Joh. 6:1-15
Hoofdstuk 5 begon met de genezing van de verlamde in Bethesda, en daarna kwam er een twistgesprek. In dat gesprek maakte Jezus openbaar dat Hij waarachtig de Zoon van God was, aan God gelijk in alles. Het eindresultaat was bedroevend. Aan het begin van de prediking van Jezus, in Judea en Jeruzalem, wordt Jezus verworpen en er is het vaste voornemen om Hem te doden zodra de kans zich voordoet. Alleen Samaritanen hebben in Hem geloofd. Hoofdstuk 6 begint weer met een wonderteken, en eindigt ook met een twistgesprek Jezus laat hier zien dat Hij het leven van de mensen is, zoals Johannes al zei in vers 4 van het eerste hoofdstuk. Het vierde teken dat Jezus verricht, vanaf vers 1 tot en met 15 beschreven, demonstreert deze gedachte, die later in de vorm van onderwijs wordt uitgewerkt. Hij geeft niet alleen brood, maar is ook het Brood van het leven.
De situaite is aanzienlijk veranderd. Jezus is teruggekeerd naar Galilea en onderweg naar zijn huis in Kapernaüm. De reden daarvan vinden we in hoofdstuk 7:1, “want Hij wilde niet in Judea rondtrekken, omdat de Joden Hem probeerden te doden.” Daarna vertelt Johannes over het wonder van de spijziging van de menigte, de “wonderbare broodvermenigvuldiging” zoals we dat meestal noemen. Het is wel bijzonder dat Johannes over dit wonder bericht. Het is immers zijn doel om alleen datgene te vermelden, wat in de andere evangeliën ontbreekt. Dit is het enige wonder waar Johannes over spreekt, dat ook bij de overige evangelisten voorkomt. Waarom is dit wonder blijkbaar zo belangrijk? Bij alle andere wonderen, zoals de genezing van de verlamde in Bethesda, is het wonder een herstel van gezondheid. Jezus lijkt daarmee op een genezer. Als je niet goed oplet lijkt het op het werk van een arts. Datzelfde zou je ook kunnen zeggen van de opwekking van Lazarus: een gestorven lichaam krijgt weer leven. Als je hier niet goed oplet, denk je dat Lazarus schijndood geweest is. Maar het is het doel van dit evangelie om ons te laten zien dat Jezus waarachtig God is. Hij kiest dus juist die getuigenissen en die wondertekenen uit, die laten zien dat Jezus beschikte over de macht van de schepper. In Kana is de schepper aan het werk, en Hij maakte wijn uit water. Maar ook bij de spijziging is de schepper aan het werk. Uit het niets creëert Jezus voedsel voor pak en beet 15.000 mensen. Het laat de absolute scheppende macht van de Heer Jezus zien. Dat moet voor iedereen zichtbaar zijn geweest. En er kan geen twijfel over bestaan hebben, dat Jezus hier de macht van de schepper gebruikt – en dat bevestigt de boodschap van Johannes, dat Jezus Christus God Zelf is.
Het is wel mooi om te beseffen, dat de enige twee zuiver scheppende wondertekenen van Christus, de wijn in Kana en het brood op de berg zijn geweest. De vissen die hier worden genoemd zijn maar een bijzaak. (Dat smeerde je op brood om het wat vochtiger te maken.) Want hoe mag je dat begrijpen? De wijn spreekt ons van het vergoten bloed van Christus, zoals in het avondmaal. In Jezus schept God die wijn in Kana uit het niets om er een feestelijke bruiloft van te maken. Het brood spreekt ons van het gebroken lichaam van Christus, en hier op de berg deelt Hij dat wonderbare brood met alle aanwezigen om hun honger te stillen. En zo staat het dan ook in vers 53: “Als u het vlees van de Zoon des mensen niet eet, en Zijn bloed niet drinkt, hebt u geen leven in uzelf.” Dat is toch waarachtig een beeld van het avondmaal. Het letterlijke wonder van de schepping van wijn en brood uit niets, gaat over in het geestelijke wonder van het deel hebben aan Zijn bloed en lichaam. (En het avondmaal is uiteraard ook weer een teken voor een geestelijke realiteit.)
