Johannes (58) – Moordzuchtig ongeloof

Joh. 11:45-57

Wat waren de gevolgen van de opwekking van Lazarus? Sommigen geloofden in Hem, lezen we in vers 45. En dat betekende, dat zij met een gelovige houding de opwekking van Lazarus hebben waargenomen. Zonder die houding hebben mensen alleen gezien dat een man, gewikkeld in een lijkwaad, uit een graf is gekomen. Ze hebben wel gehoord dat hij al vier dagen dood was, want om die reden zijn ze naar het huis van Maria en Martha gekomen. Maar bij al die getuigenissen kun je vraagtekens zetten. Is het dan geen onomstotelijk bewijs van de goddelijke almacht van Jezus? Zonder een open benadering werkt dat niet zo. Jezus zegt daarom dat zij alleen als zij geloven – dat betekent niet al van tevoren geloven dat Lazarus is opgewekt natuurlijk, maar wel met een gelovige houding alles waarnemen – dat zij alleen als zij geloven de heerlijkheid van God zullen zien. (11:40) En al eerder hebben we gelezen dat iemand alleen kan erkennen dat het onderricht van Jezus uit God is, “als iemand de wil heeft om Zijn wil te doen.” (7:17) En al eerder hebben we gelezen dat de kern van het ongeloof de liefde voor de duisternis is geweest. Het is de onwil om in het geweten te worden geraakt door de heiligheid van Jezus: “de mensen hebben de duisternis liefgehad, meer dan het licht, want hun werken waren slecht.” (3:19) De heerlijkheid van Jezus wordt zichtbaar in de gebeurtenis van de opwekking. Maar toch is dat alleen zichtbaar voor degenen die niet al van tevoren beslist hebben dat zoiets onmogelijk is. En meer nog, alleen maar zichtbaar voor wie niet van tevoren heeft beslist, dat de heerlijkheid van God niet in Jezus en in Zijn werken openbaar kan worden.

Sommigen van de aanwezigen hebben deze ongelovige houding aangenomen; ze hebben hetzelfde gezien als Maria en Martha, maar hebben daarin niet de heerlijkheid van God waargenomen. En dat geeft ons de overgang naar het volgende gedeelte, namelijk vers 46: “Maar sommigen van hen gingen naar de Farizeeën en zeiden tegen hen wat Jezus gedaan had.” Het lijkt mij zeker dat deze mensen het wel gezien hebben, maar het toch niet hebben geloofd. Zij hebben de heerlijkheid van God niet doorzien in wat er gebeurde. Daarom gaan ze naar de Farizeeën. Ze hebben ongetwijfeld iets gezegd in deze trant: “deze man die jullie willen grijpen, die heeft een wonder verricht en alle mensen lopen Hem nu na, dus als je daar wat aan doen wilt moet je snel zijn.” Je kunt dat afleiden uit het feit dat er geen gesprek met deze mensen heeft plaatsgevonden. Als zij gemeld hadden dat zij de macht over het leven van de Zoon van God hadden gezien, en dat zij nu geloofden in Jezus, was er ongetwijfeld een discussie ontstaan, zoals bij de blindgeborene.

Het is dit laatste, grote wonder van Jezus, dat het besluit uitlokt waar we vanaf vers 47 tot en met 57 over lezen. Het is het wonder waarmee God aan het einde van de zending van Jezus nog een keer al het ongeloof wil tegenspreken. Tegelijkertijd is het dit wonder dat het hart van de discipelen op de opstanding van Jezus zelf voorbereidt. Wat een scherp contrast vinden we in dit hoofdstuk! Jezus demonstreert dat Hij de Opstanding en het Leven is. Hij kwam om dat Leven aan de Zijnen, aan het volk Israël, aan te bieden. Maar Israël lijkt op Lazarus. Israël is net als Lazarus al een tijd in het graf, in het graf van ballingschap en Romeinse overheersing. Zij hebben het leven van God niet meer in zichzelf. Maar wanneer Israël gelooft in haar Messias, zal het de heerlijkheid van God zien. Maar in plaats van geloof, vinden we moordzuchtig ongeloof. Althans bij een meerderheid van het volk vinden we ongeloof en onverschilligheid, en met name bij de leiders van het volk vinden we moordzuchtig ongeloof: bij de overpriesters en de Farizeeën.

