Johannes (73) – Mijn Vrede geef Ik u…

Joh. 14:27

Het woord “vrede” wordt makkelijk uitgesproken, maar de realiteit is moeilijk te bereiken. Hoewel mensen voortdurend zich inspannen om vrede te bereiken, lijkt vrede in onze dagen verder weg dan ooit. Dat geldt voor de wereld als geheel, een wereld die in de laatste 3,500 jaar minder dan 300 jaar van vrede heeft gekend. Maar het ontbreken van vrede ligt op elk niveau en in elke context. Vrede ontbreekt in het persoonlijke leven, in het leven van families en gezinnen, in kleine gemeenschappen, bij volkeren en tussen de naties. Overal kun je vaststellen dat werkelijke vrede ontbreekt. En vaak gebruiken we het woord vrede dan ook maar in de laagst mogelijke betekenis, namelijk van het uitblijven van openbare conflicten. Een huwelijk heeft vrede wanneer de ouders vanwege de kinderen toch maar te sluiten bij elkaar te blijven, ondanks het feit dat ze elkaar onderling haten. De gemeenschap heeft vrede, omdat men zich mokkend neerlegde bij compromissen waar niemand tevreden mee is. Een volk heeft vrede, wanneer het geweld beperkt blijft tot een enkele felle demonstratie of harde woorden in het parlement. Naties hebben vrede wanneer ze elkaar niet met militaire macht bestrijden, maar alleen nog met economische strategieën proberen de overhand te krijgen.

Als er maar een ogenblik van rust is in de lange geschiedenis van gewapend conflict, noemen we dat vrede. In het Oude Testament kennen we het woord sjaloom. We vertalen dat woord altijd met vrede. Het is sinds het boek Richteren de normale groet tussen joden. Maar het betekent niet wat het woord vrede bij ons betekent. Het is de uitdrukking van de wens dat een ander alles zal ontvangen wat goed is, wat gezegend is, wat tevredenheid en vervulling brengen kan. Het is niet alleen maar de afwezigheid van wat ons verstoort, maar juist de aanwezigheid van wat ons zegent en compleet maakt.

Vers 27 spreekt over Gods vrede:” Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u.” Deze vrede is een gave, een geschenk. Welke vrede is dat? Het is in de eerste plaats een vrede met God. Kijk maar naar Rom. 5:1, waar we lezen: “Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede bij (met) God.” Dat is de eerste betekenis van Gods vrede. Omdat Christus onze zonden heeft gedragen aan het kruis, en is opgewekt voor onze rechtvaardiging, zijn wij door God rechtvaardig verklaard, vrijgesproken van alle zonde en schuld. Op grond van het werk van Christus aan het kruis hebben wij nu vrede met God. Daarom voegt Paulus er ook meteen aan toe: “… hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus.” Zonder Christus geen vrede met God. Daarom noemt Hij deze vrede: “Mijn Vrede.” Dat is dus de vrede bij en met God. En daarom heet het evangelie in Ef. 6:15 “het Evangelie van de vrede.”

Waarom wordt nu het woord vrede – Grieks: eirènè, Hebreeuws: sjaloom –  gebruikt? Omdat wij deze rechtvaardiging ontvangen hebben, met God verzoend zijn, “toen wij vijanden waren.” (Rom. 5:10) Er was geen vrede tussen God en de mens. Wij leefden in opstand tegen onze rechtmatige Eigenaar, tegen onze Schepper. Met heel ons natuurlijke leven vielen wij onder het rechtvaardige oordeel van God over de zonde. Over ons moest worden gezegd: “en de weg van de vrede hebben zij niet gekend.” (Rom. 3:17) In die natuurlijke staat hebben wij God gehaat, en omdat wij in vriendschap leefden met de wereld die de vijand van God is, waren ook wij vijanden van God. (vgl. Jac. 4:4) Maar nu mogen we zeggen dat wij met God verzoend zijn door het bloed van de Heere Jezus Christus. Christus heeft onze plaats ingenomen in het oordeel, en zo heeft Hij onze zonde en schuld gedragen, en is Hij onze dood gestorven.

Gods vrede heeft dus in de eerste plaats te maken met onze nieuwe relatie tegenover God. De vrede is getekend, de vijandigheid is niet meer aanwezig. Maar dat is niet alles. Gods vrede is niet alleen maar de afwezigheid van de vijandschap of de bevrijding uit het oordeel. Er is ook nog een innerlijke, subjectieve kant van deze vrede. Wat is het koninkrijk van God? Het is “gerechtigheid en vrede en blijdschap in de Heilige Geest.” De vrede die wij innerlijk ontvangen is niet maar alleen een feitelijk situatie van vrede, al is het ook geen gevoel binnen onszelf. Er is een innerlijke vrede. Maar die komt niet uit onze gevoelswereld vandaan. Wij ervaren het wel innerlijk, maar het is niet ónze vrede, maar het blijft Zijn vrede. Alleen de Heilige Geest vermag dat: ons een innerlijke beleving en ervaring te geven van iets wat eigenlijk alleen maar innerlijk toebehoort aan de Heere Jezus Christus. Wij ervaren innerlijk de vrede van Christus. Welke vrede is dat? We moeten ons herinneren dat Hij deze woorden spreekt aan de vooravond van Zijn kruisiging en sterven. Deze vrede is verbonden met Zijn volledige overgave aan de Vader, het vertrouwen dat Hij in God heeft gesteld. Vrede is verbonden met vertrouwen. Zo lezen we dat ook in Jesaja 26:3, “U” – dat is God – “zult volkomen vrede bewaren, want men heeft op U vertrouwd.” Vrede is het geschenk aan het vertrouwen.

