij kan ook zo geconcentreerd zijn op het aanspreken van de toehoorders, dat zij wel genieten van de toespraak, maar niet werkelijk worden geconfronteerd met de boodschap van de Bijbelse tekst. Dat is ook een vorm van verraad, al zal de gemeente daar niet altijd over klagen.

Geen slagroom op de cake

Het is goed om af en toe duidelijk te zeggen dat een dominee het de gemeenteleden nooit naar de zin kan maken. Als er gepreekt wordt over geloof en genade, dan zal men zeggen: “maar waar blijft het leven van alledag?” Als er gepreekt wordt over de morele vragen van elke dag, dan zal een ander zeggen: “maar waar blijft Christus?” Als de preek gaat over het concrete leven van een Bijbelse figuur dan zal iemand zeggen: “maar wat heeft dat met mij te maken?” Als de preek gaat over de opdrachten van de Bergrede, dan vraagt men: “waarom legt hij ons zulke lasten op?” In een van mijn vorige gemeenten vroeg een lid van de kerkenraad aan mij, of ik niet wat vager wilde preken, het wat onduidelijker kon zeggen. Want dat gaf de gemeente de kans om tussen mijn woorden door een eigen boodschap te bedenken, zodat uiteindelijk iedereen kon horen wat hij toch al verwachtte. De preek moest toch eigenlijk ons helpen na te denken over de realiteit van elke dag, hoe kan ik een christelijk leven leiden? De preek moet toch bezig zijn met de vragen die mensen hebben?

Daar moet ik een heel eenvoudig antwoord op geven, namelijk dat ik geloof dat alleen de bijbel het antwoord kan geven op onze vragen. Dat vergt van de lezer en de hoorder toewijding en volharding, en een ingespannen luisterend oor. Dat vergt van ons dat we met geduld leren luisteren naar het onverwachte, het soms kritische, maar het altijd vreemde van de Bijbelse boodschap. Wat de bijbel ons te zeggen heeft, staat bijna altijd haaks op onze eigen gevoelens en ervaringen. De Bijbel kan ook niet zomaar gelezen worden zoals een roman of een verhalenbundel. Wat de bijbel ons kan zeggen, hangt in hoge mate af van de kwaliteit van onze vragen als wij van de bijbel het antwoord willen op de grote levensvragen, dan pas gaat de Bijbel open. Dan gaat zij spreken zoals God tot ons spreekt.

En we weten altijd of we onszelf toespreken met verdraaide stem, of dat God werkelijk tot ons spreekt. We kunnen altijd nagaan of de preek een vorm van buikspreken is, een vermomde menselijke stem, of werkelijk Gods Woord tot ons. Als dat Woord ons namelijk ergert, vermaant, op een andere weg zet dan de weg waarmee we al vertrouwd zijn, ons een nieuwe richting aanwijst, dan kan het – ik zeg kan, – dan kan het Gods Woord zijn. Maar aan de andere kant, als het Woord ons vertrouwd klinkt, en we het gevoel krijgen dat we het al weten en ervaren en dat het eigenlijk niet nieuws is, dan weten we zeker – ik zeg met opzet zeker – dat het niet Gods Woord is. Dan hebben we veilig geluisterd naar onze eigen stem, dan hebben we geruststellend gesproken en geluisterd vanuit wat we al lang meenden te weten.

De plaats waar het Woord van God tot ons komt is het hart. Maria bewaarde de woorden van de engel in haar hart, Maria bewaarde de woorden van de twaalfjarige Jezus in haar hart. Alleen wat in het hart bewaard wordt, kunnen we later in de realiteit ook leren herkennen. De Bijbel heeft daarbij het eerste woord, en dan pas komen wij aan het woord. Met onze onzekerheden en twijfels, vragen en ervaringen. En dan heeft tenslotte de Bijbel weer het laatste woord. Dan krijgen we antwoord. Want God oordeelt over onze ervaringen, ons geloof. Wij oordelen niet over het Woord van God, wij bepalen niet wat wij nodig hebben of moeten horen. Wij mogen naar Gods Woord en naar de verkondiging luisteren in de zekerheid dat God zelf ons door die woorden heen iets te zeggen heeft. Iets nieuws. Iets verrassends. Iets persoonlijks.

De taak van de voorganger is het, om dat verrassende en nieuwe hoorbaar te maken voor de gemeente. Het is niet zijn taak om de gevoelens en ervaringen van de gemeente onder woorden te brengen. Het is niet zijn taak om eigenwijze oordelen te geven over de actualiteit van elke dag. Het is niet zijn taak om politieke meningen te verkondigen. Het is niet zijn taak om te vermaken. Het is niet zijn taak om de gemeente een goed gevoel te geven, zo in de trant van: “wat hebben jullie het toch goed gedaan, jullie hebben niets meer nodig.” Uiteindelijk is de verkondiging op de zondag geen zoete slagroom op de zelfgebakken cake van het leven.

Want Gods Woord is het leven zelf, en naar dat Woord moeten wij ons richten, op dat Woord moeten wij ons leven afstemmen – en niet andersom. Wie Gods Woord minacht en vanuit zijn eigen ervaringen wil leven, zal zich altijd ergeren aan de Bijbelse preek; wie dat toch doet, zal altijd teleurgesteld zijn over de verkondiging van het evangelie. Wie dat toch doet, zal ook met de Bijbel zelf, dat grote boek van Gods verkondiging aan ons, niet uit de voeten kunnen. Daarom is voor mij de Bijbel de enige richtsnoer van de prediking.

(Dit artikel verschijnt ook in Kerkklanken van februari.)