Wat is de context voor dit wonder? Dat vinden we in vers 1 tot en met 4. Als het “feest van de Joden” in hoofdstuk 5 het paasfeest is geweest – ook het Loofhuttenfeest is een mogelijkheid omdat sommige oude handschriften alleen spreken over een feest – dan is het nu een jaar later. Zes maanden later als het in dat hoofdstuk om het Loofhuttenfeest gaat. In die hele periode heeft Jezus gepredikt in Galilea, en het meest uitgebreide verslag daarvan vinden we in Mattheus 4:12 tot en met 15:20. We lezen hier dat een grote menigte Hem volgt, en dat is dan aan het einde van deze periode van een jaar in Galilea. Jezus is nu in de buurt van Tiberias, aan de zuidwestelijke kust van het Meer van Galilea – ook wel het Meer van Tiberias genoemd. Dan besluit Jezus dat Hij een tijd van rust wil hebben, om met Zijn discipelen alleen te zijn. Daarom lezen we dat Hij de berg opgaat.
Je kunt je afvragen waarom Hij dat doet. Als een grote menigte Hem wil volgen, waarom trekt Hij Zich dan terug met zijn discipelen? Is dit dan niet de oogst voor het koninkrijk? Als je goed kijkt, dan zie je echter waarom Jezus geen aandacht aan deze menigte schenkt. Waarom volgen zij Hem? “Omdat zij Zijn tekenen zagen, die Hij deed aan de zieken.” Deze menigte is na een jaar van onderwijs in Galilea, en na een periode van zes maanden in Judea nog alleen maar geïnteresseerd in de wonderbare genezingen. Ze hebben geen geloof in Jezus als de Zoon van God, ze erkennen Hem niet als het Lam van God. Hun geweten is niet geraakt. Dit is het volstrekt uiterlijke geloof, dat ook aanwezig was bij de mensen in Jeruzalem, die de tempelreiniging en vele genezingen hadden gezien, en om die reden “in Zijn Naam” geloofden. (2:23) Maar die Naam was in hun ogen gelijk aan de Faam die Jezus als profeet en genezer had gekregen.
Sommige theologen spreken jubelend over het geloof van de menigte, van de scharen. Het zijn nog geen discipelen, maar ze zijn wel nieuwsgierig naar Jezus en verlangend naar het koninkrijk. Meer kun je van de meeste mensen ook niet verwachten. Maar dit geloof heeft een keerzijde. Je kunt geloven in God en Jezus zonder na te denken over het kwaad in de wereld en de tragiek in je eigen leven of in dat je je kinderen. Maar wat gebeurt er met het geloof van de scharen, als het wonder voorbij is of uitblijft? Wat gebeurt er met je geloof als het gebaseerd is op het beeld van een goede en vaderlijke God die er verantwoordelijk voor is dat alles in deze wereld goed afloopt – wanneer het helemaal niet goed afloopt? Geloven in een God die wonderen kan verrichten is alleen maar vroomheid in goede tijden, maar in slechte tijden slaat het om in ongeloof. Dan roepen we Waar was God? En dan verliezen we ons vertrouwen in een dergelijke God. De vroomheid van de scharen is helemaal niet bewonderenswaardig omdat het alleen gericht is op het wonder, op de eigen behoeften, vanuit duizenden mogelijke redenen om religieus te willen zijn. Wie zo over Jezus denkt, zoekt niet de Zoon van God om Hem te gehoorzamen en zoekt niet het Lam van God om Hem te aanbidden. Dat geloof zoekt een genezer, een wonderdoener, een gelukbrenger. En het ergste is nog, dat deze menigte, zoals we in het vervolg zullen zien, beetje bij beetje ook dit geloof kwijtraakt tot uiteindelijk alle zogenaamde discipelen, de volgelingen van het moment, Hem verlaten.
