Johannes (27) – De twee getuigen

Joh. 5:30-40
De profetie van Maleachi is vervuld. Eerst de komst van Johannes de Doper: “Zie, Ik zend Mijn engel, die voor Mij de weg bereiden zal.” (Mal. 3:1a) Daarna de verschijning van Christus in de tempel: “Plotseling zal naar Zijn tempel komen die Heere Die u aan het zoeken bent, de Engel van het verbond, in Wie u uw vreugde vindt.” (Mal. 3:1b) Wie heeft in Hem geloofd? Niet de familie en de vrienden in Kana. Niet de duizenden mensen op het tempelplein. Niet de leidende elite van farizeeën en sadduceeën in Jeruzalem. Het is maar een enkeling. Zes discipelen, het dorpje Sychar waar de Samaritaanse vrouw vandaan komt, de hoveling van Herodes met zijn gezin, terwijl de verlamde in Bethesda een twijfelgeval blijft. Meteen al aan het begin van Zijn optreden is er weerstand tegen Hem. Misschien wist Maleachi al wat hier aan de hand is. “Maar wie zal de dag van Zijn komst verdragen? Wie zal bij Zijn verschijning standhouden? Want Hij is als vuur van een edelsmid, en als zeep van de blekers.” (Mal. 3:2) Dat is een beschrijving van de komst van Jezus als rechter, met alle koninklijke waardigheid. Dan verschijnt Hij met macht. Maar het is dezelfde Heer die hier verschijnt in alle nederigheid, die vol genade is. Ze verwachtten een koning die gevreesd zou worden, maar ze kregen een Lam dat om liefde vroeg. En dan wordt de vraag, wie heeft in Hem geloofd? En waarom heeft Zijn eigen volk Hem niet aangenomen?

Wanneer Jezus komen zal vol machtsvertoon als de Rechter van de wereld, dan zal niemand aan Hem twijfelen. Vriend en vijand zullen Hem kennen. Maar bij zijn eerste komst in deze wereld zond Hij Zijn herauten en getuigen de wereld in. Hij wilde geloof wekken, overtuigen, mensen in hun hart en geweten raken zodat ze zich vrijwillig aan Hem overgaven. Toen en nu is geloof een aannemen van het getuigenis dat iemand aflegt over Jezus: het menselijke getuigenis van de profeet Johannes en de discipelen, het getuigenis van Jezus Zelf in Zijn woorden en daden, en het getuigenis van God de Vader. Dat is de volgorde ook bij Paulus in Rom. 10:14, 15. Je kunt God aanroepen omdat je in Hem gelooft. Je kunt in God geloven omdat je van Hem gehoord hebt. Je kunt van Hem horen, omdat er iemand is die predikt. En iemand kan het evangelie prediken, als hij is gezonden. Er moet een prediking zijn, en er moet een getuigenis van de waarheid worden afgelegd. Johannes de Doper deed dat door te wijzen op Jezus en te zeggen: “Zie, het Lam Gods.” De Samaritaanse vrouw deed dat, door aan haar dorpsgenoten te zeggen dat Jezus de Messias moest zijn – want hier was een mens die de waarheid van haar leven kende. De hoveling deed dat, door aan familie en vrienden te vertellen dat Jezus zijn zoon had genezen – niet als een arts, maar met goddelijke macht. In het gedeelte waar wij vandaag mee bezig zijn, gaat het vooral om het getuigenis, vooral over het getuigenis van de Vader dat beslissend is.

In de eerste plaats is dat het getuigenis van mensen, onder wie Johannes de Doper de belangrijkste is. Jezus herinnert de joodse leiders eraan, dat zij zelf mensen naar Johannes de Doper hebben gestuurd – dat lezen we in het eerste hoofdstuk vanaf vers 19 tot en met 28. En Johannes de Doper “heeft van de waarheid getuigd.” (5:33) Ze hoorden wel de oproep tot bekering, maar aanvaardden zijn verwijzing naar Jezus niet. Maar in de tweede plaats is er het getuigenis van “de Vader die Mij gezonden heeft, Die heeft Zelf van Mij getuigd.” (5:37) Er is het getuigenis van de laatste profeet in Israël, en er is het getuigenis van God de Vader Zelf. Hoe hebben mensen gereageerd op dit tweevoudige getuigenis?

