Johannes (30) – Het wonder van het brood

Joh. 6:1-15

Hoofdstuk 5 begon met de genezing van de verlamde in Bethesda, en daarna kwam er een twistgesprek. In dat gesprek maakte Jezus openbaar dat Hij waarachtig de Zoon van God was, aan God gelijk in alles. Het eindresultaat was bedroevend. Aan het begin van de prediking van Jezus, in Judea en Jeruzalem, wordt Jezus verworpen en er is het vaste voornemen om Hem te doden zodra de kans zich voordoet. Alleen Samaritanen hebben in Hem geloofd. Hoofdstuk 6 begint weer met een wonderteken, en eindigt ook met een twistgesprek Jezus laat hier zien dat Hij het leven van de mensen is, zoals Johannes al zei in vers 4 van het eerste hoofdstuk. Het vierde teken dat Jezus verricht, vanaf vers 1 tot en met 15 beschreven, demonstreert deze gedachte, die later in de vorm van onderwijs wordt uitgewerkt. Hij geeft niet alleen brood, maar is ook het Brood van het leven.

De situaite is aanzienlijk veranderd. Jezus is teruggekeerd naar Galilea en onderweg naar zijn huis in Kapernaüm. De reden daarvan vinden we in hoofdstuk 7:1, “want Hij wilde niet in Judea rondtrekken, omdat de Joden Hem probeerden te doden.” Daarna vertelt Johannes over het wonder van de spijziging van de menigte, de “wonderbare broodvermenigvuldiging” zoals we dat meestal noemen. Het is wel bijzonder dat Johannes over dit wonder bericht. Het is immers zijn doel om alleen datgene te vermelden, wat in de andere evangeliën ontbreekt. Dit is het enige wonder waar Johannes over spreekt, dat ook bij de overige evangelisten voorkomt. Waarom is dit wonder blijkbaar zo belangrijk? Bij alle andere wonderen, zoals de genezing van de verlamde in Bethesda, is het wonder een herstel van gezondheid. Jezus lijkt daarmee op een genezer. Als je niet goed oplet lijkt het op het werk van een arts. Datzelfde zou je ook kunnen zeggen van de opwekking van Lazarus: een gestorven lichaam krijgt weer leven. Als je hier niet goed oplet, denk je dat Lazarus schijndood geweest is. Maar het is het doel van dit evangelie om ons te laten zien dat Jezus waarachtig God is. Hij kiest dus juist die getuigenissen en die wondertekenen uit, die laten zien dat Jezus beschikte over de macht van de schepper. In Kana is de schepper aan het werk, en Hij maakte wijn uit water. Maar ook bij de spijziging is de schepper aan het werk. Uit het niets creëert Jezus voedsel voor pak en beet 15.000 mensen. Het laat de absolute scheppende macht van de Heer Jezus zien. Dat moet voor iedereen zichtbaar zijn geweest. En er kan geen twijfel over bestaan hebben, dat Jezus hier de macht van de schepper gebruikt – en dat bevestigt de boodschap van Johannes, dat Jezus Christus God Zelf is.

Het is wel mooi om te beseffen, dat de enige twee zuiver scheppende wondertekenen van Christus, de wijn in Kana en het brood op de berg zijn geweest. De vissen die hier worden genoemd zijn maar een bijzaak. (Dat smeerde je op brood om het wat vochtiger te maken.) Want hoe mag je dat begrijpen? De wijn spreekt ons van het vergoten bloed van Christus, zoals in het avondmaal. In Jezus schept God die wijn in Kana uit het niets om er een feestelijke bruiloft van te maken. Het brood spreekt ons van het gebroken lichaam van Christus, en hier op de berg deelt Hij dat wonderbare brood met alle aanwezigen om hun honger te stillen. En zo staat het dan ook in vers 53: “Als u het vlees van de Zoon des mensen niet eet, en Zijn bloed niet drinkt, hebt u geen leven in uzelf.” Dat is toch waarachtig een beeld van het avondmaal. Het letterlijke wonder van de schepping van wijn en brood uit niets, gaat over in het geestelijke wonder van het deel hebben aan Zijn bloed en lichaam. (En het avondmaal is uiteraard ook weer een teken voor een geestelijke realiteit.)

Wat is de context voor dit wonder? Dat vinden we in vers 1 tot en met 4. Als het “feest van de Joden” in hoofdstuk 5 het paasfeest is geweest – ook het Loofhuttenfeest is een mogelijkheid omdat sommige oude handschriften alleen spreken over een feest – dan is het nu een jaar later. Zes maanden later als het in dat hoofdstuk om het Loofhuttenfeest gaat. In die hele periode heeft Jezus gepredikt in Galilea, en het meest uitgebreide verslag daarvan vinden we in Mattheus 4:12 tot en met 15:20. We lezen hier dat een grote menigte Hem volgt, en dat is dan aan het einde van deze periode van een jaar in Galilea. Jezus is nu in de buurt van Tiberias, aan de zuidwestelijke kust van het Meer van Galilea – ook wel het Meer van Tiberias genoemd. Dan besluit Jezus dat Hij een tijd van rust wil hebben, om met Zijn discipelen alleen te zijn. Daarom lezen we dat Hij de berg opgaat.

Je kunt je afvragen waarom Hij dat doet. Als een grote menigte Hem wil volgen, waarom trekt Hij Zich dan terug met zijn discipelen? Is dit dan niet de oogst voor het koninkrijk? Als je goed kijkt, dan zie je echter waarom Jezus geen aandacht aan deze menigte schenkt. Waarom volgen zij Hem? “Omdat zij Zijn tekenen zagen, die Hij deed aan de zieken.” Deze menigte is na een jaar van onderwijs in Galilea, en na een periode van zes maanden in Judea nog alleen maar geïnteresseerd in de wonderbare genezingen. Ze hebben geen geloof in Jezus als de Zoon van God, ze erkennen Hem niet als het Lam van God. Hun geweten is niet geraakt. Dit is het volstrekt uiterlijke geloof, dat ook aanwezig was bij de mensen in Jeruzalem, die de tempelreiniging en vele genezingen hadden gezien, en om die reden “in Zijn Naam” geloofden. (2:23) Maar die Naam was in hun ogen gelijk aan de Faam die Jezus als profeet en genezer had gekregen.

Sommige theologen spreken jubelend over het geloof van de menigte, van de scharen. Het zijn nog geen discipelen, maar ze zijn wel nieuwsgierig naar Jezus en verlangend naar het koninkrijk. Meer kun je van de meeste mensen ook niet verwachten. Maar dit geloof heeft een keerzijde. Je kunt geloven in God en Jezus zonder na te denken over het kwaad in de wereld en de tragiek in je eigen leven of in dat je je kinderen. Maar wat gebeurt er met het geloof van de scharen, als het wonder voorbij is of uitblijft? Wat gebeurt er met je geloof als het gebaseerd is op het beeld van een goede en vaderlijke God die er verantwoordelijk voor is dat alles in deze wereld goed afloopt – wanneer het helemaal niet goed afloopt? Geloven in een God die wonderen kan verrichten is alleen maar vroomheid in goede tijden, maar in slechte tijden slaat het om in ongeloof. Dan roepen we Waar was God? En dan verliezen we ons vertrouwen in een dergelijke God. De vroomheid van de scharen is helemaal niet bewonderenswaardig omdat het alleen gericht is op het wonder, op de eigen behoeften, vanuit duizenden mogelijke redenen om religieus te willen zijn. Wie zo over Jezus denkt, zoekt niet de Zoon van God om Hem te gehoorzamen en zoekt niet het Lam van God om Hem te aanbidden. Dat geloof zoekt een genezer, een wonderdoener, een gelukbrenger. En het ergste is nog, dat deze menigte, zoals we in het vervolg zullen zien, beetje bij beetje ook dit geloof kwijtraakt tot uiteindelijk alle zogenaamde discipelen, de volgelingen van het moment, Hem verlaten.

In ieder geval duurt de rustperiode maar kort. De menigte heeft Jezus en de discipelen snel gevonden. Nu voegt Johannes daar nog iets aan toe, namelijk dat het paasfeest nabij was. Iedereen was dus toch al bezig met voorbereidingen om naar Jeruzalem te gaan. Daarom was er een grote menigte op de been. Ze kwamen dus niet allemaal uit hun huizen om naar Jezus te komen luisteren, maar ze waren al in een grote groep pelgrims onderweg. Vanaf de berg kon Jezus zien, dat de menigte zich verzamelde. En dan komt Jezus ondanks Zijn vermoeidheid naar beneden om Zich met de menigte bezig te houden. Weet Hij dan niet waarom ze daar waren? Hij wist toch immers wat in de mens was? Maar toch was het Zijn verlangen, om de menigte tegemoet te komen met een wonder dat niet alleen hun magen zou vullen, maar ook hun hart zou raken.

