Wandelen achter andere goden en navolging in het Nieuwe Testament: een diepe bijbelse lijn

Wie zich verdiept in de taal van het Oude Testament, ontdekt dat afgoderij niet alleen wordt beschreven in termen van rituelen of verboden handelingen. De Schrift gebruikt veel relationele en beeldende taal om duidelijk te maken wat er gebeurt wanneer Israël zich van de HEERE afkeert. Eén van die uitdrukkingen is “wandelen achter andere goden”. Op het eerste gezicht klinkt dat misschien minder scherp dan woorden als “afgoderij” of “hoererij”, maar het Hebreeuws laat zien dat het juist een bijzonder geladen beeld is.

In het Hebreeuws betekent wandelen achter iemand letterlijk dat je je leven op die persoon richt. Het gaat om volgen, vertrouwen, je oriënteren op een ander. De uitdrukking “wandelen achter andere goden” beschrijft daarom geen neutrale of verzachtende vorm van afgoderij, maar een bewuste keuze van richting. Het is relationele ontrouw: Israël loopt achter een andere leider aan, geeft zijn hart en levenspad aan een macht die niet de HEERE is. De metafoor van wandelen is in het Oude Testament altijd verbonden met levensstijl en trouw. Wie wandelt achter de HEERE, leeft in Zijn weg; wie wandelt achter andere goden, verbreekt het verbond en kiest een andere koers.

Juist deze relationele lading maakt de verbinding met het Nieuwe Testament zo opvallend. Want wanneer Jezus Zijn discipelen roept met de woorden “Volg Mij”, gebruikt Hij precies dezelfde logica van richting en toewijding. Het Griekse akoloutheō betekent letterlijk “achter iemand aangaan”, en de uitdrukking “achter Mij aan komen” sluit direct aan bij de oudtestamentische beeldspraak. Navolging in het Nieuwe Testament is daarom niet zomaar een religieuze activiteit, maar een totale heroriëntatie van het leven. Waar het Oude Testament waarschuwt voor het volgen van andere goden, roept Jezus op tot het volgen van Hem als de openbaring van God zelf.

In die zin is navolging de positieve vervulling van wat het Oude Testament bedoelt met trouw aan de HEERE. De vraag die door beide Testamenten heen klinkt, is dezelfde: wie volg je? Wie bepaalt de richting van je leven? Afgoderij en discipelschap zijn elkaars spiegelbeelden. De één is het wegwandelen van God, de ander het terugkeren en je leven richten op Christus. De metafoor van wandelen maakt duidelijk dat het in beide gevallen gaat om meer dan rituelen of overtuigingen: het gaat om een weg, een koers, een relatie.

Wie deze lijn ziet, ontdekt dat de Bijbel een diep consistente visie heeft op geloof en ontrouw. Afgoderij is verkeerde navolging; discipelschap is ware navolging. En de vraag die de Schrift telkens opnieuw stelt, is verrassend eenvoudig en tegelijk allesomvattend: achter wie loop jij aan?

De helm van het heil en het zwaard van de Geest

Gemeente van onze Here Jezus Christus, zusters en broeders,

Ik wil het vandaag met u hebben over de helm van de zaligheid en het zwaard van de Geest. Het is het vijfde en zesde deel van de wapenrusting waarvan Paulus zegt dat we die zo dringend nodig hebben. Natuurlijk, het is een geestelijke wapenrusting, het is maar een beeld. Maar Paulus maakt hier geen grapje. Hij gaat ervan uit dat wij allemaal begrijpen, dat wij in een geestelijke strijd verwikkeld zijn. De geestelijke strijd niet met andere mensen, maar met wat Paulus geestelijke machten noemt. Lees verder “De helm van het heil en het zwaard van de Geest”

Bijbelzondag 2015

Nehemia 8 en 2 Tim. 3, Hebr. 4 en andere teksten zeggen ons duidelijk hoe belangrijk de Bijbel is voor ons persoonlijke geloofsleven en voor het leven van alledag. We zijn verwekt door het levende en krachtige Woord zegt Petrus in 1 Petrus 1. Het is nuttig om te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren, op te voeden in gerechtigheid, zegt Paulus. Het dringt door tot de plaats waar ziel en geest samenkomen en legt ons hart bloot voor Gods ogen. Op Bijbelzondag mag dat nog eens herhaald worden. En dat deed ik dan ook.