Er is natuurlijk ook nog een derde getuigenis, en dat is het getuigenis van de Zoon over Zichzelf. In vers 30 neemt Jezus dezelfde gedachte op, waarmee Hij zijn antwoord op de joodse leiders heeft ingezet in vers 19. Hier staat niet een eenzaam mens waanzin te vertellen, en de wondertekenen zijn geen persoonlijke prestatie van Jezus, maar hier staat Iemand die in alles wat Hij zegt, oordeelt, en doet, de wil van de Vader uitvoert. Dit getuigenis van Jezus over Zichzelf wordt echter niet aangenomen. Vandaar vers 31: “Als Ik van Mijzelf getuig, is Mijn getuigenis (in jullie ogen) niet waar.” Het is niet waar in een juridische zin, want een zaak is pas beslist op het getuigenis van twee personen. Zij moeten overeenstemmen, en zij moeten onafhankelijk van elkaar zijn, en ze moeten betrouwbaar zijn en geen bijbedoelingen hebben. In vers 32 spreekt Jezus daarom over een ander die van Hem getuigt. En daarna spreekt Hij over twee verschillende getuigen. Vers 32: “Er is een ander/Ander die van Mij getuigt, en Ik weet dat het getuigenis dat hij/Hij van Mij getuigt waar is.” Dat vers 32 kun je toepassen op Johannes de Doper als de eerste menselijke getuige, en je kunt het toepassen op God de Vader, de tweede, goddelijke getuige.

Laten we eerst eens kijken naar het getuigenis van Johannes de Doper. We kunnen daar kort over zijn, omdat het in een vorige aflevering uitgebreid aan de orde hebben gesteld. Jezus bevestigt dat Johannes de waarheid heeft gesproken over Hem. Dat getuigenis van Johannes was, dat Jezus de Zoon van God is, maar ook het Lam van God, dat de zonden van de wereld draagt. Johannes getuigde dat Jezus de Christus is, de Messiaanse koning die God door zijn profeten beloofd had. Maar heel dit getuigenis van Johannes was afhankelijk van een ander getuigenis. Dat had Johannes ook al uitgelegd aan de mensen die rond om hem stonden. Hij zei openlijk dat hij Jezus niet kende, maar dat hij gezien had dat de Geest op Jezus neerdaalde en op Hem bleef. God Zelf had tegenover Johannes de Doper getuigd dat deze mens degene was, “die met de Heilige Geest doopt.” Op grond van dat getuigenis kan Johannes de Doper zeggen: “En ik heb gezien en getuigd dat Hij de Zoon van God is.” Dat is niet vreemd, als we bedenken dat ook het getuigenis van Petrus – of beter zijn belijdenis – uiteindelijk berust op een daad van God Zelf. Als Petrus immers belijdt, dat Jezus de Christus is, de Zoon van de levende God, dan zegt Jezus tegen hem, “dat vlees en bloed hem dat niet hebben geopenbaard, maar Mijn Vader die in de hemelen is.” Het goddelijk getuigenis, is de grondslag van het menselijk getuigenis.

Maar ook de werken die Jezus gedaan heeft, de genezingen, de tempelreiniging, de opwekking van Lazarus en uiteindelijk de opstanding, getuigen van Jezus dat Hij door de Vader gezonden is. Die werken openbaren de macht, en de alwetendheid, en de soevereine genade, en het oordeel, en de heerlijkheid van de Vader. Niemand kan deze werken doen, als God niet met Hem is – zoals de blindgeborene na zijn genezing getuigt. (“Wij weten toch dat God niet naar zondaars luistert, als iemand godvrezend is en Zijn wil doet, naar hem hoort Hij. […] Als Deze niet van God was, zou Hij niets kunnen doen.” Joh. 9:31, 33.) De woorden van Jezus zou je kunnen opvatten als het getuigenis van Jezus over Zichzelf. Maar de werken die Jezus doet, moet je begrijpen als een getuigenis van de Vader. De Zoon doet immers alleen maar datgene, wat Hij de Vader heeft zien doen, en dan doet de Zoon hetzelfde op dezelfde wijze. (5:19)

