Of God bestaat?
Tegenwerping 1
Het lijkt erop dat God niet bestaat; als God bestaat immers, dan zou Hij oneindig zijn, en dus ook oneindig goed – omdat goed een positieve eigenschap is van het eindige. Maar als God oneindig goed is, dan kan er geen kwaad zijn in de wereld. Nu is er immers overduidelijk kwaad in de wereld, dus moeten we concluderen dat God niet bestaat.
Tegenwerping 2
Als wij de wereld kunnen verklaren, dan doen wij dat door naar de eenvoudige oorzaken en principes te zoeken die voor die verklaring nodig zijn. Het leidt alleen maar tot verwarring, wanneer wij principes en oorzaken aannemen, die voor een verklaring overbodig zijn. Nu blijkt met name in de moderne kosmologie dat alles omtrent het bestaan en de oorsprong van de wereld kan worden verklaard zonder de aanname dat God bestaat. Daaruit moeten we concluderen dat God niet bestaat.
Tegenwerping 3
Als God zou bestaan, dan zou ons menselijk leven erop gericht moeten zijn om in Hem te geloven en te leven volgens Zijn wil. Het is echter overduidelijk dat mensen kunnen leven zonder geloof in Hem, en dat zelfs bij gelovigen het bestaan van God niet de doorslag geeft in het dagelijks leven. Sterker nog, wanneer God zou bestaan, wordt het menselijk leven onverdraaglijk omdat wij dan niet kunnen accepteren dat wij zelf geen God zijn. Immers de mens heeft wel de aangeboren neiging om zelfstandig en onafhankelijk – in volledige vrijheid – te leven. Daaruit moeten wij concluderen dat God niet bestaat.
Tegenwerping 4
Als God bestaat, dan is hij zodanig verheven boven ons denkvermogen, dat wij niet kunnen weten dat God bestaat. Elke vorm van redelijke argumentatie die zou moeten leiden tot de conclusie dat God bestaat, is dan alleen overbodig. Daaruit kunnen wij concluderen dat wij niet kunnen weten dat God bestaat.
Tegenwerping 5
Als God bestaat, dan zou het mogelijk moeten zijn voor het menselijk denkvermogen, om zijn bestaan door argumentatie te ontdekken. Er is echter geen overtuigend argument te leveren dat iedereen met gezond verstand ervan overtuigt dat God bestaat. Het is dus onmogelijk om met een redelijke argumentatie te bepalen of God bestaat of niet, en daaruit kunnen wij concluderen dat God niet bestaat.
In tegendeel, Gods Woord heeft tot ons gezegd: “Want wie tot God komt, moet geloven dat Hij is.” (Hebreeën 11:6)
Ik antwoord: het geloof in het bestaan van God kan redelijk worden onderbouwd. Niet door middel van bewijzen, maar door middel van redelijke argumenten die de overtuiging dat God bestaat kunnen onderbouwen.
Er zijn zeven argumenten te geven voor de overtuiging dat God bestaat.
Het eerste argument verloopt als volgt. In onze kennis van het universum, zijn alle objecten eindig en contingent, omdat ze niet uit zichzelf noodzakelijk zijn. Alle objecten in het universum behoeven dus een verklaring omtrent hun bestaan, bijvoorbeeld door het aanwijzen van een oorzaak van hun bestaan.
Ook het geheel van alle eindige objecten, het universum zelf, is contingent en eindig, en daarom niet uit zichzelf noodzakelijk. Ook het universum als geheel behoeft dus een verklaring omtrent zijn bestaan.
De verklaring van het bestaan van het universum als geheel moet dus iets aanwijzen als grond of oorzaak of een reden van het bestaan, dat zelfs niet een deel van dat universum uitmaakt. Logisch gesproken, moet in deze verklaring van het bestaan van het universum als geheel iets worden aangewezen, dat wel uit zichzelf noodzakelijk is en daarom zelf geen verklaring behoeft omtrent het eigen bestaan, behalve dat eigen bestaan zelf. Daaruit kunnen wij concluderen dat God bestaat en dat Hij de uiteindelijke verklaring is van het bestaan van het universum.
Het tweede argument verloopt als volgt. Ook het universum als geheel is ooit begonnen te bestaan. Het universum is immers de gehele tijd-ruimte waarin alles wat bestaat, zijn bestaan heeft. Deze tijdruimte is niet oneindig naar het verleden toe, maar begon ooit te bestaan, zoals we weten van de moderne kosmologie.
