De talenten in het welbekende bijbelverhaal, hebben een andere betekenis dan de middelen die de burger inzet en mobiliseert om zijn overschot en surplus te bereiken. Het bijbelverhaal kan ook niet zinvol worden gebruikt om wat in wezen productiemiddelen zijn van een laag vroomheid te voorzien en nu te gaan aanduiden als geschenken uit de hemel. De talenten in het bijbelverhaal zijn ook zeker geen persoonlijke vaardigheden.
Al deze mogelijkheden constitueren een kapitalistische exegese. Je talenten gebruiken wordt dan geïnterpreteerd volgens de ideologie van de burgerlijkheid: het inzetten van je geld en vaardigheden – talenten – om meer te verwerven leidt tot een surplus, waarmee je overbodige consumptiegoederen kunt aanschaffen om daarvan te genieten – en dat is dan het signaal tegenover anderen van de mate van je succes.
Volgens de kapitalistische exegese wordt alles wat een mens is en kan, inclusief de onmeetbare talenten zoals vriendelijkheid en gastvrijheid, op de manier van productiegoederen gemeten.
De kern van de parabel van de talenten is niet de omgang met de eigen of vreemde kapitaalgoederen. Het vergelijkingspunt ligt natuurlijk wel in de economische sfeer. Net zoals geld moet circuleren om effectief te kunnen zijn en iets tot stand te brengen, zo moeten ook de woorden van het evangelie circuleren om iets tot stand te brengen. Het evangelie moet worden uitgewisseld om te werken.
De talenten die ons zijn toevertrouwd werken echter niet als bevestiging van de keurige burgerlijke orde, maar zijn verstoringen van de normale uitwisseling.
De waarden van het koninkrijk van de hemel staan immers haaks op de waarden van de burgerlijke samenleving. Tegenover de mobilisatie van wat we zijn en kunnen om surplus te bereiken, staat de ideologie van de vrijgevigheid. Het ons vrijelijk geschonken evangelie moet ook vrijelijk en bevrijdend worden doorgegeven