Een wonder van deze aard blijft niet lang verborgen. Alle aanwezigen zullen er over gesproken hebben. Om te beginnen degene die terugkeerde naar Jeruzalem, naar hun familie en vrienden, en deze opwekking van hun vriend Lazarus hebben meegemaakt. Het verhaal van deze opwekking moet zijn doorgedrongen tot vrijwel heel de bevolking van Jeruzalem en omgeving. Interessant is ook dat niemand de gebeurtenis ontkent. Niemand zegt het aan, niemand geeft argumenten om te bewijzen dat het niet gebeurd kan zijn. Bij de genezing van de blindgeborene gebeurde dat wel, omdat het voor hen duidelijk was dat alleen God iemand kan genezen die vanaf zijn geboorte blind is. Bij de verlamde in Bethesda gebeurde het niet, daar kon men wel een of andere verklaring voor geven. Toen ging het alleen om het verwijt dat Jezus opdracht had gegeven om de sabbat te schenden. Hier horen we daar niets over. De feiten werden door iedereen aanvaard. Maar ongeloof, hoewel het kan schermen met feitelijke waarheden en natuurwetten, is helemaal niet bezig met feiten. Het vertrekt vanuit een theorie over de werkelijkheid, waar het geen uitzonderingen op wil toelaten. Paulus heeft daar ooit vol verbazing over gezegd: “Waarom wordt het bij u allen” – dat is koning Agrippa en zijn gevolg – “ongeloofwaardig geacht dat God de doden opwekt?” (Hand. 26:8) Ze hadden toch bovendien het getuigenis van de Schrift, bijvoorbeeld in 1 Kon. 17:21, waar de profeet Elia de zoon van de weduwe in Zarfath (Sarepta) uit de doden opwekt. En hetzelfde gebeurde bij Elisa in 2 Kon. 4. Toch hebben ze niet geloofd. Het ongeloof is er hier niet eens zo op uit om het wonder van de opwekking van Lazarus tegen te spreken, maar vooral om tegen te spreken dat Jezus de Christus is, de Zoon van God. Het verhaal van de opwekking van Lazarus is daarmee ook de laatste grote verkondiging van het evangelie geweest. Nu door middel van mensen die het aan elkaar hebben doorverteld. Maar het heeft niet mogen baten zoals Abraham al zei in de gelijkenis van de rijke man en de bedelaar in Lukas 16: “Als zij niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen zij zich ook niet laten overtuigen als iemand uit de doden zou opstaan.”

Dat blijkt nu. Er komt een bijeenkomst van de Hoge Raad, van het Sanhedrin. Hogepriesters, dat zijn voornamelijk sadduceeën geweest, en Farizeeën, velen van hen zijn wetgeleerdeN, komen daar bijeen om de situatie te bespreken. “Wat doen we? Want deze Mens doet vele tekenen.” Het is een wonderlijke groep. Aan de ene kant zijn er de “vrijzinnige” theologen van de sekte van de sadduceeën – zij geloofden niet in de opstanding – en dan de orthodoxe Farizeeën die de letter van de wet tot in het uiterste wilden volgen. Een soort politiek gemotiveerde vrijzinnigen en een soort supervrome fundamentalisten zijn het hier roerend met elkaar eens. Tenminste, over één enkel ding. Dat ze zich moeten ontdoen van Jezus. Je zou verwachten dat daar toch iemand bij heeft gezeten die het meest logische voorstel doet, namelijk: waarom geloven we niet in Hem? Is dat niet beter dan Hem te vermoorden? Maar ze zijn het eens over iets wat helemaal niet zo logisch klinkt: Hij doet zóveel wonderen, dat het beter is om Hem te vermoorden. Vers 48 vat het zeer nauwkeurig samen. “Als wij Hem zo laten begaan, zullen allen in Hem geloven.” In hun ogen is dat een ramp. Maar waarom eigenlijk? Dat lezen we in het tweede deel: “de Romeinen zullen komen en onze plaats en onze natie van ons wegnemen.” Dat is het motief. Het gaat om hun eigen positie. De redenatie is dus deze: “als Jezus door het volk wordt geloofd en dat volk Hem ertoe brengt om het politieke leiderschap van de natie over te nemen, zullen de Romeinen dat opvatten als een opstand. En wat gebeurt er dan met ons? Dan nemen de Romeinen onze positie – plaats – weg. Dan hebben wij geen gezag meer. En dan zal ook het volk niet langer onder ons staan, de natie zal van ons worden weggenomen.” Daaruit spreekt de angst voor Rome. Want dat is wat de Romeinen vaak deden. Wanneer een opstand uitbrak, werd hij door Rome met harde hand onderdrukt en de bevolking werd weggehaald en overal door het Romeinse Rijk heen verspreid. Maar de kern van het verzet tegen Jezus is niet alleen deze angst, maar vooral de zorg om hun eigen positie. Tijdens deze hele discussie wordt Lazarus trouwens niet genoemd. Of hij nu wel of niet door Jezus is opgewekt interesseert hen niet.

