Voorbij het Messiaanse Jodendom – Nawoord bij de Theologische Autobiografie

https://www.podbean.com/media/share/pb-wjwxv-14610ae
Eerste deel van een nawoord bij de serie “theologische autobiografie.” In dit deel probeer ik uit te leggen hoe ik er toe gekomen ben om mijn geloof te laten bepalen door het Jodendom zowel van het Oude Testament, als dat van de Rabbijnse overlevering. Ik heb eerder gezegd dat ik mij niet langer een christen wilde noemen, omdat ik van mening was dat er zoiets mogelijk zou zijn als een Messiaans Jodendom. Maar na een uitvoerige studie van dat Messiaanse Jodendom moet ik die poging opgeven. Ik wil geen christelijk fundamentalisme in de vermomming van een soort zelf ontworpen Jodendom. Wat ik dan wel ben? Dat is het onderwerp van het tweede deel van dit Nawoord.

De reis die ik heb beschreven, was niet makkelijk en soms heel pijnlijk. Er is geen zachte manier om dit te vertellen. Voor mij was het pijnlijk en ik weet zeker dat ik veel mensen hiermee pijn gedaan heb. Het Jodendom is uniek tussen de religies van deze wereld. Kon ik nog een christen zijn in het licht van alles wat ik leerde begrijpen van het Jodendom? Het is vooral de leer van de Triniteit, de verwerping van de Thora en de verkondiging van de Opstanding van Jezus geweest, die voor mij wegvielen als onderbouwing van het christelijk geloof.

Betekent dit dan, dat er geen waarheid en geen waarde aan het christelijk geloof toekomen? Ik denk dat je het zo niet kunt stellen. Het is door het christendom geweest, dat de volkeren van deze wereld de God van Israël in beginsel hebben leren kennen – maar alleen in het Jodendom is de kennis van de God van Israël zuiver en onverminderd met het heidendom aanwezig. Tot aan het moment van de (weder–)komst van de Messias zullen we zonder volstrekte zekerheid onze weg moeten vinden. Hopelijk in onderling respect voor de geloofsweg die mensen, en ik dus, hebben moeten gaan.

Johannes (56) – Jezus weende

Joh. 11:28-35

Gelooft u dat? Jezus zegt tegen Martha dat Hij de Opstanding en het Leven is. Geloof je dat, Martha? En Martha zegt: “Ja, Heere.” Ze heeft al geloofd dat Hij “de Christus is, de Zoon van God, Die in de wereld komen zou.” Zij weet nog niets over de kruisiging en Zijn opstanding. Dat moest nog gebeuren. Martha is een voorbeeld van een gelovige onder het verbond van God met Israël. Wij zijn gelovigen van het nieuwe verbond, omdat wij leven na de opstanding. Maar eigenlijk zijn wij niet te beschouwen als twee verschillende soorten van gelovigen. Martha geloofde in de Zoon van God, evenals wij.

Geloof je het evangelie? Bij alles wat we gelezen hebben uit het evangelie naar Johannes is dat in zekere zin de kernvraag. Je leest het, je neemt er kennis van, maar geloof je het ook? Als je het niet gelooft, dan is het niet omdat er geen betrouwbare getuigenissen zijn geweest. Het is niet de dwingende reden om het evangelie te geloven, want geloof is geen verstandelijk inzicht maar het buigen van de wil voor God, maar het zijn wel die getuigenissen die je ertoe kunnen brengen. Als je eenmaal het wonder hebt meegemaakt dat je het gelooft, valt het wel op hoeveel getuigen het geloof onderbouwen. Er zijn ooggetuigen geweest van de opwekking van Lazarus, er zijn ooggetuigen geweest van het lege graf en de verschijningen van Jezus na Zijn opstanding, en op een enkel moment was er zelfs een verschijning van Jezus aan meer dan 500 mensen.

Vanuit de veilige afstand die wij nu hebben in de tijd, is dat makkelijk aan te vechten. De getuigen hebben gelogen, zijn misleid, zijn verzonnen door de schrijver van dit evangelie. Je kunt die vraag te stellen. Maar dat het mogelijk is om een getuige aan te vechten, maakt die getuigen niet onbetrouwbaar. Om een getuigenis te weerleggen, moet je er een ander getuigenis naast kunnen leggen dat het tegenspreekt. Een getuige dus die kan verklaren, dat de opwekking van Lazarus niet heeft plaatsgevonden, Jezus niet is verschenen, er een dringende reden was om te liegen. Maar dat is wat modern ongeloof nooit doet. Als in een rechtszaak vele getuigen komen uitleggen wat naar hun beleving de ware toedracht is, en nergens getuigen kunnen worden gevonden die het tegendeel beweren, wat zal normaal gesproken een rechter dan doen?

Wat het moderne ongeloof altijd doet, is niet wat het zou moeten doen, nl. een getuige produceren die geloofwaardig het tegendeel beweert, maar het doet sinds de 18e eeuw een beroep op algemeen erkende wetenschappelijke inzichten. Zo kun je leren van de medische wetenschap en de biologie, dat het lichaam van een gestorvene na vier dagen in het graf zozeer aan bederf onderhevig is geweest, dat het ondenkbaar is dat we met schijndood te maken hebben. Zo kun je leren van de medische wetenschap dat opstandingen uit de dood niet plaatsvinden omdat dat een wetenschappelijke onmogelijkheid is. Het bederf waaraan een lijk onderhevig is, kan niet worden teruggedraaid; dat is ook een algemene wet in het heelal. Er is geen proces denkbaar waarmee je een gebakken ei weer kunt omvormen tot een rauw ei. Maar de getuigen van de opwekking van Lazarus zijn ook niet ooggetuigen geweest van een natuurwet in actie. Ze hebben een daad van de schepper meegemaakt. Als je van tevoren uitsluit, op grond van een principieel ongeloof, dat er een God is die het onmogelijke kan laten gebeuren, die iets uit niets kan laten ontstaan, die spreekt en het is er, dan moet je de getuigen van het nieuwe testament principieel afwijzen.

In het 11e hoofdstuk van dit evangelie wordt duidelijk dat de getuigen van de opwekking van Lazarus in ieder geval geen misleide mensen waren, maar dat zij zelf helemaal niet van tevoren al geloofden in de mogelijkheid van een opwekking uit de doden. Martha gelooft dat haar broer weer zal leven op de laatste dag, maar zij gelooft niet dat Jezus bij machte is om het daar en toen ook al te laten plaatsvinden. Datzelfde geldt voor Maria. Hun “vooroordeel” was gebaseerd op vroegere ervaringen. Zij wisten dat Jezus iemand kon genezen, kon redden van de dood, en misschien zelfs uit de dood kon terughalen als iemand net gestorven was. Maar ook zij begrepen, dat het gebakken ei geen rauw ei kan worden, dat het verval van het lijk van Lazarus niet kon worden teruggedraaid. Of zij dat nu begrepen met wetenschappelijk inzicht of door hun normale verstand, maakt in zekere zin niets uit. Zij zijn getuige geweest van iets, wat tegen hun levenservaring en verstand en zelfs hun geloof inging. Zij wisten: Lazarus is gestorven, wij hebben hem begraven, hij is nu vier dagen in het graf, zijn lichaam is bezig uiteen te vallen. Einde verhaal.

Martha gelooft wat Jezus tegen haar gezegd heeft, omdat zij Jezus vertrouwde. Maar het is de vraag of zij het heeft begrepen, en het is de vraag of haar geloof al tot zekerheid gerijpt was. In vers 28 gaat Martha bij Jezus weg om Maria te roepen. Het lijkt erop dat Jezus haar die opdracht ook heeft gegeven want Martha zegt tegen haar zuster: “de Meester is er en Hij roept u.” Jezus blijft nog even buiten het dorp staan. We lezen in vers 29 dat Maria meteen naar Hem toe gaat. Maar Maria komt niet alleen. Vers 31: “toen dan de Joden, die met haar in het huis waren en haar troostten, zagen dat Maria snel opstond en naar buiten ging, volgden zij haar en zeiden: Ze gaat naar het graf om daar te huilen.” Zo is er straks een grote groep van getuigen.

Maria is ontroostbaar. Zelfs na vier dagen heeft het verdriet haar nog steeds volledig in de greep. En ook het verwijt is nog sterk in haar hart, dat waarschijnlijk door Martha bedacht is en aan Maria is doorgegeven. “Heere, als U hier geweest was, zou mijn broer niet gestorven zijn.” Maria huilt en de Joden die met haar meegekomen waren huilden ook. Het is een sterk woord in het Grieks. (klaioo) Het is snikken, en weeklagen, vanwege een verdriet dat zo sterk is, dat heel je lichaam ervan schokt. En dan horen we van de reactie van Jezus in vers 33: “Toen Jezus haar dan zag huilen, en ook de Joden die met haar meekwamen, zag huilen, werd Hij heftig in de geest bewogen en raakte innerlijk in beroering.” Wat betekent dat, “innerlijk in beroering” zijn? Het kan betekenen dat je diepe emoties voelt, het kan betekenen dat je heel erg boos bent of verontwaardigd. Het is een innerlijk kreunen, een pijn in je ingewanden en verwarring. Verdriet, gelatenheid, lijdzaamheid, woede – al die emoties grijpen Jezus aan in Zijn geest. Letterlijk staat er: “bracht Zichzelf in beroering.” Ik denk dat dat betekent dat Jezus hier toelaat om te voelen wat Maria en haar bezoekers gevoeld hebben. Is dat niet wat de brief aan de Hebreeën ons ook duidelijk maakt? Jezus moest deel krijgen aan vlees en bloed (Heb. 2:14) en in alles aan Zijn broeders gelijk worden (Heb. 2:17). Daarom mogen we weten dat Jezus waarachtig begrijpt wat het betekent om iemand te verliezen die je liefhebt – Lazarus heet ook een vriend van Jezus: “hij die U lief hebt, is ziek.” (Joh. 11:3) Maar Jezus voelt hier ook de pijn vanwege het ongeloof dat dit verdriet bij Martha en Maria heeft gevoed. Jezus begrijpt de pijn en het lijden van elk mens, ook van degene die zichzelf door hun ongeloof van God hebben vervreemd.

Het is opvallend dat Martha en Maria en hun gasten naar Hem toe moeten komen. Waarom is dat? Waarom gaat Jezus niet het huis van de rouw binnen? Ik denk dat dit de reden is. Om te zien dat Hij de macht over de dood heeft, moeten ze het huis van rouw verlaten. Ik denk dat daar een prachtige betekenis in ligt. Ze verlaten het huis van de rouw, waar ze aan hun eigen gevoelens zijn overgelaten, om naar het graf toe te gaan. Dat betekent dat ze de dood en alle realiteit van het menselijke sterven onder ogen moeten zien. Niet opgesloten raken in je verdriet, maar de oorzaak ervan onder ogen zien, dat is het eerste. Ze gaan daarom naar het graf. Maar daardoor komen ze ook bij Jezus, die daar al is. Hij is aanwezig in en bij die realiteit van de dood. Hij heeft net uitgesproken dat Hij de Opstanding en het Leven is. Hij heeft de dood tegengesproken, althans duidelijk gemaakt dat de dood niet het laatste Woord heeft, maar dat Hij dit laatste Woord spreken zal. Die twee dingen gaan dus samen.