Gods vrede is dus de afwezigheid van vijandschap, de verzoening met God. Dat is de objectieve betekenis. Gods vrede is dan ook gerechtigheid en blijdschap in de Heilige Geest. Dat is de subjectieve betekenis. Maar dan is Gods vrede ook nog eens iets wat wij mogen najagen en bevorderen in de gemeente. “Laten wij dus najagen wat de vrede en de onderlinge opbouw bevordert.” ( Rom. 14:19) Dat is de collectieve betekenis van vrede. Vandaar de oproep van Paulus: “leef in vrede met elkaar.” (1 Thess. 5:13b) En in diezelfde brief zegt Paulus: “En moge de God van de vrede Zelf u geheel en al heiligen.” (1 Thess. 5:23) En zo zegt Paulus ook in de tweede brief aan deze gemeente: “Moge de Heere van de vrede Zelf u voortdurend vrede geven op allerlei wijze.” (2 Thess. 3:16) Vrede ontvangen wij; Zijn vrede ervaren wij. Maar er is meer. Er is ook een vrede die wij onderling moeten bevorderen en handhaven; er is een vrede in de gemeente waarom wij mogen bidden, die we mogen beoefenen en najagen  en die de Heere ons ook schenken wil.

Het is niet vreemd dat wij eerst horen dat wij vrede hebben ontvangen en vervolgens worden opgeroepen om die vrede ook te beoefenen. De imperatief volgt de indicatief. Het gebod is een uitvloeisel van een realiteit die God zelf tot stand heeft gebracht. Wij krijgen het gebod om vrede te beoefenen, op grond van Gods vrede, in de stijl van Gods vrede, met als doel de verheerlijking van Gods vrede. Net zoals de opdracht om elkaar te vergeven berust op het feit dat God in Christus ons vergeven heeft. “Zoekt de vrede en jaagt die na.” (Ps. 34:14) Wat houdt dat in? Dat legt Petrus uit: “zijn tong weerhouden van het kwaad, en zijn lippen van het spreken van bedrog, […] zich afkeren van het kwaad en het goede doen.” (1 Pe. 3:10, 11) En Paulus roept ons op in de brief aan de gemeente van Kolosse: “En laat de vrede van God heersen in uw harten, waartoe u ook in één lichaam geroepen bent.”

De vrede die wij dan ontvangen, die wij mogen beoefenen en waarom wij mogen bidden is niet de vrede van de wereld. “Niet zoals de wereld die geeft, geef Ik die u.” Deze vrede van God kan niet worden gevonden in de menselijke wereld. Deze vrede is niet oppervlakkig en tijdelijk en berust niet op onze gevoelens, ideeën of handelingen. De vrede in de wereld is het product van onwetendheid of van toeval. Wat lijkt op vrede is in werkelijkheid een onderbreking van het geweld, of een toedekking van het conflict. Je kunt denken vrede met God te hebben terwijl dat alleen maar berust op een uitgeblust geweten dat de zonde niet meer kan waarnemen. Mensen in deze wereld kunnen denken dat ze vrede hebben, terwijl dat eerder voortkomt uit de onwetendheid van hun werkelijke situatie, dan dat ze die vrede daadwerkelijk ontvangen hebben. “Er is geen vrede voor de goddelozen” – Jesaja 48:22. “De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede!” – Jesaja 57:21. De valse profeten roepen: “Vrede, vrede! Maar er is geen vrede.” – Jeremia 6:14.

Hoe verkrijgen we dus deze vrede? In de eerste plaats door de rechtvaardiging. God heeft zich met ons verzoend. In de tweede plaats door gehoorzaamheid, door de vrede na te jagen. Maar in de derde plaats krijgen we deze vrede alleen maar door geloof. We lazen dat al in Jesaja 26. God bewaart voor ons de vrede omdat wij op Hem vertrouwen. Een perfecte vrede is het gevolg van een perfect vertrouwen. Hoe meer wij over God nadenken, over Zijn daden, Zijn belofte, en hoe meer Gods woord in ons hart leeft, des te groter is ons geloof. Maar dan zal ook onze vrede met Hem toenemen. Want dan is er nog tenslotte deze belofte. Als ons hart onrustig wordt en bezorgd is, en vervuld raakt van allerlei verlangens, dan roept Paulus ons op om dat alles door bidden en smeken met dankzegging bekend te maken bij God. En dan is er een belofte, die aan dit bidden en smeken verbonden is: “en de vrede van God, die alle begrip te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten bewaken in Christus Jezus.” (Fil. 4:7) Dat is de volle omvang van Zijn vrede.

Verkondiging tweede advent: Jesaja 11

Verkondiging over Jesaja 11:1-10 in de Protestantse Gemeente “De Regenboog” in Ter Apel.

