Joh. 14:27
Het woord “vrede” wordt makkelijk uitgesproken, maar de realiteit is moeilijk te bereiken. Hoewel mensen voortdurend zich inspannen om vrede te bereiken, lijkt vrede in onze dagen verder weg dan ooit. Dat geldt voor de wereld als geheel, een wereld die in de laatste 3,500 jaar minder dan 300 jaar van vrede heeft gekend. Maar het ontbreken van vrede ligt op elk niveau en in elke context. Vrede ontbreekt in het persoonlijke leven, in het leven van families en gezinnen, in kleine gemeenschappen, bij volkeren en tussen de naties. Overal kun je vaststellen dat werkelijke vrede ontbreekt. En vaak gebruiken we het woord vrede dan ook maar in de laagst mogelijke betekenis, namelijk van het uitblijven van openbare conflicten. Een huwelijk heeft vrede wanneer de ouders vanwege de kinderen toch maar te sluiten bij elkaar te blijven, ondanks het feit dat ze elkaar onderling haten. De gemeenschap heeft vrede, omdat men zich mokkend neerlegde bij compromissen waar niemand tevreden mee is. Een volk heeft vrede, wanneer het geweld beperkt blijft tot een enkele felle demonstratie of harde woorden in het parlement. Naties hebben vrede wanneer ze elkaar niet met militaire macht bestrijden, maar alleen nog met economische strategieën proberen de overhand te krijgen.
Als er maar een ogenblik van rust is in de lange geschiedenis van gewapend conflict, noemen we dat vrede. In het Oude Testament kennen we het woord sjaloom. We vertalen dat woord altijd met vrede. Het is sinds het boek Richteren de normale groet tussen joden. Maar het betekent niet wat het woord vrede bij ons betekent. Het is de uitdrukking van de wens dat een ander alles zal ontvangen wat goed is, wat gezegend is, wat tevredenheid en vervulling brengen kan. Het is niet alleen maar de afwezigheid van wat ons verstoort, maar juist de aanwezigheid van wat ons zegent en compleet maakt.
Vers 27 spreekt over Gods vrede:” Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u.” Deze vrede is een gave, een geschenk. Welke vrede is dat? Het is in de eerste plaats een vrede met God. Kijk maar naar Rom. 5:1, waar we lezen: “Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede bij (met) God.” Dat is de eerste betekenis van Gods vrede. Omdat Christus onze zonden heeft gedragen aan het kruis, en is opgewekt voor onze rechtvaardiging, zijn wij door God rechtvaardig verklaard, vrijgesproken van alle zonde en schuld. Op grond van het werk van Christus aan het kruis hebben wij nu vrede met God. Daarom voegt Paulus er ook meteen aan toe: “… hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus.” Zonder Christus geen vrede met God. Daarom noemt Hij deze vrede: “Mijn Vrede.” Dat is dus de vrede bij en met God. En daarom heet het evangelie in Ef. 6:15 “het Evangelie van de vrede.”
Waarom wordt nu het woord vrede – Grieks: eirènè, Hebreeuws: sjaloom – gebruikt? Omdat wij deze rechtvaardiging ontvangen hebben, met God verzoend zijn, “toen wij vijanden waren.” (Rom. 5:10) Er was geen vrede tussen God en de mens. Wij leefden in opstand tegen onze rechtmatige Eigenaar, tegen onze Schepper. Met heel ons natuurlijke leven vielen wij onder het rechtvaardige oordeel van God over de zonde. Over ons moest worden gezegd: “en de weg van de vrede hebben zij niet gekend.” (Rom. 3:17) In die natuurlijke staat hebben wij God gehaat, en omdat wij in vriendschap leefden met de wereld die de vijand van God is, waren ook wij vijanden van God. (vgl. Jac. 4:4) Maar nu mogen we zeggen dat wij met God verzoend zijn door het bloed van de Heere Jezus Christus. Christus heeft onze plaats ingenomen in het oordeel, en zo heeft Hij onze zonde en schuld gedragen, en is Hij onze dood gestorven.
Gods vrede heeft dus in de eerste plaats te maken met onze nieuwe relatie tegenover God. De vrede is getekend, de vijandigheid is niet meer aanwezig. Maar dat is niet alles. Gods vrede is niet alleen maar de afwezigheid van de vijandschap of de bevrijding uit het oordeel. Er is ook nog een innerlijke, subjectieve kant van deze vrede. Wat is het koninkrijk van God? Het is “gerechtigheid en vrede en blijdschap in de Heilige Geest.” De vrede die wij innerlijk ontvangen is niet maar alleen een feitelijk situatie van vrede, al is het ook geen gevoel binnen onszelf. Er is een innerlijke vrede. Maar die komt niet uit onze gevoelswereld vandaan. Wij ervaren het wel innerlijk, maar het is niet ónze vrede, maar het blijft Zijn vrede. Alleen de Heilige Geest vermag dat: ons een innerlijke beleving en ervaring te geven van iets wat eigenlijk alleen maar innerlijk toebehoort aan de Heere Jezus Christus. Wij ervaren innerlijk de vrede van Christus. Welke vrede is dat? We moeten ons herinneren dat Hij deze woorden spreekt aan de vooravond van Zijn kruisiging en sterven. Deze vrede is verbonden met Zijn volledige overgave aan de Vader, het vertrouwen dat Hij in God heeft gesteld. Vrede is verbonden met vertrouwen. Zo lezen we dat ook in Jesaja 26:3, “U” – dat is God – “zult volkomen vrede bewaren, want men heeft op U vertrouwd.” Vrede is het geschenk aan het vertrouwen.
