Johannes (72) – De aankondiging van de Trooster

Joh. 14:12-20

Na het schokkende bericht dat Jezus van hen zal weggaan en de even schokkende aankondiging van de verloochening door Petrus, geeft Jezus eerst vier troostende woorden aan Zijn discipelen. Twee ervan hebben we in het vorige hoofdstuk al besproken. Het eerste was: Jezus is God Zelf. “U gelooft in God, gelooft ook in Mij.” Het tweede was de aankondiging van het Vaderhuis met zijn vele woningen. Hoewel het heden voor de discipelen onzeker was, konden ze er volstrekt zeker van zijn dat ze ooit zouden aankomen, waar hun Heere naar toe ging. Dan “kom Ik terug en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben.” (Vers 3)

Het derde troostwoord vinden we in vers 12. Voor de discipelen zou het vertrek van Jezus niet betekenen, dat zij krachteloos zouden achterblijven. Speciaal voor de apostelen geldt, dat zij “de werken die Ik doe, ook [zullen] doen”, ja zelfs “grotere” dan deze. Zo lezen we dat ook in het boek Handelingen. Het vierde troostwoord vinden we in vers 13 en 14. Het is de belofte dat alles wat de discipelen zullen vragen in de Naam van Christus, gedaan zal worden. Met het doel dat “de Vader in de Zoon verheerlijkt zal worden.” Niet elk verzoek dus wordt ingewilligd, maar elke bede wordt verhoord die werkelijk in Zijn Naam wordt gebeden, en die deze verheerlijking tot doel heeft. Vers 14 geeft dan de korte vorm van deze belofte: “Als u iets vragen zult in Mijn Naam, Ik zal het doen.”

Daarmee komen we aan het vijfde, zeer uitgebreide troostwoord. Dit is de aankondiging van de komst van de Trooster Zelf, de Heilige Geest. Het gedeelte begint echter met het algemene beginsel dat de achtergrond vormt van de komst van de Heilige Geest. “Als u Mij liefhebt, neem dan Mijn geboden in acht.” Dat zelfde beginsel komt aan de orde in vers 21, 23, 24, en in 15:10, 14. De belofte van de Heilige Geest die nu volgt, heeft dus in de eerste plaats betrekking op mensen die liefde koesteren voor de Heere Jezus. Dat is de conditie voor alles wat volgt. De enige test van deze liefde is de gehoorzaamheid. Het gaat dus niet om wat je zegt, of om het zingen van mooie liederen. Wie Hem liefheeft, neemt Zijn geboden in acht. Het zichtbare effect uiteindelijk van deze liefde is dus het gehoorzamen aan de geboden van de Heere.

Johannes zegt dat ook in zijn brief. “Dit is de liefde tot God, dat wij Zijn geboden in acht nemen; en Zijn geboden zijn geen zware last.” (1 Joh. 5:3) “Wie niet liefheeft, kent God niet”, zegt Johannes ook in 1 Joh. 4:8. En dat is een liefde niet met het woord of met de tong, maar “met de daad en in waarheid.” (1 Joh. 3:18) Maar wat is dan dit gebod? Misschien wel in de allereerste plaats wat we ook in deze eerste brief van Johannes lezen en wat we ook in het volgende hoofdstuk van het evangelie naar Johannes zullen vinden, namelijk: “En dit gebod hebben wij van Hem, dat wie God liefheeft, ook zijn broeder moeten liefhebben.” (1 Joh. 4:21) En minstens daaraan gelijk uiteraard, het gebod in Hem te geloven waarmee hoofdstuk 14 van Johannes ook begint. Zonder dat geloof, is er geen liefde tot God en dan ook geen liefde tot de broeder.

Twee dingen moeten hier meteen bij gezegd worden. In de eerste plaats is het ook denkbaar dat de liefde voor de Heere zich uit op andere wijze. Zo kun je het verdriet van de discipelen over het heengaan van Jezus als een bewijs van hun liefde zien. Toen Jezus Lazarus uit de dood opwekte, was ook Hij vol tranen. En wat zeggen de joodse vrienden van Maria en Martha dan? “Ziet hoezeer Hij hem liefhad!” De overmoedige belofte van Petrus dat hij Jezus zal volgen en zijn leven voor Hem zal geven, kun je ook als een uiting van liefde zien. Het wordt hier wel duidelijk, dat de ware liefde voor Jezus niet in die emotionele reacties of ervaringen besloten ligt, maar wel in de gehoorzaamheid aan Zijn woorden. Omgekeerd is het natuurlijk ook zo, dat iemand die zich ergert aan Jezus of Hem negeert in zijn leven, Jezus in het geheel niet liefheeft.