Maar alles wat begonnen is te bestaan, moet een oorzaak of grond of reden hebben waardoor het begon te bestaan. Anders moeten we aannemen dat het universum, hoewel het eindig is, uit zichzelf noodzakelijk is, wat duidelijk absurd is. Deze oorzaak kan zelf geen deel uitmaken van het universum, omdat de verklaring van het universum als geheel, niet het universum als geheel zelf kan zijn. Dat zou immers leiden tot een tautologie: wat verklaring behoeft kan zelf niet de verklaring zijn. Het universum bestaat dus niet uit zichzelf noodzakelijk. Daarom moet het universum een oorzaak hebben, die zelf geen deel is van het universum. En omdat het universum het geheel van de fysische werkelijkheid omvat, kan de oorzaak van het universum zelf niet van fysische aard zijn, en daarom kan deze oorzaak ook niet ooit begonnen zijn te bestaan. Immers, als zij ooit begonnen is te bestaan, is zij per definitie een deel van het universum. Daaruit moeten we concluderen dat God bestaat en dat hij de niet-fysische oorzaak is waardoor het universum ooit begonnen is te bestaan.
Het derde argument verloopt als volgt. In de moderne fysica wordt gezocht naar wiskundige modellen die overeenstemmen met observaties in de fysische wereld. Keer op keer wordt ontdekt, dat deze wiskundige modellen haarscherp aansluiten bij de geobserveerde realiteit. Maar wiskundige modellen zijn geen beschrijvingen van de realiteit, maar alleen nuttige constructies in de menselijke geest. Als God niet bestaat, dan is de toepasbaarheid van deze wiskundige modellen uiteindelijk alleen toeval. Maar de toepasbaarheid van wiskundige modellen, gezien de accuraatheid en zekerheid van hun toepassing, is geen toeval te noemen. Daaruit kunnen we concluderen dat God bestaat en dat de wiskunde niet toevallig de taal van het universum is, maar uit de geest van God zelf voortkomt.
Het vierde argument verloopt als volgt. Sinds de Big Bang waarin het bekende universum ontstond, zijn er constanten die de werking van alle natuurwetten bepalen. Zo’n constante is bijvoorbeeld de zwaartekracht, die overal in het universum dezelfde waarde heeft. Een dergelijke constante is ook de entropie waaraan alle fysische systemen onderhevig zijn. Wanneer een van deze constanten een minimale verandering ondergaat, zou het leven in het universum onmogelijk zijn. Voor deze “fijnregeling” van het universum zijn drie mogelijke verklaringen. In de eerste plaats zouden we kunnen denken aan een of andere fysische noodzakelijkheid. Dat is echter uitgesloten, omdat deze constanten voor dit universum gelden, onafhankelijk van de natuurwetten. Die kunnen variëren, terwijl deze constanten hetzelfde zijn. In de tweede plaats zou het bestaan van deze constanten zuiver toeval kunnen zijn. De kans echter dat in ons universum deze constanten precies zo zijn en niet anders, is mathematisch gezien oneindig klein. Die kans wordt groter, als we aannemen dat er een oneindig aantal universa bestaan. Dan is de kans groot dat een van die universa precies deze constante waarden heeft. Het bestaan van een oneindig aantal universa is echter tot op heden niet bewezen. De derde en enig overgebleven mogelijkheid is, dat de “fijnregeling” van het universum een gevolg is van een bewust ontwerp van het universum. Daaruit kunnen wij concluderen, dat er een Ontwerper van het universum bestaat en bijgevolg dat God bestaat.
Het vijfde argument verloopt als volgt. Wanneer God niet bestaat, zouden wij allen veroordeeld zijn tot het solipsisme. Het solipsisme zegt dat ik het enige werkelijke bewustzijn ben, en berust op de ervaring dat ik alleen mijn eigen bewustzijn ken maar op grond daarvan niet in staat ben om te weten dat er andere bewustzijns in deze wereld bestaan. Ik kan niet bewijzen dat andere mensen ook bewustzijn hebben en ik heb daar ook geen rechtstreeks bewustzijn van. Ik leef echter met volledige en absolute zekerheid over de geestelijke status van andere mensen in de praktijk van alledag. Zoals ik weet heb over mijn eigen intenties en bewuste gedachten, zo blijkt keer op keer de aanname dat andere mensen ook vanuit het bewustzijn en eigen intenties denken en handelen bevestigd te worden. Als God niet bestaat, heb ik echter geen enkele grond om het bestaan van andere bewustzijns aan te nemen. Mijn ervaring van het gedrag van andere mensen en mijn zekerheid omtrent hun intenties kan dus principieel foutief zijn. Als God bestaat, is het echter volkomen vanzelfsprekend dat niet alleen mijn bewustzijn, maar ook het bewustzijn van andere mensen in de werkelijkheid bestaat. Terwijl het tevens begrijpelijk is dat ik vanuit mijn eigen bewustzijn het bestaan van andere bewustzijns niet kan kennen. Op grond van de ervaring dat het solipsisme in de praktijk van alledag door mij steeds succesvol wordt geloochend, kan ik afleiden dat het redelijk is om aan te nemen dat er een scheppende God bestaat die zowel de oorzaak van mijn bewustzijn als dat van andere bewustzijns is.