In ieder geval duurt de rustperiode maar kort. De menigte heeft Jezus en de discipelen snel gevonden. Nu voegt Johannes daar nog iets aan toe, namelijk dat het paasfeest nabij was. Iedereen was dus toch al bezig met voorbereidingen om naar Jeruzalem te gaan. Daarom was er een grote menigte op de been. Ze kwamen dus niet allemaal uit hun huizen om naar Jezus te komen luisteren, maar ze waren al in een grote groep pelgrims onderweg. Vanaf de berg kon Jezus zien, dat de menigte zich verzamelde. En dan komt Jezus ondanks Zijn vermoeidheid naar beneden om Zich met de menigte bezig te houden. Weet Hij dan niet waarom ze daar waren? Hij wist toch immers wat in de mens was? Maar toch was het Zijn verlangen, om de menigte tegemoet te komen met een wonder dat niet alleen hun magen zou vullen, maar ook hun hart zou raken.
Mattheus vertelt er nog bij dat Jezus “innerlijk met ontferming bewogen” was over hen en zieken genas. En in dat evangelie horen we ook dat het al avond werd en dat de discipelen naar Hem toegingen en zeiden dat Hij maar beter de menigte kon wegsturen zodat ze in de naburige dorpen voor voedsel konden zorgen. Maar het lag niet in de lijn van de manier waarop Jezus met mensen omging, dat Hij ze zomaar zou wegsturen. Dat deed Hij pas (Mat. 14: 23) nadat Hij hun honger gestild had. Marcus voegt hier nog aan toe, dat dit alles gebeurde in Bethsaida, waar Filippus woonde. Toen de discipelen tegen Hem zeiden (volgens Mattheus) dat Hij de menigte maar beter kon wegsturen, was Filippus misschien wel de belangrijkste spreker. En dat mogen we dan aannemen omdat Marcus ons vertelt dat dit gebeurde vlakbij de woonplaats van Filippus. Hier kun je mooi zien hoe Johannes met de andere evangeliën omgaat. Die hadden ons al verteld dat het de discipelen waren, die het probleem van het voedsel aan de orde stelden. En nadat zij gevraagd hadden aan Jezus of het niet beter was om de menigte weg te sturen zodat ze voedsel konden kopen, zegt Jezus tegen Filippus: “waar zullen wij broden kopen, opdat deze mensen kunnen eten?” Blijkbaar had juist Filippus, die bekend was met de omgeving, kunnen weten dat voor deze menigte mensen nergens in de omgeving voldoende voedsel te krijgen was. Jezus wilde blijkbaar ook aan Filippus duidelijk maken, dat Hij verantwoordelijk was voor het voedsel, omdat Hij immers de menigte met genezingen en onderwijs aan deze plaats had gebonden. En blijkbaar wilde Hij Filippus ook duidelijk maken, dat zij nu in een situatie zaten, waarin geen normale menselijke oplossing kon worden gevonden.
Vers 6 maakt duidelijk dat dit een test was voor Filippus. Het was geen echte, maar een retorische vraag. Jezus wist al wat Hij zou gaan doen. En dit was de test: geloofde Filippus werkelijk in de macht van Jezus, na alles wat hij vanaf het begin met Jezus had meegemaakt? Na het wonder in Kana? Kon Filippus zich herinneren, dat God in de woestijn manna had gegeven om het volk te voeden, 40 jaar lang? Het eerste dat Filippus nu doet, is gaan zitten rekenen. Hij neemt de vraag van Jezus letterlijk en heel serieus. Hij zegt niet: ik weet, Here, dat U bij machte bent om deze mensen te voeden. Maar hij zegt: tja, het is ook een onmogelijke situatie, dat gaat meer dan 200 penningen kosten – dat is ongeveer het jaarloon voor een werkman, hoewel het maar ongeveer € 40 is in hedendaags geld. Maar daar kon je in die tijd behoorlijk lang van leven. Maar Filippus had al berekend, dat zelfs zo’n groot bedrag veel te weinig zou zijn voor deze groep mensen. In plaats van te vertrouwen op de Zoon van God, berekent hij dat het niet zal lukken. Zo vinden we hier dus een stukje ongeloof in een van de discipelen.