De opbouw van de gemeente van de toekomst

Verkondiging over Rom. 12:6-8.
De gemeente zal in de toekomst moeten bouwen op de geestelijke gaven in de gemeente, en niet langer op vrijgestelde ambtsdragers en de organisatievorm van nu. Dat is ook eigenlijk altijd zo geweest. Maar nu wordt duidelijk dat alleen een gemeente waarin de gaven die God Zelf geschonken heeft tot bloei komen, de chaos van onze tijd overleven zal. Kerkgebouw en financiën kunnen niet langer onze eerste prioriteit zijn. Gemeenteopbouw wordt een geestelijke en geen materiële taak.
Zo geeft Paulus ons een richtlijn:

6 En nu hebben wij genadegaven, onderscheiden naar de genade die ons is gegeven:
7 hetzij profetie, naar de mate van het geloof; hetzij dienstbetoon, in het dienen; hetzij wie onderwijst, in het onderwijzen;
8 hetzij wie bemoedigt, in het bemoedigen; wie uitdeelt, in oprechtheid; wie leiding geeft, met inzet; wie zich over anderen ontfermt, met blijmoedigheid.

Weerstand tegen de prediking

Mijn leraar zei het zo:

“Als jij een predikant wil zijn, dan moet je het Woord van God prediken. Dat is wat je doet. En het is werkelijk heel simpel: als je trouw blijft aan je opdracht zul je niets anders doen de rest van je leven dan Gods Woord prediken. Dan ben je geheel en al toegewijd aan dat Woord om de heerlijkheid van God te laten zien door het Woord van God uit te leggen, toe te passen en te verkondigen. Dat is wat je moet doen.”

En ik dacht, dat wil ik doen, zo wil ik zijn. Een predikant die Gods Woord laat spreken. Die niet met zijn eigen ideetjes en gevoelens en ervaringen tussen dat Woord en de mensen in gaat staan, maar een venster is, een spiegel, waarin dat Woord kan worden gezien en ervaren. Zo wordt de heerlijkheid van God en Christus aan mensen overgebracht. Daar raken ze enthousiast van, omdat ze de God die ze al kennen beter leren verstaan en begrijpen. Omdat er licht valt op hun eigen leven, maar ook af en toe een licht dat hun eigen duisternis aan de dag brengt – en de mijne net zozeer.

Tijdens mijn vakantie dit jaar heb ik drie weken niet gepreekt. Ik heb wel af en toe geluisterd naar de prediking van anderen. Het meeste daarvan via internet. Mijn ervaring was er een van schok. Soms hoorde ik stemmen die klonken alsof de spreker aan de drugs was, schreeuwend, ekstatisch, alsof het verstand hem verlaten had. Geen Bijbelse woorden maar kreten, die steeds weer opnieuw werden herhaald. En dan stemmen die de indruk gaven dat de spreker door een diep dal heen ging, alsof het er allemaal te zwaar was, geen vreugde, geen enthousiasme, maar een keurig nette uitgewerkte preek, zonder zout en zonder vuur. En in veel gevallen een los verband met een Bijbelse tekst, of gewoon een naverteld verhaal. Met de flinterdunne les dat we goed en fatsoenlijk moeten leven, of juist met de overdreven boodschap dat we ons dagelijks leven moeten opgeven om als een soort maniak door het leven te gaan. Flinterdun. In beide gevallen. De Bijbelse tekst kwam niet aan het woord. Geen diepte, geen doorzicht op Gods heerlijkheid, allemaal al te menselijk en vlak.

Ik vermoed dat de meeste prediking zo werkt. Ook in onze eigen kerk. Het is niet diep en het is niet hoog. Het raakt jouw leven in geloof niet en het neemt je niet mee naar een ander gezichtspunt. Het geeft je een goed gevoel omdat het bevestigt wat je al wist, omdat het je leven niet onder kritiek stelt, omdat alles wat je bent en doet al prima en goed is, en af en toe zit er een woordgrapje in wat je onthouden kunt of een vergelijking die je kunt navertellen, en met die bijzaak loop je dan een vol uur enthousiast rond – mooie preek vandaag! – maar het beklijft niet en het raakt de diepte van je bestaan niet.