En misschien kun je als derde element de rouwklacht noemen, het werkelijk beleven en ervaren van het tragische van de dood. Die machtiger lijkt te zijn dan liefde. Jezus houdt hen niet tegen in hun verdriet, in hun huilen. Hij huilt ook en er staat zelfs dat Hij weende. Daarmee wordt tegen iedereen gezegd dat het verdriet van het afscheid menselijk en waarachtig is. De Stoïcijnen zouden het niet goedkeuren, en zouden zeggen dat je je wijsgerige onverstoorbaarheid zelfs niet moet verliezen tegenover de dood. De Pythagoreeërs zouden zeggen dat je niet hoeft te wenen bij een graf, omdat de onsterfelijke ziel toch wel weer in een ander lichaam zal terugkeren. Maar voor Jezus is dit huilen en weeklagen terecht, het is een uiting van liefde die iemand wil vasthouden, het is een uiting van dankbaarheid en waardering voor het menselijke leven dat zo kort is, maar toch zo’n prachtig geschenk van de Schepper. Daarom hoort dat erbij.

Deze drie dingen zijn dus de voorbereiding: het huis van de rouw verlaten om naar het graf gegaan, om naar Jezus te gaan, in het volle besef van de realiteit van de dood. Om dan te ontdekken dat Jezus niet is gekomen om mensen aan die pijn, aan die tragische ervaring van het definitieve verlies, aan de macht van de dood en de duivel over te laten. Hij is gekomen om hun geloof te wekken zodat ze daarvan verlost zouden worden. Daarom vraagt Hij waar ze Lazarus hebben gelegd. Niet dat Hij niet weet waar dat graf is, maar Hij vraagt het opdat allen met Hem mee zouden gaan.

En dan komen we bij vers 35, het kortste vers in de bijbel, slechts twee woorden. “Jezus weende.” Hier wordt een ander woord gebruikt dan wat we net tegenkwamen. (Niet klaioo, maar dakruoo.) Dit is niet het luide, expressieve “huilen” en weeklagen van Maria, maar dit woord betekent dat plotseling de tranen over je wangen biggelen, het is een stil janken, een uitbarsting van verdriet naar binnen toe, zonder geluid. Dit is de Man van smarten uit Jesaja 53. Dit is de Man van wie gezegd wordt dat Hij ons leed heeft gedragen, die de ziekte van anderen heeft gedragen evenals hun zonden. En zo, midden in het evangelie dat ons Jezus voorstelt als de waarachtige en volmaakte Zoon van God, is Hij volledig en volmaakt de Zoon des mensen. Jezus weende. Wanneer Hij ziet wat er omgaat in de harten van Maria en Martha, dan voelt Hij Zijn eigen verlies, en het verlies van de zusters, en hij voelt het ongeloof van de menigte, en de pijn van alle mensen in alle tijden. Dit is de barmhartige en getrouwe Hogepriester, die mee kan voelen met de gelovigen, en daarom namens ons kan pleiten bij God. Hij is een Hogepriester die “medelijden kan hebben met onze zwakheden, en die in alles op dezelfde wijze is verzocht, maar zonder zonde.” (Heb. 4:15)

Johannes (43) – Wie is Jezus?

Joh. 8:25-29

Tot dusver hebben we drie verschillende manieren gezien, om in het ongeloof te blijven steken. Drie manieren om te sterven in je zonden, zonder vergeving. In de eerste plaats de overtuiging dat je zelf rechtvaardig kunt zijn, de arrogante houding van vers 22. Je zult het koninkrijk van God niet kunnen binnengaan zoals ze nu bezig bent, zegt Jezus, “waar Ik heenga, kunt u niet komen.” En dan de reactie, zal Jezus de ultieme zonde van de zelfmoord plegen? Er zit een houding achter van iemand die er zeker van is dat hij alles gedaan heeft wat God van hem maar kan vragen. Maar ze moeten begrijpen – en dat is vanuit ons perspectief bepaald niet makkelijk – dat “wat hoog is onder de mensen, […] een gruwel [is] voor God. (Lukas 16:15) Het is onmogelijk je eigen gerechtigheid tegenover God op te richten. En alleen mensen die daar toch van overtuigd zijn, zullen tegen Jezus zeggen wat ze hier zeggen in vers 22.

Dan de tweede manier. Deze mensen waren ook van mening dat hun leven door de hemel, dus van “boven” werd bepaald. Jezus helpt ze uit de droom: “U bent van beneden, Ik ben van boven.” In de ogen van deze farizeeën kan Jezus niet uit de hemel maar uit de hel, en zou Hij door zijn dood weer terugkeren naar de hel. Maar het is precies andersom. Hun manier van denken en leven is uit de hel, want ze leidt tot de hel. Ze leidt tot de ultieme en radicale vervreemding van God. Langs de weg van de nauwkeurige wensvervulling kom je alleen maar de dood tegen. Daarover hebben we de vorige keer uitvoerig gesproken.

En dan de derde manier. De godsdienstigheid van de farizeeën paste precies bij de wereld. Over de betekenis van dat woord “wereld” in dit evangelie hebben we al gesproken. Dat is het onzichtbare geestelijke systeem dat de wereld domineert. Het is volgens de apostel Johannes in zijn eerste brief samen te vatten als de begeerten van het vlees, de begeerten van de ogen en de hoogmoed van het leven. Die wereld is door God ooit geschapen, heeft tegen God gerebelleerd, maar gaat voorbij. Het is de wereld van ambitie en corruptie, van instituties die onze menselijkheid beschadigen, van al onze gemeenschappelijke vanzelfsprekendheden waarmee we Gods wil tegenspreken. De koninkrijken van deze wereld zijn het eigendom van een enkele kwade macht. Er is geen ontsnappen aan, behalve langs de weg die Jezus verkondigd heeft. En wie in Jezus gelooft is niet van deze wereld, zoals Hij niet van deze wereld is. (Joh. 17:14)

Niemand hoeft te sterven in zijn of haar zonden. Iedereen kan het eeuwige leven ontvangen in de Naam van Jezus Christus. Alleen geloof is nodig. Wat moeten we dan geloven? We moeten geloven dat Hij het is, dat wil zeggen dat Hij de Ik ben is van Exodus 3. Geloven in Jezus betekent geloven in Degene die door God gezonden is. In de persoon van Jezus is God volledig aanwezig. Alles wat God is, heeft Hij geopenbaard in Jezus Christus. Hoe ontsnap je dus aan het eeuwige oordeel? Of eenvoudiger, hoe word je een christen? Door de waarheid te geloven over Jezus Christus. In Hem te geloven als de Zoon van God. De kern dus van het Bijbelse geloof in Jezus, is te geloven dat Jezus de Zoon van God is. Vervolgens te geloven dat Hij het vleesgeworden Woord is. God is geopenbaard in het vlees, zoals Paulus zegt. En dan vervolgens te geloven dat Hij gestorven is aan het kruis van Golgotha als het volmaakte zondoffer, dat verzoening geeft voor alle zonden. Zoals wij zeggen wanneer wij avondmaal vieren: “eet, gedenkt en gelooft, dat het kostbaar lichaam van onze Heere Jezus Christus is overgegeven tot een volkomen verzoening voor al onze zonden.” Dat is de kern van het christelijk geloof. Als je daar iets van weg neemt of aan toevoegt, heb je een andere evangelie of een andere Christus. Wie dit niet over Christus predikt, die predikt niet de waarheid.

Je kun je zeggen, wat moet je dan denken van mensen die wel in (een of andere) God geloven maar niet in de Heere Jezus Christus? Dat zijn geen christenen. Hoezeer wij ook hen waarderen, hoe goed ze ook leven, wat ze ook maar van zichzelf zeggen. Volgens onze tekst zullen zij sterven in hun zonden. En wat moet je dan denken van mensen die allerlei dingen over Jezus geloven, maar ook geloven dat ze zich aan bepaalde regels en voorschriften moeten houden? Ook zij zullen sterven in hun zonden. En wat moet je dan denken van mensen die in Jezus de profeet, een goed mens, een martelaar en een groot religieus leider zien? Ook zij zullen in hun zonden sterven. Waarom? Omdat zij allen niet hebben erkend dat alleen de Zoon van God, de Heere Jezus Christus het volmaakte zondoffer is waaraan je niets kunt toevoegen. En dat je alleen de verzoening met God kunt ontvangen, op grond van het volbrachte werk van Christus aan het kruis. De verlossing is door genade alleen, door geloof alleen, door Christus alleen. Sola Gratia, Sola Fide, Solo Christo. Dat was de oproep van de Reformatie aan de wereldkerk van toen. Dat evangelie van de genade was herontdekt door Maarten Luther, door Johannes Calvijn, door Menno Simons. Dat is het Bijbelse evangelie. En zo vinden we het hier in onze tekst: “als u niet gelooft dat Ik (het) ben, zult u in uw zonden sterven.” (Vers 24)

Er zijn veel mensen die tegenover dit evangelie hun schouders zullen ophalen, of zullen zeggen: “wie zegt dat dan? Wie durft dit alles dan te beweren? Wie durft te zeggen dat ik verlossing nodig heb, terwijl ik van mijzelf weet dat ik mijn best doe en een goed leven leid?” Zo zeggen de farizeeën in vers 25 tegen Hem: “Wie bent u?” Wie denk je wel dat je bent? Dat zeggen ze natuurlijk in spot. Alsof ze willen zeggen: weet je wel wat je zegt? Ben je niet een waanzinnige? Het is inderdaad het een of het ander. Of Jezus is Wie Hij zegt te zijn, of Hij is een bedrieger en een waanzinnige. Jezus antwoordt met een verwijzing naar het geheel van zijn prediking. Wie is Hij? Hij is alles wat Hij ons vanaf het begin gezegd heeft. Hij is het Licht van de wereld, en het Levende Water, en het Brood van het leven en de Messias, en de Zoon van God en de Zoon des mensen en het Lam van God. Hij is God Zelf, als het vleesgeworden Woord. Dat alles heeft Hij van Zichzelf getuigd en het is bevestigd door de wonderen die Hij deed. Hij heeft dat alles al gezegd. Er is geen nieuw antwoord mogelijk op de vraag wie Hij is. Ze weten het al. Maar ze willen het niet erkennen, daar gaat het om. Wat kan Jezus nog meer zeggen over Zichzelf, dan alles wat Hij al gezegd heeft?

Wat Jezus nog meer te zeggen heeft, heeft de vorm van een oordeel. Vers 26: “Ik heb veel over u te zeggen en te oordelen.” En wat Jezus nog meer te zeggen heeft, het oordeel dat Hij zal uitspreken, komt niet van Hem, maar van de Vader die Hem gezonden heeft. Jezus zeg dus: jullie weten al het antwoord op de vraag wie Ik ben. En het enige dat Ik nog meer te zeggen heb, komt rechtstreeks van de Vader – want de Vader heeft het oordeel aan de Zoon gegeven, 5:27 – , en dat is het oordeel over jullie onwil om in Mij te geloven.