Mattheus vertelt er nog bij dat Jezus “innerlijk met ontferming bewogen” was over hen en zieken genas. En in dat evangelie horen we ook dat het al avond werd en dat de discipelen naar Hem toegingen en zeiden dat Hij maar beter de menigte kon wegsturen zodat ze in de naburige dorpen voor voedsel konden zorgen. Maar het lag niet in de lijn van de manier waarop Jezus met mensen omging, dat Hij ze zomaar zou wegsturen. Dat deed Hij pas (Mat. 14: 23) nadat Hij hun honger gestild had. Marcus voegt hier nog aan toe, dat dit alles gebeurde in Bethsaida, waar Filippus woonde. Toen de discipelen tegen Hem zeiden (volgens Mattheus) dat Hij de menigte maar beter kon wegsturen, was Filippus misschien wel de belangrijkste spreker. En dat mogen we dan aannemen omdat Marcus ons vertelt dat dit gebeurde vlakbij de woonplaats van Filippus. Hier kun je mooi zien hoe Johannes met de andere evangeliën omgaat. Die hadden ons al verteld dat het de discipelen waren, die het probleem van het voedsel aan de orde stelden. En nadat zij gevraagd hadden aan Jezus of het niet beter was om de menigte weg te sturen zodat ze voedsel konden kopen, zegt Jezus tegen Filippus: “waar zullen wij broden kopen, opdat deze mensen kunnen eten?” Blijkbaar had juist Filippus, die bekend was met de omgeving, kunnen weten dat voor deze menigte mensen nergens in de omgeving voldoende voedsel te krijgen was. Jezus wilde blijkbaar ook aan Filippus duidelijk maken, dat Hij verantwoordelijk was voor het voedsel, omdat Hij immers de menigte met genezingen en onderwijs aan deze plaats had gebonden. En blijkbaar wilde Hij Filippus ook duidelijk maken, dat zij nu in een situatie zaten, waarin geen normale menselijke oplossing kon worden gevonden.

Vers 6 maakt duidelijk dat dit een test was voor Filippus. Het was geen echte, maar een retorische vraag. Jezus wist al wat Hij zou gaan doen. En dit was de test: geloofde Filippus werkelijk in de macht van Jezus, na alles wat hij vanaf het begin met Jezus had meegemaakt? Na het wonder in Kana? Kon Filippus zich herinneren, dat God in de woestijn manna had gegeven om het volk te voeden, 40 jaar lang? Het eerste dat Filippus nu doet, is gaan zitten rekenen. Hij neemt de vraag van Jezus letterlijk en heel serieus. Hij zegt niet: ik weet, Here, dat U bij machte bent om deze mensen te voeden. Maar hij zegt: tja, het is ook een onmogelijke situatie, dat gaat meer dan 200 penningen kosten – dat is ongeveer het jaarloon voor een werkman, hoewel het maar ongeveer € 40 is in hedendaags geld. Maar daar kon je in die tijd behoorlijk lang van leven. Maar Filippus had al berekend, dat zelfs zo’n groot bedrag veel te weinig zou zijn voor deze groep mensen. In plaats van te vertrouwen op de Zoon van God, berekent hij dat het niet zal lukken. Zo vinden we hier dus een stukje ongeloof in een van de discipelen.

En dan komt in vers 8, Andreas aan het woord. Er is een jongetje – als hij meegaat naar het paasfeest in Jeruzalem, dan zal hij minstens 12 jaar oud geweest zijn – met vijf gerstebroden en twee visjes. Zijn moeder heeft een soort broodtrommeltje voor hem ingepakt. Vijf broden en twee vissen. Dat is alles wat de discipelen zelf kunnen opbrengen. Dat zijn niet de vijf grote broden die wij nu maar met moeite met twee armen kunnen dragen. Ze zien eruit als stukjes beschuit, als kleine pannenkoekjes. En dan zijn ze ook nog eens gebakken van gerst, zoals alleen de armen dat doen. Niet van tarwe of een andere graansoort. Gerst was eigenlijk het voedsel voor dieren. En die vis lijkt meer op ansjovis, of kleine sardientjes. Als je dat erop deed, dan kon je dat droge beschuit nog een beetje weg krijgen. Dus hier zegt Andreas dat er een jongetje is met vijf beschuitjes en twee ansjovisjes. En uiteraard moet Andreas dan zeggen: “maar wat betekenen die voor zovelen?” Welnu, helemaal niets.

En dan zegt Jezus dat de mensen moeten gaan zitten. 5000 mannen, zegt Mattheus, vrouwen en kinderen niet meegerekend. Reken maar even: 5000 mannen plus hun vrouwen, plus in ieder geval gemiddeld één kind? Sommigen kinderloos, anderen met twee kinderen? Dan praten we over 15.000 mensen. En dan worden ze ook nog eens, vertelt ons Marcus, ingedeeld in groepen van 50 en 100. Waarom deze daad? Zodat je tussen de mensen kon doorlopen. Het verbazende is dat de mensen dat zomaar gedaan hebben, zonder te weten wat er zou gaan gebeuren. De discipelen wisten het wel. Er zou een diner worden geserveerd. Het zijn inderdaad de discipelen die nu het voedsel gaan uitdelen aan de menigte. God verricht een wonder voor mensen die in het geheel niet geloven dat Hij de Zoon van God is. Maar de discipelen geloofden het wel. Misschien hebben ze in hun hart wel twijfels gehad, maar desondanks hebben ze gehoorzaamd. Is dat niet prachtig? Je kunt twijfelen aan je geloof, je kunt zelfs op een dag je geloof helemaal kwijt zijn, maar God is alleen maar in staat jouw geloof te herstellen als jij intussen gewoon gehoorzaamt aan wat Hij zegt dat je moet doen. Misschien heeft het geloof van de discipelen – minstens van Filippus en Andreas – gefaald. Maar ze gehoorzamen. Dit is een heel belangrijk beginsel. Het is waar, dat geloof leidt en leiden moet tot gehoorzaamheid. Geloof dat in liefde werkt, noemt Paulus dat. Maar het omgekeerde is evenzeer waar. Gehoorzaamheid is het middel waarmee geloof wordt gewekt. Geloof is zonder de werken dood, zegt Jacobus daarom. Als je de Heer niet gehoorzaamt, dan zul je nooit groeien in je geloof. En het is niet het geloof, maar de gehoorzaamheid van de 12 discipelen, die nu wordt ingeschakeld in het wonder van de broodvermenigvuldiging.

Jezus neemt de beschuitjes en nadat Hij de dankzegging heeft uitgesproken, geeft Hij ze aan Zijn discipelen. Nergens zegt Johannes nu dat er een wonder heeft plaatsgevonden. Er staat niet dat Jezus de beschuitjes vermenigvuldigde. Er staat alleen dat de discipelen ze uitdeelden, en nog eens uitdeelden, en nog eens uitdeelden. En dat de hele menigte verzadigd raakte van het brood en er zelfs nog overgebleven stukken waren. 12 manden vol: één mand voor elke discipel – er is geen reden om aan te nemen dat de 12 manden hier staan voor de 12 stammen Israëls. Wat is hier dan gebeurd?

Ook moderne mensen willen niets weten van de verkondiging dat Jezus waarachtig de Zoon van God was. Sommigen spreken niet meer over de wonderbare spijziging of over de broodvermenigvuldiging. Er is een nieuwe betiteling gekomen, namelijk de wonderbare brooddéling. Wat zou er gebeurd zijn? Alle mensen hadden brood bij zich. Niet alleen maar dat jongetje. En er waren natuurlijk mensen die niets te eten hadden onder hen. Maar Jezus geeft het voorbeeld en deelt dat kleine beetje brood en vis met zijn 12 discipelen. En dan haalt iedereen de broodtrommeltjes tevoorschijn, en deelt dat met de mensen om hen heen. Het wonder is dan, dat Jezus mensen ertoe brengt om te delen en zo één grote gemeenschap te vormen. Voor ons als moderne mensen is dat eigenlijk geen wonder. Wij regelen dat via de belastingen. Ieder geeft zijn aandeel en het wordt gedeeld met alle mensen in een land en gebruikt voor gemeenschappelijke doelen. Het wonder is dan een politiek wonder, wat voor ons op geen enkele manier nog een wonder kan heten.