Wie naar de kerk gaat om een preek te horen, die is daar tijdens de preek om iets te leren over zichzelf en God. Dat is wat Bijbelse waarheid altijd doet: jou laten ontdekken wie je eigenlijk bent, en bovenal je laten ontdekken wie God eigenlijk is. De waarheid van jouw leven wordt zichtbaar door de bijbel. En de God van de bijbel staat boven de kerk, boven jouw leven, boven jouw vanzelfsprekendheden, je gezelligheid, je goede gevoel over jezelf. En, moet je als luisteraar beseffen, ook boven de predikant. En die beseft dat juist ten volle. Als dus wordt gepredikt in overeenstemming met de bijbel, dan hoor je een stem die gezag heeft over die predikant maar ook over jou. Dat is ook het gevaar van de prediking. Als de prediker vanaf de kansel alleen maar beweert wat je toch al weet, dan heiligt hij jouw eigen misverstand over jezelf, dan bevestigt hij als het ware van Godswege het genoeglijke gevoel dat jij hebt dat alles wel in orde is.

Als iemand zegt dat de prediking te duidelijk is, dan klaagt hij over een eigenschap die elke prediking zou moeten hebben: helderheid. Als iemand klaagt over het feit dat hij in zijn geweten wordt geraakt door de preek, dat er iets wordt blootgelegd wat volgens de prediking niet goed is, dan klaagt hij over Gods stem die zijn geweten raakt. In plaats van bij zichzelf na te gaan wat er in zijn leven mis is, wijst hij het simpele feit af dat God tot hem heeft gesproken. Gelukkig kun je dan de predikant de schuld geven, want die had toch kunnen weglaten wat in de Bijbelse tekst zo scherp verwoord stond. Als je klaagt over de prediking omdat het steeds maar over hetzelfde gaat, dan klaag je over het feit dat je het evangelie zelf zat bent. Omdat je de verschillende aspecten van het evangelie helemaal niet horen wilt. Want je bent al tevreden met het flinterdunne idee, dat God jou heeft vergeven. Dus jouw leven is helemaal in orde. Jij hoeft je nergens meer zorgen over te maken. En met jouw geloof is alles in orde, want je gaat toch immers naar de kerk. En met dat misverstand over het evangelie tussen je oren, wijs je de prediking af, die de diepte van het evangelie aan jou wil verduidelijken. Nee, je kiest voor de oppervlakte.

Mijn leraar wees mij op 2 Timotheus 4:2. “Predik het Woord.” Niet mijzelf, niet het goede gevoel, geen entertainment, maar het Woord. Daar heb ik mijn leven aan gewijd. Wee mij, als ik dat Woord niet verkondig. En het vervolg: “gelegen of ongelegen.” Of de hoorders er een goed gevoel bij krijgen of niet. De maatstaf is niet het goede gevoel, maar of er getrouw aan het Woord wordt gepredikt.

De predikant is een heraut. En zijn boodschap is het Woord van God. De “toeter” waarmee hij die boodschap verkondigt, die is van hemzelf. Dat is zijn stem, zijn gebaar, zijn woordkeus, zijn manier van spreken. Maar de boodschap is het belangrijkste, eigenlijk het enige dat telt. Die is aan hem toevertrouwd. Als de taak van een predikant is om de boodschap van God door te geven, welk recht heeft hij dan om er veranderingen in aan te brengen of het anders te presenteren dan wat het is? De prediking moet dus helder zijn wat het Woord betreft. Het is niet de taak om je aan te passen aan datgene wat mensen makkelijk kunnen verstaan. Natuurlijk moet je rekening houden met het begripsvermogen van de gemeente. Maar niet in de zin dat de boodschap moet worden vervalst zodat de indruk wordt gewekt dat het makkelijk te begrijpen valt. Wat makkelijk te begrijpen valt, zijn de misverstanden waarmee je dagelijks leeft. Elk afscheid van zo’n misverstand roept een gevoel van weerstand op, en het vergt vertrouwen in de prediking om dat te overwinnen. Maar dat is de manier waarop God onderwijst. Hij zoekt jouw weerstanden op tegen de waarheid, en helpt je dan met zachte hand door die weerstand heen zodat je aanvaardt wat het Woord zegt.