En ook dit woord van Jezus valt op dove oren. Ze staan daar bij Hem vol onbegrip. Vers 27: “Zij begrepen niet dat Hij tegen hen over de Vader sprak.” Komt er een oordeel over hen van Jezus’kant? En wie heeft Hem dan gezonden? En kwamen Zijn woorden dan inderdaad van God de Vader vandaan? Maar hoe was dat mogelijk? Et cetera. Want Jezus had gezegd: “wat Ik van Hem gehoord heb, spreek Ik tot de wereld.” Maar zij kenden de Vader niet, omdat ze de Zoon niet wilden erkennen. En ze kenden de Zoon niet, omdat ze God niet als Vader kenden. Een vicieuze cirkel. Vreselijk eigenlijk, dit vers 27. Dat ondanks alle helderheid en eenvoud die in de woorden van Jezus ligt, ze het niet begrepen hebben.

Wanneer zullen ze het dan wel begrijpen? Vers 28: “Wanneer u de Zoon des mensen verhoogd zult hebben, zult u inzien dat Ik (het) ben.” Misschien zullen zij het begrijpen wanneer de Zoon des mensen is verhoogd, dat wil zeggen aan het kruis hangt. Je zult het weten wanneer Christus is gekruisigd, want dat laat zien dat Jezus niets doet vanuit zichzelf of voor zichzelf, maar alleen de weg gaat die de Vader Hem gewezen heeft. Het is de bereidheid van Jezus voor de waarachtigheid van Zijn woord ook te sterven, die het geweten van deze mensen misschien zou kunnen raken. En bovendien, de Vader zou Zelf een getuigenis afleggen dat Jezus waarachtig de zoon van God is. Ook de Vader zou Hem verhogen, dat wil zeggen Hem opwekken uit de doden. Dus dat is wat Jezus hier zegt: Mijn sterven en Mijn opstanding geven jullie misschien de mogelijkheid, om opnieuw naar Mijn woorden te kijken en tot geloof te komen. De kruisiging bewijst dat de Zoon waarachtig is en niet ter wille van Zichzelf spreekt, en de opstanding is het getuigenis van de Vader dat Jezus door God is gezonden en waarachtig Zijn Zoon is. Zoals Paulus dat zegt in het begin van de brief aan de Romeinen: “Hij (is) met kracht bewezen te zijn de Zoon van God, door Zijn opstanding uit de doden.” ( Rom. 1:4)

Misschien heeft Jezus hier mensen voor Zich zien staan die later, na Zijn opstanding, inderdaad in Hem zouden geloven. “Zult u inzien dat Ik het ben.” Is het mogelijk dat Hij hier mensen heeft toegesproken, die Hem hier en op dit moment niet hebben erkend, maar dat Hij wist dat zij tot geloof zouden komen? Het gebeurde zelfs op dat moment al. Zo lezen we in vers 30: “toen Hij deze dingen sprak, geloofden velen in Hem.” Er is plotseling een kleine groep die door deze woorden van Jezus wordt overtuigd en tot erkenning komt van de persoon van Jezus. Dat is nog vóór de kruisiging en de opstanding. Prachtig is dat.

En we moeten hier goed zien, dat deze mensen tot geloof zijn gekomen, ondanks of juist dankzij de harde woorden die Jezus heeft gesproken. Ook in onze prediking kunnen we niet alleen maar de voordelen gaan opsommen die het gevolg zijn van een waarachtig geloof. In vele evangelische kringen wordt Jezus voorgesteld als de Vriend die in jouw leven allerlei prachtige kleine wonderen verricht. Die jou helpt door een verkoudheid weg te nemen, die op het goede moment ervoor zorgt dat je een auto hebt of werk kunt vinden. Wekt een dergelijke prediking een waarachtig geloof? Of is dit een prediking zonder kruis en opstanding, een welvaartsevangelie, waaraan de ware betekenis van Jezus ontbreekt?

De prediking van Jezus in dit hoofdstuk was spijkerhard. “In uw zonde zult u sterven.” Er komt een oordeel over allen die Jezus niet hebben aangenomen. De verlossing is alleen door genade, alleen door geloof, alleen door Christus. Dat woord snijdt ons de pas af. Al onze religieuze ideeën en gebruiken blijken waardeloos te zijn. Al onze persoonlijke inspanning om goed en rechtvaardig te leven, blijkt een gruwel te zijn voor God (Luk. 16:15) en het enige “werk” dat van ons gevraagd wordt is dat wij geloven in Hem Die Hij gezonden heeft. (6:29)

Menselijk gesproken raken we daardoor onze bescherming kwijt. Onze rechtvaardiging van onszelf wordt verbroken. Onze rijkdom blijkt armoede te zijn. Maar wie oprecht zoekt naar de wil van de Vader, wie bereid is om zich te vernederen voor de Zoon van God, die wordt door Hem verhoogd. De honger van onze ziel wordt gevoed door het Brood des levens, de dorst van onze ziel wordt gevoed door het levende water. En wat wij van onszelf niet kunnen, doet God de Vader door ons rechtvaardig te verklaren. Maar dit alles veronderstelt, zoals we gezien hebben bij Nicodemus en de Samaritaanse vrouw, en zoals hier gebeurt in ons gedeelte, dat we in ons geweten worden geraakt. Jezus weet wat in de mens is. Hij vertrouwde zich niet toe aan de mensen die in Hem geloofden vanwege de tekenen die Hij deed –2:23, 24. Geloven in Jezus vanwege de voordelen die de vriendschap met Jezus ons zou kunnen brengen, is geen waarachtig geloof. Hier komen mensen tot geloof tegen wie Jezus heeft gezegd dat zij zonder dat geloof in hun zonden zullen sterven, zonder met God verzoend te zijn. Dat ze zonder dat geloof al geoordeeld zijn en in de dood liggen. – 3:18. Dat is de kern van het evangelie. Dat wij slaven zijn van de zonde – vers 34 – en dat alleen de Zoon ons van die slavernij bevrijden kan – vers 36.

Johannes (27) – De twee getuigen

Joh. 5:30-40
De profetie van Maleachi is vervuld. Eerst de komst van Johannes de Doper: “Zie, Ik zend Mijn engel, die voor Mij de weg bereiden zal.” (Mal. 3:1a) Daarna de verschijning van Christus in de tempel: “Plotseling zal naar Zijn tempel komen die Heere Die u aan het zoeken bent, de Engel van het verbond, in Wie u uw vreugde vindt.” (Mal. 3:1b) Wie heeft in Hem geloofd? Niet de familie en de vrienden in Kana. Niet de duizenden mensen op het tempelplein. Niet de leidende elite van farizeeën en sadduceeën in Jeruzalem. Het is maar een enkeling. Zes discipelen, het dorpje Sychar waar de Samaritaanse vrouw vandaan komt, de hoveling van Herodes met zijn gezin, terwijl de verlamde in Bethesda een twijfelgeval blijft. Meteen al aan het begin van Zijn optreden is er weerstand tegen Hem. Misschien wist Maleachi al wat hier aan de hand is. “Maar wie zal de dag van Zijn komst verdragen? Wie zal bij Zijn verschijning standhouden? Want Hij is als vuur van een edelsmid, en als zeep van de blekers.” (Mal. 3:2) Dat is een beschrijving van de komst van Jezus als rechter, met alle koninklijke waardigheid. Dan verschijnt Hij met macht. Maar het is dezelfde Heer die hier verschijnt in alle nederigheid, die vol genade is. Ze verwachtten een koning die gevreesd zou worden, maar ze kregen een Lam dat om liefde vroeg. En dan wordt de vraag, wie heeft in Hem geloofd? En waarom heeft Zijn eigen volk Hem niet aangenomen?

Wanneer Jezus komen zal vol machtsvertoon als de Rechter van de wereld, dan zal niemand aan Hem twijfelen. Vriend en vijand zullen Hem kennen. Maar bij zijn eerste komst in deze wereld zond Hij Zijn herauten en getuigen de wereld in. Hij wilde geloof wekken, overtuigen, mensen in hun hart en geweten raken zodat ze zich vrijwillig aan Hem overgaven. Toen en nu is geloof een aannemen van het getuigenis dat iemand aflegt over Jezus: het menselijke getuigenis van de profeet Johannes en de discipelen, het getuigenis van Jezus Zelf in Zijn woorden en daden, en het getuigenis van God de Vader. Dat is de volgorde ook bij Paulus in Rom. 10:14, 15. Je kunt God aanroepen omdat je in Hem gelooft. Je kunt in God geloven omdat je van Hem gehoord hebt. Je kunt van Hem horen, omdat er iemand is die predikt. En iemand kan het evangelie prediken, als hij is gezonden. Er moet een prediking zijn, en er moet een getuigenis van de waarheid worden afgelegd. Johannes de Doper deed dat door te wijzen op Jezus en te zeggen: “Zie, het Lam Gods.” De Samaritaanse vrouw deed dat, door aan haar dorpsgenoten te zeggen dat Jezus de Messias moest zijn – want hier was een mens die de waarheid van haar leven kende. De hoveling deed dat, door aan familie en vrienden te vertellen dat Jezus zijn zoon had genezen – niet als een arts, maar met goddelijke macht. In het gedeelte waar wij vandaag mee bezig zijn, gaat het vooral om het getuigenis, vooral over het getuigenis van de Vader dat beslissend is.

In de eerste plaats is dat het getuigenis van mensen, onder wie Johannes de Doper de belangrijkste is. Jezus herinnert de joodse leiders eraan, dat zij zelf mensen naar Johannes de Doper hebben gestuurd – dat lezen we in het eerste hoofdstuk vanaf vers 19 tot en met 28. En Johannes de Doper “heeft van de waarheid getuigd.” (5:33) Ze hoorden wel de oproep tot bekering, maar aanvaardden zijn verwijzing naar Jezus niet. Maar in de tweede plaats is er het getuigenis van “de Vader die Mij gezonden heeft, Die heeft Zelf van Mij getuigd.” (5:37) Er is het getuigenis van de laatste profeet in Israël, en er is het getuigenis van God de Vader Zelf. Hoe hebben mensen gereageerd op dit tweevoudige getuigenis?