11:1 Want er zal een Twijgje opgroeien uit de afgehouwen stronk van Isaï,
en een Loot uit zijn wortels zal vrucht voortbrengen.
2 Op Hem zal de Geest van de HEERE rusten:
de Geest van wijsheid en inzicht,
de Geest van raad en sterkte,
de Geest van de kennis en de vreze des HEEREN.
3 Zijn ruiken zal zijn in de vreze des HEEREN.
Hij zal niet oordelen naar wat Zijn ogen zien
en Hij zal niet vonnissen naar wat Zijn oren horen.
4 Hij zal de armen recht doen in gerechtigheid
en de zachtmoedigen van het land zal Hij met rechtvaardigheid vonnissen.
Maar Hij zal de aarde slaan met de roede van Zijn mond
en met de adem van Zijn lippen zal Hij de goddeloze doden.
5 Want gerechtigheid zal de gordel om Zijn heupen zijn,
en de waarheid de gordel om Zijn middel.
6 Een wolf zal bij een lam verblijven,
een luipaard bij een geitenbok neerliggen,
een kalf, een jonge leeuw en gemest vee zullen bij elkaar zijn,
een kleine jongen zal ze drijven.
7 Koe en berin zullen samen weiden,
hun jongen zullen bij elkaar neerliggen.
Een leeuw zal stro eten als het rund.
8 Een zuigeling zal zich vermaken bij het hol van een adder,
en in het nest van een gifslang
zal een peuter zijn hand steken.
9 Men zal nergens kwaad doen of verderf aanrichten
op heel Mijn heilige berg,
want de aarde zal vol zijn van de kennis van de HEERE,
zoals het water de bodem van de zee bedekt.
10 Want op die dag zal de Wortel van Isaï er zijn,
Die zal staan als banier voor de volken.
Naar Hém zullen de heidenvolken vragen.
Zijn rustplaats zal heerlijk zijn.

Schep vreugde in de Heer – overdenking over Psalm 37:4

Er zijn twee soorten beloften in de bijbel: er zijn beloften zonder enige voorwaarde, zoals de belofte die Jezus geeft aan zijn discipelen, dat “niemand ze rukken zal uit mijn hand.” Voor eeuwig geborgen in de liefde van onze Heer!
Maar er zijn ook beloften met een voorwaarde. “Als wij onze zonden belijden, dan is Hij getrouw en rechtvaardig om onze zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.”
In psalm 37:4 vinden we ook een belofte met een voorwaarde. Hij zal “ons geven wat ons hart verlangt.” Maar dat kan alleen als wij in gemeenschap met deze God leven, en Zijn hart kennen. Zodat ons gebed in overeenstemming is met Zijn wil. Immers, bidden is, je eigen wil onderwerpen aan Gods wil, niet Gods wil buigen naar jouw wil. Maar dan moeten we in het gebed Zijn hart leren kennen.
Wat is dan Zijn hart? We kennen het door het Woord van God maar ook als het goed is in ons dagelijks leven in het gebed. We weten veel van onze God. Bijvoorbeeld dat Hij onrecht haat. Of dat Hij ons zo liefheeft, dat hij in elk onderdeel van ons leven betrokken wil zijn. Het is een God die aandacht vraagt, maar ons ook alle aandacht geeft. Niets is voor Hem te klein.
Maar niets is ook voor Hem te groot. Stel nu eens dat ze op al die plaatsen waar nu oorlogsgeweld heerst, samen zouden bidden, in synagogen, moskeeën en kerken, om te zoeken naar de wil van God? Om vreugde te scheppen in de Here? Wat zou dan het antwoord zijn dat de Here God hun geeft? Zou dat niet zijn dat ze alle vijandschap moeten laten varen? En dat ze de weduwe en de wees en de arme en de vreemdeling niet mogen verdrukken? En dat ze het leven van een ieder moeten respecteren, omdat ieder mens naar het beeld van God geschapen is?

Ons geloof: hoe dragen we bij aan de vrede?

Essentieel voor de leer van de geweldloosheid is de leer van de voorzienigheid van God. We geloven daar steeds minder in, maar ze is cruciaal. De overtuiging dat uiteindelijk niets gebeuren kan zonder Gods almacht en dat mensen door gebed en gehoorzaamheid God in deze wereld kunnen betrekken, Hem tot een factor kunnen maken (dus niet automatisch: alles wat er gebeurt, is Gods wil).

De aanvaarding van Gods voorzienigheid houdt in:

  1. De erkenning dat wij de gevolgen van onze daden en de context waarin ze hun betekenis hebben niet kunnen overzien en toch verantwoordelijk zijn
  2. De erkenning dat de uiteindelijke zin van mijn handelingen in Gods hand ligt en alleen door de toekomst kan worden duidelijk gemaakt: ik moet iets durven, iets wagen in Gods naam!
  3. Dat wat God in het heden van mij vraagt – ook al lijkt dit geen volledige oplossing voor alle problemen te zijn – toch kan bijdragen aan de oplossing van het geheel.

Als God mij vraagt nu water naar de woestijn te dragen en in het zand te laten lopen, is dat voor mij wellicht zinloos. Maar als dertig generaties na mij dat ook doen, ontstaat er elders een ondergronds reservoir aan water, voor mijn ogen verborgen, en ontspruit er een oase. Ik heb daar dan toch aan bijgedragen. Als de maatstaf is wat zinvol is voor mij, zou ik er nooit aan begonnen zijn, en de dertig generaties na mij kijken dan ook wel uit. Ik heb de keten van generaties die doen wat God vraagt dan verbroken. (God vindt dan wel iemand anders om de klus te doen, maar de zegeningen daarvan zijn dan niet voor mij.)

Leven uit de hoop

Voorzienigheid kun je niet los krijgen van het evangelie als geheel. God handelt met mij zoals Hij met Christus handelt. Ik leef niet uit het resultaat, uit de zekerheid dat ik nu bereik wat bereikt moet worden, maar geloven betekent leven uit de hoop, uit de belofte. Hoewel we veel inzichten kunnen delen met de buitenwereld en tot samenwerking geroepene zijn met iedereen die de vrede wil dienen (anders dan Menno) is het geloof in Christus onze Vredesvorst onze uiteindelijke bron en de enige die ons nu al zekerheid kan geven van wat God beloofd heeft (evenals bij Menno).