Mijn leraar krijgt van mij het laatste woord: “Ik wil je met de grootste nadruk zeggen, dat je bij het uitleggen van Gods Woord uitsluitend moet proberen om de betekenis van de tekst weer te geven. Laat nooit en te nimmer de tekst functioneren als een pop, die uiteindelijk alleen maar zegt wat jij kwijt wilt. Hoe aardig en leuk en vriendelijk en gezellig dat dan ook klinken mag. Wat niet in de tekst staat, is voor jou als predikant verboden vrucht, en het is werkelijk in Gods ogen een zonde, als je Zijn Woord op die manier misbruikt om te zeggen wat God Zelf niet gezegd heeft.”

AMEN

Heer van de stormen – versie Nieuwe Pekela

Meestal “herhaal” ik geen preek, maar in dit geval leek het me de moeite waard om hetzelfde onderwerp nog eens te behandelen. Nu in de prachtige Hervormde kerk van Nieuwe Pekela.

Preek over Matteus 14:27 – 33.
Jezus is Heer van de storm.

Notities:
1. Sommigen zeggen dat Hij een spook is – of niet bestaan heeft, of niet is opgestaan uit de doden. Het evangelie wordt dan krachteloos!
2. Petrus wil de storm verdragen in eigen kracht, maar kan dan alleen letten op de storm – dan zinkt hij in de golven.
3. Jezus is meteen nabij: met Zijn Woord tegenover de angstige discipelen (Houdt moed, Ik ben het), met Zijn reddende hand.
4. Pas met het gebed “Red mij” grijpt Jezus in.
5. Doel is de aanbidding van deze Mens, die waarachtig de Zoon van God is.
6. Zodat het schip veilig kan oversteken naar het land van de Gadarenen – in die stormachtige wereld moet het evangelie gebracht worden.

God mét ons, vóór ons en ín ons – Pinksteren 2015

Verkondiging over Pinksteren in de PG Ter Apel, 24 mei 2015.

De Heilige Geest woont in ons hart en in de gemeente, wil ons omvormen naar het Beeld van Christus, wil ons Gods Woord inprenten, wil ons leven begeleiden en leiden.
Kerst toont ons de Vader, God mét ons, naar wie de Zoon genoemd is. Pasen toont ons de Zoon, God die vóór ons is, het voor ons opneemt. En Pinksteren toont ons de Heilige Geest, die dat alles tot een innerlijke realiteit maakt, waar we dag aan dag mee mogen leven. Het is de voltooiing van de drie hoge feesten. Hier bereikt God voorlopig Zijn doel: te wonen bij de mensen.

Vrijzinnig en orthodox preken

Hoe zit dat nu met die verschillen tussen “vrijzinnig” en “orthodox” als het over preken gaat?

Vrijzinnig protestantse voorgangers creëren in hun preek ruimte voor verschillen in geloofsopvattingen. Zodoende preken zij ondogmatisch en met een vrije omgang met de traditie.

Orthodox-protestantse voorgangers erkennen dat er verschillen in geloofsopvattingen zijn, maar willen de kaders hanteren die door de Bijbel, de belijdenisgeschriften en de traditie zijn uitgezet. Zij willen nadrukkelijk op het christelijke erf blijven. Elke voorganger van de PKN heeft een belofte uitgesproken waarin precies dit wordt gevraagd.

Lees verder “Vrijzinnig en orthodox preken”

Gods vraag aan ons…

We spreken met elkaar vaak over de vragen die wij over God kunnen stellen. Wanneer we twijfelen of God wel bestaat roepen wij in de duisternis: “waar ben jij, God?” We kijken naar boven en om ons heen en er komt geen antwoord. Wanneer de nood in de wereld hoog is en natuurrampen ons gevoel van veiligheid wegnemen, dan wordt de vraag van ons hart: “Heb je ons vergeten, o God? Want wij zijn in nood!” Wanneer we zien dat het kwade in deze wereld regeert en onrechtvaardigen tot bloei komen en de zwakkeren vertrappen, dan roepen we God ter verantwoording en zeggen: “Vanwaar kom jij o God? Wat heb je vandaag voor ons gedaan?”