Ze hebben trouwens wel gelijk, dat de opwekking van Lazarus tot geloof zou leiden – bij “velen” zegt vers 45. Wanneer Jezus later naar Jeruzalem gaat roepen ze langs de weg allemaal Hosanna. Ze hebben de geruchten gehoord. Ze halen Jezus binnen als een koning. En het gerucht over de opwekking van Lazarus zal daar ongetwijfeld toe hebben bijgedragen. Een grote menigte trok immers voorafgaande aan Palmpasen naar Bethanie om daar niet alleen Jezus, maar ook Lazarus te zien. Ze wilden het bewijs zien dat Lazarus inderdaad door Jezus uit de doden was opgewekt. En het is die menigte die met Jezus optrekt naar Jeruzalem, terwijl er tegelijkertijd een menigte uit Jeruzalem komt, Jezus tegemoet. En dan lezen we in vers 11 van het 12e hoofdstuk dat “omwille van hem” – dat is Lazarus – “velen van de joden wegliepen en in Jezus geloofden.” Dat leidt er zelfs toe dat de overpriesters overwegen om ook Lazarus te doden! Het Sanhedrin heeft dus gelijk in dat opzicht. Maar hun oordeel over Jezus is niet gebaseerd op waarheid, maar op de vraag wat de gevolgen zouden zijn voor hen. Als ze Jezus zouden aannemen als de Christus, had Hij gezag over hen. Als ze Jezus Zijn gang liet gaan, waren ze bang dat de Romeinen hun positie zouden aantasten. Alleen wanneer Jezus zou verdwijnen of vermoord worden, konden ze hun eigen positie handhaven en was het niet nodig angst te koesteren voor een Romeinse reactie. Maar dat is niet de logica van de waarheid, maar de logica van het nut, van het voordeel voor hen als groep.

Maar dan komt er tegenspraak uit een onverwachte hoek. In vers 49 neemt de hogepriester Kajafas het woord. “U weet niets,” zegt hij. “Er valt hier niks te overwegen,” bedoelt hij. “We hebben geen andere keuze dan Jezus te vermoorden. Als je Jezus Zijn gang laten gaan, ontstaat er een opstand, Rome zal die onderdrukken en wij zullen allemaal sterven. Dus of Jezus sterft of de natie sterft.” Maar waar is dan die dreiging van een opstand? De Romeinen hebben helemaal niet ingegrepen bij de triomfantelijke intocht van Jezus in Jeruzalem. Tot dusver interesseert het optreden van Jezus hen helemaal niet. Maar het is een bekende truc. Je geeft iemand twee alternatieven om uit te kiezen. Of Jezus, of het volk. Je laat niet toe dat iemand dat werkelijk overweegt. Het is ja of nee. In werkelijkheid zijn er meer mogelijkheden.

Kajafas zal dat later bij de ondervraging van Jezus ook beseffen. In Mattheus 26:63 vraagt Kajafas aan Jezus of Hij bereid is om te verklaren dat Hij de Christus is, de Zoon van God. Jezus geeft daarop antwoord: “U hebt het gezegd.” Dat betekent zoveel als Ja. Maar meteen daarna maakt Jezus duidelijk dat het Zijn doel niet is om een opstand te beginnen tegen Rome. In vers 64 van dat hoofdstuk zegt Hij: “Van nu aan zult u de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand van de kracht van God en zien komen op de wolken van de hemel.” Dat woord spreekt Jezus met het oog op Zijn Hemelvaart en Zijn wederkomst, niet als aankondiging van een opstand tegen Rome. Maar Kajafas bestempelt dat als godslastering en meteen daarna wordt het doodvonnis uitgesproken. Het is een staaltje enorme hypocrisie. Deze verklaring van Jezus werd door Kajafas uitgelokt om Hem te kunnen veroordelen. Alleen dan was hij in staat om Jezus te laten executeren. Maar Jezus zegt helemaal niet wat Kajafas wil horen. Hij zegt dat de Zoon des mensen komen zal – wat de Sadduceeën trouwens niet geloofd hebben. En Hij maakt daarmee duidelijk dat Hij geen opstand wil beginnen. Dat had voor Kajafas genoeg moeten zijn. Maar deze hypocriet scheurt nu zijn kleren, wat men alleen deed uit verdriet over lasterlijke taal tegen God. Terwijl hij zelf zat te hunkeren naar een uitspraak, waarmee hij Jezus kon veroordelen. Kajafas pretendeert hier de ware en vrome patriot zijn. Hij claimt het volk te bewaren voor een nieuwe oorlog met de Romeinen. Maar het is een hypocriet.

