Hieronder de tekst van de samenvatting die ik van dit artikel maakte voor een open college in 2004.
A. Het anderszijn van de kerk (The Otherness of the Church)
In dit artikel vinden we de analyse van het zg. Constantinisme, dus van de, vanuit het evangelie gezien ontoelaatbare vermenging van kerk en wereld, in een sterk historisch bepaald perspectief. Yoder begint zijn analyse met een weergave van de betekenis van NT-ische kernwoorden in hun pre-Constantijnse interpretatie. Het gaat om de woorden wereld, staat en kerk (gemeente).
Wereld
1. de wereld is in het NT te omschrijven als bijzonder tijdperk (deze eeuw bij Paulus), of als een ander woord voor mensheid, d.w.z. voor de ordening van de menselijke samenlevingen op de aarde. Van deze wereld wordt in Jh. gezegd dat het Woord van buiten af tot de wereld gekomen is en deze wereld, die het schepsel van dit Woord is, heeft het niet begrepen. Het is als Licht gekomen en de duisternis heeft zich verzet. Dat is wat het verhaal van het evangelie m.n. in de passiegeschiedenis ons ook toont: de drie uren van duisternis b.v.
Yoder geeft dit begrip kort weer door te spreken over de gevallen schepping inzoverre ze in rebellie is, autonoom wil zijn, zonder relatie tot God die haar schepper is. (Het verhaal van de zondeval gaat dus niet over het eenmaal opgetreden verval, maar om de structuur van ons verzet tegen God.
2. In deze wereld heersen bepaalde structuren, organisaties van de macht, instituties van mensen die een eigen leven zijn gaan leiden, een zekere autonomie, zelfstandigheid hebben verworven. In zoverre kan van hen worden gezegd dat zij bovenwereldse machten en overheden zijn, die nu de mens zijn gaan overheersen, waaraan de mens gehoorzaamheid schuldig is, hoewel ze door individuen worden gerepresenteerd, een ieder op zijn eigen plaats in een hierarchische structuur. (Rom. 13 laat dus juist een manier zien, om de bovenmenselijke macht te benaderen alsof slechts de representant ervan belangrijk is, en niet de abstraktie die hij of zij representeert.
Deze structuren hebben tot doel om de in de schepping heersende chaos aan banden te leggen en een ruimte te scheppen waarin Gods bemoeienis met de geschiedenis mogelijk wordt gemaakt. Ze zijn niet de uitvoerders van Gods bedoeling met de schepping, want ze dragen ook zelf aan de chaos bij en werken eigenmachtig, de machten zijn zelf in rebellie tegenover God.
De staat is de term die wij gebruiken voor de menselijke instituties van macht inzoverre deze zelf rebellerend zijn en tegelijkertijd toch voor een zekere orde en samenhang zorgen. Het handelen van Pilatus bij voorbeeld is een optreden van de staat omdat hij de keizerlijke macht representeert en deze wordt ervaren als de ultieme beslissingsbevoegdheid over het leven van burgers. In zijn rechterlijke optreden bedwingt Pilatus de chaos: hij spreekt Jezus als rechter vrij. Maar in politieke zin draagt hij aan de rebellie van de chaosmachten bij: hij levert hem uit te worden gekruisigd. Deze dubbelzinnigheid van Pilatus’ optreden is geen historisch toeval, maar in de beleving van het NT definieert dit juist de staat. De staat is zowel Rom. 13 als Openb. 13.
3. De kerk is zichtbaar anders dan de wereld die uiteindelijk door de rebellie tegen God en de dubbelzinnigheid van de staat wordt bepaald.
a. DOOP
in de doop wordt zichtbaar gemaakt dat een vrije keuze van volwassen mensen vanuit de instemming met het evangelie (nl. vooral de proclamatie dat de gekruisigde Jezus de Heer en God zelf in zijn dienstbaarheid en lijden, zijn dood en zijn opstanding heeft zichtbaar gemaakt.) de toegang tot deze gemeenschap is; anders dan de natuurlijke geboorte en het verworven (gekochte) staatsburgerschap van Rome waarin anderen van de nationale zegeningen worden buitengesloten.
b. DISCIPLINE
in de discipline van de gemeente wordt zichtbaar dat er een andere omgang met overtreding en een ander antwoord op de zonde mogelijk is: het herstel van de relatie met de overtreders staat voorop en in plaats van sanctie gaat het om vergeving en verzoening.
c. MARTELAARSCHAP
In het martelaarschap wordt duidelijk dat men dit Koninkrijk niet met geweld kan willen vestigen, maar dat men wel ter wille van dit Koninkrijk het geweld van de oude wereld zal kunnen verdragen. De zin van de navolging is Christus ook te gehoorzamen wanneer dat een prijs kost.