Het gaat dus uiteindelijk om het creatief vinden van een levensstijl die hiermee in overeenstemming is. Dat heet simpelweg in één woord de navolging van Christus. Dat is een eindeloos rijk leven, complex voor wie van nadenken houdt, eenvoudig en robuust, voor wie het graag simpel houdt. Het is in feite niet één weg, maar een miljoenvoud van wegen, want elk van ons is er een, heeft er een. Zo laat God Zijn eigen vrijheid en rijkdom zien in de veelheid en verschillen van de mensen die Hij geroepen heeft tot navolging van Christus – en niet in de veelheid van “Christussen” die mensen in hun leven voor zichzelf kunnen verzinnen – dat onderscheid moet nodig gemaakt worden.

Het visioen van de vrede

De gemeente is geroepen het visoen van de vrede te zien, te delen en te leven. Dat heeft consequenties voor een ieder van ons, die zijn plaats in de gemeente inneemt. Zoals Menno het zag: een bewuste vrije keuze, om een leven te leiden dat gewijd is aan de weg van Christus. In Zijn dienst leer ik de vijand zien als degene voor wie Christus gestorven is, als iemand die ook door God geroepen is tot dienst. Ik leer mezelf bevrijden van de angsten en zorgen die mijn handelen in deze wereld bedreigen en mijn vrijheid benauwen. Ik leer in de gemeente dienstbaar zijn om zo pas werkelijk mijzelf te kunnen zijn. Het dienen van de vrede is geen loden last, geen moralistische zware taak, maar een “lichtheid” van het leven, waarin ik God alles toevertrouw en trouw blijf in het kleine dat ik kan overzien.

Want de naaste en de vijand voor wie ik een taak heb, ontmoet ik elke dag opnieuw, bij de bakker, op straat, in mijn werk en in de gemeente. Daar ontmoet ik degene die ik mag uitnodigen om samen met zijn zusters en broeders het feest van de Vrede te vieren.

Wat als? Bezwaren tegen het pacifisme

Een bezwaar tegen de pacifistische positie werkt als volgt: stel nu eens, dat alle mensen zo dachten als jij – zegt dan iemand tegen ons – dan zou… Al naar gelang de situatie kan hier iets verschrikkelijks volgen:. Bij de toetsing van gewetensbezwaarden bij dienstweigering ging het verhaal dat zoiets altijd gevraagd werd: stel dat jij en je vriendin worden aangevallen, zou jij dan je vriendin niet verdedigen met geweld? Of ruimer: stel dat jij geleefd had in de vooravond van de tweede wereldoorlog en jij had Hitler kunnen doden, was je daartoe dan niet verplicht geweest? Of stel dat de Russen en de Amerikanen allemaal pacifisten waren geweest, wat zou er dan met de joden gebeurd zijn?

Wat kunnen we hierop antwoorden?

In de eerste plaats dat het nodig is, om kritisch naar de veronderstellingen van een dergelijke vraag te kijken. John Howard Yoder heeft dat eens zo onder woorden gebracht:

“Wat zou je doen wanneer …? Veronderstelt een relatie tussen personen die zuiver mechanisch is: als ik de machine een andere kant opzet dan zal er een andere richting volgen, als ik een ander stel knoppen indruk dan zal de machine duidelijk een andere richting kiezen. Het wordt maar aangenomen dat ik de enige betrokkene ben die in heel dit proces beslissingen neem. De aanvaller is zo voorgeprogrammeerd dat hij geen andere beslissingen zal nemen. Zijn enige verlangen is om als een robot het grootste kwaad te doen dat er maar is, of het bijzondere kwaad waar hij nu eenmaal zijn zinnen op heeft gezet. Er zijn ook geen andere personen in de vraag verondersteld, van wie de handelingen nog van belang zouden kunnen zijn: er is een automatisch proces gaande en ik ben de enige die er toe doet.”

Een tweede veronderstelling van de vraagstelling is, dat mijn rechtvaardigheid en mijn welzijn van het allergrootste belang is. Zelfs wanneer ik zeg, dat ik mijn eigen welzijn op het spel wil zetten om maar geen geweld te hoeven gebruiken, maar dat ik me dat niet kan permitteren in het belang van de naaste (Ramsey: preferential ethics), is die naaste doorgaans geen vreemdeling, maar mijn vrouw of kind. De gedachte dat de verdediging van het slachtoffer van zo groot belang is, dat geweld (zelfs excessief) kan worden gerechtvaardigd, lijkt wel heel Christelijk te zijn, maar dat is eigenlijk een onbewezen veronderstelling.

Dit betekent nog niet dat ik dus niet kiezen moet (1) noch dat ik vrouw en kind niet te verdedigen heb (2), maar het betekent dat ik moet leren dat dat geen zulke absoluutheden zijn, dat ik in alle gevallen geweld kan rechtvaardigen en al helemaal niet dat ik principieel tot geweld kan besluiten omdat er blijkbaar enkele uitzonderingen op de regel zijn. Bovendien blijft bij (2) de vraag die ik hierboven al stelde: wat gebeurt er dan met de uiteindelijke, niet te overziene, consequenties van mijn (defensieve) geweld voor derden? (Het voorbeeld van de politieagent die de auto met twee moordenaars laat ontploffen).

De vraagstelling beperkt door de beschrijving van mijn situatie op deze twee manieren mijn opties en sluit de creativiteit uit waarover ik hierboven sprak.

Er zijn immers, als we doordenken, andere opties:

  • de tragische afloop,

omdat de aanvaller ondanks mijn tegengeweld toch het zijne weet door te zetten. Ik ga “:vechtend” ten onder. )Normaal gesproken zal degene die geweld toepast zichzelf daar zo grondig op hebben voorbereid, dat tegengeweld inderdaad weinig effect zal hebben. Toch is dat effectloze tegengeweld iets waartoe ik me bijna verplicht voel. Dat is begrijpelijk, maar niet slim.)