Ik denk dat we hier de scheppende macht van God aan het werk zien. En dat het bijzondere hier niet eens is dat Jezus bij machte is om beschuit en vis te scheppen. Het meest wonderlijke van alles is in mijn ogen het feit dat de discipelen mochten uitdelen. Het wonder was niet bedoeld voor de menigte, alleen het brood, maar het wonderteken zelf was bedoeld voor de discipelen. Als zij Hem zouden gehoorzamen, dan zou Hij het mogelijk maken dat ze konden uitdelen zonder ophouden. Is dat niet de manier waarop God altijd werkt? Gebruikte Hij niet het huilen van een baby om het hart van de dochter van farao te vermurwen? Gebruikte hij niet de staf van Mozes om grote wonderen in Egypte en in de woestijn te doen? Verdedigde God niet Zijn volk door David een slinger en een steen in zijn handen te geven? En was het niet de stem van een kleine slavin, die de Syrische generaal Naäman ertoe bracht om zich te vernederen voor de profeet van Israël? God doet in Jezus een wonder. Hij is de Schepper. En dat was de boodschap die Hij meegaf aan de discipelen. Tegen de Joden had Hij al gezegd dat God “Hem grotere werken zal laten zien dan deze, opdat u zich verwondert.”

Maar de menigte verwondert zich niet. Vers 14 vertelt ons dat de mensen het teken hebben gezien dat Jezus gedaan had. Zij hebben niet gezegd: wat heeft deze man ons grondig gemanipuleerd, zodat wij ons egoïsme opzij hebben gezet en met elkaar de maaltijd gingen delen. Toen zij het teken zagen, zeiden zij: “Hij is werkelijk de Profeet, die in de wereld komen zou.” Dat is wat de Samaritaanse vrouw zegt in Joh. 4:19, vóórdat ze te horen krijgt dat Jezus de Christus is. Jezus is voor deze menigte alleen maar het middel voor de bevrediging van hun behoeften. Na de “belijdenis” van de menigte dat Jezus de Profeet is, die Mozes al had aangekondigd, willen ze Hem met geweld meevoeren om Hem koning te maken. Zo’n koning willen ze wel. Zo’n koning krijgen ze niet. Jezus is niet degene die voor eeuwig brood en vis uitdeelt. Het teken was bedoeld om aan de discipelen duidelijk te maken dat Jezus Zelf het ware brood uit de hemelen is. Dat Hij niet voedsel geeft, maar het leven. (6:32, 33) Het gevolg van de reactie van de menigte is dat Jezus zich terugtrekt. Met deze menigte kan Hij niets beginnen en dat wist Hij al. Maar nu laat Hij ook Zijn discipelen achter om na te denken over wat er gebeurd is. Omdat Jezus weet dat de menigte Hem niet als Zoon van God aanvaard heeft, “trok Hij Zich opnieuw terug op de berg, Hij Zelf alleen. ” Wat daarna gebeurt is dan opnieuw een test voor het geloof van de discipelen.

Johannes (22) – Een koninklijk wonder geneest ongeloof

Joh. 4:43-54

Ongeloof komt in verschillende vormen en soorten. Maar de kern van alle ongeloof is steeds hetzelfde. Dat hebben we gelezen in Joh. 3:19: “de mensen hebben de duisternis liefgehad, meer dan het licht, want hun werken waren slecht.” Elk soort ongeloof is deze weigering om de duisternis te verlaten en in het licht te treden, omdat het licht pijnlijk scherp openbaar maakt wie je eigenlijk bent. De reactie van mensen op de persoon en de prediking van Jezus heeft altijd te maken met het onvermogen om afstand te doen van je eigen overtuigingen, om eerlijk te zijn tegenover jezelf, jezelf te zien in het licht van God. Maar deze duisternis kan verschillende vormen aannemen.

Twee voorbeelden daarvan hebben we nu uitgebreid besproken. De duisternis van Nicodemus is zijn overtuiging dat het volharden in de nauwkeurige naleving van de wet een toegang tot de verlossing zou kunnen geven, terwijl hij in zijn hart weet dat het juist een afstand schept tot God. Zijn wetsbetrachting is een vorm van zelfrechtvaardiging. Hij voelt weliswaar onrust over zijn verhouding tot God, maar het woord van Jezus dat hij een wedergeboorte moet ontvangen, een reiniging door het water van het Woord en een vernieuwing door de heilige Geest, overtuigt hem niet. In zijn duisternis heeft hij het licht niet begrepen dat hem hier wordt aangeboden.

De Samaritaanse vrouw daarentegen ziet het licht vallen op de duisternis van haar eigen leven, en ze krijgt een oordeel te horen over dat leven zonder veroordeling en verwijt. Zo leert ze Jezus kennen als de profeet, die “alles weet wat zij gedaan heeft.” Een bewijs van Zijn alwetendheid, maar bovenal een aanwijzing hoe God met die zonde wil omgaan: Hij wil haar vergeving schenken!  Zij hoort wel degelijk het aanbod van het levende water, dat opwelt tot in het eeuwige leven. Haar onrust bestond daarin, dat ze gevangen was in haar eigen zondige leven en niet wist op welke manier zij daaruit bevrijd zou kunnen worden. Jezus gaat met haar zo ver, dat Hij Zijn eigen identiteit aan haar onthult. Hij zegt tegen haar dat Hij de Messias is, die bij zijn komst alles zou verkondigen en verlossing zou brengen. Hij zal de weg naar de verzoening met God aan de mensen aanbieden. En de Samaritaanse vrouw gelooft in Hem en een heel dorp komt tot bekering. In Israël is dat nog nooit gebeurd. Het is een voorproefje van wat later realiteit zou zijn, namelijk dat Israël de Zoon van God zou verwerpen terwijl de heidense wereld Hem zou aannemen. Daarom sprak Jezus over de oogst die zou komen, en de velden die wit waren zodat je kon zien dat het gewas bijna rijp was. (Omdat we lezen dat de mensen van de stad naar Hem toe gingen in vers 30, en omdat we weten dat ze in die tijd bijna allemaal gekleed waren in lange witte gewaden, moet dat een heel duidelijk beeld zijn geweest. In vers 35 zegt Jezus “Sla uw ogen op en kijk naar de velden, want ze zijn al wit om te oogsten.” Zo zagen die Samaritaanse mannen er ook uit die met hun witte gewaden de stad uitkwamen, Hem tegemoet.)

Ongeloof in soorten en maten

Ongeloof is er in soorten en maten, en de kern is dus de angst voor het licht. Sommige mensen komen tot geloof zoals Johannes de Doper. Zij herkennen Hem. Die herkenning wordt hen vanuit de hemel geschonken, maar zo wordt het dan ook door hen ervaren. De Persoon van Jezus maakt indruk op hen, ze zien, en ze geloven. Sommige mensen komen tot geloof, op grond van de woorden van Jezus. Zo ging het met Andreas en Johannes (de evangelist) die een hele dag met Jezus hebben gesproken. Op grond van wat ze hoorden, kan Andreas tegen zijn broer Simon zeggen: “wij hebben de Messias gevonden.” Er zijn mensen die de Bergrede lezen, of uit andere delen van het onderwijs van Jezus tot de conclusie komen dat er iets bijzonders met deze mens aan de hand is. Ook dat is hen uit de hemel geschonken. Maar dan is het ook deel van hun eigen ervaring. De persoon en de woorden – maar dan ook nog de wonderen. In vers 48 van ons hoofdstuk zegt Jezus tegen de hoveling, maar Hij bedoelt alle mensen in Galilea:” Als u (meervoud) geen tekenen en wonderen ziet, zult u beslist niet geloven.”

Ik denk dat Jezus op Zijn manier met elk van deze vormen van ongeloof omgaat en het weet te overwinnen. Hij vertoont zich aan Johannes de Doper en Zijn discipelen in Kana als Wie Hij is. Hij onderwijst Johannes en Andreas. Bij het wonderteken in Kana staat geschreven dat Hij Zijn heerlijkheid openbaarde door langs bovennatuurlijke weg het feest te redden, en dat de discipelen geloofden. In Kana heeft Hij laten zien dat Hij de gever is van de zegen, van de aardse zegen daar en toen, maar dan ook van de volkomen zegen overal en later. Tegenover de Samaritaanse vrouw spreekt Hij de woorden die haar hart raken, en haar tot geloof bewegen. In de twee dagen die Hij doorbracht in het dorpje Sychar, zijn het Zijn woorden die hebben overtuigd. “Wij geloven… want wijzelf hebben Hem gehoord en weten dat Hij werkelijk de Zaligmaker van de wereld is, de Christus.” (4:42) En in het gedeelte waar we nu over zullen spreken, is er geen getuigenis, maakt Hij met Zijn persoon geen indruk, zijn er geen woorden die tot het hart doordringen. Er is een teken en een wonder nodig om de hoveling tot geloof te bewegen. Maar Jezus wil ook dit ongeloof overwinnen, wil ook in deze duisternis met Zijn licht doordringen.