En dan komt in vers 8, Andreas aan het woord. Er is een jongetje – als hij meegaat naar het paasfeest in Jeruzalem, dan zal hij minstens 12 jaar oud geweest zijn – met vijf gerstebroden en twee visjes. Zijn moeder heeft een soort broodtrommeltje voor hem ingepakt. Vijf broden en twee vissen. Dat is alles wat de discipelen zelf kunnen opbrengen. Dat zijn niet de vijf grote broden die wij nu maar met moeite met twee armen kunnen dragen. Ze zien eruit als stukjes beschuit, als kleine pannenkoekjes. En dan zijn ze ook nog eens gebakken van gerst, zoals alleen de armen dat doen. Niet van tarwe of een andere graansoort. Gerst was eigenlijk het voedsel voor dieren. En die vis lijkt meer op ansjovis, of kleine sardientjes. Als je dat erop deed, dan kon je dat droge beschuit nog een beetje weg krijgen. Dus hier zegt Andreas dat er een jongetje is met vijf beschuitjes en twee ansjovisjes. En uiteraard moet Andreas dan zeggen: “maar wat betekenen die voor zovelen?” Welnu, helemaal niets.
En dan zegt Jezus dat de mensen moeten gaan zitten. 5000 mannen, zegt Mattheus, vrouwen en kinderen niet meegerekend. Reken maar even: 5000 mannen plus hun vrouwen, plus in ieder geval gemiddeld één kind? Sommigen kinderloos, anderen met twee kinderen? Dan praten we over 15.000 mensen. En dan worden ze ook nog eens, vertelt ons Marcus, ingedeeld in groepen van 50 en 100. Waarom deze daad? Zodat je tussen de mensen kon doorlopen. Het verbazende is dat de mensen dat zomaar gedaan hebben, zonder te weten wat er zou gaan gebeuren. De discipelen wisten het wel. Er zou een diner worden geserveerd. Het zijn inderdaad de discipelen die nu het voedsel gaan uitdelen aan de menigte. God verricht een wonder voor mensen die in het geheel niet geloven dat Hij de Zoon van God is. Maar de discipelen geloofden het wel. Misschien hebben ze in hun hart wel twijfels gehad, maar desondanks hebben ze gehoorzaamd. Is dat niet prachtig? Je kunt twijfelen aan je geloof, je kunt zelfs op een dag je geloof helemaal kwijt zijn, maar God is alleen maar in staat jouw geloof te herstellen als jij intussen gewoon gehoorzaamt aan wat Hij zegt dat je moet doen. Misschien heeft het geloof van de discipelen – minstens van Filippus en Andreas – gefaald. Maar ze gehoorzamen. Dit is een heel belangrijk beginsel. Het is waar, dat geloof leidt en leiden moet tot gehoorzaamheid. Geloof dat in liefde werkt, noemt Paulus dat. Maar het omgekeerde is evenzeer waar. Gehoorzaamheid is het middel waarmee geloof wordt gewekt. Geloof is zonder de werken dood, zegt Jacobus daarom. Als je de Heer niet gehoorzaamt, dan zul je nooit groeien in je geloof. En het is niet het geloof, maar de gehoorzaamheid van de 12 discipelen, die nu wordt ingeschakeld in het wonder van de broodvermenigvuldiging.
Jezus neemt de beschuitjes en nadat Hij de dankzegging heeft uitgesproken, geeft Hij ze aan Zijn discipelen. Nergens zegt Johannes nu dat er een wonder heeft plaatsgevonden. Er staat niet dat Jezus de beschuitjes vermenigvuldigde. Er staat alleen dat de discipelen ze uitdeelden, en nog eens uitdeelden, en nog eens uitdeelden. En dat de hele menigte verzadigd raakte van het brood en er zelfs nog overgebleven stukken waren. 12 manden vol: één mand voor elke discipel – er is geen reden om aan te nemen dat de 12 manden hier staan voor de 12 stammen Israëls. Wat is hier dan gebeurd?