Ondanks deze verschillen is er ook een punt van samenhang tussen kerk en wereld. Een en dezelfde Heer is Heer van de kerk en nu al Heer van de wereld, ondanks het verzet van die wereld tegen zijn koninkrijk, ondanks het feit dat Hij door die wereld slechts als een gekruisigde misdadiger gezien wordt.
Dat geeft de kerk een profetische verantwoordelijkheid: zij heeft van de intenties en de wil van haar Heer tegenover de wereld te getuigen. Men doet een beroep op de staat, niet vanwege de inherente gerechtigheid van de menselijke instituties, maar op grond van Christus’ heerschappij. (Hoewel men de taal van de wereld zou kunnen spreken.) Het onderscheid maken tussen kerk en wereld is dus niet een onverantwoordelijke terugtrekking uit de wereld, maar is juist de manier waarop de Kerk de Heer van de wereld dient en tegenover de staat haar verantwoordelijjheid neemt. Immers: de staat is niet de zin van de geschiedenis, maar Christus. Hem dienen houdt dus juist in de werel dienen zoals ze zichzelf niet dienen kan. Want Christus regeert ook over de machten.
Constantinisering
Voor het jaar 200 begint het, en rond het jaar 400 is het voltooid: de Constantinisering van de wereld. In plaats van tegenover deze rebellerende wereld te blijven getuigen van de heerschappij van de weerloze Christus, ziet de Kerk geleidelijk aan in de staat minstens een plaats van de zin van de geschiedenis naast het evangelie. Twee verschillende zichtbare realiteiten raken met elkaar gefuseerd. (Daarom leert Augustinus de onzichtbare kerk, op een andere manier kan het niet gezegd worden. Na Constantijn lijkt het vanzelfsprekend dat Christus heerst omdat de staat Christelijk is, nu wordt het de vraag of we nog kunnen geloven dat er een kerk is. )
De ethiek van de kerk gaat door deze Constantinisering veranderen: de ethiek moet worden aangepast aan het feit dat de meerderheid van de Christelijke burgers geen gelovige is: niet als vrije volwassene gekozen heeft voor de heerschappij van Christus.
Een tweede tendens gaat hiermee gepaard: men kerstent de heidens iustitia door haar normen tot elementen van de Christelijke naastenliefde te verklaren.
Toch kent de kerkgeschiedenis restanten van deze pre-Constantinische kerk:
* de hoge moraal die van de kloosterlingen werd geeist.
* de hierarchie in de kerk staat boven elke nationaliteit
* de kerkelijke hierarchie is zichtbaar en wordt in een openbaar proces uitgeoefend (itt de prinsen)
* er is een morele opvoeding van de wereld m.n. op het gebied van de monogamie en de legaliteit
* er is sprake van een gericht zendingswerk
Daarmee wordt het besef bewaard dat de kerk anders is in de wereld.
De Reformatie kiest tussen 1522 en 1525 voor een politiek conservatisme. Men protesteert tegen de “val” van de kerk zoals die zou hebben plaatsgevonden niet in de 4e eeuw, maar in de 6e en de 7e eeuw.
* het pausdom, primaat van Rome
* het Pelagianisme (werkverlossing, boete en meriteleer)
* de heiligen verering (zodat devotie van Christus wordt weggehaald)
De eenheid van de kerk wordt verlaten, die nog voor Augustinus in de Pelagianen strijd de ultieme waarde was. Nu wordt het de zuiverheid van de leer.