Er is natuurlijk ook nog een derde getuigenis, en dat is het getuigenis van de Zoon over Zichzelf. In vers 30 neemt Jezus dezelfde gedachte op, waarmee Hij zijn antwoord op de joodse leiders heeft ingezet in vers 19. Hier staat niet een eenzaam mens waanzin te vertellen, en de wondertekenen zijn geen persoonlijke prestatie van Jezus, maar hier staat Iemand die in alles wat Hij zegt, oordeelt, en doet, de wil van de Vader uitvoert. Dit getuigenis van Jezus over Zichzelf wordt echter niet aangenomen. Vandaar vers 31: “Als Ik van Mijzelf getuig, is Mijn getuigenis (in jullie ogen) niet waar.” Het is niet waar in een juridische zin, want een zaak is pas beslist op het getuigenis van twee personen. Zij moeten overeenstemmen, en zij moeten onafhankelijk van elkaar zijn, en ze moeten betrouwbaar zijn en geen bijbedoelingen hebben. In vers 32 spreekt Jezus daarom over een ander die van Hem getuigt. En daarna spreekt Hij over twee verschillende getuigen. Vers 32: “Er is een ander/Ander die van Mij getuigt, en Ik weet dat het getuigenis dat hij/Hij van Mij getuigt waar is.” Dat vers 32 kun je toepassen op Johannes de Doper als de eerste menselijke getuige, en je kunt het toepassen op God de Vader, de tweede, goddelijke getuige.

Laten we eerst eens kijken naar het getuigenis van Johannes de Doper. We kunnen daar kort over zijn, omdat het in een vorige aflevering uitgebreid aan de orde hebben gesteld. Jezus bevestigt dat Johannes de waarheid heeft gesproken over Hem. Dat getuigenis van Johannes was, dat Jezus de Zoon van God is, maar ook het Lam van God, dat de zonden van de wereld draagt. Johannes getuigde dat Jezus de Christus is, de Messiaanse koning die God door zijn profeten beloofd had. Maar heel dit getuigenis van Johannes was afhankelijk van een ander getuigenis. Dat had Johannes ook al uitgelegd aan de mensen die rond om hem stonden. Hij zei openlijk dat hij Jezus niet kende, maar dat hij gezien had dat de Geest op Jezus neerdaalde en op Hem bleef. God Zelf had tegenover Johannes de Doper getuigd dat deze mens degene was, “die met de Heilige Geest doopt.” Op grond van dat getuigenis kan Johannes de Doper zeggen: “En ik heb gezien en getuigd dat Hij de Zoon van God is.” Dat is niet vreemd, als we bedenken dat ook het getuigenis van Petrus – of beter zijn belijdenis – uiteindelijk berust op een daad van God Zelf. Als Petrus immers belijdt, dat Jezus de Christus is, de Zoon van de levende God, dan zegt Jezus tegen hem, “dat vlees en bloed hem dat niet hebben geopenbaard, maar Mijn Vader die in de hemelen is.” Het goddelijk getuigenis, is de grondslag van het menselijk getuigenis.

Maar ook de werken die Jezus gedaan heeft, de genezingen, de tempelreiniging, de opwekking van Lazarus en uiteindelijk de opstanding, getuigen van Jezus dat Hij door de Vader gezonden is. Die werken openbaren de macht, en de alwetendheid, en de soevereine genade, en het oordeel, en de heerlijkheid van de Vader. Niemand kan deze werken doen, als God niet met Hem is – zoals de blindgeborene na zijn genezing getuigt. (“Wij weten toch dat God niet naar zondaars luistert, als iemand godvrezend is en Zijn wil doet, naar hem hoort Hij. […] Als Deze niet van God was, zou Hij niets kunnen doen.” Joh. 9:31, 33.) De woorden van Jezus zou je kunnen opvatten als het getuigenis van Jezus over Zichzelf. Maar de werken die Jezus doet, moet je begrijpen als een getuigenis van de Vader. De Zoon doet immers alleen maar datgene, wat Hij de Vader heeft zien doen, en dan doet de Zoon hetzelfde op dezelfde wijze. (5:19)

We hebben dus het getuigenis van Jezus over Zichzelf – onvoldoende. Daarnaast het getuigenis van Johannes de Doper, de laatste profeet van Israël, over Jezus als de Zoon van God. Dat getuigenis is gehoord maar niet volledig aangenomen. En dan hebben we het getuigenis van de Vader in de werken die Jezus doet, die bewijzen dat de Vader Hem gezonden heeft. Maar de joodse leiders houden vol dat Hij deze dingen niet doet vanuit God, maar de werken doet van de duivel. Ze lasteren de Vader, door te loochenen dat de Zoon deze werken doet in volle overeenstemming met God.

En dan is er tenslotte nog in vers 37 tot en met 47 het getuigenis van de Vader in het Oude Testament. De Vader heeft Zelf van Hem getuigd. Jezus herinnert de joodse leiders eraan, dat zij de Vader kenden door Zijn Woord. Ook al hebben zij Gods stem nooit gehoord en Zijn gedaante ook nooit gezien. Toch ontvingen zij het Woord van God. Zij hadden de thora, de profeten en de psalmen. Het verwijt van Jezus aan hun adres is, dat het woord van God niet “blijvend in u is”, dat ze de betekenis en de strekking van alles wat God van Zichzelf geopenbaard had, niet begrepen hadden, juist omdat ze niet geloven in Hem die Hij – God de Vader – gezonden heeft. Ze wisten heel goed dat de sleutel tot de verlossing lag in de profetische tekst. Zij onderzochten de Schriften, omdat zij dachten in dat onderzoek al eeuwig leven te hebben. Maar de heerlijkheid van de Messias, de Zoon van God, hebben ze niet gezien.

Hier moet je letten op de merkwaardige woordkeuze. Zij dachten niet dat het onderzoek van de Schriften inzicht gaf in de weg tot het eeuwige leven, tot de verlossing en de verlosser, maar zij dachten dat dit onderzoek, de kennis van de wet, op zichzelf al het eeuwige leven was. Ze hebben die Schriften niet verstaan als een getuigenis van de Zoon van God, die het leven is, en macht heeft gekregen om leven te schenken aan wie Hij wil. Ze hebben in die Schriften zelf, in de letter van de wet, in de kennis van de tekst van Gods woord, gemeend het eeuwige leven al te vinden. Israël heeft een wet van de gerechtigheid nagejaagd, zegt Paulus in Rom. 9:30. Maar niet uit geloof in de God die Zich in daden van genade en verlossing geopenbaard had, maar met de ogen gericht op de tekst van de wet, om daar de werken van de wet in te ontdekken. Zij wilden bovenal “hoorders van de wet” zijn. (Rom. 2:13) Zij wilden “steunen op de wet” en roemen in God, en Zijn wil kennen, en onderscheiden wat wezenlijk is en wat onwezenlijk is, en zij wilden uit de wet zijn onderwezen. Zij zagen in de wet de “belichaming van de kennis en van de waarheid.” (Rom. 2:17-19) De ware gerechtigheid is echter de gerechtigheid die uit het geloof is. (Rom. 9: 32) God wil dat de mens in gemeenschap met Hem leeft, en dat Zijn Geest in mensen woont. Dit najagen van de wet van de gerechtigheid houdt in, dat Israël aan die gerechtigheid helemaal niet toe komt. Gerechtigheid betekent dan hier in de allereerste plaats de juiste verhouding van de mens tot God binnen het Verbond. Daarom kan Paulus zeggen “Want het einddoel van de wet is Christus, tot gerechtigheid voor ieder die gelooft.” (Rom. 10:4)

De Schriften getuigen van Christus. Ze staan niet op zichzelf, maar ze leggen getuigenis af van de Messias, de Zoon van God. Daar zullen we het de volgende keer over hebben, en dan hopen we vers 40 tot en met 47 te kunnen bespreken.

Johannes (16) Geloof is het middel – met een nawoord over de Heidelberger Catechismus

Johannes 3:16-21

Nicodemus heeft tot dusver twee schokkende uitspraken gehoord. Hij heeft gehoord dat hij vanuit zichzelf niets kan bijdragen aan zijn verlossing. Wedergeboorte is nodig. En dat is een daad van God vanuit de hemel. En hij heeft gehoord dat de verlossing aan iedereen wordt aangeboden, en niet alleen aan de kinderen van het uitverkoren volk. God heeft de hele mensheid lief, en niet alleen het uitverkoren volk. Nu staat hem nog een derde schok te wachten. Nu krijgt hij te horen dat het middel dat God geeft van de verlossing het geloof is in de Zoon van God, die het Lam van God is. Hij en de kleine groep farizeeën rondom hem, waren wel bereid om Jezus te zien als een leraar door God gezonden. Maar te geloven in Hem als de Christus, de Zoon van God, het Lam van God? Dat was in strijd met hun verwachting van de Messias, met hun opvatting over het verbond tussen God en Israël, met de plaats van de heidenen in Gods plan. En toch had hij het kunnen weten als hij het Oude Testament beter begrepen had.

God heeft de wereld, d.w.z. de mensheid, lief. Dat is agapè, liefde die zich uitstrekt naar een object dat niet in staat is die liefde terug te geven. Dat is liefde voor het onwaardige, én liefde die bereid is zichzelf geheel en al over te geven. God heeft Zijn Zoon gegeven, overgegeven, uiteindelijk tot de dood aan toe. Dat is het bewijs van Zijn liefde. En alles wat mensen moeten doen om deel te krijgen aan de vergeving en verzoening met God is dat te geloven. Wat is dan het resultaat van dat geloof? Dat je niet verloren gaat, dat je niet onder het oordeel valt, dat de dood voor jou niet het laatste woord zal zijn. Het is het uiterste tegendeel van wat je krijgt als je wél gelooft. Het eeuwige leven. Leven dat uit God is, in overeenstemming met Zijn wil, dat met oneindige kracht in jou doordringt, je aan alle zijden omringt en de kracht wordt die jouw leven voortdurend in verbinding brengt met God zelf. Het doel van de komst van die Zoon was niet “opdat Hij de wereld zou veroordelen.” Dat was precies wat Nicodemus wel verwachtte. De Messias zou komen als een koning die de heidenen zou verslaan en de wereld zou oordelen. Dat was niet het doel van de eerste komst van Jezus in deze wereld. Dat is wel het doel van de terugkeer van de Zoon. Het is nu de tijd van de genade, van het aanbod van behoudenis. Wanneer het oordeel komt, wordt “wie in Hem gelooft, […] niet veroordeeld.”

En dan lezen we: “wie niet gelooft, is al veroordeeld, omdat hij niet gelooft heeft in de Naam van de eniggeboren Zoon van God.” Is al veroordeeld? Veel mensen geloven dat het oordeel uiteindelijk zal afhangen van de goede daden die zij in hun leven gedaan hebben. Zolang we leven is er nog geen oordeel. Dat komt straks pas. Aan het eind van de tijd worden alle goede en slechte daden gewogen en dan zal het oordeel geveld worden over hoe goed we zijn geweest. Dat geloven veel mensen nu, dat geloofden de Joden uit de tijd van Jezus toen. Daarom zegt Johannes dat het oordeel over het ongeloof al geveld is. Het oordeel wordt niet geveld over wat je gedaan hebt, maar over wat je hebt nagelaten: te geloven in de Zoon van God. Het is net als met de slang in de woestijn. Het uitgangspunt is de diagnose dat je door slangengif ziek bent geworden, en sterven zult. Je gaat dood niet door wat je doet, maar door wat je nalaat: in vertrouwen je blik te heffen naar de koperen slang. Zoals hier, je sterft en wordt veroordeeld als je niet in vertrouwen opkijkt naar de verhoogde (gekruisigde) Zoon des mensen. Dat is wat Nicodemus zo ongelofelijk lijkt te zijn, dat het middel van het eeuwige leven alleen maar het geloof is. Want dat is zo eenvoudig en simpel. Nicodemus had liever gehoord over een streng regime, om de voorschriften van de thora nog beter te kunnen vervullen dan hij al deed.