Gods vrede is dus de afwezigheid van vijandschap, de verzoening met God. Dat is de objectieve betekenis. Gods vrede is dan ook gerechtigheid en blijdschap in de Heilige Geest. Dat is de subjectieve betekenis. Maar dan is Gods vrede ook nog eens iets wat wij mogen najagen en bevorderen in de gemeente. “Laten wij dus najagen wat de vrede en de onderlinge opbouw bevordert.” ( Rom. 14:19) Dat is de collectieve betekenis van vrede. Vandaar de oproep van Paulus: “leef in vrede met elkaar.” (1 Thess. 5:13b) En in diezelfde brief zegt Paulus: “En moge de God van de vrede Zelf u geheel en al heiligen.” (1 Thess. 5:23) En zo zegt Paulus ook in de tweede brief aan deze gemeente: “Moge de Heere van de vrede Zelf u voortdurend vrede geven op allerlei wijze.” (2 Thess. 3:16) Vrede ontvangen wij; Zijn vrede ervaren wij. Maar er is meer. Er is ook een vrede die wij onderling moeten bevorderen en handhaven; er is een vrede in de gemeente waarom wij mogen bidden, die we mogen beoefenen en najagen en die de Heere ons ook schenken wil.
Het is niet vreemd dat wij eerst horen dat wij vrede hebben ontvangen en vervolgens worden opgeroepen om die vrede ook te beoefenen. De imperatief volgt de indicatief. Het gebod is een uitvloeisel van een realiteit die God zelf tot stand heeft gebracht. Wij krijgen het gebod om vrede te beoefenen, op grond van Gods vrede, in de stijl van Gods vrede, met als doel de verheerlijking van Gods vrede. Net zoals de opdracht om elkaar te vergeven berust op het feit dat God in Christus ons vergeven heeft. “Zoekt de vrede en jaagt die na.” (Ps. 34:14) Wat houdt dat in? Dat legt Petrus uit: “zijn tong weerhouden van het kwaad, en zijn lippen van het spreken van bedrog, […] zich afkeren van het kwaad en het goede doen.” (1 Pe. 3:10, 11) En Paulus roept ons op in de brief aan de gemeente van Kolosse: “En laat de vrede van God heersen in uw harten, waartoe u ook in één lichaam geroepen bent.”
De vrede die wij dan ontvangen, die wij mogen beoefenen en waarom wij mogen bidden is niet de vrede van de wereld. “Niet zoals de wereld die geeft, geef Ik die u.” Deze vrede van God kan niet worden gevonden in de menselijke wereld. Deze vrede is niet oppervlakkig en tijdelijk en berust niet op onze gevoelens, ideeën of handelingen. De vrede in de wereld is het product van onwetendheid of van toeval. Wat lijkt op vrede is in werkelijkheid een onderbreking van het geweld, of een toedekking van het conflict. Je kunt denken vrede met God te hebben terwijl dat alleen maar berust op een uitgeblust geweten dat de zonde niet meer kan waarnemen. Mensen in deze wereld kunnen denken dat ze vrede hebben, terwijl dat eerder voortkomt uit de onwetendheid van hun werkelijke situatie, dan dat ze die vrede daadwerkelijk ontvangen hebben. “Er is geen vrede voor de goddelozen” – Jesaja 48:22. “De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede!” – Jesaja 57:21. De valse profeten roepen: “Vrede, vrede! Maar er is geen vrede.” – Jeremia 6:14.
Hoe verkrijgen we dus deze vrede? In de eerste plaats door de rechtvaardiging. God heeft zich met ons verzoend. In de tweede plaats door gehoorzaamheid, door de vrede na te jagen. Maar in de derde plaats krijgen we deze vrede alleen maar door geloof. We lazen dat al in Jesaja 26. God bewaart voor ons de vrede omdat wij op Hem vertrouwen. Een perfecte vrede is het gevolg van een perfect vertrouwen. Hoe meer wij over God nadenken, over Zijn daden, Zijn belofte, en hoe meer Gods woord in ons hart leeft, des te groter is ons geloof. Maar dan zal ook onze vrede met Hem toenemen. Want dan is er nog tenslotte deze belofte. Als ons hart onrustig wordt en bezorgd is, en vervuld raakt van allerlei verlangens, dan roept Paulus ons op om dat alles door bidden en smeken met dankzegging bekend te maken bij God. En dan is er een belofte, die aan dit bidden en smeken verbonden is: “en de vrede van God, die alle begrip te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten bewaken in Christus Jezus.” (Fil. 4:7) Dat is de volle omvang van Zijn vrede.