 

Onze vragen aan God

We denken recht te hebben op al deze vragen, we voelen ons onrechtvaardig behandeld wanneer er geen antwoorden zijn. Waarom zou God ons die vraag niet beantwoorden? Kan hij ons dan niet de zekerheid geven van zijn aanwezigheid, door zichzelf te vertonen bijvoorbeeld of ons een visioen van hem te schenken? Kan hij dan niet elke ziekte en elke nood die ons mensen treft wegnemen? Kan hij het hart van de onrechtvaardige dan niet buigen zodat die zich gedraagt naar Gods wil en tot een zegen voor zijn naaste? Zijn dat niet de vragen waarmee we leven? Met als hoogtepunt de vraag waarmee we God ter verantwoording roepen. Vanwaar kom je. En we denken misschien dat het antwoord dat God geven moet op onze dringende vragen niet meer voorstelt dan het antwoord van de knecht van Elisa: “ik ben noch herwaarts noch derwaarts gegaan” – of in de nieuwe vertaling: “ik ben nergens heen geweest.” (2 Koningen 5)

Gods vraag: waar ben je?

Maar voordat wij deze vragen aan God hebben gesteld, triomfantelijk of volkomen terneergeslagen, en ontdekken dat we geen antwoord ontvangen, heeft God ons Zijn vragen gesteld. Vraagt hij niet aan ieder mens, vanaf het moment dat we wakker worden in de morgen, dezelfde vraag die hij aan Adam stelde: “waar ben je?” En dan moeten we antwoord geven. Waar zijn wij aan het begin van de dag? Wat zijn onze voornemens, hoe benaderen wij deze nieuwe dag die God ons gegeven heeft, wat is onze plaats in de wereld tegenover andere mensen en voor God? Kortom wie zijn wij eigenlijk?

Is dan het antwoord dat wij aan God geven niet heel vaak hetzelfde antwoord dat Adam gaf? Moeten we niet belijden en zeggen: “Toen ik vanmorgen dacht aan de God die mij mijn leven heeft gegeven, werd ik angstig, want ik weet dat ik naakt en weerloos ben, zondig en zwak, zonder kracht om mijn taken naar behoren te vervullen en de geboden van de Heere in acht te nemen. En daarom wil ik mij het liefst vandaag verbergen voor het aangezicht van de Heere.”

Of is het antwoord anders? Misschien begint onze dag met dankbaarheid: “Ik dank u Heere God, dat u ook vandaag weer mijn leven leiden zult in uw onmetelijke goedheid, groot is uw trouw o Heer, mijn God en Vader, iedere morgen aan mij weer betoond.”

Gods vraag: waar is je broeder?

En als dan onze dag verloopt zoals wij het ons hebben voorgenomen en we bezig zijn met onze noden en behoeften, met onze gezelligheid en met onze zorgen, komt er opnieuw een vraag op ons af. Horen wij de vraag die God tijdens onze dagelijkse bezigheden aan ons stelt? Is dat niet de vraag die ook Kaïn te horen kreeg? “Waar is je broeder? Waar is je zuster? Waar is je naaste?” God wijst ons op degene die onze naaste is, die aan onze zorg is toevertrouwd, misschien een bekende in de gemeente, misschien letterlijk een broer of zuster, of een lid van de familie, of misschien die vreemdeling die zomaar op onze weg is geplaatst. Hebben wij deze dag niet gekregen om de nood van onze naaste te verlichten? Om zorg te hebben voor een echtgenote of een buurvrouw of een gestrande reiziger? Het leven dat God ons schenkt is altijd en in de eerste plaats een samenleven. God heeft de mens niet geschapen om alleen te zijn.

Maar is het antwoord dat wij geven ook niet heel vaak het antwoord van Kaïn? Moeten wij niet heel vaak belijden: “Ik weet het niet?” – Ik heb vandaag niemand gezien voor wie ik de nood moet lenigen of de zorg moet wegnemen. Ik heb mij alleen bezig gehouden met mijzelf en mijn eigen noden en daar had ik mijn handen al vol mee. Ik heb niet nagedacht of ik een liefdevol woord kon spreken of een behulpzame daad kon verrichten. Waarom zou ik ook? Ik ben toch niet de herder van mijn naaste?”