Tegenover de hoge moraal van de kloosterorde, wordt de ethische waarde van ht seculiere beroep gesteld, elk cultuurgebied heeft zijn eigen autonomie. Sommige beroepen kunnen nog wel vanwege hun rol binnen de staat: prins, huursoldaat, beul) anderen worden daarentegen afgewezen: woekeraar en prostitutee. De autonomie
van staat en beroep wordt bevorderd en daarmee wordt bijgedragen aan de centralisatie van de macht die zowel chaos beteugelt als bevordert.
De 4e eeuw leerde nog: de staat hoort bij de verlossing (Constantijn) in de 16e eeuw leert de reformatie echter: de staat hoort bij de schepping (meer autonomie en minder theologische waarde omdat men in deze scheppingsleer vooral een herhaling in Christelijke termen van het natuurrecht en de natuurlijke theologie wilde zien.)
In de reformatie is de staat niet primair een universele staat, maar een territoriale, een nationale staat. Daardoor is nu politieke strijd mogelijk tussen Christelijke volkeren.
De reformatie wilde wel een transformatie van de gelovigenkerk, maar ze deed daartoe een beroep op autonome en gekerstende culturele krachten.
De idee van ‘schepping” in zijn naturalistische vorm, kan worden gebruikt om een “neutrale” orde aan te nemendie deistisch God uiten de wereld sluit, of atheistisch door een ordening van de zuivere en menselijke rede kan worden vervangen. De moderne seculiere cultuur is daarom een schepping van de reformatie en haar meest consequente voortzetting. Het is daarom onzinnig te menen dat de kerk geroepen wordt om bij te dragen aan de verdediging of bevordering van de westerse waarden, aangezien dit protestantse culturele waarden binnen een Constantinische fusie van evangelie en heidendom, van staat en kerk zijn. Niet het vrije westen, maar het joodse, Palestijnse, evangelie is de roeping van de kerk, d.w.z. het “bijeenroepen van heiligen uit elke taal en volk en natie – een volk Hem ten eigendom, ijverig in goede werken.
Het echte ecclesiologische dispuut gaat nu tussen diegenen voor wie de kerk een zichtbare realiteit is en degenen voor wie de kerk de religie van de samenleving representeert.
Niet alleen het geloof heeft een zichtbare uitdrukkingsvorm of incarnatie, maar ook het ongeloof heeft dat. De wereld is gestructureerd ongeloof, dat wil zeggen: een rebellie die een fragment meeneemt van het Koninkrijk en in zoverre toch ook iets goeds in zich bevat.
Uit een en ander kunnen twee schandalige conclusies worden getrokken.
1. Christelijke ethiek is een opdracht voor Christenen en niet voor de wereld; omgekeerd zijn de algemene ethische normen die men aan de ongelovige wereld zou menen te kunnen opleggen niet de opdracht voor de gemeente. (Men kan van de staat vragen zich te matigen in het geweld, niet ervan af te zien; diezelfde vraag is tegenover Christenen te weinig: zij zijn geroepen geheel en al af te zien van geweld.)
2. Bepaalde wereldlijke functies, die nodig zijn vanwege het feit dat de wereld gestructureerd ongeloof is, kunnen en mogen door Christenen niet worden uitgeoefend, omdat Christenen niet geroepen zijn eraan deel te nemen.
Juist historische bewegingen die niet in de fusie met de staat opgingen zijn in staat gebleken werkelijke invloed uit te oefenen: Wesleyanisme, de middeleeuwse monnikenorden. Dat heeft veel te maken met een afwijkende interne sociale structuur: de vrijwillige grondslag, de discipline, de mobiliteit over landsgrenzen heen, de selectie van taken op grond van hun importantie vanuit het Koninkrijk.
[Samenvatting: Doop, discipline en martelaarschap zijn interne elementen van de afzondering van de wereld die conditie is van haar getuigenis in de wereld. Ze getuigt van Christus als haar Heer, die tevens Heer van de wereld is: daarom getuigt ze ook in haar levenswandel door non-conformistisch te zijn tegenover de afgoderij in deze wereld van rebellie tegen Gods scheppingswil. het Constantinisme bedreigt dit getuigenis omdat het naast Christus een andere bron van openbaring, van de zin van de geschiedenis, van de norm van het morele gedrag aanvaardt ter wille van “succes”.]
Vind-ik-leuk Aan het laden...