Wat is nu het eenvoudige geloof in de betekenis waarin Johannes het hier gebruikt? Zo simpel als sommige mensen het vandaag de dag zien is het ook weer niet. Geloven staat nu vrijwel gelijk aan een of andere overtuiging hebben over wat boven onze aardse werkelijkheid uitgaat. Vertrouwen hebben in een “grond” van het bestaan die mij draagt bijvoorbeeld. Maar dat is niet geloof in Bijbelse zin. In de Reformatie werd dat uitgelegd met behulp van drie Latijnse woorden: notitia, fiducia en assensus. Notitia betekent kennis. Je moet ook iets weten. Zo lezen we ook in Romeinen 10:17 dat “het geloof [is] uit het gehoor en het gehoor door het Woord van God.” Dat is ook het doel van de opbouw van de gemeente: “totdat wij allen komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God.” (Ef. 4:13) De verkondiging van het evangelie  – in de vorm van de nauwkeurige studie van Gods Woord  – geeft deze kennis. Zo was de prediking van Johannes de Doper niet beperkt tot alleen maar een uitspraak over de doop. Of een uitspraak over Jezus als het Lam van God. Hij gaf onderwijs vanuit de Schriften. En het onderwijs dat de eerste discipelen bij Jezus kregen, was ongetwijfeld ook een uitleg van Gods Woord. Kennis dus.

Maar wat je verstandelijk weet, moet je ook met je hart geloven. Dat is het tweede woord: fiducia. Je moet ook je vertrouwen stellen op datgene wat je hoort. En in dat geloof moet je je leven gaan vervullen met het voorwerp van het geloof. Kennis en geloof werken samen zodat iemand een echte discipel van Jezus wordt. Maar dan komt het derde, de assensus of de toewijding, de volledige instemming. Dat betekent dat je degene over wie je het evangelie hebt gehoord en begrepen, degene in wie je nu je vertrouwen stelt, ook gaat vólgen, gehoorzaam zult zijn.

Met een verwijzing naar deze waarheid eindigt dit gedeelte in vers 21. Je komt tot kennis van de waarheid, en je vertrouwt erop dat Jezus die waarheid is – want Hij is de weg, de waarheid en het leven. Maar nu moet je ook deze Jezus gehoorzamen. “Maar wie de waarheid doet, komt tot het licht, opdat van zijn werken openbaar wordt dat zij in God gedaan zijn.” Nu is er ook een handelen betrokken in het geloof. Maar de volgorde is heel belangrijk. Het doen van de waarheid, volgt op het geloof in de Waarachtige, en dat is gebaseerd op een vertrouwen in de kennis van de waarheid die men heeft gekregen door de prediking. Het is allemaal niet los te verkrijgen. Zonder geloof is de kennis van de waarheid alleen maar historische kennis. Zonder het doen van de waarheid, is het wat Jacobus noemde, een “dood geloof.” Maar zonder de kennis van de waarheid, is het geloof onbepaald, en er is wel een doen, maar geen doen “van de waarheid.” Anders gezegd, we kunnen van alles en nog wat doen, maar dat wil niet zeggen dat we daarin gehoorzamen aan de wil van God. En dan zijn het “dode werken”. Het is trouwens wel aardig dat we bij Jacobus het idee vinden dat “het geloof zonder de werken dood” is (Jac. 2:26) en in de brief aan de Hebreeën de uitdrukking vinden: “bekering van dode werken.” (Hebr. 6:1) Dat zijn werken zonder geloof. Sommige mensen spannen zich enorm in om dingen te doen, die in Gods ogen “dode werken” zijn, omdat het leven van God daarin ontbreekt. Dat kunnen allerlei religieuze rituelen zijn, of daden van fatsoen en algemene moraliteit, die tegenover God geen betekenis hebben. Alles wat in ongehoorzaamheid tegenover God gedaan wordt, is zonde.

Waarom zijn er mensen die niet in Jezus Christus geloven? Het antwoord op die vraag lezen we in vers 20. Mensen hebben de duisternis lief. Ze houden van hun zonden. En ze willen niet tot Jezus Christus naderen, omdat Hij een licht werpt in die duisternis en die zonde ontmaskert. Het gaat er niet omdat ze het verstand missen. Het gaat er niet om een misverstand. Het gaat om de morele duisternis. Dat is niet simpelweg dat ongelovigen een naar menselijke maatstaven slecht leven zouden leiden. Want dat is meestal niet het geval. Maar wie tot geloof komt, staat geheel en al naakt en weerloos tegenover zijn schepper. Alles wordt openbaar. Elke slechte motivatie, elke weerstand en rebellie, komt aan het licht. Wie van zichzelf wil denken dat hij of zij een goed mens is, wil niet zo diep in zichzelf kijken. Die wil leven aan de oppervlakte, onder de dekmantel van de duisternis. Die wil de “slechte werken” bedekken (vers 19). En opnieuw, die slechte werken zijn niet per se immorele daden, maar wel eigenmachtige daden in ongehoorzaamheid van God. Het gaat om de tegenstelling tussen werken die in God gedaan zijn, en werken die niet in God gedaan zijn en om die reden slecht zijn. De kern van alles is dus dat men het licht niet wil omdat men niet ontmaskerd wil worden, omdat men niet wil weten dat zelfs de eigen goede daden uiteindelijk tegenover God – de enige absolute maatstaf – betekenisloos zijn.

Er wordt in de moderne evangelische prediking, vaak op een psychologische manier tegen mensen gesproken. Er wordt gezegd dat Jezus je gelukkig zal maken, je een beter leven zal geven, je relatieproblemen zal oplossen, en je rijker zal maken. Maar dat geeft alleen maar valse bekeerlingen. Op die manier wordt geen licht geworpen op de duisternis waarin mensen leven, en op het feit dat ze niet willen dat hun slechte werken openbaar worden. In een dergelijke prediking wordt niet duidelijk gemaakt wat in de verkondiging van het evangelie juist gezegd moet worden, dat het licht van de zuivere gerechtigheid van Jezus Christus zo helder als maar mogelijk is op iemand moet vallen. Het gaat uiteindelijk om de wetteloosheid, de rebellie en de vijandschap tegen God, om de innerlijke zonde die iemand in zijn greep heeft, om de macht van de verslaving aan de zonden in al zijn lelijkheid. Het gaat om de ontdekking dat ik zonder dit Licht in duisternis leef en die duisternis eigenlijk liever heb dan het licht. En het gaat om de boodschap dat iemand zijn eigen oordeel bewerkt en bevestigt door Jezus Christus als het Lam van God te verloochenen. Iemand die die boodschap hoort, zal óf ver van jou wegrennen, óf hij zal in volle overgave naar de waarheid toe rennen.

De echte prediking van het evangelie is een licht dat in de duisternis schijnt, en dat doet pijn. Als sommigen zeggen dat ze liever naar een andere kerk gaan omdat de boodschap in hun kerk toch te duidelijk is, dat ze liever een woord horen waarbij ze nog zelf wat een ander kunnen bedenken, als ze niet willen horen dat ze zondaars zijn die het evangelie nodig hebben, als het niet willen horen dat Christus centraal staat in de eredienst en dat het hele christelijke leven uiteindelijk draait om de gehoorzaamheid aan Christus, dan betekent dat misschien dat ze liever wat meer in de schaduw zitten, liever wat meer genoeglijke duisternis om zich heen willen hebben. De waarheid van de Bijbelse boodschap klinkt niet aangenaam in de oren van mensen die de duisternis als een warme mantel om zich heen hebben gevouwen. Nicodemus kon in het begin van dit gesprek nog wel hier en daar een vraag stellen. Maar bij de uiteenzetting van Jezus over de betekenis van het geloof en de kracht van het licht valt hij stil. Juist het ontbreken van weerwoord is hier belangrijk. Nicodemus wordt aan zichzelf ontdekt. Maar dat is gaan doorwerken. Het heldere licht van de verkondiging die Jezus hier aan hem ligt, verdrijft uiteindelijk de duisternis. Hij neemt het in het Sanhedrin voor Jezus op. Aan het eind van dit evangelie is hij degene die Jezus begraaft. En we weten uit de traditie dat Nicodemus al zijn rijkdom verloor, onder de ban werd gedaan door het Sanhedrin, en daar kan uiteindelijk maar een reden voor zijn: Nicodemus is tot geloof gekomen in de Zoon van God, die ook voor hem het Lam van God werd, die zijn zonden droeg.

NAWOORD

Het geloof, waarmede geloofd wordt

Je zou als lid van de Protestantse Kerk de indruk kunnen krijgen dat Johannes de evangelist geen lid is van de PKN. Je zou kunnen denken dat deze uitleg van het evangelie naar Johannes prima past in de omgeving van een evangelische gemeente of behoort bij het gedachtengoed van de Baptisten, maar absoluut niet hoort bij een Gereformeerde of Hervormde Kerk.

Ik weet zeker dat dat niet zo is. Zondag 7 van de Heidelberger Catechismus bevestigt dat. Vraag 21 luidt: “wat is een oprecht geloof?” Die vraag is belangrijk, omdat de zaligheid, de behouden is, is voorbehouden aan “degenen, die Hem door een oprecht geloof worden ingelijfd en al zijn weldaden aannemen.” (Antwoord op vraag 20.) Het antwoord luidt als volgt:

Antwoord. Een oprecht geloof is niet alleen een zeker weten of kennis (notitia – RAV) , waardoor ik alles voor waarachtig houd, wat ons God in zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen (fiducia – RAV), hetwelk de Heilige Geest door het evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om de verdienste van Christus wil.

Is de verlossing erfelijk? Wordt zij al gegeven door de kinderdoop? Je zou kunnen denken dat verlossing net zo werkt als de macht van de zonden uit het verleden. Het wordt van de ene generatie op de andere doorgegeven. Immers, God doet toch barmhartigheid aan duizenden geslachten van hen die Hem vrezen?