  • het martelaarschap.

Ofwel voor het slachtoffer, ofwel voor mijzelf. Net als de dood van Christus kan deze onvermijdelijk zijn, vanwege de omstandigheden, mar is een martelaarschap vanwege de geweldloze reactie. Een dergelijke manier van sterven kan een belangrijke factor zijn in het veranderen van de opvatting van de tegenstander. (Zie in het NT de houding van de Romeinse hoofdman bij het kruis, de bekering van Saulus etc.)


  • vlucht.

Dat kan letterlijk betekenen dat ik liever de benen neem, dan de confrontatie aan te gaan. En dat kan succes hebben, simpelweg omdat het voor de aanvaller niet de moeite waard is je te achtervolgen. Geweld heeft vaak het karakter van uitdaging, en blijft uit, als de uitdaging niet wordt aangenomen.


  • Voorzienigheid.

Het is denkbaar dat mijn houding van geweldloosheid de aanvaller emotioneel ontwapent (de standaard interpretatie van de tweede mijl) of dat het anderen aanmoedigt om erbij te gaan staan waardoor de aanvaller zich bedenkt, of dat ik de aanvaller in een gesprek breng waarin hij zich op andere wijze toont en van geweld afziet.


  • Omgekeerde tragiek

Ik slaag erin de aanvaller te doden, maar zie b.v. Genesis 33 e.v. voor wat dit “gerechtvaardigde” geweld dan weer op zijn beurt aan nieuw geweld kan uitlokken. (Zonen van Jacob in Sichem.) – wat dan gerechtvaardigd kan heten vanwege het beginsel van “piquach nefesh”, een joodse uitdrukking die aangeeft dat ik met geweld mag ingrijpen wanneer een ander met geweld wordt bedreigd, ook als de omstandigheden zodanig zijn dat mijn ingrijpen de dood van de aanvaller tot gevolg zou kunnen hebben. (Ook een rechtvaardigingsgrond voor abortus b.v.)

Dit zijn niet de opties die als vanzelfsprekend nu onze veronderstellingen moeten worden, maar die aangeven dat we creatief en vrij over de vraag van het geweld ons moeten buigen. De uiteindelijke motivatie om ons geweldloos op te stellen kan buiten het geloof om niet werkelijk worden gevonden, daarin had Menno tenslotte gelijk. Alleen mensen die de overtuiging hebben dat Christus ons laat zien wat God van ons verlangt, kunnen aanvaarden dat geweldloosheid altijd de betere weg is, ook al leidt het tot martelaarschap.

En alleen mensen die de vergeving in Christus kennen kunnen dan ook accepteren dat ons eigen innerlijke geweld ons ertoe kan brengen gewelddadig te reageren – en dat dit in Christelijke zin weliswaar een “zonde” zal zijn, maar geen onvergeeflijke.

De gerechtvaardigde oorlog revisited

 

In onze cultuur wordt de mythe van het verlossende geweld ondersteuntddoor bepaalde vormen van theologie. De meerderheid van de kerken, ook de Katholieke kerk, omarmt de zg. theorie van de “gerechtvaardigde oorlog.” Dat houdt in dat geweld principieel wordt afgewezen tenzij aan bepaalde condities is voldaan.

Die condities worden op verschillende manieren uitgewerkt, ik geef een voorbeeld:

  1. De oorlog moet door een rechtmatige autoriteit zijn uitgeroepen
  2. De oorlog moet defensief zijn omdat burgerbevolking gevaar loopt
  3. De oorlog moet uitzicht bieden op een korte gewelddadige actie, met de mogelijkheid om het aantal slachtoffers minimaal te houden
  4. Er moet uitzicht zijn (en aan de vijand gegeven worden) op een bestendige vrede
  5. De wreedheid van de oorlogsmiddelen mag de wreedheid van het geweld dat het veroorzaakt niet te boven gaan
  6. Het moet de laatste optie zijn nadat alle andere diplomatieke middelen hebben gefaald  In de oorlog mogen slechts militaire doelen het doelwit zijn van geweldshandelingen
  7. Een oorlog mag geen gevolg zijn van het feit van een voorbereiding op oorlog alleen

Het is duidelijk te zien dat het ondanks deze condities toch nog denkbaar is, dat er een oorlog wordt gevoerd. Maar het is evenzeer duidelijk, dat als we de oorlogen van de laatste eeuw bekijken, de toepassing van deze condities geen enkele oorlog mogelijk gemaakt hebben.

De acht condities die ik hier genoemd heb, stammen uit een discipline van denken; wat de meeste mensen ervan maken is alleen dit: dat een autoriteit redenen kan hebben om ten strijde te trekken dat een dergelijke politieke beslissing op zich voldoende reden is, om van een gerechtvaardigde oorlog te spreken. De Lutheranen, die in de 16e eeuw de sterkste voorvechters van de discipline van de gerechtvaardigde oorlog waren, hebben later ervoor gekozen om feitelijk elke oorlog die door een staat nodig werd geacht – om zichzelf te verdedigen, om nationale belangen in de wereld veilig te stellen, om koloniën te behouden etc. – als gerechtvaardigd op te vatten.

Het vredesgetuigenis en de gemeente

De gemeente in Menno’s perspectief zou een plaats moeten zijn, waar “het zwaard” niet meer geleerd wordt. Een plaats waar in de religieuze opvoeding in de rituelen in de wederkerige broederlijke liefde, een alternatief wordt gegeven voor deze mythe. De drie kenmerken die ik hierboven benoemde in het kader van de mythe van het geweld, wil ik nog wat uitwerken.