En dan is er nog een vierde vorm van ongeloof in het evangelie naar Johannes. De Joden van Judea en omstreken hebben de persoon van Jezus aanschouwd, hebben Zijn woorden gehoord, meerdere malen zelfs, en hebben ook Zijn wonderen gezien. En toch hebben zij niet geloofd. Toen Jezus de tempel had schoongeveegd, leeggemaakt, zagen ze een persoon optreden met gezag, die ijver voelde voor het Huis van God. Jezus nam het op voor Zijn hemelse Vader. Ze zagen de macht die Hij uitstraalde, waardoor duizenden mensen rustig gehoorzaamden. Dat was een groot wonderteken, maar het was een wonderteken dat de heerlijkheid van God de Zoon liet zien, zoals Hij dat op menselijke maat wilde tonen. Het was opnieuw de heerlijkheid van de Zoon “vol van genade en waarheid.” En dan toch vragen ze aan Hem: “Welk teken laat u ons zien dat U het recht hebt deze dingen te doen?” (2:18) Jezus verwijst hen dan naar het ultieme wonder, dat de tempel van Zijn lichaam zal worden afgebroken en dat Hij op de derde dag uit de dood zal terugkeren. Dat was het ultieme teken, waaraan iedereen kon zien dat Hij het gezag en de macht had en waarachtig de Zoon van God was, maar we weten uit de geschiedenis dat zij ook dat wonderteken niet hebben geloofd.

Er is nog een vijfde vorm van ongeloof, die in het evangelie van Johannes niet wordt getekend. We kennen die vorm van ongeloof uit andere teksten van de bijbel. Het is het ongeloof dat zich nestelt midden in het geloof. Het is geloof zonder werken – “wat voor nut heeft het, mijn broeders, als iemand zegt – beweerd, belijdt in het openbaar met de mond – dat hij geloof heeft, en hij heeft geen werken? Kan dat geloof hem zalig maken?” En dergelijk geloof openbaart zich niet rechtstreeks als ongeloof, maar “zonder de werken” zegt Jacobus, zonder gehoorzaamheid aan Jezus, is een dergelijk geloof wel dood.

Er is ook een vorm van ongeloof die zich nestelt binnen het geloof wanneer mensen de houding aannemen die zo typisch was voor de gemeente van Laodicea. Dat is ongeloof dat zichzelf iets wijsmaakt. Dat zegt rijk te zijn en aan niets gebrek te hebben. Dat zijn de mensen die zeggen dat ze het evangelie al lang begrepen hebben en kennen, en er niet mee lastig gevallen willen worden. Het gaat om christenen die lauw zijn, geen enthousiasme meer hebben voor het evangelie, geen verlangen hebben om God en Christus beter te leren kennen, die de deur van hun hart hebben gesloten om de stem van Jezus maar niet te hoeven horen. Tegen die mensen zegt Jezus dat Hij aan de deur staat en klopt. En dan zegt Hij wat Hij zou willen, en wat er met deze mensen dus eigenlijk aan de hand is, wat ze tekort komen. Hij wil bij hen binnenkomen – in het hart, in de kern van het persoonlijke leven – en de maaltijd met hen gebruiken – de maaltijd van de gemeenschap, van het gedeelde leven, maar in het bijzonder natuurlijk de maaltijd van de gedachtenis, waarin het lijden en de liefde van Christus weer centraal staan. (Op. 3:20) Wie deze terechtwijzing van Jezus hoort, en de bestraffing ondergaat, wie beseft eigenlijk “ellendig, beklagenswaardig, arm, blind en naakt” te zijn, kan aan dat ongeloof een einde maken. Een nieuwe bekering! Een herstel van de oorspronkelijke verhouding van de gelovige met God. Ook dat alles is ongeloof. Maar het is ongeloof dat werkzaam is in een leven dat toch de kenmerken van de gelovige draagt: iemand gaat naar de kerk, leest uit een Bijbels dagboek, noemt zich een christen – “ik probeer ernaar te leven…” Maar het ongeloof, de ontrouw binnen de relatie met Christus, het buitensluiten van Zijn levende presentie in het leven, dat heeft alle kracht uit het geloof weggenomen.

Terug naar Kana

In onze tekst voor vandaag zien we Jezus terugkeren naar Kana, na een verblijf van ongeveer een jaar in Judea. De reis van Judea naar Galilea heeft ook nog wat langer geduurd vanwege het oponthoud van enkele dagen in Samaria. Hier in Kana ontmoet Hij een man, die van de persoon van Jezus niet onder de indruk is, en die geen vertrouwen heeft in de woorden die Hij spreekt. Het is het meest hardnekkige en harde ongeloof. Het enige wat deze man in Kana natuurlijk gehoord heeft, is dat Jezus een wonderdoener is. En zelfs zonder in Hem te geloven, grijpt de man naar een strohalm. Zijn zoon ligt op sterven. Baat het niet dan schaadt het niet. Wie weet wat deze zoon van een timmerman misschien nog doen kan. Op dezelfde manier gaat hij naar Jezus, zoals zoveel mensen naar Jomanda gingen. Ze had een reputatie, deed allerlei claims, en als dat een laatste redmiddel kan zijn dan grijp je het aan. Vooral omdat je niet het gevoel wil hebben, dat je een kans hebt laten liggen. Wie weet? Misschien werkt het. Zo gaat deze hoveling naar Jezus toe.

Jezus is op hem voorbereid. Al meteen in vers 44 horen we dat Jezus aan Zijn discipelen gezegd (getuigd) heeft dat een profeet in zijn eigen vaderstad geen eer ontvangt. Omdat ze menen Hem te kennen als de zoon van de timmerman met wie sommigen van hen opgegroeid zijn, is het voor hen niet makkelijk om te aanvaarden dat Hij tenminste een profeet is. Jezus moet onderweg tegen Zijn discipelen gezegd hebben, dat de waarheid van dit spreekwoord spoedig zou blijken. Maar ook dat was een onderdeel van zijn missie. Zo had Jesaja (53:3) het ook al gezegd: “Gestalte of glorie had Hij niet; als wij Hem aanzagen, was er geen gedaante dat wij Hem begeerd zouden hebben. Hij was veracht, de onwaardigste onder de mensen. Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht.” En dat blijkt ook meteen. De mensen in Galilea ontvangen Hem. Het is zuinig. Geen feestelijke ontvangst, geen eerbetoon, geen blijk van geloof. “Ontvangen Hem.” Maar erkennen Hem niet. Niet vanwege Zijn prediking, niet vanwege het wonderteken op de bruiloft in Kana. Het getuigenis van Maria, en de dienaars van het feest, en van de familieleden van de eerste discipelen, dat alles heeft geen enkele indruk op hen gemaakt. Ze ontvangen Hem met enige aandacht, met enige verwachting dat er rondom Hem nog wel iets te gebeuren staat, “omdat zij gezien hadden wat hij gedaan had op het feest in Jeruzalem.” (vers 45)

Johannes vertelt hier niet over een verblijf in Nazareth. Jezus blijft blijkbaar niet in Nazareth, maar gaat verder naar het noorden en komt opnieuw in Kana. Slaat Johannes nu een andere geschiedenis over? We weten dat Jezus aan het begin van Zijn zending een bezoek aan Nazareth heeft gebracht. Maar zoals zo vaak, als de andere evangelisten daarover vertellen, dan slaat Johannes het als bekend over. Misschien dat hij precies tijdens deze reis naar Kapernaüm via Kana nog een kort verblijf heeft gehad bij zijn moeder en broers. Misschien is toen in Nazareth wel gebeurd waar het evangelie van Lucas ons over bericht. Lucas vertelt dat Jezus in Nazareth in de synagoge de boekrol van Jesaja opent, en de profetie van de Messias op zichzelf van toepassing verklaart. Daar gebruikt hij hetzelfde spreekwoord: “dat geen profeet welgevallig is in zijn vaderstad.” En de woedende menigte doet daarna een poging om Hem van de top van de berg waarop het dorp gebouwd was, naar beneden te werpen, Hem te vermoorden. Het is allemaal te lezen in Lucas 4:16-30. Is dat dan ook de reden dat hij definitief uit Nazareth wegtrok? Dat Hij in Kapernaüm is gaan wonen weten we weer uit Marcus (2:1): “En na enkele dagen kwam Hij opnieuw in Kapernaüm; en men hoorde dat Hij thuis was.” Dezelfde mensen in Nazareth die in Kana op de bruiloft waren, en het gerucht moeten hebben gehoord over het wonderteken van Jezus, die proberen hun dorpsgenoot nu te vermoorden.