Precies dezelfde accenten die we gevonden hebben in het evangelie naar Johannes, komen ook in de Catechismus aan de orde. Het woord “inlijven” in het antwoord op vraag 20 verwijst naar de wedergeboorte, en de uitdrukking “door een oprecht geloof” geeft niet weer wat de oorzaak is daarvan, maar het middel. Geloof is nadrukkelijk niet onze prestatie tegenover God. Zo wordt ook benadrukt dat het vaste vertrouwen (fiducia) door de Heilige Geest in mijn hart gewerkt wordt. Geloof is een gave, het vertrouwen wordt door God gewekt, de wedergeboorte is een werkelijke daad van God. En toch vinden we ook hier dezelfde heilzame tegenspraak, omdat wij wél de verantwoordelijkheid hebben te geloven en “Zijn weldaden aan te nemen.” Sterker nog dan bij Johannes, wordt hier in zekere zin de tegenspraak van de wedergeboorte en geloof afgezwakt, en benadrukt dat geloof een gave is. De wedergeboorte is dan de basis van het geloof, zoals de uitverkiezing dan weer de basis is van de wedergeboorte. Dat is langs de lijnen van het Calvinisme gedacht en daaruit komt het grootste deel van de Protestantse Kerk voort. Maar de denkrichting van de Heidelberger Catechismus is toch in beginsel dezelfde als in Johannes. De weg naar de behoudenis gaat van God uit. De onoverbrugbare kloof tussen God en de mens, wordt van God uit overbrugd. Wij hoeven niet naar de hemel op te klimmen, want Christus is van uit de hemel afgedaald. Geloven is dus eenvoudig een aannemen, wat door God al gedaan is. Het is een lege hand ophouden en de weldaden van Christus aannemen. Maar dat aannemen moet wél door de mens worden gedáán.

Er is geen fundamenteel verschil tussen wat de Protestantse Kerk in Nederland belijdt, en wat we gevonden hebben in het evangelie naar Johannes. Het is een en dezelfde boodschap. Maar hoe zit het dan met het geloof van de leden van de Protestantse Kerken? Het zou best kunnen dat die denken, dat de bekering een steeds herhaalde afkeer is van de fouten en zwakheden van het dagelijks leven. Het is mogelijk dat zij geloven dat de behoudenis in Christus aan alle mensen geschonken wordt en niet alleen aangeboden aan de wereld zoals Johannes leert, en dat eigen kinderen en kleinkinderen door de doop al behouden zijn. Het is mogelijk dat zij het niet belangrijk achten om persoonlijk Christus als verlosser aan te nemen. Het is mogelijk dat zij de kerk alleen maar zien als de gemeenschap van mensen die goede werken nastreven, en die de hoop koesteren dat bij een eventueel laatste oordeel, het gewicht van hun goede daden dat van hun slechte zal overtreffen. Het is heel goed mogelijk dat veel mensen in de Protestantse Kerk een dergelijk geloof aanhangen, dat feitelijk meer verwantschap vertoont met het geloof van de Islam, of met een joodse uitleg van het Oude Testament. En misschien dat daarom veel mensen confessionele gemeenten verlaten en die verruilen voor een vrijzinniger gemeente, omdat het licht van de waarheid hun genoeglijke duisternis verstoort. Omdat ze in hun hart verhard zijn en de waarheid niet willen en niet meer kunnen horen.

Ik bid tot God dat mijn diagnose niet klopt. Ik hoop nu eens helemaal ongelijk te hebben. Ik bid tot God dat mijn broeders en zusters in de Protestantse Kerken het evangelie gehoord hebben van hun voorgangers en het in hun hart hebben aangenomen. Wat aan het alternatief durf ik niet eens te denken.

Johannes (13) – Bekering en geloof, of wedergeboorte?

Johannes 3:1-18

Bekering of wedergeboorte?

Vijf maal komen we in deze passage de uitdrukking wedergeboorte tegen. In het Grieks is dat een dubbelzijdige term: opnieuw geboren worden en van bovenaf geboren worden. We komen ook vijf maal het woord geloven tegen, drie keer in positieve zin (ieder die in Hem gelooft) en tweemaal in negatieve zin (wie niet gelooft). Ik wil vandaag twee vragen beantwoorden. De eerste vraag luidt, wat is de relatie tussen bekering en wedergeboorte? En daarmee hangt samen de vraag, wat is de relatie tussen geloof en de wedergeboorte?

Wat het voor mij zo belangrijk maakt, is een misverstand dat ik eens hoorde in een preek van een collega. Die zei namelijk dat wij ons opnieuw moesten bekeren. Dat komt overeen met het oudtestamentische begrip van de bekering. Dat hoort bij de prediking van Johannes de Doper. Zo horen we dat bijvoorbeeld in de profeten, zoals in Joël 2:12, 13a:

“Maar ook nu nog luidt het woord van de Heer: Bekeert u tot Mij met uw hele hart, en met vasten en met geween en met rouwklacht. Scheurt uw hart en niet uw kleren en bekeert u tot de Here, uw God.”

En dat was in beginsel dezelfde boodschap die al in de thora te lezen stond:

“En wanneer jullie je dan tot de Here, je God bekeerd en naar Zijn stem luistert overeenkomstig alles wat ik u heden gebied, jullie en jullie kinderen, met geheel je hart met geheel je ziel…” (Deut. 30:2)

Wat hier wordt omschreven wordt in het Jodendom de Tesjoeva genoemd, de terugkeer of ommekeer van een verkeerde weg. Johannes de Doper verkondigde een doop van bekering tot vergeving van zonden. Dat was een voorbereidende doop en een voorbereidende bekering. En dat blijkt ook duidelijk uit Handelingen 19:1-7, want daar vindt de apostel Paulus in Korinthe een aantal mensen die wel geloofden in de prediking van Johannes de Doper en dus de Messias verwachtten, maar nog niet begrepen hadden dat de Messias al gekomen was. Laat staan dat zij van Zijn sterven en opstanding hadden gehoord. Wanneer Paulus hen doopt in de naam van de Heer Jezus en de handen oplegt, herhaalt zich het wonder van Pinksteren ook voor deze groep mensen.

Misschien is dit wel precies de reden dat Nicodemus niet begrijpt wat deze wedergeboorte inhoudt. Als Jezus optreedt als leraar van Israël, en in aansluiting bij Johannes de Doper de boodschap brengt van bekering tot vergeving van zonden, dan is dat een “aardse” boodschap waar hij geen moeite mee zou hebben. Dan zou Jezus spreken over de bekering die steeds weer opnieuw kan plaatsvinden. Een mens die wordt gedetermineerd door erfelijkheid en sterfelijkheid kan begrijpen dat tijdens het leven steeds weer opnieuw een herstel, een bekering en vergeving nodig is. Maar Jezus vergelijkt het binnengaan in het koninkrijk van God met het geboren worden. Dat maakt een enorm verschil. Volgens Nicodemus staan de joden binnen het verbond, zijn dus al een deel van het koninkrijk van God. Bekering is nodig na afval en vergeving is nodig vanwege zonden. Jezus vertelt hem hier, dat je op die wijze juist buiten het koninkrijk staat. De ingang tot het koninkrijk is niet iets wat je al van nature hebt – wie als Jood is geboren of als kind is gedoopt zou dus al tot het koninkrijk behoren – maar wat je van buiten af moeten ontvangen. Het is een gebeurtenis waar je even weinig aan kunt bijdragen, als aan je geboorte. Kort gezegd: bekering is iets wat je doet en doen moet, wedergeboorte is iets wat je ontvangt.

Het eerste wat we hier meemaken is de bezorgdheid van Nicodemus over zijn eigen positie tegenover het koninkrijk van God. Vermoedelijk heeft Jezus gesproken over de doop met de Geest, en Nicodemus heeft dat gehoord. Vanuit die bezorgdheid is hij Jezus gaan opzoeken om hem te vragen wat dat allemaal te betekenen heeft. Wat komt hij dan tekort?

Het tweede wat hier meemaken is het woord van Jezus. Je moet opnieuw en van boven geboren worden. De toegang tot het koninkrijk van God ligt niet in een menselijke handeling, maar komt vanuit de hemel. Het is niets minder dan een wonder dat vanuit de hemel geschiedt, waar wij geen controle over hebben. De “geboorte uit God” is, zoals de proloog van het evangelie ons vertelde, “niet uit bloed, niet uit de wil van vlees en ook niet uit de wil van een man.”

Dat is ook niet uitsluitend een boodschap van de evangelist Johannes. We zagen al hoe het aansluit bij de prediking van de profeten, zoals in Ezechiël en Jeremia. Jacobus weet ook van deze leer:

“Overeenkomstig Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord van de waarheid, opdat wij in zeker opzicht eerstelingen van Zijn schepselen zouden zijn.” (Jac. 1:18)

Ook Paulus kende deze leer. In Efeze 2:1 lezen we: “Ook u heeft Hij met Hem levend gemaakt.” En in Titus 3 lezen we: “(Hij maakte ons zalig) …vanwege Zijn barmhartigheid, door het bad van de wedergeboorte en de vernieuwing door de Heilige Geest.”

En ook Petrus kende deze leer: “U, die opnieuw geboren bent, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God.”

Jezus heeft Nicodemus niet verteld op welke manier hij erin zou slagen opnieuw geboren te worden. Het is Nicodemus zelf die het ziet als een onmogelijke opgave. Maar het is geen opgave. Het is wezenlijk een geschenk. Wanneer Jezus zegt “Als iemand niet opnieuw geboren wordt….” dan zegt Hij niet dat het hier gaat om een prestatie van een mens. In vers 7 staan de woorden: “U moet opnieuw geboren worden.” Maar dat “moeten” bedoelt een reële noodzaak, en is geen opdracht. Juist om die reden staat er in vers 8 nog weer een vergelijking, namelijk dat iedereen die uit de Geest geboren is, te vergelijken is met de wind waarvan we wel het geluid horen, maar niet weten waar ze vandaan komt en waar ze heengaat. Bij de wedergeboorte weten wij dus niet waar het begint en waar het eindigt, of hoe het gedaan zou moeten worden. We controleren dat moment net zo weinig als we onze eigen geboorte bijdragen, als we de wind kunnen beheersen. De geboorte is geen prestatie – althans zo is het in de vergelijking niet bedoeld.

Waarom is de wedergeboorte nodig? Waarom kunnen we niet volstaan met de oudtestamentische herhaalde bekering? Zoals iemand ooit tegen me zei, dat Gods genade betekent dat we elke dag weer opnieuw mogen beginnen. Dat is iets wat mensen zichzelf wijsmaken, maar zo horen we het niet in Gods woord. (Maar je vraagt je langzamerhand af of mensen zich nog wel iets aantrekken van wat in de bijbel staat.) Het antwoord op die vraag vinden we het duidelijkste bij Paulus. Paulus wist dat zowel joden als Grieken “allen onder de zonde zijn.” Dat wil zeggen dat voor iedereen, ook voor mensen die fatsoenlijk en goed leven in menselijke ogen, dezelfde diagnose geldt. “Want allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God.” (Rom. 3:9, 23) Iedereen staat ook nog eens onder de macht van de zonde – waar David het over heeft in Psalm 51: “in zonde geboren”- , en iedereen heeft ook nog eens in eigen verantwoordelijkheid feitelijk gezondigd. Paulus weet wat Nicodemus nog leren moet: “Wij komen dus tot de slotsom dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt zonder werken van de wet.”