  • Op het conflict voorbereid zijn betekent wegen vinden om conflicten te vermijden dan wel geweldloos te beslechten.

Alle creatieve vermogens die mensen hebben moeten daartoe worden losgemaakt, om aan het alternatief van “redemptive violence” te ontkomen. Het is een goede motivatie voor die creativiteit dat we van tevoren al zeggen, dat geweld is uitgesloten. Menno’s absolute verbod op het gebruik van geweld dat ik hierboven citeerde, maakt deze creatieve vermogens vrij. De kracht te vinden om de oplossing geweldloos te vinden is “je spinazie eten” voordat hij nodig is, morele kracht vinden voordat het conflict tot geweldsexplosie rijpt, om een creatieve uitweg te proberen, ook als die lijden impliceert, want dat lijden staat in ieder geval niet in verhouding tot het lijden dat mensen elkaar in geweld kunnen aandoen en is dus altijd te verkiezen boven het geëscaleerde conflict. Het evangelie geeft aan, dat Gods weg in de het bereiken van zijn doel met mensen dus ook die van het lijden is, en nooit die van het geweld.

  • De gemeente zou de plaats kunnen zijn waar deze “andere manieren” om conflicten te beslechten ook inderdaad geleerd wordt.

Het is immers de plaats waar we in prediking, gebed en gezang laten zien dat Christus Koning van de wereld, is, dat wil zeggen dat de eigenlijke macht berust bij een God die handelt zonder geweld. Jezus openbaart wie God is door zijn vijanden te vergeven en zich uit liefde voor de mens zelfs aan het staatsgeweld te onderwerpen. Dat verbreekt – door deze vrijwillige aanvaarding van het lijden – de morele legitimiteit van die staat. Dat is de kern van het evangelie die we op allerlei manieren voor onze tijd hebben uit te werken: hoe is het met onze relatie tot de staat en overheid die geweld gebruiken? Wat denken we dan van de manier waarop asielzoekers worden behandeld? (De “vreemdeling” is een belangrijke Bijbelse categorie!) Ons getuigenis tegenover de wereld bestaat in de creatieve oplossing van conflicten die we niet alleen bedenken, maar ook volhouden (voorzover die al in onze traditie is gevonden), en opnieuw voor onze tijd formuleren en bovenal: die leren doen!

  • Voorzover we het slachtoffer van geweld zijn (Olive Oil) en dat zijn we allemaal direct of indirect in onze samenlevingen – moeten we eveneens leren omdenken.

Er is geen grotere revolutie denkbaar dan die, waarin de slachtoffers niet alleen passief het geweld ondergaan, maar actief aan de verzoening willen bijdragen. De houding van volstrekt pacifisme is ook ontwapenend. Denk aan de geboden van Christus: de andere wang toekeren, dus niet meteen terugslaan, maar geweldloos een vraag stellen: wat bedoel je met deze daad van vernederend geweld? Of de extra mijl gaan – wat bedoel je met deze dwang? Degene die geweld doet, moet niet met geweld worden tegengehouden, maar beschaamd, ondervraagd worden, uitgenodigd worden tot het gesprek van de verzoening, dat de gemeente niet alleen af en toe te voeren heeft, maar dat ze wezenlijk is.

Popeye en de mythe van het bevrijdende geweld

Onze cultuur wordt sterk bepaald door de Amerikaanse cinema. In films en cartoons wordt een fundamentele boodschap meegegeven over de rol van geweld. Geweld kan bevrijden, de “good guys” hebben altijd gelijk; geweld kan gerechtvaardigd zijn.

Ik zag onlangs een aflevering uit een serie, waarin twee mannen in een auto een aanslag plegen op een elfjarig kind. Verschrikkelijk natuurlijk. De boeven schieten echter mis, waarna de politieman zijn pistool leegvuurt op de wegrijdende auto: resultaat: de twee mannen krijgen een klapband, schieten op een vol kruispunt tegen een tanker aan, die ontploft, en samen met de bandieten sterven op dat kruispunt inzittenden van maar liefst vier andere auto’s waarmee ze in botsing zijn gekomen. Meer dan elf doden dus, en gigantische schade.

De politieman ziet dit alles gebeuren en draait zich om en vraagt aan de het kind: “Are you allright”? Daar ziet u hoe de mythe werkt: voor de bijeffecten van gerechtvaardigd geweld ben je niet verantwoordelijk, dat zijn de boeven die deze reactie verdiend hebben. En de onschuldige slachtoffers zijn bijzaak bij het doel: dat is de bescherming van het ene leven boven het andere. Amerikanen – maar ook wij – krijgen zo ingeprent, dat geweld werkt, dat geweld gerechtvaardigd is op grond van een moreel goede zaak, en dat de morele belangen van derden er niet toe doen: het overzichtelijke verhaal dat de kern van het drama is, werkt een soort bewustzijnsvernauwing in de hand, waardoor de geen “anderen” meer ziet, die in jouw verhaal toch betrokken raken.

Dat de staat en de overheid geweld mogen gebruiken om de openbare orde te verdedigen, en geweld dus eigenlijk ook voor de tegenstander een gerechtvaardigd middel is, dat wordt in deze mythe niet gezien en onder woorden gebracht.