Ook moderne mensen willen niets weten van de verkondiging dat Jezus waarachtig de Zoon van God was. Sommigen spreken niet meer over de wonderbare spijziging of over de broodvermenigvuldiging. Er is een nieuwe betiteling gekomen, namelijk de wonderbare brooddéling. Wat zou er gebeurd zijn? Alle mensen hadden brood bij zich. Niet alleen maar dat jongetje. En er waren natuurlijk mensen die niets te eten hadden onder hen. Maar Jezus geeft het voorbeeld en deelt dat kleine beetje brood en vis met zijn 12 discipelen. En dan haalt iedereen de broodtrommeltjes tevoorschijn, en deelt dat met de mensen om hen heen. Het wonder is dan, dat Jezus mensen ertoe brengt om te delen en zo één grote gemeenschap te vormen. Voor ons als moderne mensen is dat eigenlijk geen wonder. Wij regelen dat via de belastingen. Ieder geeft zijn aandeel en het wordt gedeeld met alle mensen in een land en gebruikt voor gemeenschappelijke doelen. Het wonder is dan een politiek wonder, wat voor ons op geen enkele manier nog een wonder kan heten.
Ik denk dat we hier de scheppende macht van God aan het werk zien. En dat het bijzondere hier niet eens is dat Jezus bij machte is om beschuit en vis te scheppen. Het meest wonderlijke van alles is in mijn ogen het feit dat de discipelen mochten uitdelen. Het wonder was niet bedoeld voor de menigte, alleen het brood, maar het wonderteken zelf was bedoeld voor de discipelen. Als zij Hem zouden gehoorzamen, dan zou Hij het mogelijk maken dat ze konden uitdelen zonder ophouden. Is dat niet de manier waarop God altijd werkt? Gebruikte Hij niet het huilen van een baby om het hart van de dochter van farao te vermurwen? Gebruikte hij niet de staf van Mozes om grote wonderen in Egypte en in de woestijn te doen? Verdedigde God niet Zijn volk door David een slinger en een steen in zijn handen te geven? En was het niet de stem van een kleine slavin, die de Syrische generaal Naäman ertoe bracht om zich te vernederen voor de profeet van Israël? God doet in Jezus een wonder. Hij is de Schepper. En dat was de boodschap die Hij meegaf aan de discipelen. Tegen de Joden had Hij al gezegd dat God “Hem grotere werken zal laten zien dan deze, opdat u zich verwondert.”
Maar de menigte verwondert zich niet. Vers 14 vertelt ons dat de mensen het teken hebben gezien dat Jezus gedaan had. Zij hebben niet gezegd: wat heeft deze man ons grondig gemanipuleerd, zodat wij ons egoïsme opzij hebben gezet en met elkaar de maaltijd gingen delen. Toen zij het teken zagen, zeiden zij: “Hij is werkelijk de Profeet, die in de wereld komen zou.” Dat is wat de Samaritaanse vrouw zegt in Joh. 4:19, vóórdat ze te horen krijgt dat Jezus de Christus is. Jezus is voor deze menigte alleen maar het middel voor de bevrediging van hun behoeften. Na de “belijdenis” van de menigte dat Jezus de Profeet is, die Mozes al had aangekondigd, willen ze Hem met geweld meevoeren om Hem koning te maken. Zo’n koning willen ze wel. Zo’n koning krijgen ze niet. Jezus is niet degene die voor eeuwig brood en vis uitdeelt. Het teken was bedoeld om aan de discipelen duidelijk te maken dat Jezus Zelf het ware brood uit de hemelen is. Dat Hij niet voedsel geeft, maar het leven. (6:32, 33) Het gevolg van de reactie van de menigte is dat Jezus zich terugtrekt. Met deze menigte kan Hij niets beginnen en dat wist Hij al. Maar nu laat Hij ook Zijn discipelen achter om na te denken over wat er gebeurd is. Omdat Jezus weet dat de menigte Hem niet als Zoon van God aanvaard heeft, “trok Hij Zich opnieuw terug op de berg, Hij Zelf alleen. ” Wat daarna gebeurt is dan opnieuw een test voor het geloof van de discipelen.