Het tweede dat hier gezegd moet worden heeft te maken met de algemene vorm van de christelijke ethiek. De christelijke ethiek begint niet met de geboden, en legt geen stelsel van gedragsregels op om daarna pas te spreken over de liefde voor Jezus. We vinden in het Nieuwe Testament een zeer groot aantal gedragsregels; meer dan 1000 maal vinden we een gebiedende wijs specifiek gericht aan gelovigen. Maar het uitgangspunt van de gehoorzaamheid is niet het gebod op zichzelf. Zoals Paulus duidelijk maakt is het gebod op zich wel heilig en goed, maar: “de zonde heeft door het gebod een aanleiding gevonden en in mij allerlei begeerte teweeggebracht, want zonder de wet is de zonde dood.” (Paulus legt dit algemene beginsel uit in Rom. 7:8, met behulp van het voorbeeld van het 10e gebod, “U zult niet begeren.”) Alles wat eenvoudigweg de vorm heeft van een extern gebod leidt ertoe dat bij mij de begeerte wordt opgewekt om dat gebod overtreden, en mijn verstand zal vervolgens proberen om mij van de schuld vrij te pleiten door allerlei uitvluchten te bedenken. De christelijke ethiek begint anders, namelijk met de dankbare liefde en eerbied voor Jezus Christus die op natuurlijke wijze resulteert in de gehoorzaamheid aan Hem. Maar de Christelijke ethiek zal vervolgens ook moeten spreken over de kracht van de Heilige Geest die het ons mogelijk maakt om deze gehoorzaamheid te volbrengen, immers wij zijn “geschapen in Christus Jezus om goede werken te doen, die God van tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.” (Ef. 2:10) Onze goedheid en rechtvaardigheid is een vrucht van de Geest, zoals Paulus zegt in Ef. 5:9. Een christelijke levenswandel behelst een toewijding van ons praktische leven  – onze “lichamen”- aan God als “een levend offer, heilig en voor God welbehaaglijk.” Het berust op een innerlijke verandering, een vernieuwing van onze gezindheid, zodat we in staat zijn te begrijpen wat “de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is.” (Rom. 12:1, 2)

Maar waar komt deze innerlijke verandering en vernieuwing dan vandaan? Ze is gewerkt door de heilige Geest. Voor degenen die Hem liefhebben, en dat laten blijken uit de gehoorzaamheid aan Zijn geboden geeft Jezus in vers 16 deze belofte: “Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een andere Trooster geven.” Wat betekent hier het woord Trooster? Het is de vertaling van het Griekse woord paraklètos, dat zowel met Helper als met Trooster kan worden vertaald. Daar zit een woordspeling in. De discipelen hebben een trooster nodig, en dan zegt Jezus dat Hij een paracleet zal zenden, een Helper. De Heilige Geest wordt er bij – Grieks: parageroepen – Grieks: kleitos. En dan is er nog een element in het Grieks dat we hier moeten begrijpen. Jezus spreekt in vers 1:16 over een “andere” Trooster. Nu kent het Grieks twee verschillende woorden voor “ander”. Het ene woord, heteros, betekent een ander of iets anders dat er op lijkt. Als ik het heb over mijn leesbril dan is die anders dan mijn gewone bril. Het is in die zin een andere bril. Een “andere” bril omdat ze wel op elkaar lijken maar niet hetzelfde zijn. En dan kan ik het woord heteros gebruiken. Maar als ik het woord allos gebruik dan bedoel ik iets wat in alle opzichten hetzelfde is. De Trooster die Jezus hier in het vooruitzicht stelt, is op geen enkele manier te onderscheiden van Jezus zelf. Ook de Heilige Geest is God Zelf, spreekt dezelfde woorden, heeft hetzelfde doel, heeft dezelfde “waardigheid” omdat de Geest de volledige representant is van Vader en Zoon. Johannes gebruikt hetzelfde woord parakleitos ook voor Jezus zelf, maar dan wordt het vertaald met voorspraak, “wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de rechtvaardige.” (1 Joh. 2:1) Jezus is de oorspronkelijke Helper en Trooster. Zoals Jezus in deze afgelopen drie jaren voor de discipelen een paracleet geweest is – Hij is met hen opgetrokken, Hij heeft hen geholpen, Hij heeft hen getroost, Hij heeft hen in de waarheid ingeleid – zo zal de Heilige Geest hun Metgezel en Helper en Trooster en de Verkondiger van de waarheid zijn. Dat betekent dus niet dat de gelovigen nu over twee verschillende Troosters beschikken, maar het betekent dat Jezus en de Heilige Geest in essentie één en dezelfde Trooster zijn.