Kajafas zegt dus: “dat het nuttig voor ons is dat één mens sterft voor het volk, en niet heel het volk verloren gaat.” Nuttig – zodat de Romeinen onze plaats en onze natie niet van ons zullen wegnemen. Dat wil zeggen, dat is wat hij wílde zeggen. Maar toen Kajafas zijn mond opendeed om te spreken, nam God het over. Vers 51: “als hogepriester van dat jaar profeteerde hij dat Jezus sterven zou voor het volk, en niet alleen voor het volk, maar ook om de kinderen van God, overal verspreid, bijeen te brengen.” De mond van Kajafas die de veroordeling van Jezus wilde uitspreken, komt er nu toe om de waarheid te zeggen. En door de woorden die Kajafas zelf gesproken heeft, wordt niet Jezus veroordeeld maar Kajafas zelf. Want wat ze dan doen in vers 53, is volkomen in strijd met de waarheid die Kajafas zelf heeft uitgesproken. “Vanaf die dag dan waren zij vastbesloten om Hem te doden.” Dat is dan eigenlijk de hoogste vorm van ongeloof. Zij weten dat Jezus de Zoon van God is, zij weten dat omdat niemand een blindgeborene kan genezen behalve God, en niemand een dode kan opwekken behalve God. Zij weten dat omdat Jezus het hen gezegd heeft. Zij hebben daarin een godslastering gezien, maar nu wordt de kern van hun ongeloof blootgelegd. Het is eigenbelang. En vanuit dat eigenbelang, dit “nut”, vanwege hun plaats en positie, nemen zij zich voor om de Zoon van God te doden – en daardoor, op paradoxale wijze, maken zij de profetie waar die Kajafas heeft uitgesproken. Het is wel heel bijzonder om te bedenken hoe God zelfs gebruik maakt van ongeloof. “De koningen van de aarde stellen zich op in de vorsten spannen samen tegen de Heere en tegen Zijn Gezalfde.” Zo hebben Herodes en Pontius Pilatus, joodse leiders en Romeinse soldaten samengespannen. Ze hebben Jezus Christus vermoord. Maar wat is dan het gevolg geweest van dit zich opstellen en samenspannen? “Om alles te doen wat Uw hand en Uw raadsbesluit vantevoren bepaald had dat er gebeuren zou.” (Hand. 4:27, 28)

De beslissing is gevallen. Definitief onttrekt Jezus zich nu aan de Joden en “verkeerde niet meer openlijk” onder hen. “Hij ging vandaar naar het land bij de woestijn, naar een stad die Efraïm heette, en verbleef daar met Zijn discipelen.” (Vers 54; Efraïm is vermoedelijk de stad Efron die genoemd wordt in 2 Kr. 13:19.) Dit is het einde van de openbare verkondiging van Jezus. Het is nu klaar. We horen in vers 55 dat het Paasfeest dichterbij kwam, en dat vele mensen die in de buurt woonden van de stad Efraïm al wat eerder naar Jeruzalem gingen “om zich te reinigen.” Ongeveer een maand voor het Paasfeest was het de bedoeling dat je je voorbereidde met bijzondere offers en met boetedoening om geheel en al gereed te zijn voor het feest. Wat doen deze mensen tijdens deze periode van reiniging en voorbereiding? Dat lezen we dan in vers 56: “Zij dan zochten Jezus.” Omdat ze in Hem geloofden? Nee, omdat ze Hem wilden aangeven bij de overpriesters en de Farizeeën. Die hadden daartoe ook de opdracht gegeven. Daarmee is de situatie geschetst. Jeruzalem is er klaar voor om de Messias te grijpen en te vermoorden. Vele Joden die Hem kenden en Zijn wonderen gezien hadden, nemen nu deze houding van moordzuchtig ongeloof aan. Wat een voorbereiding op het feest van de bevrijding! Terwijl ze de voorgeschreven offers brengen, is er moordlust in hun hart. Zo hebben ze drie weken lang naar Jezus uitgekeken. Maar het is nog niet zover. Jezus zal pas een week voor Zijn kruisiging in Jeruzalem aankomen. Eerst komt Hij aan in Bethanie, en dan vanaf 12:12 lezen we over Zijn intocht in Jeruzalem zelf.