Of is het antwoord anders? Misschien ervaren wij de hele dag de dankbaarheid, over de goede werken die de Here God al van tevoren bereid had zodat wij die in zijn opdracht en in zijn naam mocht uitvoeren. Zal Christus dan niet tegen ons zeggen: “ik heb honger geleden en gij hebt mij te eten gegeven. Ik heb dorst geleden en gij hebt mij te drinken gegeven, ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt mij gehuisvest, ik ben naakt geweest en gij hebt mij gekleed, ik ben ziek geweest en gij hebt mij bezocht, ik ben in de gevangenis geweest en gij zijt tot mij gekomen. Want in zoverre wij dit aan een van zijn minste broeders hebben gedaan, hebben wij het aan hem gedaan.”

Gods vraag: vanwaar?

En dan komt deze hier aan het einde van onze dag, wanneer we gaan slapen en overdenken wat we gedaan hebben en nagelaten, wat goed is gegaan en mis is gegaan, en stelt hij ons de vraag die de profeet Elisa ook aan Gehazi stelde. “Vanwaar, Gehazi?” “Waar kom je vandaan, o mens, wie je ook bent? Hoe is jouw weg gegaan vandaag? En welke weg was het die je vandaag hebt gekozen? Was dat de rechte weg die naar Gods koninkrijk leidt, of was dat de Kronkelweg van het egoïsme, de liefdeloosheid, de geldzucht, van de verharding van het hart.” Waar kom je vandaan, oftewel wat heb je zoal uitgespookt vandaag?

Is het niet vaak zo dat wij dan moeten beantwoorden, dat hij het woord van de profeten – het aan ons geopenbaarde woord van God – ongehoorzaam zijn geweest? Moeten we dan niet al te vaak het antwoord geven dat ook de knecht van Elisa en geven moest: ach vandaag zijn we nergens geweest, hebben niets gedaan, alsof God niet weet dat wij ons de hele dag met grote inzet hebben bezig gehouden voor ons eigen belang. En het is ook waar wat we dan zeggen. In Gods ogen hebben wij niets gedaan en is al ons werk waardeloos – want het is niet gedaan in naam van Jezus, maar in onze eigen naam. Heeft Jezus ons niet gezegd, dat hij werkt in het koninkrijk ontvangen voor al wat hij daartoe nodig heeft? Het Jezus ons niet gezegd dat ons zorgen maken over ons dagelijks leven geen centimeter aan onze lengte kan toevoegen? Met andere woorden, onze zorg voor ons dagelijks leven en onze inspanning daarvoor, hoe nodig dat soms en op beperkte schaal ook is, leiden eigenlijk alleen maar af van het belangrijkste in het leven.

U dacht misschien dat het een overbodige luxe was om de bijbel te lezen? U dacht misschien dat de woorden van apostelen en profeten aardige verhalen voor de zondag zijn. Ik zeg u dat u zich dan enorm vergist. We vergeten dan iets heel belangrijks, namelijk dat het woord van de apostelen die Jezus als zijn plaatsvervanger heeft aangesteld, voor ons is als het woord van God zelf. Als de apostel ons oproept om gastvrij te zijn, onze zonden te belijden, de naaste lief te hebben als onszelf, het zwakkere in ere te houden en te verzorgen, in het bijzonder om te zien naar weduwe en wees die in deze wereld zwak en eenzaam kunnen zijn, om elkaar eindeloos vaak te vergeven, om de broederlijke liefde in de gemeente te koesteren, en de broederlijke eenheid in de gemeente te zien als een symbool voor Gods aanwezigheid in de wereld, dan is dat niet het woord van een goed bedoelende oude man, maar woord van God zelf. Hoe anders spreekt hij tot ons dan door profeet en apostel? Zelfs al datgene wat de Heere Jezus ons geleerd heeft, is ons doorgegeven door de apostelen die het gehoord hebben en opgeschreven hebben.

Zo hoort elk mens deze drie vragen. Waar ben je? Waar is je broeder? Waar kom je vandaan? Wie ben je en wat zijn je voornemens? Weet je wie naaste is? En als de dag voorbij is, komt samen met God de terugblik: waar kom je vandaan, ben je met jezelf bezig geweest met dingen van het koninkrijk.

Christus’ vraag: heb je Mij lief?