De Trooster die Jezus zou zenden is volgens vers 17 de “Geest van de waarheid.” Deze Geest wordt gezonden in de Naam van Christus, door God de Vader. Zo leert ons vers 26. En hoewel deze Geest dezelfde Waarheid en waardigheid heeft als Jezus Zelf, is deze Geest er vooral op gericht om naar Jezus Christus te verwijzen. Onderwijs is de voornaamste functie van de Geest. De Geest is niet alleen maar de Waarheid – en herinner je dat Jezus Zichzelf de Waarheid heeft genoemd – maar Hij onderwijst ook in de Waarheid. De Geest onderwijst dus in alle dingen die van Jezus Christus zijn. Zoals we lezen in het tweede deel van vers 26: “Die zal u in alles onderwijzen en u in herinnering brengen alles wat Ik u gezegd heb.” Dit is de Geest over Wie Jezus zegt: “Die zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het Mijne nemen en het u verkondigen.” (Joh. 16:14)

Hoe zit het dan met de rest van de wereld? Vers 17 zegt over de Geest, dat “de wereld [Die] niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet, maar u kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn.” De wereld is niet bij machte om de Heilige Geest te zien net zomin als de wereld het vermogen had om Jezus Christus te begrijpen en te erkennen. In Johannes 8:45 zegt Jezus: “Maar Mij, omdat Ik de waarheid spreek, Mij gelooft u niet.” De waarheid die door de Geest wordt gesproken, dezelfde waarheid die door Jezus werd gesproken, ligt buiten het vermogen van de natuurlijke mens. Want Hij is “een Mens Die de waarheid tot u gesproken heeft, die Ik van God gehoord heb.” (Joh. 8:40) Omdat de mensen het licht schuwen dat hen zou kunnen veroordelen, daarom komen zij niet tot het licht. Omdat zij de wil niet zoeken van God, leren zij die wil ook niet kennen. Daarom kan Paulus schrijven dat “wij niet ontvangen hebben de geest van de wereld, maar de Geest Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen die ons door Gods genade geschonken zijn.” En daarvan spreken wij dus ook, buiten de menselijke wijsheid om,” met woorden die de Heilige Geest ons leert, om geestelijke dingen met geestelijke dingen te vergelijken.” Voor iemand uit de wereld moeten al deze dingen dwaasheid zijn, en “hij kan ze ook niet leren kennen, omdat ze geestelijk beoordeeld worden.” (1 Kor. 2:12-14) We moeten ons niet laten ontmoedigen door de enorme hoeveelheid tegenspraak tegen het evangelie die we in onze tijd meemaken. In plaats daarvan moeten wij leren vasthouden aan de waarheid die door de Heilige Geest aan ons betuigd wordt.

Waarom spreekt de Heere hier meteen over het ongeloof van de wereld? Je zou kunnen denken dat de discipelen nu weer dreigen door te slaan naar de andere kant. Ze hebben te horen gekregen dat zij nog grotere werken zullen doen dan de werken die de Heere Jezus gedaan heeft. (Vers 12) Nu horen ze dat de Heilige Geest bij hen zal blijven en in hen zal zijn. Op dat moment zullen ze even gedacht hebben dat de overwinning die bij Jezus nog op zich laat wachten, dan misschien bij hen zal beginnen. Misschien dat daarom zo nadrukkelijk wordt verwezen naar het onvermogen van de wereld om deze Geest ontvangen. Het ongeloof tegenover Jezus zet zich voort in het ongeloof tegenover de plaatsvervanger van Jezus, de Heilige Geest. De discipelen moeten beseffen dat de wereld hen zal haten – Joh. 15:18, 19. Zij zullen vrede hebben in Christus, maar in de wereld verdrukking – Joh. 16:33. De discipelen gaan dus van wanhoop naar een overmatig enthousiasme dat nu hier weer enigszins wordt getemperd.