Wat is “zonde”? Elke daad die niet wordt gedaan op grond van geloof – als vertrouwen in God en als gehoorzaamheid aan Gods wil en in overeenstemming met Zijne heiligheid – is een zonde. In allerlei gradaties, van “dode werken” die nergens nuttig voor zijn, tot godslastering aan toe. Maar zonde is zonde, en brengt met zich mee dat wij schuldig staan in de rechtszaak die God met de mensen heeft. Dat we onszelf daarmee hebben afgesneden van het leven – in juridisch jargon: de “dood verdienen”.  Dat we ook nog eens onder de macht van de zonde staan.  Zoals een verslaafde niet kan ophouden te doen wat hem schaadt, zoals een slaaf wel doen moet wat zijn meester hem opdraagt, zoals een ziekte iemand gevangen houdt en de vrijheid ontneemt. Zodat we niet eens in staat zijn om niet te zondigen, en uiteindelijk zelfs niet eens meer beseffen wat zonde is en doet. (Het geweten heet dan “dichtgeschroeid”) Je kunt als mens proberen om dat probleem op te lossen door een gerechtigheid na te jagen in de vorm van een wet. Je kunt je voorstellen dat God een aantal fundamentele regels kent, en zolang je die maar keurig doet ben je “als uit werken van de wet” (Rom. 9:32) gerechtvaardigd. Tegen mensen die dat zeggen, kan Jezus alleen maar herhalen wat Hij al tegen Nicodemus gezegd heeft: “U moet opnieuw, van bovenaf, geboren worden.”

We hebben het eerste gehoord: de bezorgdheid van een leraar van de wet, dat hij tekort zal schieten om het koninkrijk van God binnen te gaan. En dan het tweede: Jezus bevestigt die terechte bezorgdheid, en met een verwijzing naar het Oude Testament geeft Hij aan op welke manier de toegang tot het koninkrijk wel werkt. Je moet opnieuw geboren worden. Daar hebben we al uitvoerig over gesproken.

En dan komt het derde. Zo lezen we het in vers 6: “Wat uit de Geest geboren is, is geest.” De wedergeboorte komt van boven. Je weet niet waar het vandaan komt en je weet niet waar dat toe gaat. Het is het werk van de heilige Geest in jou. Net zomin als je de wind kun tegenhouden, kun je de Geest van God tegenhouden. Hier is een mens werkelijk machteloos. Zo horen we het ook in hoofdstuk 5:21: “de Zoon geeft leven aan wie Hij wil.” Hier werken de wil van God en het gezag van Jezus, het vleesgeworden Woord, en de macht van de heilige Geest samen. De wedergeboorte van een mens is een werk waar God als geheel – als we zo mogen spreken – bij betrokken is. Vader, Zoon en heilige Geest openen voor iemand de weg naar het koninkrijk van God.

Betekent dit dan dat de mens op geen enkele wijze betrokken is bij de wedergeboorte? Het antwoord is ja, in de wedergeboorte als zodanig is er alleen maar een activiteit van God zelf. En we hebben al gezien dat bekering in oudtestamentische zin niet gelijk staat aan de wedergeboorte. Maar nadat dit gezegd werd in de eerste 12 verzen komen we bij het aandeel van de mens, namelijk in de verzen 13 tot en met 16.

Eerst heeft Jezus uitvoerig uitgelegd dat je geen toegang kunt krijgen tot het koninkrijk van God door de werken van de wet. Op geen enkele manier berust het op je eigen inspanning. De toegang tot het koninkrijk is een werk van de heilige Geest in de wedergeboorte. Dat is een reiniging door het water van het Woord en het ontvangen van een nieuw leven vanuit de Geest. En nu zegt Jezus ineens, “de Zoon des Mensen moet verhoogd worden, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat.” Nu spreken we over de menselijke verantwoordelijkheid. Nu gaat het erom dat iedereen moet geloven in de Naam van de Zoon van God, dus moet geloven dat Jezus de Christus is, en God Zelf is. Sterker nog, als je niet gelooft in de Zoon van God zou je het koninkrijk niet kunnen binnengaan. Dan blijf je een buitenstaander, voor eeuwig. Dan zal de last van je eigen zonde en schuld op je blijven rusten. Dan heb je een leven zonder genade en vergeving – is een dergelijk leven niet volstrekt ondraaglijk? In de taal van het gerechtshof, dan word je geoordeeld en veroordeeld, en er is niemand die het voor je opneemt. Je zult de gevolgen van je eigen zonde moeten dragen tot in eeuwigheid.

We hebben hier met een paradox te maken. Aan de ene kant is de wedergeboorte een soevereine daad van de heilige Geest. Een mens heeft daarin niets in te brengen. Aan de andere kant is het geloof aan alle mensen opgedragen en geeft het alleen toegang tot het koninkrijk van God. Hoe kan dat beide waar zijn? Er zijn allerlei pogingen gedaan om deze twee gedachten met elkaar te verzoenen. Een van de extreme oplossingen is daarbij: vanaf het moment dat iemand vrijelijk ervoor kiest om in Jezus te geloven, dan is het “alsof” God hem heeft doen wedergeboren worden. Het geloof gaat vooraf als werkende oorzaak van wat we wedergeboorte noemen. Het andere extreem gaat als volgt: de wedergeboorte is een soevereine daad van God die vanaf de eeuwigheid al is vastgelegd in de uitverkiezing. De wedergeboorte is een daad van God die tevens het geloof schenkt. We gaan dus geloven op grond van het feit dat God met Zijn Geest ons al wedergeboren heeft doen worden. En dan is er nog een extreme oplossing, die zegt dat God van tevoren wist wie zouden gaan geloven, en dat Hij die mensen een handje helpt met Zijn Geest.

Geloven in Jezus Christus is een vrije daad, is een keuze voor de toewijding van je leven aan een Persoon. En geloven in Jezus Christus moet je zien als een geschenk, als een gevolg van het feit dat God jou met Zijn Geest heeft “wedergeboren”. In de synoptische evangeliën, wordt vooral benadrukt dat geloof een keuze is. Dat vinden we dus blijkbaar ook terug in Johannes. Maar Johannes maakt dus hier de belangrijke kanttekening, dat het tot geloof komen – de bekering in christelijke zin – tegelijkertijd en in volle zin een daad van God zelf is. Is dat niet ook om uit te sluiten dat het geloof een verdienstelijk werk is, zoals de rooms-katholieke theologie het in de middeleeuwen noemde? Op het moment dat je met trots kijkt naar je eigen geloof, daarin een voortreffelijkheid ziet, een prestatie van jezelf, is het goed om de eerste 12 verzen te lezen van dit hoofdstuk van Johannes. Het sluit de gedachte uit dat het om ons geloof gaat, en dat geloven het uitgangspunt is van alles wat ik doe in het christelijke leven – niet gehoorzamen en erkennen en Gods Woord volgen, maar mijn “gelovigheid”. Op het moment echter dat je je niet om je geloof bekommert en gaat zitten wachten tot God vanuit de hemel wat doet, is het goed om de verzen 13 tot en met 18 te lezen: je krijgt de opdracht om te geloven. Natuurlijk is in God geen tegenspraak en Hij weet hoe deze beide uitspraken met elkaar verzoend kunnen worden. Het lijkt alleen voor ons een contradictie omdat wij niet ten volle begrijpen wat het werk van God inhoudt.

Sommige waarheden in Gods Woord worden uitgedrukt juist in de vorm van twee tegenstrijdige gedachten. Samen brengen ze een waarheid aan het licht, die we niet op een bevredigende verstandelijke wijze kunnen omschrijven. Een ander voorbeeld betreft de rechtvaardiging. Is de rechtvaardiging door geloof alléén, zonder de werken? Zo staat het bij Paulus. Of is het geloof zonder de werken dood, en moeten geloof en werken samenwerken opdat een mens gerechtvaardigd is in Gods ogen? Zo staat het bij Jacobus.

Dergelijke contradicties neem ik in praktische zin. Wie zit te wachten op een daad van God vanuit de hemel, wordt opgeroepen om actief te geloven, om zich te bekeren tot de levende God. En wie zich niet met die God maar met zijn eigen bekering, geweten, gelovige leven et cetera bezighoudt, wordt eraan herinnerd dat de kern van de bekering een daad van God is, een wedergeboorte die volkomen soeverein vanuit de hemel wordt bewerkstelligd.

NAWOORD

Ik herinner me van heel lang geleden een preek in de Vergadering. Daar zei iemand: “Het is te vergelijken met zeilen. De wind komt van God, maar wij zetten de zeilen. Wind en zeil werken samen. Zo is het met de wedergeboorte uit de Geest en het geloof ook.”

Zoeken en vinden…

“Er is niemand die God zoekt.” (Rom. 3:11b)

“Ik ben gevonden door hen, die naar Mij niet zochten.” (Rom. 10:20)

Na de Tweede Wereldoorlog waren de kerken vol. En twintig jaar later begonnen ze leeg te lopen. Elk jaar hoor je mensen zeggen dat er weer belangstelling is voor religie; af en toe hoor je over het succes van grote kerken, of sluit de ene kerk zijn deuren en stromen honderden mensen een nieuwe gemeente binnen.

Klopt de diagnose van de apostel? “Er is niemand die God zoekt!” Misschien vinden wij dat wat overdreven. We kunnen vaststellen dat er niemand is die God vindt, tenminste niet in onze kerken. Ons aantal wordt steeds geringer. En wij denken te weten waarom. Onze muziek spreekt niet aan, de bijbel heeft mensen weinig te zeggen, er is zoveel dat afleidt, het lijkt wel een besmettelijke ziekte. Dan is het gewoon een feit: er is niemand die God vindt. Maar de apostel stelt een diagnose. Het ligt aan die mensen. Er is immers niemand die God zoekt. Waarom blijven de jongeren weg? Is het omdat ze het te druk hebben met andere dingen – en wij moeten daar maar niet over oordelen. Of is het zoals de apostel zegt. Het ligt ook aan hen, er is niemand die God zoekt.

En nu komt het er op aan. Accepteren wij de diagnose van de apostel? Of verwerpen wij dat, en zoeken de oorzaken van de terugloop van de kerk in iets anders. Misschien gaat het beter met Opwekking, misschien gaat het beter zonder preek, misschien gaat het beter zonder geloofsbelijdenis. We draaien ons in alle bochten, zijn zo flexibel als een tuinslang, spreken over het faillissement van de kerk, en geven stilletjes onszelf de schuld. Wij hebben gefaald in onze opvoeding, wij hebben gefaald in ons getuigenis, wij hebben gefaald omdat onze kerk niet modern genoeg is, niet meer past bij de cultuur van vandaag.

Maar is het gewoon niet altijd zo geweest? Het is niet alleen het faillissement van onze tijd, maar van alle tijden. Er is niemand die God zoekt.

Mensen zoeken soms wel naar religie, maar dat is iets anders. Er is niemand die, als hij God zoekt, werkelijk God zoekt. Dat is wat Paulus volhoudt. Wij zoeken vrede, zingeving, geluk, welvaart. Voor sommige mensen is daarvoor het woordje “God” nodig. Ook als God een fictie zou zijn, een bijgeloof, dan nog kan de religie soms ons leven bevorderen. Zoeken wij werkelijk God?