In de cartoons is het duidelijk dat geweld werkt, maar ook dat niemand iets van zijn conflicten leert. Popeye is een mooi voorbeeld. Nadat Brutus en Popeye het voor de zoveelste maal hebben uitgevochten is duidelijk dat

  1. Popeye niet heeft geleerd om vóór het conflict zijn spinazie te eten: er moet een voorbereiding zijn op de werkelijkheid van het conflict, zodat het niet – wanneer het ons overvalt – ook ons eigen geweld oproept. Geweldloos verzet is preventief.
  2. Popeye niet heeft geleerd dat er andere manieren kunnen zijn om het conflict te beslechten dan op elkaar in te slaan – er is een creatieve zoektocht naar alternatieve manieren van sociale omgang nodig. Van onverschillige burgers zouden we ons moeten ontwikkelen tot “zusters en broeders”.
  3. Het object van Brutus’ geweld (Olive Oil) niet heeft geleerd bij Brutus uit de buurt te blijven – maar ook het slachtoffer van geweld heeft iets te leren en bij te dragen en is niet zuiver passief: de Bergrede van Jezus laat dat op verschillende manieren zien.

De enige vorm van verandering of bekering is de schijnbare, dus een list, van Brutus, die zich daarna gauw genoeg weer als de antiheld ontpopt, die hij gedoemd is te zijn.

Maar de gemeente, bestaat die niet uit mensen die “bekeerd” zijn? Je zou mogen verwachten dat de gemeente tenminste geleerd heeft dat deze weg van het gerechtvaardigde geweld hopeloos is en tot niets leidt. Maar ja, is dat nu echt zo?

Menno Simons: pacifisme van de minderheid

Tekst van een lezing uit 2003

Menno Simons leerde in 1539:

“De wedergeborenen gaan niet de oorlog in en raken niet betrokken in conflicten. Speren en zwaarden laten we over aan diegenen, die, helaas, het bloed van mensen en van varkens van bijna dezelfde waarde achten .”

Het pacifisme van de Menisten naar het model van Menno Simons kun je aanduiden als het “pacifisme van de deugdzame minderheid”. Het uitgangspunt is dat Christelijke waarden niet voor iedereen gelden. De kerk is geroepen om een hogere vorm van gerechtigheid te laten zien, en tot die gerechtigheid hoort de opdracht van Jezus om de vijand lief te hebben (Bergrede) en het zwaard niet te hanteren.

Net als bij de Wesleyanen (kerk van de Nazarenen) heeft Menno Simons een ideaal van Christelijke perfectie, niet ongelijk aan de idealen van laat-Middeleeuwse kloosterorden. Men kan – waar men leeft in volkomen afzondering van de wereld – worden geacht een grotere morele perfectie te bereiken dan wanneer men volop aan de wereld deelneemt. Het onderscheid van kerk en wereld, van gemeenschap van wedergeboren Christenen en de “buitenwereld”, de “heidenen” is zeer groot.

Vrije kerken en morele perfectie

Het Protestantisme als geheel kent een dergelijke nadruk op morele perfectie in het geheel niet. Maar de zg. vrije kerken, waartoe de Dopers behoren, hebben dit kenmerk over het algemeen wel. De volkskerk verondersteld het ongeloof, ook dat van degenen die tot de kerk behoren, die immers als kind gedoopt zijn en geen morele, bewuste beslissing hebben genomen om zich bij de kerk te voegen en zich aan haar moraal te onderwerpen.

De “vrije kerk”, met haar traditie van volwassendoop verwacht dit over het algemeen juist wel. Hier wordt de ethiek bepaald niet door wat je van iedereen verwachten kan, maar gaat het om de navolging van Christus, het discipelschap, waarvoor men in de 16e eeuw vaak een hoge prijs moest betalen, soms zelfs vervolging moest doorstaan en het leven kon verliezen.

De “gelovigen-kerk”, of “vrije kerk”, verwacht van haar leden een volledige inzet voor de waarden van het evangelie in de navolging van Christus, maar het verwacht een dergelijke inzet niet van de buitenstaanders, van diegenen die zich niet verplicht hebben tot de navolging en die niet “wedergeboren” zijn door de Heilige Geest. Niet-christenen leven immers niet vanuit het evangelie, kennen de God van de Bijbel niet, hebben geen ervaring met Christus vanuit de geestelijke ontmoeting met hen. Men kan van niet-christenen niet zoveel verwachten, maar van Christenen des te meer.

Degenen die in de navolging leven kunnen geen voorstanders van de oorlog zijn, kunnen daaraan niet participeren. Dat wist men in de Middeleeuwen al: de pastor of bisschop kan niet zelf actief aan de oorlog bijdragen. Dat geldt voor alle gelovigen, zegt Menno dan. Overigens, uit deze traditie van de vrijstelling van “kerkelijke werkers” van de verplichting om in een oorlog bij te dragen valt te verklaren dat we in het westen in veel staten de mogelijkheid hebben van dienstweigering op gronden van het geweten. Dat kun je als een uitbreiding van deze regel zien, hoewel het inhoudelijk natuurlijk niet om kerkelijke positie, maar om werkelijke gewetensbezwaren gaat.

 

Wat is hier voor Menno het uitgangspunt?

Mensen moeten in alle vrijheid antwoord geven op de roep van het evangelie om in een verbond met God te gaan staan.

In deze relatie van het verbond worden mensen vrijgesteld van de verplichting om door prestaties aan hun eigen heil of aan de verlossing van de wereld bij te dragen. Het gaat juist niet om de resultaten.

Het goede is niet wat de wereld in de goede richting laat opschuiven: wij maken de wereld niet, zij is buiten onze controle. Het Koninkrijk Gods wordt niet door ons gebouwd, het is er al, in de persoon van Christus. Maar als Christus de wereld niet regeert, dan ook wij niet.