De hoveling en zijn zoon

Onderweg naar Kapernaüm dus komt hij weer in Kana. En daar treft hij de “Koninklijke hoveling” aan. Wat is dat voor een man? Het koninklijke hof waar hij onderdeel van uitmaakt, is het hof van Herodes Antipas. En echte koning is het niet. Hij is een tetrarch, dat wil zeggen dat hij als gouverneur leiding geeft – onder toezicht van de Romeinen – over een viertal gebieden. Hij werd alleen maar koning genoemd door de mensen, omdat zijn vader, Herodes de Grote, wel een koning was. Toen Jezus stierf, werd het gebied verdeeld onder de vier zoons, en Herodes Antipas kreeg toen Galilea en Perea, dat in het zuidoosten lag, aan de oostzijde van de Jordaan. Tot het hof van deze “koning” behoort nu deze hoveling. De man heeft een heel klein beetje vertrouwen in de mogelijkheid van een wonder. Vertrouwen dat is geboren uit wanhoop. Als zijn zoon niet op sterven had gelegen, was hij nooit en te nimmer naar Jezus toe gegaan. Maar de zoon is nu eenmaal ziek, en daarom gaat de hoveling naar Jezus toe. Hij heeft een interessante vorm van ongeloof en geloof tegelijkertijd. Het is moeilijk om uit de tekst precies op te maken wat deze man gedacht heeft, maar je kunt er wel naar raden. Zijn geloof is uit wanhoop geboren, zeker. Het lijkt sterk op de vorm van geloof die veel mensen nu ook nog hebben. Eigenlijk geloven ze het evangelie niet, eigenlijk ontbreekt hen alle zekerheid. Maar ze denken bij zichzelf, “als ik het bij het verkeerde eind heb, dan is het ook niet verloren.” Het lijkt op een weddenschap. Waarop moet ik mijn geld nu inzetten? Op geloof of op ongeloof? Stel dat ik gelijk heb in mijn geloof, dan is alles goed. Stel dat ik ongelijk heb, stel nu eens dat de dood het einde van mijn leven is, en er geen God in de hemel is die mij het eeuwige leven zal schenken et cetera. Wat is er dan verloren? Een gelovig leven is toch zo slecht nog niet. Ook als het onwaar blijkt te zijn. Ik kan dus maar beter “geloven”, want dan kan ik nooit verliezen.

Dat type geloof is net voldoende om tot God te bidden in nood, om te spreken over een “Iets” dat er toch zijn moet, om te spreken over een “dragende grond”, of om te zeggen dat wij “niet helemaal alleen zijn.” Dat soort geloof is net genoeg om aan Jezus te vragen om zijn kind te genezen. Als Jezus het niet doet, dan is niets verloren. Als Jezus het wel doet, dan hebben we daar baat bij gehad. De man is ook in het geheel niet van plan, om in het geval dat Jezus zijn zoon werkelijk kan genezen, met Jezus in een relatie te treden. Hij wil alleen dat zijn zoon geneest. Hij wil dat Jezus hem daarna gewoon weer met rust laat. Is dat niet het geloof van velen in onze tijd? God komt in het gezichtsveld in tijden van nood. Baat het niet, dan schaadt het niet. Voorbede in de gemeente kan in ieder geval geen kwaad, en wie weet. Maar een relatie opbouwen met die God? Je geloof laten groeien door kennis te nemen van Gods openbaring in Christus? Dat is voor velen te veel gevraagd. Let er ook op dat de hoveling Jezus wil vragen om de zoon te redden terwijl hij nog leeft. Hij zoekt niet naar onderwijs over verlossing van schuld zoals Nicodemus, hij wil niet van zijn schuld genezen? Hij zoekt een herstel van het aardse leven van zijn zoon. Dat hij overleeft is alles wat hij wil en weet.  Niet verkeerd, maar wel tekort. Dat is net als wat Martha tegen Jezus zegt, als haar broer Lazarus is overleden. Als U erbij was geweest, Heere, dan was mijn broer nog in leven! Ziet u het punt? Dat Jezus iets kan bijdragen aan de genezing, dát is nog wel te geloven, dat is een redelijke en menselijk verlangen; maar dat Hij de macht heeft over de verlossing van de schuld, en dat Hij verzoening met God schenkt en eeuwig leven kan geven, en dat Hij de dood overwint, dat gaat voor ons halfslachtige geloof veel te ver. Wie op die manier gelooft, stuit op de harde grens van de dood. Nu heeft het geen zin meer om Jezus te vragen om redding en genezing. Het is allemaal te laat. Wij geloven wel dat het zinvol is om te bidden in onze nood, maar als het te laat is dan heeft de dood overwonnen en dan heeft het geen zin meer Jezus iets te vragen. Zo ziet de hoveling Jezus. Als iemand die voor het tijdelijke kan zorgen; over het eeuwige echter – het domein van Jezus Zelf, Zijn thuis – wille we niets weten. Daar weten we ons geen raad mee.

Een koninklijk wonder

In vers 50 horen we Jezus antwoorden op de vraag van de hoveling. “Ga heen, uw zoon leeft.” De timmerman uit Nazareth spreekt koninklijker dan Herodes Antipas. Maar het is die taal die indruk maakt op de hoveling, alleen dát kan hem op andere gedachten over Jezus brengen. Jezus gebiedt.  Jezus laat zien dat Hij in staat is om met Zijn Koninklijke woord de afstand van 20 km tussen Kana en Kapernaüm te overbruggen, en de ziekte van zijn zoon is blijkbaar een deel van Zijn machtsgebied. Ziekte en dood staan onder Zijn gezag. Daarom: “de man geloofde het woord dat Jezus tegen hem zei, en ging heen.” (vers 50) En de slaven komen hem dan tegemoet om hem te vertellen dat zijn kind inderdaad aan de dood is ontsnapt. Toch was ook dat nog niet voldoende om tot geloof in Jezus te komen. Wanneer is dan de beterschap ingetreden? De slaven geven hem het antwoord: gisteren op het zevende uur. Nu begrijpt hij dat er geen sprake kan zijn van toeval. Precies op het moment dat Jezus zei dat zijn zoon leefde, trad de beterschap in. De macht van Jezus werkt dus onmiddellijk, is onbetwijfelbaar, want het is de macht van de schepper zelf. Hier is geen gebedsgenezer die tegen je zegt dat het soms wel en soms niet werkt, afhankelijk van de hoeveelheid geloof je hebt. Hier is geen televisie dominee, die zegt dat God jouw geloof afmeet aan je bijdragen in de collecte, en alleen door dat bewijs van trouw zich laat vermurwen om genezing te schenken. Hij is werkelijk de Zoon van God, aan Wie alle macht is geschonken in de hemel en op aarde.

Dat is het wat deze hoveling, die als geen ander begrijpt hoe Koninklijke macht werkt, tot geloof brengt. Jezus geneest op de kracht van zijn woord, er zijn geen dienaren nodig om Zijn wil te doen. Jezus geneest zonder een tegenprestatie te vragen, zonder verering te eisen, zonder zichzelf angstig te bekommeren of Zijn woord wel effect heeft gehad. Jezus geneest zonder enige bijbedoeling, maar uit liefde voor iemand van wie je mag aannemen dat Hij nog nooit van hem gehoord kan hebben. Maar het tegendeel is waar. Jezus kende deze hoveling en zijn zoon al vanaf de eeuwigheid.

En wat is dan het resultaat van deze vrijmachtige, en overvloedige genade die Jezus aan deze hoveling schenkt? “En hij geloofde, hijzelf en zijn hele huis.” Het aarzelende, wanhopige geloven, in de stemming van ‘baat het niet dan schaadt het niet’, wordt tot een positief zeker geloof. Het steekt anderen aan, die dezelfde gebeurtenis hebben meegemaakt, en nu het wonder van de genezing kunnen voegen bij het getuigenis van de vader. Zo komt deze hoveling dus tot geloof. Eerst geloofde hij een beetje in de wonderen van Jezus. Dan hecht hij geloof aan het woord van Jezus, voldoende geloof in ieder geval om heen te gaan en terug te keren naar Kapernaüm. En tenslotte gelooft hij in de persoon van Jezus – vandaar kortweg de uitdrukking “hij geloofde”. Het (mogelijke) wonder is het begin, het (Koninklijke) woord is het vervolg, en de heerlijkheid van de persoon van Jezus is het eindstation van deze snelle groei van het geloof.

Johannes (9) – Een bruiloft in Kana

Johannes 2:1-12

[Zie voor de gesproken versie onderaan deze blog, of klik Gesproken versie.]