Dan is er een tweede belofte. Een tweede grote zegen in het leven van de discipelen. En dat is de belofte dat Jezus zal terugkeren. Welke terugkeer heeft Johannes hier op het oog? Het lijkt mij dat dit een uitwerking is van de belofte over de Heilige Geest. In vers 19 lezen we: “nog een korte tijd en de wereld zal Mij niet meer zien” – want Jezus zal sterven en na Zijn opstanding nog alleen maar verschijnen aan de discipelen – “maar u zult Mij zien.” Wanneer zal dat dan gebeuren? Is dat bij de uiteindelijke Wederkeer van Jezus? Maar die zou niet onmiddellijk plaatsvinden. En bij zijn Wederkeer is het juist de wereld die Hem nu eindelijk als de definitieve Rechter zal zien. Ik denk dat de discipelen Jezus zullen zien na Zijn Hemelvaart met het oog van het geloof in de kracht van de Heilige Geest. Dit is nog niet de belofte van het letterlijke zien, maar de belofte van het geestelijke zien. Daarom wordt er gezegd in vers 20 – en dat slaat dan volgens mij op de komst van de Heilige Geest – “Op die dag zult u inzien dat Ik in Mijn Vader ben, en u in Mij, en Ik in u.” En deze eenheid van Vader en Zoon, de eenheid van de discipelen met Jezus, en van Jezus’ innerlijke aanwezigheid bij de discipelen, dat alles is een omschrijving van het krachtige werk van de Heilige Geest. Wanneer in vers 23 gesproken wordt over het “intrek nemen” van de Vader met de Zoon, denk ik eveneens dat dat verbonden is met de aanwezigheid van de Heilige Geest in de gelovige.

Het is een ongelofelijk mooie waarheid, die specifiek hoort bij het Nieuwe Verbond. Onder de oude bedeling van de wet, kon de Geest aanwezig zijn, kracht geven, iemand bijstaan, op iemand vallen en rusten maar niet in de gelovige Zijn intrek nemen en wonen. Dat is een uitdrukking die uitsluitend toekomt aan de gelovigen in Christus. Alleen hadden de profeten het wel aangekondigd zoals bijvoorbeeld in Ezechiël: “Ik zal Mijn Geest in uw binnenste geven.” En wat is daarvan dan het gevolg? “Ik zal maken dat u in Mijn verordeningen wandelt en dat u Mijn bepalingen in acht neemt en ze houdt.” (Ez. 36:27) Het is de Geest die de gehoorzaamheid mogelijk maakt. En dan ook in het volgende hoofdstuk: “Ik zal Mijn Geest in u geven, u zult tot leven komen.” (Ez. 37:14) Dat alles wees vooruit naar de tijd van de Messias. Want deze profetie is in ons vervuld, zoals Johannes schrijft in zijn eerste brief: “Hieraan weten wij dat wij in Hem blijven en Hij in ons, doordat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft.” (1 Joh. 4:13) En terwijl Johannes benadrukt dat deze waarheid geldt voor een ieder van ons persoonlijk, spreekt Paulus over de aanwezigheid van de Heilige Geest in de gemeente: “op Wie” – dat is Christus – “ook u mede gebouwd wordt tot een woning van God, in de Geest.” Het fundament is Christus, en niemand kan een ander fundament leggen. Het gebouw is natuurlijk niet het kerkgebouw, maar een geestelijk gebouw, dat bestaat uit mensen, levende stenen. Zodat we mogen zeggen dat in de gemeente van Christus – wanneer zij gebouwd is op het fundament van de apostelen en profeten, en wanneer Jezus Christus daarvan de hoeksteen is – de Heilige Geest ook werkelijk woont.