We hebben dus het getuigenis van Jezus over Zichzelf – onvoldoende. Daarnaast het getuigenis van Johannes de Doper, de laatste profeet van Israël, over Jezus als de Zoon van God. Dat getuigenis is gehoord maar niet volledig aangenomen. En dan hebben we het getuigenis van de Vader in de werken die Jezus doet, die bewijzen dat de Vader Hem gezonden heeft. Maar de joodse leiders houden vol dat Hij deze dingen niet doet vanuit God, maar de werken doet van de duivel. Ze lasteren de Vader, door te loochenen dat de Zoon deze werken doet in volle overeenstemming met God.

En dan is er tenslotte nog in vers 37 tot en met 47 het getuigenis van de Vader in het Oude Testament. De Vader heeft Zelf van Hem getuigd. Jezus herinnert de joodse leiders eraan, dat zij de Vader kenden door Zijn Woord. Ook al hebben zij Gods stem nooit gehoord en Zijn gedaante ook nooit gezien. Toch ontvingen zij het Woord van God. Zij hadden de thora, de profeten en de psalmen. Het verwijt van Jezus aan hun adres is, dat het woord van God niet “blijvend in u is”, dat ze de betekenis en de strekking van alles wat God van Zichzelf geopenbaard had, niet begrepen hadden, juist omdat ze niet geloven in Hem die Hij – God de Vader – gezonden heeft. Ze wisten heel goed dat de sleutel tot de verlossing lag in de profetische tekst. Zij onderzochten de Schriften, omdat zij dachten in dat onderzoek al eeuwig leven te hebben. Maar de heerlijkheid van de Messias, de Zoon van God, hebben ze niet gezien.

Hier moet je letten op de merkwaardige woordkeuze. Zij dachten niet dat het onderzoek van de Schriften inzicht gaf in de weg tot het eeuwige leven, tot de verlossing en de verlosser, maar zij dachten dat dit onderzoek, de kennis van de wet, op zichzelf al het eeuwige leven was. Ze hebben die Schriften niet verstaan als een getuigenis van de Zoon van God, die het leven is, en macht heeft gekregen om leven te schenken aan wie Hij wil. Ze hebben in die Schriften zelf, in de letter van de wet, in de kennis van de tekst van Gods woord, gemeend het eeuwige leven al te vinden. Israël heeft een wet van de gerechtigheid nagejaagd, zegt Paulus in Rom. 9:30. Maar niet uit geloof in de God die Zich in daden van genade en verlossing geopenbaard had, maar met de ogen gericht op de tekst van de wet, om daar de werken van de wet in te ontdekken. Zij wilden bovenal “hoorders van de wet” zijn. (Rom. 2:13) Zij wilden “steunen op de wet” en roemen in God, en Zijn wil kennen, en onderscheiden wat wezenlijk is en wat onwezenlijk is, en zij wilden uit de wet zijn onderwezen. Zij zagen in de wet de “belichaming van de kennis en van de waarheid.” (Rom. 2:17-19) De ware gerechtigheid is echter de gerechtigheid die uit het geloof is. (Rom. 9: 32) God wil dat de mens in gemeenschap met Hem leeft, en dat Zijn Geest in mensen woont. Dit najagen van de wet van de gerechtigheid houdt in, dat Israël aan die gerechtigheid helemaal niet toe komt. Gerechtigheid betekent dan hier in de allereerste plaats de juiste verhouding van de mens tot God binnen het Verbond. Daarom kan Paulus zeggen “Want het einddoel van de wet is Christus, tot gerechtigheid voor ieder die gelooft.” (Rom. 10:4)

De Schriften getuigen van Christus. Ze staan niet op zichzelf, maar ze leggen getuigenis af van de Messias, de Zoon van God. Daar zullen we het de volgende keer over hebben, en dan hopen we vers 40 tot en met 47 te kunnen bespreken.