Het eerste hoofdstuk van het evangelie naar Johannes hebben we nu besproken. De eerste 18 verzen gaven ons de theologie van Johannes: Jezus is het vleesgeworden Woord, het Leven en het Licht van de mensen. Hij is de Eniggeboren Zoon van God. Wie Hem aanneemt, in Zijn Naam gelooft, mag zichzelf een kind van God noemen. Johannes de Doper wordt in dat gedeelte meteen al genoemd als degene die het eerste getuigenis aflegt – want dit evangelie is een boek vol getuigenissen, Johannes wil bewijzen dat Jezus de Zoon van God is door getuigen op te roepen. Vanaf vers 19 komen we de eerste getuigen tegen: eerst Johannes de Doper zelf, daarna drie discipelen van Johannes de Doper: Andreas, Simon en waarschijnlijk Johannes de evangelist zelf. Dan horen we over de eerste roeping van discipelen: Filippus en Nathanaël. En dat getuigenis van de eerste leerlingen is steeds hetzelfde geweest. “Wij hebben gevonden de Christus”, zeggen ze, over Wie het Oude Testament geschreven heeft. En het getuigenis wordt doorgegeven: “Kom en zie!” We kregen het getuigenis van Nathanaël: “U bent de Zoon van God, de koning van Israël.” En ten slotte het getuigenis van Jezus Zelf met een verwijzing naar Daniel 7. “U zult grotere dingen zien dan deze …Van nu af zult u de hemel geopend zien en de engelen van God opklimmen en neerdalen op de Zoon des mensen.”

We beginnen nu te lezen in het tweede hoofdstuk. Hoofdstuk 2 tot en met 12 vertellen ons over de daden van Christus – de “grotere dingen dan deze” –, en geven ons de uitleg. Men noemt dat wel het boek van de “tekenen”. Tot en met hoofdstuk 12 vinden we 7 tekenen die op zichzelf een getuigenis vormen voor de belijdenis, dat Jezus de Zoon van God is. Dit zijn ze: (1) De verandering van water in wijn in hoofdstuk 2. (2) De genezing van de zoon van de hoveling in hoofdstuk 4. (3) De genezing van de verlamde in hoofdstuk 5. (4) De wonderbare broodvermenigvuldiging in hoofdstuk 6 is de volgende,  en in datzelfde hoofdstuk vinden we ook (5) dat Jezus loopt op het water van de zee van Galilea. (6) De genezing van de blinde vinden we als het zesde teken in hoofdstuk 9, en het laatste teken is (7) de opwekking van Lazarus in hoofdstuk 11. Uiteindelijk zal Johannes nog een achtste wonder vermelden, maar dat is na de opstanding in hoofdstuk 21, de wonderlijke visvangst.

Ons onderwerp vandaag is het eerste wonder dat Jezus verricht, wanneer Hij aanwezig is op de bruiloft in Kana. We gaan dus van het mondeling getuigenis van Johannes de Doper en zijn leerlingen naar de daden en wonderen van Jezus zelf. Waarom verrichtte Jezus deze wonderen? We lezen in vers 11 van dit hoofdstuk, dat Jezus met dit wonder Zijn heerlijkheid heeft geopenbaard. En Johannes schreef al in de proloog, dat hij de heerlijkheid van het vleesgeworden Woord gezien had: “vol van genade en waarheid.” De heerlijkheid van Jezus betekent hier niets anders dan zijn godheid – niet “goddelijkheid” want dat is een eigenschap die ook aan het schepsel kan toekomen, iets kan heel sterk lijken op God en heet dan goddelijk. Heerlijkheid is alles wat God is in zichzelf, in Zijn karakter, in Zijn persoonlijkheid, in al Zijn eigenschappen. Maar met de openbaring van Zijn godheid zien we niet iets wat absoluut ver van ons staat, we worden niet ver boven ons eigen mens zijn uitgetild, zoals in een mystieke beleving, aangezien die godheid op ons toekomt. “Vol van genade en waarheid” betekent dat wij die godheid ervaren in de vorm van genade – goedheid die ons herstelt en voltooit – en waarheid. Waarheid die ons inzicht geeft en doet begrijpen wie wij zijn tegenover God. Het is net als met de zon. De zon zelf kun je niet zien, maar je kunt de zon wel waarnemen door het licht en de warmte die ervan uitgaan. De zon is nog veel meer dan alleen licht en warmte, maar dat is wat wij ervan kunnen ervaren. Zo openbaart de Zoon van God Zijn heerlijkheid ook op een manier die wij mensen kunnen waarnemen, door de genade en de waarheid die van Hem uitgaan.

Daaruit kunnen we nog iets leren. In elk van de wonderen laat Jezus Zijn godheid zien door Zijn macht over de natuur te demonstreren. Hij is de schepper, want “Alle dingen zijn door het Woord gemaakt, en zonder dit Woord is geen ding gemaakt dat gemaakt is.” (1:3) Maar het gaat bij deze wonderen niet alleen maar om de demonstratie van Zijn macht over de natuur. Jezus had macht om de hele stad Jeruzalem op te tillen en boven de zee te laten hangen, en dan had Hij kunnen zeggen “geloof in Mij, anders laat ik je in de zee storten.” Maar dat is niet de manier waarop Hij Zijn macht heeft gedemonstreerd. Daarom is het zo belangrijk dat Johannes schrijft dat deze heerlijkheid gezien werd “vol van genade en waarheid.” Het is geen puur machtsvertoon wat we hier tegengekomen. Het gaat dus uiteindelijk ook niet om het bovennatuurlijk karakter van het wonder, en daarom spreken we liever over “wondertekenen”; het zijn miraculeuze gebeurtenissen die een getuigenis afleggen, die iets willen zeggen over het karakter van God en niet alleen maar over de macht over de natuur die God uiteraard heeft.

We komen nu bij het verhaal zelf. “Op de derde dag,” lezen we, “was er een bruiloft.” Er zijn dus een paar dagen verlopen tussen het gesprek met Nathanaël en deze bruiloft. Die twee dagen waren nodig om de reis naar Kana te maken. We zitten nu ongeveer 12 km verwijderd van Nazareth. Jezus is thuis. Zijn broers en zusters en neven en nichten zijn allemaal daar in Kana, en ook zijn moeder is daar. Het is helemaal niet vreemd dat ze daarbij was, want ze zal met de bruid en bruidegom bekend zijn geweest en misschien wel verwant zijn. Het ligt zelfs voor de hand dat het om familie van Maria en Jezus gaat, omdat je haar ziet optreden als een soort assistente. Ze is op een of andere manier betrokken bij de organisatie van het geheel. Daarom spreekt ze Jezus aan wanneer er een tekort aan wijn ontstaan is, en daarom geeft ze het advies aan de dienaars, dat zij moeten doen wat Jezus tegen hen zeggen zal.

Waarom heeft Jezus zijn eerste wonderteken juist hier gedaan? Wat je ziet in dit gedeelte is de overgang van Jezus’ optreden in het betrekkelijke isolement van de familie, naar Zijn publieke optreden. Johannes de Doper was Zijn neef, de discipelen die met Hem mee gingen moeten ook tot de ruime familiekring behoord hebben, want ook zij waren uitgenodigd voor de bruiloft. Dat lezen we immers in vers 2. Ook de discipelen waren uitgenodigd. Maar dat kan alleen maar als zij bekenden waren van de bruidegom of de bruid, of zelfs tot de familie behoord hebben. Nathanaël woonde in Kana en was misschien om die reden alleen al uitgenodigd. Tot dusver is Jezus dus nog alleen maar binnen een kleine kring van familie en vrienden bekend geworden. En in die kring doet Hij Zijn eerste wonder. Tussen haakjes, het lijkt duidelijk te zijn dat Jozef niet meer leeft. Daar moeten we even over nadenken. Nathanaël wist wel dat Jezus de zoon van Jozef was. Maar dat houdt blijkbaar niet in dat Jozef nog leefde. Op de bruiloft horen we echter helemaal niets over Jozef. Het zelfstandige optreden van Maria lijkt te suggereren, dat zij gewend was om al haar zorgen aan haar zoon door te geven, terwijl zij normaal gesproken haar echtgenoot als eerste had aangesproken. Na de dood van Jozef zal Jezus vermoedelijk diens plaats hebben ingenomen als hoofd van het gezin. En nu zijn ze in Kana en het lijkt duidelijk dat Jozef daar ontbreekt. In ieder geval moet Jozef al gestorven zijn vóórdat Jezus stierf aan het kruis. Anders zou Hij aan het kruis niet gezegd hebben, dat een geliefde discipel van hem – Johannes dus – Zijn moeder in huis moest nemen. (19:26)

Terug naar Kana. Een bruiloft in die tijd was een belangrijke sociale gebeurtenis. De hele gemeenschap was daarbij betrokken. Normaal gesproken zou het beginnen op een woensdag met een heel groot feest. (Vermoedelijk begint het hier op een maandag.) En daarna zou de ceremonie van het huwelijk worden voltrokken. En vanaf die woensdag zou het tussen de 2 tot 7 dagen duren, met elke dag een feest, afhankelijk van de rijkdom die je bezat. Bij de rijksten duurde het huwelijksfeest zelfs twee weken. Je onderbrak dus je werk, je bewerkte het land niet meer, maar je ging naar het huis van het huwelijk en je had een week lang feest. In een tijd met zoveel armoede en hard werken was een bruiloft een zeer belangrijke uitlaatklep, een gelegenheid voor vreugde voor een hele gemeenschap. Jezus en de discipelen en de hele familie zijn uitgenodigd voor een dergelijk uitgebreid feest. De uitnodiging voor Jezus zal Hem trouwens bereikt hebben terwijl hij onderweg was naar Nazareth.