Het goede ligt elders: nl. in de volstrekte gehoorzaamheid aan God boven alle andere aanspraken van mensen en machten uit. Daardoor heeft de gelovige al deel aan het goede waarheen de wereld onderweg is, we anticiperen op het Koninkrijk dat nog komt, omdat we leven in het Koninkrijk dat er al is.

En beide betekent hetzelfde: leven in de navolging van Christus, doen zoals Hij deed. (Niet kopiëren of imiteren, want wij zijn niet geroepen om het Koninkrijk te vestigen, maar om in het Koninkrijk Christus te dienen.)

Omdat niet alle mensen dit antwoord geven, ontstaat er een minderheid van gelovigen, die ondanks wat de meerderheid doet en wil vasthoudt aan de normen en waarden van het evangelie. Het kloosterideaal en de morele lezing van de Bijbel geven de concrete antwoorden op de vraag: wat hebben wij te doen.

En wat hebben wij dan te doen:

  • We moeten leren leven in volstrekte geweldloosheid: zowel tegenover onze naaste als tegenover de vijand. Geweld niet met geweld beantwoorden, geen voorbereiding op geweld is mogelijk, en dat is ook een aanvaarding van de noodzakelijkheid (soms) van martelaarschap.

Wat kan nog wel en wat kan niet meer

 

Wat niet meer kan:

Menno leefde in een tijd waarin gemeenschappen, ook kerken, een relatief geïsoleerd bestaan konden voeren. Het was niet de tijd van onze massa-communicatie, waardoor we ons allemaal op allen betrokken voelen. Onze tijd is de tijd van de globalisatie, waarin de instorting van de economie van Thailand een reeks van gevolgen voor de economieën over de hele wereld teweeg kan brengen.

  • Wij kunnen ons niet langer permitteren om te doen wat Menno deed: onszelf als minderheid terugtrekken van de meerderheid.

Met deze terugtrekking op onszelf verminderen we ook het effect van ons handelen als getuigenis. Dit bijna kloosterlijke ideaal betekent dat onze roeping niet zien als een vorm van dienstbaarheid aan de wereld, maar alleen als een ideaal van zelfperfectionering in oppositie tot de wereld.

  • Wij mogen niet langer denken dat het om onze eigen heiligheid en perfectie gaat: het gaat om de wereld en haar redding.

De terugtrekking op onszelf heeft nog een ander effect, behalve dat het “schijnheiligheid” kan bevorderen. Het maakt dat we ons eigenlijk neerleggen bij de imperfecties van de wereld, want die zijn te verwachten. Vanuit het veilige bolwerk van de kerk kijken we op het morele gestumper van de wereld neer, en daardoor raakt buiten het gezichtsveld hoezeer ook wij in de kerk uit ongeloof en ontrouw leven.

  • We moeten leren zien, dat ook de “heiligen” deel hebben aan de zwakten en zonden van de wereld en niet moreel boven de rest van de wereld uitstijgen.

Wat nog wel kan:

Dat neemt niet weg dat Menno bepaalde ideeën heeft ontwikkeld die ook voor onze tijd nog van belang zijn. De kerk, zegt Menno, is geroepen om te getuigen door woorden en daden van het evangelie van de geweldloze Christus. Christus is gekomen om vrede te brengen, vrede tussen de mens en God en tussen de mensen onderling en tussen de mens en zichzelf. Vrede als de toestand van verzoening van vijandschap, van liefde en samenwerking, van elkaar zegenen en een dorre wereld weer vruchtbaar maken. Een drievoudige “sjaloom” wat de relaties betreft, en met zijn uitwerking op de hele schepping die onder ons beheer en onder onze zorg gesteld is. Menno heeft een oningeperkte visie op de taak van de gemeente tegenover de vrede, en zijn begrip van de vrede is Bijbels, d.w.z. zonder reserves en beperkingen.

  • We kunnen van Menno leren hoe we de vrede in volle zin, in alle relaties die voor ons wezenlijk zijn, moete
    n waarderen als onze hoogste waarde en opdracht.

Als de vrede het doel is van ons getuigenis, zo is de vrede ook de weg. Het getuigenis van de kerk voor de vrede moet zelf “vredig” zijn, wil het effect hebben. Dwang en geweld in de verkondiging van het evangelie van de vrede is een tegenspraak. Vredesgetuigenis is te vergelijken met een uitnodiging tot een feest dat al is begonnen, zodat anderen kunnen zien dat de feestgangers het al goed hebben. Dat feest moet dus door ons gevierd worden, ondanks onze zwakheden en morele tekorten, omdat het een feest is waartoe Christus ons heeft uitgenodigd. Door wat we zijn en door wat we vieren richten we onze uitnodiging tot de wereld.

  • We kunnen van Menno leren dat de gemeente de feestelijke boodschap van de bevrijding is, d.w.z. dat wij die belichamen, en zo een uitnodiging moeten zijn voor anderen om daaraan te gaan deelnemen.

Vredestheologie: een introductie

cartoon again violence
Tegen Geweld

Het eerste wat een vredestheologie zou kunnen doen, is het analyseren van wat geweld, vijandschap en oorlog te betekenen hebben. Geweld tussen personen, vijandschap tussen volkeren en gemeenschappen, en de staat (het systeem van intern en extern geweld) moeten kritisch aan de orde worden gesteld.

In deze video wordt een overzicht gegeven van het onderwerp. Op deze site zullen in de loop van augustus teksten en links naar video-lessen worden gegeven.

Bekijk de eerste video.  Vredestheologie: een introductie

Enhanced by Zemanta