Het zesde argument verloopt als volgt. In mijn omgang met mensen op grond van morele normen en waarden, ontdek ik dat er objectieve morele plichten zijn. Wanneer God niet bestaat, zijn er voor de mens alleen maar relatief morele plichten, die afhankelijk zijn van bijvoorbeeld mijn eigen voorkeur, of het maximaliseren van mijn genot, of – en dan onbewust – het doorgeven van DNA of het overleven van de soort en dergelijke biologische argumenten. Ik ervaar echter bepaalde waarden, zoals het niet doden van andere mensen, het geen pijn doen aan andere levende wezens, als absolute morele waarden en plichten. Wanneer ik de objectiviteit en absoluutheid van deze morele waarden ontken, zou ik met mijn eigen levenservaring in contradictie leven. Wanneer ik echter aanneem, dat God bestaat, dan zijn er ook objectieve en absolute morele waarden. De aanname dat God bestaat leidt dus tot een harmonie tussen mijn ervaring van absolute waarden en de realiteit. Daaruit kan ik concluderen dat God bestaat en dat Hij de grondslag is van de objectiviteit van morele waarden.
Het zevende argument verloopt als volgt. Het is mogelijk – denkbaar zonder logische tegenspraak – dat een wezen werkelijk bestaat dat maximaal volmaakt is en dus elke perfectie heeft die er maar kan zijn. Als dat wezen werkelijk is in een of andere mogelijke wereld, dan is hij werkelijk in elke mogelijke wereld. Maar als hij mogelijk is in elke mogelijke wereld, dan is hij ook mogelijk in de feitelijke wereld. Elke feitelijke wereld is immers tenminste ook een mogelijke wereld. Daaruit kan ik concluderen dat God bestaat als het maximaal volmaakte wezen in onze feitelijke werkelijkheid.
Antwoord tegenwerping 1
Omdat God het Goede is, zal Hij zeker geen enkel kwaad in zijn schepping toelaten, tenzij Zijn almachtige goedheid met zich meebrengt, dat Hij in staat is uiteindelijk uit het kwade het Goede voort te brengen. Het is juist een deel van de oneindige goedheid van God, dat Hij het kwade toelaat te bestaan, om er uiteindelijk het hoogste Goede uit voort te brengen. Door niet in te grijpen in het handelen van mensen, laat Hij de mens vrij voor zichzelf zijn bestaan te kiezen. Die vrijheid kent in het bestel van de schepping dus een prijs. Wanneer mensen vrijelijk handelen in tegenspraak tot het goede, dan laat God dat voor een bepaalde tijd en tot op zekere hoogte toe om er uiteindelijk het goede uit voort te brengen.
Antwoord tegenwerping 2
Het bestaan en de aard van het universum kunnen zeker worden verklaard zonder de aanname dat God bestaat. De reden daarvan is dat God het universum heeft geschapen als een zelfstandige, buiten Hem bestaande werkelijkheid. De verklaring van het universum in zoverre het een begin in de tijd heeft gehad, en niet uit zichzelf noodzakelijk is, ligt echter niet binnen de moderne kosmologie, omdat die vraag de grenzen van het menselijk weten overstijgt. Wat mogelijk is, is dat er een mathematisch model wordt ontwikkeld, in overeenstemming met observaties, waarin met een eerste oorzaak geen rekening wordt gehouden. Bijvoorbeeld in de poging om imaginaire tijd te gebruiken om te vermijden dat er naar een antecedente – dus een voorafgaande oorzaak in een tijd, die er nog niet was – oorzaak wordt gezocht – zoals Stephen Hawking heeft betoogd. Het metafysische antwoord op de vraag naar de reden en oorzaak van het bestaan van het universum, is daarmee echter niet weerlegd.
Antwoord tegenwerping 3
Juist omdat de mens een innerlijk streven heeft naar volstrekte zelfstandigheid en onafhankelijkheid, is zijn geest en verstand verduisterd voor de erkenning van het bestaan van God. Daarom zal de mens het inderdaad niet verdragen te moeten erkennen dat God bestaat. Daarom kan ook niet worden gezegd dat alle mensen werkelijk streven naar kennis van God. De uiteindelijke oorzaak van het geloof in God is dan ook niet het redelijk argument, maar een verandering van deze menselijke houding. Het geloof dat door God wordt geschonken, en alleen maar afhangt van zijn gever, bewerkt het opgeven van dit streven naar zuivere zelfstandigheid en onafhankelijkheid, en leert de mens zijn hart te buigen voor een God die hem in liefde en goedheid benadert.
Antwoord tegenwerping 4 en 5
Deze tegenwerpingen zijn al beantwoord in de tekst.