Het is heel bijzonder dat het eerste wonder van Jezus plaatsvindt tijdens een huwelijk. Dat is niet alleen maar om te bevestigen hoe belangrijk het huwelijk is. Het wonder is ook niet alleen maar bedoeld om het succes van het feest te garanderen. Sommigen hebben daar de nadruk op gelegd, dat Jezus door Zijn aanwezigheid op het huwelijk het huwelijk zelfs als instelling heeft geheiligd. De rooms-katholieke kerk ontleent hieraan het idee, dat het huwelijk een sacrament is. Daar kun je zeker aan denken, – maar dan niet als sacrament, dat van betekenis is voor de verlossing, maar alleen als een goddelijke instelling – maar het is niet de hoofdzaak. Het huwelijk tussen een man en een vrouw was ook een belangrijk beeld voor de relatie tussen God en Israël. En ik zei al dat bij elk huwelijk de hele gemeenschap betrokken was. Maar het is net alsof het huwelijk van een man een vrouw een kleine weerspiegeling is van de relatie tussen God en Israël, zoals veel later Paulus ook het verband zal leggen tussen het huwelijk en de relatie van Christus en Zijn gemeente, namelijk in Efeze 5.

Goed, er was dus een huwelijk gaande. En dan komt er een probleem. De wijn raakt op. We moeten niet vergeten hoe catastrofaal dat was. Je richt een feest aan voor meerdere dagen voor een zeer grote groep van mensen, die iedere dag wijn drinken. Iets anders was er ook niet te drinken. Water kon niet worden gedronken omdat het niet zuiver was. Je kon er ziek van worden of zelfs aan doodgaan. Maar ook wijn kon niet zomaar worden gedronken, omdat dronkenschap tegen Gods wet inging en de wijn heel sterk was. Dus het idee was dat je de zeer sterke wijn vermengde met water, in een verhouding van één op drie of soms wel één op 10. Maar nu raakt de wijn op. Misschien is het verkeerd gemengd, misschien is er een verkeerde schatting gemaakt. Misschien zijn er wel meer gasten gekomen dan was ingecalculeerd. In ieder geval is het een sociale ramp. Voor de bruidegom betekende dit, dat de vader en de moeder van de bruid zouden gaan zeggen: “kijk eens aan, hij is niet eens in staat om de bruiloft goed te regelen, maar hoe kan hij dan zorgen voor onze dochter?” Het stel was vermoedelijk een jaar of langer al verloofd. De taak van de bruidegom in dat jaar was om een huis te bouwen voor zijn vrouw, en te laten zien dat hij voldoende geld kon verdienen om deze bruiloft te betalen en te tonen dat hij in staat was om die goed te organiseren. Daar had hij natuurlijk veel hulp bij, en ook dat was een maatstaf voor zijn waardigheid. Het feest zou dus volkomen bedorven zijn voor de bruidegom, en voor die hele gemeenschap als er geen wijn meer te drinken was. En de bruidegom zou vol schaamte de gasten naar huis moeten sturen, en in plaats van dit geweldige feest dat ze zich nog jaren konden herinneren, zou de schande hem nog lange tijd bijblijven.

Maria komt het Hem vertellen. Ze zegt niet tegen Hem, kom jongen, verricht eens een wonder. Maar ze vertelt het Hem wel, omdat zij wist wie haar Zoon was. Misschien heeft ze wel gedacht dat dit Zijn grote kans was om te laten zien wie Hij was. “Laat deze mensen nou eens zien wie je werkelijk bent!” Zoiets. Het antwoord van Jezus lijkt op het eerste gezicht heel hard te zijn. “Vrouw” zegt Hij tegen haar. Waarom zegt hij niet langer moeder tegen haar? Omdat Hij zich begint te distantiëren van de familiekring, omdat Hij niet langer de plaats van zijn vader Jozef inneemt in het huisgezin, maar nu definitief de zaken van Zijn hemelse Vader gaat behartigen. Maar toch is het geen hard woord waarmee hij deze afstand tot zijn moeder schept. Het is eerder zoiets als “mevrouw”, hoewel ook dat niet echt de emotionele betekenis van het woord “gunè” (of uitgesproken als “gini”) dekt. Het is een beleefd woord, maar het sluit de relatie van moeder en zoon nu uit. Met het woord moeder zou Hij de menselijke relatie tussen Hem en Maria hebben benadrukt. Maar Jezus leeft niet langer alleen in die menselijke familierelatie. Vandaar dat Hij haar aanspreekt met “vrouw”.

En dan zegt Hij: “Wat hebben wij dan gemeenschappelijk?” Letterlijk staat er: “wat is er aan jou en aan mij?” Hoe kan Maria de Zoon van God vertellen wat hij moet doen? Is zij dan een medewerker van Hem? Hebben Hij en Maria gemeenschappelijk belang in deze situatie? De Zoon van God weet wat Hem te doen staat, Hij weet dat de wijn bijna op is. Hij weet alle dingen. En alleen Hij weet of Hij hier een wonder moet verrichten of niet. Hij zegt dus niet tegen Maria dat Hij niet van plan is om iets aan de situatie te doen, maar Hij zet haar op haar plaats. Hij zegt dus in feite: “dat is voor Mij een zorg en niet voor jou.”Terwijl aan de oppervlakte het lijkt alsof Hij zegt, “dat is jouw zorg en niet de Mijne.” Hij zou nooit zeggen dat het gebrek aan wijn alleen een zorg voor Maria was, waar Hij niets mee te maken wilde hebben, om dan vervolgens het probleem te gaan oplossen.

Maria heeft de boodschap begrepen. Daarom zegt ze tegen de dienaars dat ze maar moeten doen wat Hij ze ook maar zou zeggen. Zij wist dat Hij iets zou gaan doen. Zij begreep dat Hij had gezegd dat het nu Zijn zorg was en niet de hare. En zij begreep ook wat Hij bedoelde met de woorden: “Mijn tijd is nog niet gekomen.” Want dat betekende dat Hij het op Zijn tijd zou doen, en niet op het moment dat zij geschikt achtte. Die uitdrukking komt een paar keer voor in dit evangelie, “Mijn tijd is nog niet gekomen.” Het is alsof Jezus een heel precies tijdpad volgt, waar alles precies op Gods tijd gebeuren moet. En dit was nog niet de tijd dat Hij Zijn heerlijkheid openlijk zou tonen, zoals Maria wel gehoopt heeft vermoedelijk.

Dan horen we over de grote watervaten die daar geplaatst zijn. Water werd gebruikt om de handen te wassen voor het eten, dat was een ceremonieel vereiste, en de dienaars gebruikte het ook om de voeten van de gasten te wassen. Aan de omvang van de watervaten kun je aflezen hoe groot deze bruiloft geweest moest zijn. Er stonden zes watervaten van elk ruim 100 liter en dat betekent dat ongeveer 700 liter water tot hun beschikking stond. Nu geeft Jezus een opdracht aan de dienaars. Deze watervaten moeten tot aan de rand toe worden vervuld. Dat is geen geringe inspanning. Een groot aantal dienaars moesten naar de bron en terug met alles waarin ze maar water konden dragen om deze grote potten te vullen. Ik heb geen idee wat de dienaars gedacht moeten hebben, maar ik denk dat ze mopperend en vol onbegrip de opdracht hebben vervuld. En dan zegt Jezus dat ze uit die potten moeten scheppen om het dan te brengen naar de leider van het feest. Dat was degene die verantwoordelijk was voor alle gasten en de tafelindeling en al het voedsel en die erop moest toezien dat iedereen voldoende te eten en te drinken kreeg. En daarom brachten ze het naar hem om hem te laten weten dat ze weer wijn hadden. Wanneer hij van de wijn proeft is hij echter overtuigt dat dit de beste wijn is tot dusver, de beste wijn die hij ooit geproefd heeft. En dan krijgt de bruidegom alle eer. Want hij zegt tegen de bruidegom, “Waar heb je deze wijn bewaard? Je hebt ons te dusver de slechte wijn gegeven, en nu kom je hier aanzetten met deze wijn van superieure kwaliteit?”