Maar ik zeg u dat er nog een vierde vraag is. Vergeleken met deze drie vragen is het maar een zachte en fluisterende vraag, maar misschien wordt ze wel drie keer gesteld elke dag weer, misschien wordt die vraag zelfs gesteld in het duister van de nacht. Midden in het leven van alledag of in de rust en de stilte van de avond of misschien wel bij de maaltijd die wij met elkaar delen, neemt de Heere Jezus ons apart. En hij weet wat wij allemaal liefhebben, en wie wij allemaal liefhebben, en hij weet ook dat wij onszelf vaak meer liefhebben dan wat en wie dan ook. En dan wijst hij op ons en fluistert dan: “Simon, of Robbert, of Henneke, of Geertje of Frits, – vul je eigen naam maar in  – heb jij mij waarlijk lief? Heb je mij lief boven alles? Hebben wij die Heere Jezus lief, die ons liefgehad heeft tot de dood aan toe? Beantwoorden wij zijn liefde met onze gehoorzaamheid? Of is dat opnieuw iets voor de zondag alleen? Hoe kan het voor de zondag alleen zijn, als Hij ons deze vraag elke dag weer stelt? Heb je mij lief?

Wat is dan ons antwoord? Zeggen wij dan niet heel vaak in ons hart dat wij Hem niet kennen, en dat wij hem deze dag ook niet gezien hebben, en zeggen we niet vaak tegen onszelf “wat betekent dat dan dat Hij ons liefheeft? Hebben wij geen recht op Zijn liefde, omdat wij Zijn schepselen zijn? Hebben wij soms om dit bestaan gevraagd? Is het niet de plicht van God ons lief te hebben? Wacht maar tot het ons helemaal goed gaat en de gelukkig zijn, dan, en dan alleen, zullen wij Hem liefhebben!”

Of geven wij het antwoord van Petrus. “Ja Heere, gij weet dat ik u liefheb.” Hoe kan het ook anders, als wij Hem leren kennen? Is het wel mogelijk dat wij op een andere wijze op deze Heere reageren? O, wie Hem niet kent, zal zich neutraal opstellen. Zal zijn rug omkeren en in zichzelf mompelen. Ik ben toch gelovig, ik ga toch naar de kerk, ik heb toch belijdenis gedaan, valt mij nu niet verder meer lastig, want ik heb aan al mijn verplichtingen voldaan. Maar wie Hem werkelijk kent, en de genade kent waarmee Hij vergeeft en en de kracht van de Geest kent die ons met Hem verbindt en hoe Hij ons bemoedigt tot in het eeuwige leven, kan die een ander antwoord geven dan Petrus hier gaf?

“Ja Heere, gij weet alles, gij weet dat ik u liefheb.”

En dan zal Jezus’ antwoord op onze verklaring hetzelfde zijn als tegen Petrus.  En dat is wat Jezus tegen Petrus zegt: “weid mijn schapen.” Wie de Herder liefheeft, krijgt een rol toebedeeld in het weiden van de schapen.

Leven in antwoord

Wat een geweldig leven heeft deze God ons gegeven. Dat wij van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat in Zijn dienst worden genomen. Mogen staan voor zijn aangezicht zonder ons te verbergen, vrij van zonde en schuld door het offer van de Heer Jezus op het kruis van Golgotha, en dan mogen leven in dienst van de naaste en als mede-herder van de schapen, zodat we aan het eind van de dag kunnen zeggen op de vraag “vanwaar, o mens?”

Ik heb mijn voet van het kwade pad geweerd
opdat ik gaan zou in uw goede wegen.
Ik wijk niet af van wat uw woord mij leert,
want zo alleen kom ik uw aanschijn tegen,
gij hebt u in uw trouw tot mij gekeerd.
Gij zijt mijn ziel, mijn zaligheid, mijn zegen.
( Ps. 119:38)

Draagt elkanders lasten…

Verkondiging in Ter Apel op zondag 13 juli 2014.

Galaten 6:2
“Draagt elkanders lasten, en vervult zo de wet van Christus.”

Johannes 13: 34 , 35
“Een nieuw gebod geef Ik u, namelijk dat u elkaar liefhebt; zoals Ik u liefgehad heb, moet u ook elkaar liefhebben.
Hierdoor zullen allen inzien dat u Mijn discipelen bent: als u liefde onder elkaar hebt.
1 Petrus 5:7
“Werp al uw zorgen op Hem, want Hij zorgt voor u.”