Misschien is het veel belangrijker dat God ons zoekt. Is dat niet juist het wonder? Dat is wat in geen mensenhart is opgekomen. Dat is de betekenis van de komst van de Heer Jezus. Dat is de zin van de komst van de heilige Geest. Het komt allemaal van die andere kant. Het komt helemaal niet aan op ons zoeken. Het gaat erom dat God ons vindt.

Wat kunnen wij dan nog zoeken? Wij zoeken een Here die al nabij is. “Zoekt de Here, terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is. De goddeloze moet zijn weg verlaten en de onrechtvaardige zijn gedachten en hij moet terugkeren tot de Here, want Hij vergeeft veelvoudig, want Zijn gedachte zijn niet uw gedachten en Zijn wegen zijn niet uw wegen.”

Er is niemand die God zoekt – maar Hij wordt gevonden, één keer en steeds weer opnieuw door mensen die in liefde en trouw vasthouden aan Jezus Christus, die God voor ons openbaar maakte. God laat zich vinden in zijn levende Woord. God laat zich vinden in de gemeente die rondom Christus samenkomt. God laat zich vinden terwijl wij Zijn lof zingen. Wie God heeft ontmoet, kan niet meer zoeken; wie het hart van God leert kennen aan de eigen hartslag, schreeuwt het uit van vreugde midden in de troosteloosheid van het naakte bestaan: “Abba! Vader! U alleen, U behoor ik toe.” En zo wordt dan ook dat andere woord waar, dat de apostel gesproken heeft: “Ik ben gevonden door hen, die naar Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden aan hen, die naar Mij niet gevraagd hebben.” Wat we nodig hebben is niet aanpassing, maar ernst, niet “modern” worden, en de goden van onze tijd gaan dienen,  maar gelijktijdig worden met de levende Heer. Dan zijn we de zeven duizend, die hun knie niet gebogen hebben voor de Baäl. Dan zijn we de “kleine kudde” van de Herder Jezus,  in een wereld die als geheel God niet meer zoekt.

Verootmoediging…

“Nu dan, spreekt de Here: Bekeert u tot Mij met uw ganse hart. Scheurt uw hart en niet uw klederen.” (Joël 2:12, 13)

Hebben wij wel eens stilgestaan bij het idee van “verootmoediging”? Dat is iets van de houding die wij in het geloof aannemen tegenover God. Heel onze liefde, heel onze toewijding, heel onze dankbaarheid, heel ons vertrouwen moet aan Hem gewijd zijn. Dat is een bekering met heel je hart. Niet alleen maar aan de buitenkant, niet alleen met het “scheuren van de kleren” tegenover andere mensen de indruk wekken dat je beseft een zondaar te zijn, maar daadwerkelijk dat innerlijk besef. Niets wat wij hebben in dit leven hebben wij verdiend, is zomaar en zonder meer van onszelf. Als we kijken naar onszelf zien we een mens die tegenover God en de naaste gefaald heeft. We zouden dat meer moeten beseffen. Niet om vervolgens gebukt te gaan onder de last van zonde en schuld, maar opdat wij een dieper besef krijgen van de genade die ons is toebedeeld.

Het gebed van verootmoediging in onze eredienst, is bedoeld om dat besef bij ons op te wekken. Dat wij voor God niet zouden kunnen bestaan als Hij onze toestand en positie niet ingrijpend had veranderd. Te beginnen met de positie: in Christus zijn wij Gods geliefde kinderen, we zijn geadopteerd. En dan onze conditie: Zijn Geest woont in ons en maakt ons van dag tot dag gelijkvormiger aan de Zoon van God. Als kinderen die Gods liefde ervaren kunnen wij dan voor Hem staan, maar toch ook in het besef van de afstand die onze zonden maken tussen ons en een heilige God.

Liefde was het, onuitputtelijk
liefde en goedheid eindeloos groot.
Toen de Levens-Vorst op aarde
tot ons heil zijn bloed vergoot.
Komt, laat ons zijnen liefde prijzen!
God geeft vreugde en dankens-stof,
eenmaal zingen wij voor eeuwig
in de hemel zijnen lof.
(Lied 602:1, Hemelhoog)

Uitgaan van het geloof of niet?

Iemand op het Vrijdenkersforum schreef:

“Een redelijk veel voorkomend probleem bij gelovigen is dat ze het heel moeilijk hebben om te begrijpen dat een verdeding van hun geloof, niet kan uitgaan vanuit dat geloof. Hoewel dat is niet helemaal juist verwoord want ze begrijpen dat concept maar al te goed als iemand van een ander geloof dat op die manier doet maar toch blijkt de verleiding maar al te groot om als ze het eigen geloof verdedigen, dat geloof op een of andere manier als uitgangspunt te nemen. Dan kan je het de vrijdenkende deelnemers hier moeilijk kwalijk nemen als die na een tijdje hun geduld verliezen.”

Een verdediging van het geloof, kan niet uitgaan van het geloof? Maar waar moet het dan vanuit gaan? Van ongeloof? Als je moet vertrekken vanuit de positie dat God niet bestaat, kun je jezelf niet al redenerend naar het geloof toesleuren. Geloof is nu eenmaal geen intellectuele positie die iemand na wetenschappelijk onderzoek gaat innemen. Bij het geloof is heel veel betrokken: emoties, ervaringen, teksten, woorden, andere mensen, een gemeenschap (de kerk) en zoals wij geloven: God zelf en de heilige Geest i.h.b. schenkt ons geloof. De bron ligt niet eens bij ons en onze beslissingen.

Zoals ik al eens eerder schreef: het geloof kan uitsluitend verdedigd worden vanuit het geloof. Natuurlijk is dat logisch gezien een cirkelredenering, zeggen de slimmerds onder de Vrijdenkers dan. Maar het is een noodzakelijke cirkel, waar gelovigen niet aan kunnen ontsnappen. Ik verdedig immers mijn geloof als gelovige!

Een analogie daarvan is deze: als ik wil uitleggen of verdedigen dat ik van mijn vrouw hou, moet ik dan “vertrekken vanuit de liefdeloosheid”? Dus eerst uitleggen dat ik niet van haar hield en dan vervolgens bewijzen hoe ik stap voor stap – logisch en noodzakelijk – ertoe kwam om toch van haar te gaan houden?

Als ik dat zou kunnen, zou de twijfel gerechtvaardigd zijn of ik werkelijk van haar hou. Zo is het ook met het geloof. Als ik kon uitleggen – logisch en met noodzaak – hoe ik van een ongelovige een gelovige werd, dan zou de twijfel moeten opkomen of ik werkelijk geloof.

Het gaat nu eenmaal andersom  – van geloof tot ongeloof – op andere wijze. Ik zou wél kunnen uitleggen hoe ik mijn liefde verloor, bij voorbeeld omdat mijn vrouw totaal van karakter veranderde, hoe ik mijn geloof ben kwijtgeraakt, omdat ineens of geleidelijk alles me is gaan tegenstaan of dat ik het redelijk wilde bewijzen en dat me dat niet gelukt is. Dat doen ze dan ook uitgebreid op het Vrijdenkersforum. Maar andersom – van ongeloof tot geloof – werkt het nu eenmaal niet zó. Dat maakt in hun ogen het geloof tot iets irrationeels. En dat is het ook vanuit hun gezichtspunt. Het is het werk van de Geest zeggen we dan als christenen – en we bedoelen dat niet als verheldering, maar als uiting van geloof zelf. Want wanneer we spreken over ons geloof, willen we dat gelovig doen, d.w.z. God loven en danken dat Hij ons het geloof geschonken heeft.

Gastblog: GELOOF, HOOP EN LIEFDE

En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, en wel genade op genade.” (Johannes 1:16)

Geloof: ik geloof in God en ik ben de Heere Jezus Christus dankbaar voor wat Hij voor ons heeft gedaan. Je kunt geloof niet aanleren of opdringen, het is er, of het is er niet. De genade raakt ons, God buigt zich naar ons toe met een groot “Ja” via zijn Zoon. Wij zijn volledig aanvaard en mogen dat in geluk ervaren. Ons kleine “ja” is Hem genoeg, de Vader is tevreden met onze aanbidding, onze belijdenis; dat wij Hem eren en ons voor God buigen. Wonderwel geeft dat knielen voor God mij innerlijke vrede en dankbaarheid. Zonder God te eren gaan we gebukt onder aardse lasten.


En het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen.” (Johannes 1:5)

Hoop: ondanks het volbrachte werk van de Heere Jezus Christus mogen wij God vrij naderen, zonder offers te brengen, zonder onszelf allerlei goede werken op te leggen, zonder tussenkomst van wet en hogepriesters. Alles kunnen we aan de Vader vertellen, belijden en in vreugdevolle hoop leven.

Er is licht en de duisternis heeft het niet begrepen of gegrepen. Omdat de duisternis geen kracht heeft, het is immers de afwezigheid van licht. Wij hoeven ons niet te verbergen in de schaduw voor God, zoals Adam en Eva dat deden na het eten van de boom van de kennis van goed en kwaad in het paradijs, want Christus heeft ons als kinderen van God in het licht gebracht.


En nu blijven geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de liefde.” (1 Korinthe 13:13)

Liefde: de liefde is kostbaar, en kwetsbaar, maar desondanks het sterkste wat ons binden kan. Iedereen wil worden liefgehad, het is van levensbelang. Liefde kun je niet dwingen, slechts ontvangen. En als je de liefde ontvangt van God de Vader, hoef je niets anders te doen dan toe te laten, geen barrières op te werpen. Ons “ik” kan een blokkade zijn om Gods liefde te ervaren. De Vader laat ons vrij, we hoeven geen goede werken te doen om in zijn gunst te komen. We zijn al in Zijn gunst, de Vader houdt al van ons.

Dat is reeds zichtbaar in het Oude Testament, maar des te meer in het Nieuwe Testament, waar de Heere Jezus Christus de liefde predikt en onze zonden aan het kruis op Golgotha volledig verzoent. Dat lijkt onbegrijpelijk, veel mensen wijzen dit zelfs af, omdat ze van mening zijn dat dit niet kan. Hoe kan een ander immers voor onze zonden sterven? Maar wat bij ons onmogelijk lijkt, is mogelijk bij God.

Christus is de Zoon van God, Hij bracht het laatste offer, het volbrachte werk, de missie van de Vader is voldaan, volkomen volbracht. Ik ervaar zelf de liefde van Jezus, de liefde van God. Ik dank de Vader dat ik de genade mag ontvangen, en dat ik er niets voor terug hoef te doen. Dat is vrede, dat is los-laten, hetgeen vergeving is. In de genade is vergeving, in de genade is liefde, in de genade is dankbaarheid. Wie de liefde ontvangt, kan die liefde zomaar spontaan doorgeven, omdat liefde een bloei is, je vloeit over en je kan slechts getuigen van de liefde. Dat is het wonder van de Heilige Geest, dat is het Goddelijke licht, voor mij en voor jou, voor iedereen.

Met liefdevolle groet,

Aurelius Augustinus

(Bijbelcitaten zijn afkomstig uit de Herziene Statenvertaling)