Dat is het wonder. Het water was wijn geworden. Een daad van de Schepper. Het is op het eerste gezicht volstrekte bijzaak. De ceremoniemeester zegt alleen maar dat het geweldig goede wijn is. Hij heeft geen idee waar deze wijn vandaan gekomen is, en de bruidegom begrijpt het ook niet. Het is een verborgen wonder. Alleen de dienaars weten het, en Maria en de discipelen weten het.

Laten we eens kijken wat dit wonder eigenlijk inhoudt. Wijn komt van druiven, druiven komen van de wijnstok, de wijnstok groeit in de grond en heeft aarde, water en zonlicht nodig om te groeien. Maar dit is wijn zonder druiven, zonder wijnstok. Dat is een wonder. Jezus maakt wijn uit het niets. Zoals alleen de schepper dat kan. Er is geen mens aan te pas gekomen om druiven te plukken of de zaadjes van de wijnstok te zaaien, niemand heeft de druiven geplukt, niemand heeft hoeven wachten tot het druiven rijp waren enzovoorts. Als Jezus het vleesgeworden Woord is, dan is het ook niet nodig dat mensen daar een bijdrage aan leveren. Het is net als met de wonderbare broodvermenigvuldiging. Waar komt het brood vandaan? Graan wordt geoogst, wordt vermalen, het wordt vermengd met water, melk en zout, en dan in een oven gebakken. Maar Jezus is het vleesgeworden Woord, Hij is de schepper. Hij is in staat brood te maken, zonder menselijke voorbereiding of ingreep. En bij die gelegenheid hebben ze ook vis gegeten. Waar komt een vis vandaan? Die wordt geboren in de zee, opgevist door vissers en dan gebakken. Maar Jezus is het vleesgeworden Woord. Hij schept gebakken vissen uit het niets, en die vissen hebben geen vader en moeder gehad, en zijn niet opgegroeid in de oceaan, en zijn niet gevangen door een visser, en niet gebakken in vuur.

O, ik weet wel bij al deze wonderen, dat er van die aardige, moderne interpretaties gekomen zijn. Het wonder kan worden verklaard als een trucje: Jezus heeft ergens nog wat wijn gevonden, gooit dat stiekem bij het water, en de mensen op het feest zijn al zo dronken, dat ze denken dat ze nu heerlijke wijn drinken. Het is in strijd met de tekst, en het slaat nergens op. Dronkenschap was tegen de wet van God, en waarom zouden mensen die dronken zijn niet kunnen proeven dat ze maar een beetje water met wat wijn drinken? Het zou nog gevaarlijk geweest zijn ook, omdat een beetje wijn in water, dat water niet voldoende zuivert. Dat was nou precies de reden dat ze geen water dronken, zonder het met ten minste één op drie delen wijn aan te vullen. En bij de wonderbare broodvermenigvuldiging wordt er gezegd dat de mensen zich plotseling herinneren dat ze allemaal wel wat te eten bij zich hadden, en dat het eigenlijke wonder was, dat ze dat nu met hun buren gingen delen. Maar dat was helemaal geen wonder geweest, dat was gewone beleefdheid. En het is volkomen in strijd met de tekst, die nadrukkelijk zegt dat de mensen helemaal niks bij zich hadden om te eten. Zo heb je het wel mooi opgelost voor het verstand, denk je, maar juist verstandelijk zit je nu in grote problemen. Want als dat het wonder is, waarom vermeldt de tekst dat dan niet?

Ik heb er in mijn leven lang over moeten nadenken. Ik heb ook tot de mensen behoord die niets liever deden dan de wondertekenen uitleggen met een of andere natuurlijke verklaring, om dan alleen maar de vage boodschap over te houden dat vreugde op een bruiloft goed is, en dat het delen van je voedsel goed is, wat ik ook zou kunnen weten zonder de bijbel te lezen. Maar als Jezus het vleesgeworden Woord is, dan is Hij de schepper die nu deel uitmaakt van Zijn schepping. Zou er iets te wonderlijk voor Hem zijn? Ik raak er nu juist van onder de indruk, dat het wonder zo bescheiden, zo klein, zo weinig opzienbarend is. Het is geen wonder dat is bedoeld om indruk te maken op de menigte. De feestgangers hebben alleen maar de nieuwe wijn gedronken, en vage geruchten gehoord over Jezus’ betrokkenheid daarbij. Het heeft zelfs op de dienaars zo weinig indruk gemaakt, dat ze niet besloten hebben om Jezus te gaan volgen. Het is een uitzonderlijk wonder, een daad die heel eenvoudig bewijst dat Jezus God de schepper zelf is. Maar het is vol genade en waarheid. Dat is wat hier zo’n indruk maakt. Jezus is gekomen om het menselijke leven tot zijn volle bestemming te brengen. Daarom helpt hij de bruidegom en geeft Hij wijn aan de menigte. Maar Hij is niet gekomen om mensen onder de indruk te brengen van Zijn macht. Zijn heerlijkheid bestaat niet in macht en glorieuze pretenties, maar in genade en waarheid.

Dat is het wonder. Maar wat is nu het teken? Dat was soms de aanleiding om het verhaal als een sprookje op te vatten dat het “teken” moest illustreren, d.w.z. het was “ingeklede theologie” zodat alleen de conclusie nog geldig was, maar het verhaal zelf een fabeltje werd. Maar als de conclusie van het ‘sprookje” is dat Jezus de Zoon van God is, waarom is het verhaal dan niet waar? Als Hij de Zoon van God is, kan Hij wijn scheppen uit het niets. Dus we mogen het teken (de betekenis van het verhaal) nooit losmaken van het wonder. Maar goed, wat is dan de “betekenis” van het wonder, dat nog verder reikt dan alleen het getuigenis dat Jezus de Zoon van God is? Daar kan ik kort over zijn. De watervaten zijn bedoeld om de handen en de voeten te wassen van de gasten. Gedeeltelijk is dat een ceremonieel voorschrift. Ze hebben de handen gewassen, een zegenspreuk uitgesproken, en daarna pas brood gegeten. Ook bij de bruiloft is de God van Israël en Zijn Thora bij alles betrokken. Maar er is geen wijn. De wijn van de Messiaanse tijd, de wijn van de vervulde beloften van God, van het koninkrijk, die hebben ze zelf niet voldoende bijeen kunnen brengen. Jezus laat hier zien, niet alleen dat Hij de schepper is, maar ook dat Hij de Messiaanse koning is. Het toont de waarheid van de belijdenis van Nathanael: U bent de Zoon van God, de Koning van Israël. Hij brengt de wijn, waar het volk niet verder komt dan het water van de reiniging. Hij brengt de vervulling van het koninkrijk, waar het volk niet verder komt dan de uiterlijke vervulling van de geboden. Zij reinigen de handen met water, Hij reinigt het hart met de heilige Geest. Dat is het teken.

Hoe kunnen mensen dit wonder gezien hebben en vervolgens toch Jezus negeren? De dienaars hebben het gezien, en negeren Hem. Ook van de broers van Jezus lezen we later dat zij niet in Hem geloofd hebben. Jezus heeft Zijn heerlijkheid hier getoond, vol van genade en waarheid, en sommige mensen hebben wel het bovennatuurlijke gezien, maar dat vervolgens genegeerd en ze hebben de heerlijkheid miskend die daarin openbaar geworden was. Maar dat was ook niet de reden dat Jezus dit wonder heeft verricht. Hij deed het voor Zijn discipelen. Een eenvoudig wonderteken binnen de kring van de familie, bestemd voor de ogen en oren van de discipelen. Daarmee eindigt immers vers 11: “en Zijn discipelen geloofden in Hem.” Maar zij geloofden al in Hem, op grond van het getuigenis van Johannes de Doper, op grond van hun gesprekken met Hem, op grond van wat zij in deze Persoon gezien hadden. De vorm van het werkwoord dat hier wordt gebruikt, suggereert dan ook dat zij in hun geloof werden bevestigd, niet dat zij pas nu in Hem begonnen te geloven. Maar het was belangrijk voor hun eigen missie, dat de discipelen een vast en zeker geloof in Hem zouden hebben. Zij mochten zien – zoals een ieder die in Hem gelooft – wat Zijn heerlijkheid is. “Een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid.”